vrijdag 4 november 2022

Boeken in november

Laatst gelezen boek boven

Six Stops on the National Security Tour; rethinking warfare economics door Miriam Pemberton doet wat de titel belooft. De schrijfster maakt een reis door de Verenigde Staten en vertelt aan de hand van die tocht over het Militair Industrieel Complex (MIC). De term stamt uit de afscheidstoespraak van president Eisenhower, Hij waarschuwde ermee voor de gevaren van ongebreidelde Pentagon uitgaven en militaire invloed. De schrijfster zet deze waarschuwing extra kracht bij door te wijzen op de noodzaak technische inventiviteit te gebruiken om de klimaatcrisis te lijf te gaan, o.a. door het produceren van duurzame producten in plaats van steeds meer militaire technologie. Die boodschap past naadloos in haar betoog voor conversie, waarvan ze falende en geslaagde voorbeelden beschrijft. Het bekende werk, maar zeer goed gedocumenteerd met feiten, gewogen oordelen en ontwikkelingen. Hoewel het om Amerikaanse kwesties gaat, trekt het ook de Europeaan weer bij de les.

De basis voor het MIC is gelegd door Roosevelt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om de industrie te verleiden wapens te produceren, verstrekte hij belastingvoordelen, garandeerde winsten en liet de planning van het werk aan de industriëlen zelf. Winsten waren enorm en controle was er nauwelijks; patriottisme werd lucratief. Na de oorlog moesten de bedrijven vervangend werk zoeken voor de oorlogsproductie. Nauwelijks gebonden aan regels en met hulp van militairen werd de komende samenwerking gesmeed. Het MIC was geboren.

Nationale veiligheid
In de introductie op het boek wordt beschreven hoe het begrip Nationale Veiligheid zich aan de hand van in 1947 ingevoerde wetgeving (de National Security Act) nestelde in de Amerikaanse samenleving. Wat achterwege bleef was echter een definitie ervan. Opmerkelijk genoeg is die omissie er 75 jaar later nog steeds, terwijl de woorden tegelijkertijd een bijna magische macht hebben gekregen. Als je niet weet wat het is, dat kan je ook niet bepalen hoeveel geld je er aan moet besteden; wanneer is het genoeg. Er is immers geen vastgesteld doel. (Dit was een hoofdpunt in het betoog van Bill Arkin in
Generaals zonder Kleren.) Pemberton wijst er op dat in een eerdere versie van de Eisenhower's speech het gevaar nog ruimer geformuleerd werd en ook het Congres deel was van de kongsi waarvoor gewaarschuwd werd. En ze wijst er op dat een andere grondlegger van de Veiligheidsstaat, president Truman, eerder in zijn carrière nog een kritische blik had. Hij leidde als lid van het Congres een Commissie over Aanbestedingen in Oorlogstijd om de verspilling en fraude bloot te leggen. (Hiermee inspireerde nij jaren later andere Congresleden.) Toen hij president werd, bleek hij zo flexibel als een dropstaaf. Zijn twijfels over de verdere ontwikkeling van de atoomwapens voorkwamen niet dat hij hiervoor toch het groene licht gaf.

Meer, meer
Een boek schrijven over het militaire apparaat zonder de woorden controle, geheimen en
meer alsmaar meer (want minder leidt tot ernstige consequenties, zo herhalen denktanks keer op keer) is bijna onmogelijk. Pemberton kent de wereld van de militaire industrie. Het zijn geen louche types met vet achterover gekamd haar, maar gewone mensen die hun belangen goed in de olie weten te zetten. De frase “werkzaam in het witte boorden deel van de handel” maakt dit duidelijk. De bedrijven zie je niet of nauwelijks. Maar vrijwel alle adressen staan op papier, als je de weg weet. Ze gaat op zoek en reist naar zes Staten om te laten zien hoe de militaire economie werkt. Er is een gemene deler. Op alle plaatsen die ze bezoekt zijn er initiatieven geweest om zinniger economische activiteiten op te zetten. Het geeft de schrijfster ruimte om aan te geven waarom het gelukt of juist mislukt is en hoe het wel zou kunnen slagen. Ze spreekt daarvoor enkele hoofdrolspelers.

Het is zaak om middelen verstandiger in te zetten tegen de immense druk in. Het MIC gebruikt een scala aan tactieken om dit te voorkomen: zoals oncontroleerbare gegevens; de stoelendans tussen krijgsmacht en industrie; het binden van zoveel mogelijk bestuursorganen aan de productie door op heel veel plaatsen iets voor een wapen te produceren. Een mooi voorbeeld van het laatste: de tien arbeidsplaatsen in de staat Wyoming voor de F-35 worden opgevoerd als banenargument.

Het resultaat is dat de militaire uitgaven sinds het invoeren van de toverformule National Security alleen maar steeds verder zijn opgelopen. Hoewel dit met abrupte stijgingen voor oorlogen en krimp na afloop gepaard ging. In Nederland zien we dat na de Korea oorlog vertraagd terug, maar ons land kent daarna vrij stabiele Koude Oorlogsuitgaven, gevolgd door een kleine dip en enige invloed van de Afghanistan oorlog. Inmiddels zitten we weer terug op de Koude oorlogsuitgaven (zie figuur vergelijkbaar met die op pagina 15 van het boek). Verdere stijgingen zijn – ook in Nederland – niet uit te sluiten. Of dit verstandig is? Pemberton is er van overtuigd dat de grootste bedreiging de klimaatcrisis is en we vermoedelijk gaan kampen met volgende pandemieën. Daar zouden meer middelen naartoe moeten.


Op 1

De militaire uitgaven staan in de VS met voorsprong op 1 van de begrotingsposten. Dat wekt geen verbazing als je beseft dat die uitgaven net zo groot zijn als die van de volgende 11 landen samen en dat de Verenigde Staten 750 bases heeft in op zijn minst 85 landen. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland hebben er tussen de tien en twintig en China maar één buiten de Zuid-Chinese Zee. De schrijfster merkt op dat dit laatste land inspiratie zal putten uit het Amerikaanse beleid. Dat beloofd dan weinig goeds. We zien het nu al, zoals met betrekking tot kernwapens. Er zit nog een opmerkelijke kant aan de Amerikaanse krijgsmacht. In 2008 bleek dat er evenveel private huurlingen (private military companies, PMC) als militairen in Irak voor het Pentagon actief waren. Een onderzoek naar het hoe en wat van deze privatisering van het personeelsbeleid werd onder druk van de PMC-lobby gestopt. In 2021 was de verhouding in het Midden-Oosten al 1:2,8 in het voordeel van de huurlingen. Des te opmerkelijker aangezien de uitbesteding niet voordeliger was voor de Amerikaanse schatkist.


De hele bespreking hier.

Volgende bespreking onder foto.

Laatst gelezen boek boven.
Beb Vuyk (1905-1991) Verzameld werk (2e gewijzigde druk, 1981) bevat niet alleen de drie romans van de schrijfster, maar ook een vijftiental teksten. Het zijn vooral verhalen, maar ook twee artikelen over haar werk en leven. De publicaties zijn opgenomen in volgorde van verschijnen. De omlijsting bestaat uit een summiere en slordige verantwoording van de teksten. Zelfs de losse omslag is nauwelijks van woorden voorzien. Twee recensenten worden aangehaald om het werk te duiden, avontuurlijk, onafhankelijk en intelligent zijn de trefwoorden bij de een. De ander voegt er nog overtuigende schrijfkracht aan toe. Het vat het werk treffend, maar wel uiterst beknopt samen.

Er is maar een enkel verhaal waarin Indië of Indonesië geen rol speelt: De verliezer. Hoewel ook daar de stad Ternate in de Molukken opduikt in een verhaal dat wel de koude Noordpool als hoofdpodium heeft. De schrijfster woonde in 1930 tijdens de publicatie nog in Nederland. Ze komt uit Delftshaven en had als kind uitzicht op de weilanden. Haar vader werkte bij de Schiedamse werf Gusto. Een kleine scheepswerf is ook het decor voor het eerste verhaal De vriend. Dat verhaal staat bol van door zeelieden meegebrachte verhalen en ook de angst dat één leven te beperkt zou zijn om alles wat achter de horizon ligt te kunnen beleven. Vuyk was 25 jaar oud toen ze het schreef en stond aan het begin van haar eigen leven vol avontuur.

Plaatsbepaling
Vele namen begint met de krachtige zin: “Hanks vader is een Indo en een verbitterd man, sedert de verwachte bevordering is uitgebleven en een jonge Hollander, nog niet lang op de onderneming, bevorderd werd.” De beschadigde positie van de vader zou overgaan op de de psyche van de zoon. De kans bestaat dat het verhaal momenteel denigrerend met het woord woke zou worden afgeserveerd door witte Nederlanders die liever blank worden genoemd. Een dergelijke denigrerende houding zou miskennen dat de schrijfster zoekt naar wat schuurt in haar wereld, door te reizen, lezen en schrijven. Lezen komt in verschillende verhalen ook als uitvlucht voor uit het dagelijkse leven, bijvoorbeeld in het naar een Molukse onderneming genoemde verhaal Way Baroe uit 1940 waar het een opiaat tegen de verveling is. Ze beseft maar al te goed dat niet iedereen graaft naar gevoelens en motieven. Daarmee matten “gespleten en overbewuste intellectuelen” (p. 364) zich af. Dat zoeken is Vuyk niet vreemd, ze probeert haar plaats te bepalen in de samenleving van vele kleuren en dat gaat haar ook niet als vanzelf af.

Vermomd autobiografisch
Het artikel Mijn Grootmoeders (VN 3 en 10 februari 1961) vertelt over kindertijd en dat de eerste drie verhalen allen gaan over hoofdpersonages die te kampen hadden met een verminking uit de kindertijd. Hierna verschijnen de twee romans Duizend Eilanden en Het laatste Huis van de wereld. We zitten daarmee al midden in Nederlands Indië. Vuyk schreef later in De vervulling en de terugkeer dat de romans zijn geschreven zoals gezien met eigen ogen. Dit gaf er directheid aan. In het laatste huis verdween zelfs de romanvorm die voelde als een belemmering; het werd een kroniek. Het hout van Bara gebruikt dan weer de romanvorm, omdat zo een conflict uit het dagelijks leven met afstand kon worden beschreven. Daarmee werd het bevel van de resident van Ambon gevolgd dat er geen woord over een conflict tussen Vuyk en haar man enerzijds en het bestuur aan de andere kant zou worden geschreven. 'Vermomd autobiografisch' noemde Vuyk het boek. Later, vanaf All our Yesterdays (1958, geschreven in Nederland), zou ze dicht bij haar dagboek noties blijven.

Gelukkige tijd
Het journaal van een prauwreis (in de verantwoording prauwtocht genoemd) werd gepubliceerd als '...reis' in D'Orient in december 1939 ' (zie blz 342) en een klein jaar later als '...tocht' in het eerste nummer van tijdschrift De Fakkel (1 november 1940, zie blz. 19). Het verhaal sluit naadloos aan de eerste twee romans. Langzaamaan begin je de avonturen van Vuyk te herkennen. Een kinderboek dat ze schreef over de tijd op Baroe is niet opgenomen in het verzameld werk, maar verhaalt eveneens over de gelukkige en bekende tijd op Baroe. Er zijn bootreizen die je denkt al gemaakt te hebben. De paar jaar op het eiland zonder enige luxe hebben de meeste literaire werken opgeleverd.

Chinese vrouwen
Wetenschapster
Widjajanti Dharmowijono constateert in haar studie 'Van koelies, klontongs en kapiteins: het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza 1880-1950' dat de ik-vertelster uit de Prauwtocht praat met de Chinese vrouwen, maar echte communicatie is er nagenoeg niet, want “waarover kun je praten met een Chinese vrouw met kleine gebonden voeten?” Bij mij staat de Chinese vrouw uit het laatste verhaal uit het verzameld werk, Ngawang, scherp op het netvlies. De toko wordt door plaatselijke bewoners om haar heen weggebroken als de Japanners Java zijn binnengevallen. De vertelster ziet de Chinese in het licht van een lamp met onbewogen gezicht en bijna gedesinteresseerd. Is dit een visie op de exotische mens, de mens die je niet begrijpt? Het zou bij een positieve uitleg ook een beschrijving van de shock kunnen zijn. Het moet worden toegegeven dat Vuyk ook nog verwoordt dat de kleine zoontjes zich aan de Chinese vastklampten, waarmee de vrouw weer tot moeder en daarmee mens werd. Het verhaal Ngawang behandelt daarnaast de grote afstand tussen kinderen van blanke vaders en hun inlandse moeders die zo snel mogelijk uitgewist moeten worden of opgewaardeerd naar een Javaanse prinses om de getinte huid te verklaren.

Ida Nasution

Verhaal van een toeschouwer is het eerste dat na de oorlog verscheen. Het verhaal is opgedragen aan Ida Nasution. De naam roept iets in me wakker. Dat zal wel door de naamgenoot Haris komen. Bij de Koninklijke Bibliotheek vind ik een artikel uit de De Revisor over Ida Nasution. De schrijver, P.J. Thung, is een leeftijdgenoot en werd getroffen door haar uitstraling. Het wezen van haar culturele maatschappelijke filosofie begrijpt hij vijftig jaar later pas echt en dan kan hij ze ook plaatsen in de tijd. Ida zou in 1948 op 24 jarige leeftijd verdwijnen. Zeer waarschijnlijk omdat ze doelwit werd van de Nederlandse aanval op de Indonesische culturele elite. In het artikel stelt Thung dat de meest gedetailleerde beschrijving van haar dood als 24 jarige in 1948 is geschreven door Vuyk, maar dat die weinig geloofwaardig was. Waar ze dat schreef meldt hij niet. In De toeschouwer kwam ik het niet tegen, of het moet een door mij niet opgemerkte verdichting zijn. Aan het slot van zijn artikel komt hij zelf terug op De toeschouwer en schrijft dat hij geen In Memoriam van Ida kon vinden alleen de opdracht in het verhaal van Vuyk. Daarmee brengen ze dan samen in 2022 voor mij een kritische universele levenslust uit de jaren van de Indonesische revolutie tot leven. (Zie meer over Ida Nasution op dit blog, met Google vertaal goed te lezen.)

Lezen over Nasution geeft ook inzicht in de positie van Vuyk, die keuzes zou maken vergelijkbaar met de hare en daarom ook het land van haar dromen in 1958 verliet (
aldus Rudy Kousbroek) of zou moeten verlaten als opposant van Soekarno. Ze was deel van een socialistische politieke beweging die had afgedaan. Sutan Sjahrir (tot wiens groep ze had behoord), de eerste premier van Indonesië, werd in 1962 gevangen genomen. Haar collega Mochtar Lubis (o.a. van het prachtige boek Het land onder de regenboog) werd gevangen genomen. Ze werd daarmee een van de velen binnen de stroom die naar Nederland ging. De keuze voor de Republiek was niet voldoende. Haar felle tegenstand tegen Soekarno zou haar naar een woonboot in de Vecht bij Loenen jagen. Als je gaat graven merk je hoeveel er onder de oppervlakte van de verhalen leeft.

Zwarte huid blanke maskers

De keuze voor de Republiek is geen vanzelfsprekendheid zoals blijkt uit het verhaal De jager met zijn schietgeweer, waar een Indo scheepskapitein kiest voor de kolonialen en tegen de Indonesiërs en de nieuwe verhoudingen: bovendien is het zijn “zwarte vel, mijn eigen vel dat ik zou willen afscheuren. Het is de Aziaat in mijzelf die ik haat.” De scheepskapitein kende het gezin Vuyk op Baroe goed en bezocht hen regelmatig. Hij had er bewondering voor dat zij konden wat de Hollanders konden, een land ontginnen, leven in harde omstandigheden. Hier ontploffen de koloniale verhoudingen rechtstreeks in het gezicht van de schrijfster. Het lezen ervan doet pijn.

Ontrafeld

De beschrijving van een feest in een long house, nog versierd met oud houtsnijwerk, bij de Dajaks en hoe de prachtige folklore toch uiteindelijk van zijn schone schijn wordt ontdaan is een mooie manier om betrokken, maar toch met gepaste afstand te schrijven. De titel zegt veel over de levensinstelling van de schrijfster: Avontuur als vakantie. Later schreef ze nog eens over het bezoek aan de Dajaks in Full of sound and fury. Dan komt het koppensnellen dichterbij. Aan de plafonds hangen manden met schedels, ook verse. Het blijft macaber; gesneden van Japanse rompen.

De Japanse bezetting gaat allengs een steeds grotere rol spelen in de verhalen. Overleven binnen en buiten de kampen. In
All our yesterdays vermengt een ziekenhuisopname zich met vreselijke intimidatie door een officier van de Kempeitai. De toeschouwer gaat vrijwel geheel over een man met oorlogs- en kampervaringen. Het heeft – ondanks alles wat benoemd wordt –, een buitengewoon positieve toon. Huize Sonja graaft weer in de koloniale samenleving en laat zien dat een te snel geveld oordeel wel eens naast de plank kan slaan. De laatste waardigheid laat de complexiteit van de (post) koloniale samenleving op Sumatra zien waar verschillende loyaliteiten spelen. De onafhankelijkheidsoorlog met zijn verraad en martelingen door de strijdende partijen komen samen in Full of sound and fury. Weer wordt Engels gekozen voor de titel. Deze komt van Shakespeare uit MacBeth (5e akte, 5e scene) waar de koning zelf zegt: “Verteld door een idioot, vol brallende onzin. Die niets betekent.”

Lezen is meer dan een avontuur. Het is ook het inleven in mensen en situaties als het verhaal goed vertelt wordt. Hier gebeurt dat en wordt een stuk van 15 jaar Nederlands kolonialisme en oorlog ontrafeld door een betrokkene.

Verder lezen:
* Joop van den Berg, Niet uit nostalgie; Beb Vuyk (1905), 1990.
* H.G. Surie, Driemaal Beb Vuyk, Hollands Weekblad. Jaargang 4 (1962-1963)
* A. A. Scova Righini, , Een leven in twee vaderlanden. Een biografie van Bep Vuijk, Universiteit van Amsterdam (in eigen beheer), 2004.
* Widjajanti Dharmowijono, Van koelies, klontongs en kapiteins : het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza 1880-1950, Universiteit van Amsterdam, 2009.

Volgende bespreking onder foto.

Laatst gelezen boek boven.

Tsjik is een roman van Wolfgang Hernndorf. De naam in de titel is de gemakkelijker bekkende afkorting van Tsjichatsjov. Hij is de zoon van Russische immigranten in Berlijn en komt op zijn 14e al met regelmaat dronken naar school. Hij zit in de klas bij Maik Klinkenberg. Maik is zoon van een moeder die regelmatig naar de Beautyfarm – een familie code voor de afkickkliniek – gaat. Met vader gaat het ook al niet goed. Zijn bouwproject is gestuit op een paar beschermde dieren, waardoor zijn aangekochte stuk land voor een nieuwbouwwijk braak ligt. Er is alleen een klein speeltuintje opgetuigd.

Als moeder weer in de beautyfarm zit en vader op vakantie gaat met zijn jonge secretaresse, blijft Maik alleen achter met geld en eten voor de komende weken. De vakantie was toch al slecht begonnen met een feest waarvoor iedereen was uitgenodigd behalve Maik, Tsjik en nog wat buitenbeetjes.

Tsjik dringt zich aan Maik op en uiteindelijk gaan de twee met een gestolen Lada opzoek naar de opa van Tsjik die in het denkbeeldige Wallachije zou wonen. Ze vinden hem natuurlijk niet, maar onderweg maken ze van alles mee en het is heerlijk om op de achterbank mee te rijden met de innemende pubers.

Even struikel ik over de belangrijkste man van Nederland de komende maand. Louis van Gaal wordt genoemd door de hyper fitte gymleraar van de jongens:
“En van Gaal die ouwe vos!” In de werkelijkheid zou de huidige trainer van het Nederlands elftal zeggen: “Logisch toch,” want in 2010 – het jaar dat het boek uitkwam – was hij coach van Bayern München. Het middelpunt der dingen is hij vanzelf; niet gespeend van een flinke portie eigendunk. Maar ik had hem hier niet verwacht.

Dat de roman is
verfilmd wekt dan weer geen verbazing. Herkenning is prettig en wie heeft geen herinneringen aan leraren op de middelbare school. Het boek leest daarbij als een voortrazend filmscript, geeft een fijn gevoel en is positief van toon (zelfs over de politie geen kwaad woord). Mensen blijken behulpzaam en het leven is mooier en avontuurlijker dan het leek in het grote huis met zwembad thuis bij Maik. Tsjik zet echter de toon.

P.S. Op Facebook werd ik erop gewezen dat de auteur is overleden. Hij had glioblastoma een vorm van kanker die eerst de hersens en daarna de zenuwbanen aantast. Hij benam zichzelf het leven met een revolver. Een ander vertelt dat hij nu
vlakbij Brecht begraven is op het Hugenoten Friedhof in Berlijn. 

Volgende bespreking onder foto.



Laatst gelezen boek boven.

Het avontuur van de dameskapper is een roman van Eduardo Mendoza de schrijver die bekend is geworden door het boek 'De stad der wonderen', waarvan er miljoenen werden verkocht. Net zoals dat boek speelt ook dit in Barcelona.

De hoofdpersoon is een uit een psychiatrische inrichting ontslagen kleine crimineel die aan de slag gaat als kapper. Hij wordt betrokken in een diefstal, moord en de intriges van een groep toonaangevende personen in economie en bestuur van de stad.

Op de achterflap wordt Ingrid van Frankenhuyzen aangehaald die het boek voor NRC recenseerde:
“Een grote postmoderne schaterlach... De lucide en prozaïsche stijl van Mendoza in combinatie met de vele onzinnige verwikkelingen, zorgt er dan ook voor dat de thriller niet stilletjes gelezen kan worden. Zelden las ik zo'n hilarisch boek.”

Zelf was ik bang dat dit een boek zou worden waarvan ik de laatste pagina niet zou halen, zo plat vond ik de lollige humor die van de pagina's spatte. Een niemendalletje van bijna 300 bladzijden. Goed de verwikkelingen sleepten me uiteindelijk toch mee naar de laatste pagina en de onthulling van wie welke rol speelde bij de moord. “Een burleske, exuberante atypische misdaadroman” noemde de Volkskrant het boek. Het lag kennelijk niet aan mij.

Maar misschien is het voor in de zon op het strand. Af en toe de oogleden van binnen bestuderen en daarna weer verder letters happen. Er wordt in het verhaal zelfs een plaats iets ten noorden van Barcelona genoemd: Vilassar, goed bereikbaar per trein, met het “station pal aan het strand.” Of aan de andere kant van de stad Castelldefels, waar je vast nieuwsgierig wordt wat er achter de deuren van de grote huizen gebeurt. Maller dan in deze roman zal het niet worden.

Volgende bespreking onder foto.

Laatst gelezen boek boven.

De Woensdagclub van Kjell Westö speelt in het Helsinki van 1938. De stad wordt in het boek op zijn Zweeds Helsinfors genoemd. Het werd in de 16e eeuw gesticht door de Zweedse koning Gustaaf I en de Zweden zouden tot begin 19e eeuw de dienst uitmaken in Finland. Daarna zou hun invloed ook cultureel gezien tanen. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog sprak een tiende van de bevolking van Finland nog Zweeds. De Woensdagclub is een kleine Zweedstalige vriendengroep uit advocatuur, geneeskunde, journalistiek, kunst en industrie in de Finse hoofdstad.

Het boek raakt drie zaken. De pijnlijke oorlog in de begin jaren twintig, van de twintigste eeuw waarbij de Roden door de Witte werden verslagen. De volgende gewelddadige vernedering speelt door in de verhoudingen in de Finse samenleving. De sociaal bewogen – maar niet te overdreven – advocaat Thune gebruikt de woorden gevangene en gevangenis, terwijl zijn administratieve steun en toeverlaat mevrouw Wiik en slachtoffer van de Witten daarvoor de woorden strafkampen en doodsbarakken gebruikt. De advocaat is een Zweedstalige man uit de bevoorrechte klasse. Mevrouw Wiik stamt uit de Finstalige arbeidersklasse. Er speelt nog een conflict en dat ligt als een de adem afsnijdende walm over het hele boek, de opkomst van het nazisme in Europa.

In het voorwoord schrijft Westö een korte uitleg over de geschiedenis van Finland. Vreemd genoeg weinig over het jaar waarin het boek speelt. Wel over de jaren daarna waar Finland eerst een oorlog tegen Rusland vocht, de Winteroorlog van 1939-1940 en tussen 1941 en 1944 samen met Duitsland de Vervolgoorlog. Of Finland een bondgenoot was of een meestrijdende partij daarover wordt nog steeds gedebatteerd. In De meeuw van Sándor Márai speelde de Winteroorlog ook al een rol: voornaam op de achtergrond.

In de Woensdagclub zijn er een paar die net niet helemaal openlijk antisemitisch zijn, die net niet helemaal Duitsland steunen, maar wel bijna. Het geeft frictie en het is teveel voor de vriendengroep. Het is zo'n onderwerp waar je het beter niet over kan hebben als je de lieve vrede wilt bewaren (je kent het wel: geloof, opvoeding, zwarte piet, Israël-Palestina e.d.) en als dit niet mogelijk is dreigen jarenlange vriendschappen te sneuvelen. Maar sommige ontwikkelingen zijn te groot om niet genoemd te worden. Zo ook hier. Bovendien speelden hier ook de nog lang niet geheelde wonden van nog geen twee decennia eerder. Westö merkt in het voorwoord bij het boek uit 2013 op: “Helaas zijn de sporen en littekens van de problematische geschiedenis van Finland ook nu nog zichtbaar en hoorbaar voor degenen die het land goed kennen.” Hij vertaalt dit zwijgen en ongemak naar een roman.

Mevrouw Wiik hoort de leden van de Woensdagclub aan: “Op verheven toon, soms klonken ze als slechte toneelspelers die op de bühne stonden te declameren. Geen bescheidenheid, de humor zonder uitzondering grof en lomp.” Ze voegt daar verzuchting aan toe, die helaas niets aan zijn waarde heeft ingeboet: “Waarom begrepen ze niet dat je wijs werd door goed te luisteren? Niet door zelf te oreren, verliefd te worden op je eigen stem, steeds te herhalen wat je al zo zo lang meent en vindt ...”

In het boek reizen we in 1787 ook samen met Caterina de Grote over de Krim. Het schiereiland is net door haar voormalige geliefde de Maarschalk Potemkin op de Turken veroverd. Ze gaat met veertien enorme woonhuizen op sleden en die worden gevolgd door 164 gewone sleden. Als de sneeuw gesmolten is gaat de reis verder over de Dnjepr met schepen waarop een bibliotheek en concertzaal met symfonieorkest. Ze zien voortdurend de meest weelderige omgeving. Tot de reizigers gaan beseffen dat ze voor het lapje worden gehouden en het voor de passanten in scene gezette situaties zijn. Een dergelijke vertekende voorspiegeling is bekend geworden als Potemkindorpen. Het schiereiland is inmiddels niet meer weg te denken uit het actuele nieuws. Er is helaas wel meer uit die beschreven jaren dertig dat enigszins aan nu doet denken.

Het boek ademt een sfeer van een opkomend fascisme en hoe mensen daarmee omgaan. Wees toch niet zo uitgesproken of juist wel. Het is een afweging. Hoe kan een Jood zijn Jood zijn benadrukken in deze tijden, stelt een van de zes vrienden. Daarnaast zit er een plot in de roman dat je onvermijdelijk aan ziet komen, maar toch ook verrast. De Woensdagclub is spannend, dwingend en met voelbare – om een veel misbruikt woord te gebruiken – urgentie om een verhaal met grote betekenis te vertellen.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.