maandag 22 april 2024

Boze Geesten



Boze Geesten van F.M. Dostojevski uit 1872 behoort niet tot zijn bekende titels zoals De idioot, De gebroeders Karamazov en Misdaad en straf dat wel zijn Het is dan ook een boek voor doorbijters.

Langzaam, eindeloos sloom, vloeien de woorden. De schrijver observeert mensen, overdenkt vraagstukken en kleurt daar zijn verhaal mee. Dat is knap en interessant, en die kunde is mogelijk de reden dat ik zo'n veertig jaar geleden de eerder genoemde boeken met plezier las, evenals dit boek dikke pillen. De voor het verhaal nodige ontwikkelingen uit het eerste kwart van de ruim zevenhonderd pagina's zouden makkelijk op twee bladzijden passen. De lezer komt in die bladzijden een groot deel van de personages en wat beschrijvingen van hun leven tegen en bezoekt een aantal huizen in de fictieve provincie stad op het Russische platteland. De Dostojevski fans en deskundigen halen er vast veel uit. Voor de gewone lezer staat er weinig. Je zou bijna een inlegvel schrijven voor wie meteen door wil naar Deel 2. Pas dan begint immers het verhaal tot leven te komen.

Kroniek
De verteller is Anton Lavrenjevitsj, een kroniekschrijver en medewerker van het holle vat, de intellectueel Stephan Trofimovitsj Verchovenski. In deze kroniek meldt Anton zelf op pagina 217 dat niemand wist wat er nu echt gebeurde in het stadje waar het verhaal speelt en waar een
het Genootschap van de socialistische revolutionairen actief is. Het zal de afwezigheid van ontwikkelingen verklaren. Vanaf deze opmerking begint hij de gang van zaken te ontrafelen en verslag te doen van activiteiten van de groep mensen die de samenleving wil ontwrichten, die brand sticht, moorden pleegt en samenspant tegen de society. De groep zou een knoop zijn in een netwerk van knooppunten door Rusland bestaande uit vergelijkbare groepen onder een centrale leiding. Hier staat ze onder leiding van intrigant Pjotr Trofimovitsj (de zoon van Stephan T.) waarvan de morele kompasnaald overal heen wijst, behehalve naar het noorden. Hij heeft alle organisatorische touwtjes in handen, zodat de anderen om mee te doen, naar zijn pijpen moeten dansen.

Ideeën
Onderweg komen we de bouwkundig ingenieur Kirilov tegen met een wonderlijke levensfilosofie waarin de volgende les:
“als men wist dat men het goed had, zou men het ook goed hebben, maar zolang men nog niet weet dat men het goed heeft zal men het slecht hebben.” Er zit wat in – ook in de huidige tijd nog – maar Aleksej Kirilov trekt het tot in het absoluut absurde door en dan slaat het evenveel kapot als het laat glanzen. Ideeën te over in de roman, waaronder veel religieuze, maar ook algemene, zoals: “Men kan inderdaad wel zien dat heel de tweede helft van het menselijk leven gewoonlijk alleen maar bestaat uit de gewoonten, die men in de eerste helft heeft aangenomen.”

Dat het boek niet losstaat van het Rusland van Dostojevski's tijd is duidelijk, maar er zijn ook meer persoonlijke noten die de schrijver kraakt. Zo zet hij met Karmazinov, een literair contact van hem neer: de schrijver Toergeniev, en niet op een complimenteuze manier.

Polemiek
Weer kom ik Wat te doen in een boek tegen. De titel blijft hangen, omdat hij later door Lenin voor een van zijn boeken is gebruikt. Maar hier gaat het om een roman van Tsjernysjevski, geschreven terwijl de schrijver was opgesloten in een vesting. Hij was een utopisch socialist en dit werk wordt in Boze Geesten beschreven als een boek waaruit de ideeën voor de schreeuwlelijkerds te halen zouden zijn. Dat Dostojevski geen fan van de populaire schrijver was bleek ook al in Aantekeningen uit het ondergrondse (1864), waarin hij polemiseerde tegen de roman van Tsjernysjevski.

Nieuwlichters
Dostojevski was zelf overigens tien jaar dwangarbeider in Siberië geweest (1849-59), de Tsaar had ook al zijn Goelag, vanwege zijn pleidooien om het lijfeigenschap af te schaffen. Een wens die in maart 1861 werd vervuld. Maar de dwangarbeider van weleer keert zich in dit boek tegen het Genootschap, dat wordt neergezet als een groep van nihilisten, atheïsten, brandstichters, en laffe moordenaars, ze vormen een organisatie die wordt bijeengehouden door de angst een eigen mening te hebben. Al vroeg in het boek worden de socialisten uitgemaakt voor irreële geldwolven. De Jood in het gezelschap is de verrader, hoe terecht het ook was dat hij naar de politie stapte, het is een karakterisering die past binnen het antisemitisme uit (het Rusland) van die tijd. Boze Geesten is een pleidooi, voor de chriselijke God, Vadertje Staat en Moedertje Rusland en dat onder leiding van de Tsaar en keert zich tegen nieuwlichters, liberalen en mensen die niet tevreden zijn. Je kan immers een gelukkig leven leiden als je beseft dat je met alles gelukkig kan zijn, zo vertelt voormalig student Sjatov in een lang pleidooi voor een dergelijk blind genot.

Dwarsligger
Het leven van de querulant Nicolay Stavrogin vlecht zich door het verhaal heen. Hij is rijk, heeft een voorname moeder, maar is ook onaangepast en heeft grillen. Hij zou een rol moeten spelen in het Genootschap. Pjotr doet zijn uiterste best hem erbij te halen. Nicolays status rijst en valt. Op een gegeven moment wordt hij zelfs door zijn manke en geestelijk achtergebleven vrouw van laag allooi niet meer voor vol aangezien. Hij trouwde haar juist vanwege haar maatschappelijke positie die geheel tegengesteld was aan de zijne; als een soort practical joke, om dwars te liggen. Dat betekent overigens niet dat deze neerbuigende blik een algemene houding visie op hem is. Door zijn optreden tijdens een duel, aangegaan vanwege een belediging, en zijn stijlvol negeren van een klap door een voormalig onderhorige, wordt hij op grote hoogte geplaatst door de gegoede inwoners van de provinciestad. Het zijn wat toevallige opmerkingen rond deze handelingen die tot de waardering voor hem leiden. Je krijgt het idee dat hier de plaatselijke elite hier door Dostojevski te kakken wordt gezet, ze zien niet wat ze doen, namelijk een nihilist in het zadel helpen.

Varkens
Een van de twee motto's voor het boek is de tekst uit
Lucas 8:32-36 waar Jezus boze geesten in een man toestaat zich in in een groep varkens te nestelen. De varkens vielen vervolgens in een meer en verdronken. De man was genezen en de geesten verdwenen. Dit motto komt ook nog eens volledig terug in het verhaal zelf. Sterker nog het stond in een geschrapt stuk ervan en werd overgeplaatst naar een niet gecensureerd deel. De tekst heeft dan ook veel betekenis voor de roman. Dostojevski keert zich tegen de nieuwlichterij en maakt deze nieuwe visies met dit boek zwart en wil ze uitdrijven, zoals Jezus deed met de boze geesten. Stephan Tromfimovitsj zegt op zijn ziekbed letterlijk: “(...) dat is precies als ons Rusland. Die boze geesten, die de zieke verlaten en in in zwijnen trekken – dat zijn alle pestbuilen, alle miasmen, alle onrein, alle duivels en boze geesten die zich hebben opgehoopt in onze grote en dierbare patiënt, in ons Rusland, sinds eeuwen en eeuwen!” Hij past de legende geheel toe op Rusland en het vuil zal ook daar in varkens trekken en verdwijnen. Je ziet het in de loop van het boek al gebeuren.

Opmaat
De lezer bezoekt traag maar gestaag zowel de grote landhuizen met hun rijkdom en met hun feodale omgangsvormen en machtsverhoudingen, als huisjes langs achteraf straatjes, waar de armen en aan lager wal terecht gekomen mensen leven. Die lezer maakt zelfs een reis met een boerenkar, onderweg wordt een huiskamercafé aangedaan en geslapen in een groot huis om op de veerboot te wachten. Het verhaal speelt anderhalve eeuw geleden, waarna nogal wat gebeurt is in het enorme land. Je kan het verhaal dan ook niet op het Rusland van nu plakken. Toch krijg je enig idee van het enorme land en hoe er geleefd werd. Je kan het boek wel lezen als een opmaat naar de protesten van 1905 en de revolutie van 1917. Die sfeer hangt in boze geesten al in de lucht en het uitdrijven is niet gelukt.

Essentieel

De roman verscheen in afleveringen in het tijdschrift de Russische Bode (januari-november 1971). Er is een flink deel geweigerd door Michail Katkov de uitgever van de Bode vanwege een beschreven zedenmisdrijf. Dit deel zou later bekend worden als 'De biecht van Stavrogin'.
In dit zevende deel van het verzameld werk door uitgeverij Van Oorschot is het is het wel opgenomen; sterker nog in twee licht verschillende versies. Het hoofdstuk draait om Nicolays' bezoek aan de monnik Tichon waarin hij zijn hallucinaties bespreekt: de boze geesten in zijn hoofd. Door dit deel te verwijderen is de roman eigenlijk onthoofd. Het is essentieel. Het citaat uit Lucas stond hier en paste bij het religieuze gesprek tussen monnik en de nihilist. Nicolay vertelt er in testament van zijn leven een wrang verhaal over een meisje. Waarom dit niet en andere schrijnende ontwikkelingen wel in de Russische Bode opgenomen konden
Bron
worden? Want de moorden en aanzet tot zelfmoord zijn ook weinig subtiel verwoord. Van jonge meisjes blijf je ook figuurlijk af, en bij volwassen mannen kunnen mishandelingen wel door de literaire beugel? Zoiets?

Idylle
Nicolay wijdt in dit hoofdstuk ook uit over een droom, een verheven hersenschim, rond het schilderij Acis en Galathea van Claude Lorrain. Hij ziet er in hoe het leven had moeten zijn, met mooie mensen, hun liefde en simpele vreugde. Uitermate romantisch en idealistisch en om dat te kunnen bereiken hadden mensen geleden en waren profeten aan het kruis gespijkerd. De evangelische boodschap is duidelijk: vanuit het geloof is veel bereikt en tegen hoge kosten. Het is het waard dit te verdedigen.
Vervolgens ontspint zich een gesprek over slechte hartstochten, vergiffenis, oprecht berouw en boetedoening. Je hoeft je niet in zee te storten om van je vroegere zonden af te komen, zo spiegelt Tichon zijn gast voor.

Het is in ieder geval voor de lezer van deze zorgvuldige uitgave goed om zowel de oorspronkelijk gepubliceerde versie te kunnen lezen als wat er uit werd geschrapt.

Het is een intrigerend boek, over macht en intriges in een kleine opstandige beweging. Het boek doet niet alleen aan het Rusland van nu denken, maar ook aan bewegingen in het hier en nu. Het is ook daardoor een aanrader voor wie van doorbijten houdt. Onderweg kom je heel wat moois tegen. Het boek is voorzien van Aantekeningen over genoemde personen, begrippen en gebeurtenissen. Er is bovendien een beschrijving van opgevoerde personages (Dramatis Personae) en dat is best prettig om af-en-toe eens na te slaan.



vrijdag 19 april 2024

Los gezongen


Bij het water langs het fietspad waar ik altijd kijk of ik vis zie, staat een man. Hij zegt: “kijk daar gaat een snoek.” Het duurt even voordat ik hem zie. Inderdaad, zo'n 60 cm lang. Ooit ving ik er als jongen een per ongeluk, van 62 cm. Het was in het Oranjekanaal bij Wezeperbrug. Ik weet het nog en reis terug naar die Martin met zijn hengel. “Daar aan de overkant van het pad zitten graskarpers,” haalt de man me naar het nu. Hij gaat kijken in die andere plas. Ik ga mee. “Ze zijn er niet, maar soms liggen er wel acht,” zo leert hij mij. Het is aangenaam zo wegwijzer gemaakt te worden in de duinen. Een volgende keer zal ik er weer naar kijken.

Even later zie ik op het strand aan de rand waar de zee net was een grote spin. Groter dan ik er ooit een zag in Nederland. Hij slaat met zijn poot naar mijn fototoestel.
   De franjehoed aan het pad van de Hazenduin strandslag ken ik inmiddels. De voorjaarsganzerik warvan er vele staan, daarvan stuurde ik ooit iemand een foto voor zijn verjaardag en zo doet die bloem me ook ieder jaar aan hem denken. Op een pad wat ik nooit eerder nam, staan boshyacinten, daslook en hoge gele bloemen door elkaar. Prachtig. Maar hoe die gele heten, geen idee. Het waren voorjaarszonnebloemen (Doronicum).
   De roodborsttapuit hoor ik zingen, maar ik zie hem pas op de foto thuis, maar weet dan wel meteen wie het is. De uitbundig bloeiende sering is ook bekend.

Het is vreemd hoeveel je niet weet van de omgeving waarin je leeft. Los gezongen. Wel Als-Sien-die-fijne-gulden-haar-jongen-kon-lenen kunnen opdreunen, maar hoe een spin heet, of een woeste met dons gevoerde vlieg? Geen idee. En dat alle delen van die voorjaarszonnenbloemen giftig zijn, wist ik ook al niet. De leefomgeving is vreemder dan een scherm en toetsenbord. Rare evolutie.

maandag 15 april 2024

De verrekijker


Kees van Kooten schreef voor de boekenweek van 2013 De verrekijker. Zo'n kijker houdt het hele boek bij elkaar. Dat is slechts een enkele keer als voor de hand liggende metafoor voor een perspectief. De verteller vraagt zich bijvoorbeeld af of hij paranoïde is geworden door een ingebouwde verrekijker en allerlei kleine dingen gaat opmerken die hij overdreven uitvergroot.

Het bewuste exemplaar gaat al een leven lang mee en stamt uit het bezit van zijn vader Cornelis. Hij is gemaakt van glas, messing, bakeliet, en zwart leer. Deze materialen geven de verderkijker zijn eigen geur, zo constateerde zoon Kees. Hij zou ook geelkoper bevatten. Maar heet dat niet ook messing en is dat dan niet dubbelop? In mijn eigen ouderlijk huis hingen nogal wat scheepsattributen van koper én messing, vandaar dat ik erover struikel. Die val brengt me ook dichterbij de achtergrond van het optische apparaat van Van Kooten, maar dat weet ik pas op de laatste pagina.

Het boek bevat niet alleen een verhaal, maar zoals de ondertitel al luidt ook een Literagenda 2013-2014. Dat is een memokalender ingevuld met literaire activiteiten door het hele land. Het kan gaan om voorleesdagen, een bijeekomst met schrijvers, prijsuitreikingen, maar ook sterfgevallen van auteurs zijn er in opgenomen. Er komen er nogal wat voorbij. Op 4 maart 1999 overleed bijvoorbeeld Karel van 't Reve.

Boven die kalender staan handgeschreven opmerkingen in de witrand, vooral over welke clichés je maar beter kan vermijden. Op pagina's 22 en 23 bijvoorbeeld:
Zeggen nog schrijven dat eskimo's wel honderd woorden voor sneeuw kennen. Zeggen noch schrijven dat het doel van de reis niet de bestemming is maar de weg erheen (Overigens vraag ik me af sinds wanneer we het doorgaans over Inuit hebben die vroeger bij hun scheldnaam werden benoemd, alsof het gewoon was. In de internationale pers bereikte de discussie hierover in 2021 zijn hoogtepunt.) Of er staat een kwinkslag, zoals:
liever een vogelkijker dan een vliegtuigspotter
.
Je leest zo eigenlijk drie werkjes in een. En dan heb ik zelf – en dat wist ik niet eens zeker, voordat ik het opzocht – ook nog ergens een een inmiddels verdwenen telefoonnummer in de kantlijn geschreven.

Het boek plaatst zich in de tijd. Niet door zoiets als het begin van de tweede regeringstermijn van Barack Obama, de Franse oorlog in Mali of zelfs niet door het vermelden van de presentatie van de eerste kweekhamburger, maar door op te merken wat voor een schrijver een veel algemener belang heeft namelijk de aanwezigheid van Google en Wikipedia die het niet langer mogelijk maken dat een schrijver er maar wat op los fabuleert. Alles van enig belang is immers meteen na te trekken. Vroeger kon je ook vinden waar Annie M.G. Schmidt woonde, maar niet in een vloek en een zucht precies wanneer waar.

Het zijn de vele kleine en grote gedachten, associaties en vergezichten die het boek zijn karakter geven. Zo stelt de schrijver dat hij niets heeft met het omgaan met jongeren om zo zelf jong te blijven (een thema dat ook in het geschenk van het jaar erop een rol zou spelen). Om je zelf jong te blijven voelen kan je je beter met ouderen omringen, luisteren naar hun klagen en verhalen over kwalen: “Hoe langer ik naar ze luister, des te jonger ik me voel,” stelt van Kooten. In een halve pagina komen de oorlogsboeken en films voorbij die hij heeft gelezen en gezien. Van De Aanslag, via Catch 22 en De lotgevallen van de brave soldaat Švejk tot aan de film Stalag 17 en nog een paar andere boeken en films. Het is niet veel, maar veel meer van dergelijke verhalen wil hij niet.

Uiteindelijk wordt de kwestie verrekijker opgelost, bijna alsof het om een moord in een detective gaat. Een oude dame onthuld ook hier. Maar voor we daar zijn, gaat het langs een heleboel zijstraten, zoals een commentaar op de oorlogszuchtige naam van een bom, de zogenaamde Daisy Cutter (er zijn helemaal geen madeliefjes in Vietnam en Afghanistan, merkt van Kooten op) of een visie op de vensterbankuitstallingen. Het is een Van Kooten zoals we Van Kooten kennen.


vrijdag 12 april 2024

Snoepparadijs met kwalijke kant

Nee niet doen. Niet naar het lelijke kijken. Kort na het opstaan las ik al dat er 24 miljoen klimatvluchtelingen zijn in zuidelijk Afrika. Als je dan net in het zadel iedere 1½ minuut met veel geraas een vliegtuig ziet en hoort landen, is het moeilijk om dit dansen op de rand van de vulkaan en daarbij het kapot en omver trappen van paden en de hekjes te vergeten. Maar niet doen

Er stond een sleutelbloem te prijken in de berm. Het maakte me blij. Hij stond niet ver van waar ze eerder met velen stonden. In Heemstede bloeide overal de vogelmelk onder heggen uit. Iets verderop verschijnt de kerk van De Zilk achter een paar fel gekleurde tulpenvelden. Eerder deze week zag ik een foto van diezelfde kerk en andere tulpen, gemaakt uit de trein. GroenLinks kamerlid Laura Bromet schreef “ik weet er teveel van.” Met andere woorden ik kan er wegens het gif niet meer van genieten.  Gaat het toch weer fout. De rottigheid dringt zich op. Ogen dan maar dicht?

Het mag, nee het moet, minder giftig, maar die gekleurde vlakken en stroken blijven ook mooi. Toch?! Ook in nare dingen kan immers schoonheid zitten, hier verschuilt dat zich niet. Er zijn legio voorbeelden waar die twee visies naast elkaar staan. Het voelt voor mij niet eens geforceerd.
Nog iets. In het dorp De Zilk zelf waren een paar mensen bezig een bord vol te mozaïeken met hyacintenblaadjes. Het werd een Venetiaans masker. Op de terugweg zag ik dat het af was, alleen de letters nog, maar dat zouden anderen komen doen. Aan de overkant van de straat waren drie kinderen aan een SpongeBob tableau begonnen. En er stonden nog meer lege borden in de straat die mensen uit het kleine dorp zouden gaan vullen. En voor een hommel was het bord met bloemen een snoepparadijs. Stel het je voor met blaadjes en bloemetjes van schone bollen. Mooi toch.

Het doel van de tocht was het kunstwerk Luna di Nara in de 'tuin' van Beelden aan Zee. Het gezicht als scherf stond er nog. Op de heenweg zag ik een reusachtig ijsje staan. Iets voor de terugweg. Lekker. Paste wel bij die korte broek, mouwloze T-shirt en de zon.
***
Eerder in de week trapte ik ook al. Toen keek ik in de bloem van de magnolia of er kevertjes zaten. Die zorgen voor de bestuiving. De magnolia is ouder dan de bijen en had torrenhulp om het te doen. (Dat leerde ik van het BBC-programma Country File 070424). Geen torretje gevonden. Wel zag ik dat de bloem van binnen ook mooi is.











donderdag 11 april 2024

Het kleine geschenk




Het kleine geschenk is het boekenweekgeschenk van 1946. Het is de eerste uitgave onder de hoede van de Commissie voor de Propaganda van het Nederlandse Boek, waarin de Boekenweek commissie zijn naam veranderde.

De 32 pagina's zijn verdeeld in vijf hoofdstukken en een ten geleide. De schrijvers zijn D.M.R. Radermacher Schorer, Insider (ps.), D.A.M. Binnendijk, Dirk van Gelder, en G.H. 's- Gravesande. Het werk doet zijn naam eer aan. Het is door papierschaarste na de oorlog het kleinste boekenweekgeschenk van allen en door de aandacht voor het boek ook een stimulans boeken te kopen. Sterker nog het sluitaf met een pleidooi om een eigen (kleine) bibliotheek in te richten.

In de Inleiding hangt jonkheer René Radermacher de realist uit. De aandacht voor het lezen en het boek dat in de oorlog groeide moet op waarde geschat worden; het was eerder verstrooiing dan binnenwaarts gericht, zo meent hij. Hij hoopt voor hen die er afleiding in zochten dat het boek aan waarde heeft gewonnen en ook voor inwendige verdieping heeft gezorgd, zodat de liefde blijft. De zwartkijker was er niet van overtuigd. Maar het boek verkoopt ondanks alle keren dat het einde ervan voorspeld wordt nog steeds en steeds beter; ook in de huidige tijd (met een piek tussen 2006 en 2012).

Insider (een pseudoniem als een brandkast) schreef over het bibliofiele boek. En wie duikt daar weer op? Het is J. Greshoff, die zich keerde tegen de visie zoals verwoord door uitgever Tersteeg in het eerste geschenk van 1930. Hier wordt hij als het toppunt van een boekenliefhebber opgevoerd, een die zelfs kan houden van een boek in een taal die hij niet kon lezen, alleen al vanwege de mooie uitvoering. Greshoff wordt geplaatst als tegenhanger van Jozeph Israëls die de gelezen bladzijden uit zijn boeken scheurde en op de wind liet wegfladderen.

Het hoofdstukje over de bibliofiele uitgave valt uiteen in twee delen. Het eerste behandelt wat een boek tot een bibliofiele uitgave maakt, terwijl het tweede de waarde ervan voor zijn bezitter als onderwerp heeft. Volgens Dick Binnendijk gaat het in de eerste plaats om de inhoud en pas in de tweede om de vorm, maar toch is een zorgvuldig uitgeven boek geen snobisme; een mooie tekst heeft recht op een mooi verzorgde druk.
“Van wie ik liefheb verwacht ik eenvoud, maar met vorstelijken trots en voorname gratie,” zo schreef hij. Een gewone paperback koop of vind je opnieuw, een bijzondere uitgave vervang je niet zomaar, weet ik inderdaad uit ervaring.

Als het dan toch over het boek gaat en zijn plaats in het leven, dan kan er ook wel een hoofdstukje over het exlibris bij, heeft de redactie blijkbaar gedacht. Het is een tekst waarin graficus en tekenaar Dirk van Gelder pleit voor eenvoud en passende omvang en geen kopergravure ets of ltho, maar houtgravure als druktechniek.

Het geld dat uitgespaard wordt door minder te roken en drinken kan opgespaard worden voor boeken. Je kan beter een boek kado vragen dan sokken of zelfs om een boekenkast vragen. En als je geen boekenkast kreeg, hebt of kan betalen, dan zijn planken langs de muur ook mooi; “geen mooier behang Kunt U zich denken,” stelt G.H. 's-Gravesande, (pseudoniem van Goverdus Henricus Pannekoek). Hij heeft ook voorstellen hoe kast of planken in te ruimen. Deze criticus had overigens een prachtig exlibris (zie hier naast).

Het is een leuk boekje over de liefde onder heren voor en om het boek. Hoofdzaak is dat de lezer een boekerij vormt, zo luidt de laatste zin van het laatste hoofdstuk. Dat komt ook de uitgever
ten goede. Dat zijn de leden van De Vereeniging ten bevordering van de belangen des boekhandels. Het is nog steeds plezierig te lezen reclame ruim een halve eeuw na verschijnen en meer dan verstrooiing, het laat je weer even over het boek denken. Het geschenk is daarmee meer dan alleen een verzamelobject.

Het boekje is in zijn geheel te lezen in verschillende tekst formaten op de site van De Nederlandse Bibiotheek der Letteren, DNBL.

maandag 8 april 2024

Of mice and men


Of mice and men van John Steinbeck pak ik uit een weggeefkast in Wijk aan Zee. Afgelopen zomer las ik The Grapes of Wrath en dat had indruk gemaakt. Nog meer dan dat boek heeft dit een zweem dat het een middelbare scholierenboek is. Inderdaad staat deze versie vol strepen, aanduidingen en achterin is zelfs een korte samenvatting geschreven. Iemand heeft de Penguin uitgave uit 1993 gebruikt voor school. Bovendien draagt het binnen op de kaft 'n stempel van een kleinschalig gymnasium in Velsen-Zuid.

De uitgever zet het boek in een korte inleiding neer als een van de drie werken van Steinbeck over de werkende klasse van Californië. Samen met de twee hiervoor al genoemde boeken, uit de tweede helft van de jaren dertig, behoort ook In dubious battle daartoe.

Als ik de cover zoek vind ik die op een pagina waar een onderwijzeres wordt geïnterviewd over haar lessen rond dit boek. Ze vertelt dat gesprekken met ouders nodig zijn om hen duidelijk te maken waarom het gelezen moet worden. Zij vinden veeal dat hun kinderen er nog niet aan toe zijn. Dat is de politiek correcte aversie. Er is ook een ronduit conservatieve weerstand. Het boek was weliswaar meteen populair, maar werd ook gezien als een werk dat verboden moest worden. “
Aanklachten waren onder meer dat het ‘godslasterend’ is, ‘ziekelijke en deprimerende thema’s’ bevat en de auteur zich tegen het ondernemerschap keert. Anderen noemen het ‘denigrerend tegenover Afro-Amerikanen, vrouwen en ontwikkelingsstoornissen’,” zo wordt in het artikel gesteld.

Lerares Jodie Scales gebruikte het boek al vijf jaar in haar lessen Engels aan de middelbare school van Selma (Indiana). Voor haar is het onder meer waardevol, omdat
“het morele en ethische kwesties behandelt binnen de structuur van een verhaal.” Het draait daarbij bijvoorbeeld om vormen van geweld en misdaad. Misdaad die te begrijpen is, andere daden die meteen afkeer oproepen of juist tragisch zijn en handelen waarvan de achtergrond niet meteen duidelijk is.

De structuur is eenvoudig. Het verhaal begint waar het eindigt en speelt tussendoor rond het erf van een boerderij. Hooguit wordt kort afgedwaald naar vroeger of gedroomd van de toekomst. De kleine en intelligente George zoekt naar werk samen met de grote oersterke en simpele Lennie. Die tweede is kinderlijk, maar ook lief. Verder is er nog een hand vol uitgesproken personages. Van de zwarte knecht Crooks, via de capabele voorman Slim naar de door een arbeidsongeval gehandicapte Candy.

Crooks werkt het langst van allen op de boerderij. Hij heeft een woonruimte in de schuur bij de paardenstallen. Hij hoort er niet echt bij en als hij dat even vergeet dan zet de vrouw van de boerenzoon  hem meteen op zijn plaats. Hij krimpt ineen en cijfert zichzelf vervolgens helemaal weg. Het rascisme in woord en daad werkt om hem eronder te houden. De vrouw prent hem zijn plaats in op uiterst vileine manier. Die echtgenote is een flirt van de eerste orde en zoekt toenadering tot alle mannen die ze tegenkomt. Haar man Curley is jaloers, agressief en een goede bokser. Die combinatie hangt als een dreiging boven de boerderij en vooral boven Lennies hoofd. Hij wordt gewaarschuwd dat het een vrouw is als een val waar je gemakkelijk in stapt.

De vriendschap tussen Lennie en George verbaast de anderen op de boerderij. Die ingewikkelde band is een van de thema's van
of Mice and Men. George is continue bezig om de kinderlijke Lennie te behoeden voor een misstap die verdergaat dan het te hardhandig om gaan met de dieren waar hij zonder terughoudendheid van houdt. Het zal een keer misgaan, voordat ze samen op een idyllisch boerderijtje met haard en wat dieren van henzelf zullen zitten – waar ze zich niet het ongans hoeven te werken – en zelfs in die droomsituatie zullen de problemen niet uit te sluiten zijn.

De vrouw van Curley krijgt geen eigen naam, ze ís de vrouw van. Een vorige lezer heeft achterin opgeschreven dat ze mentaal gehandicapt is. Dat lijkt een correcte diagnose van haar gedrag. Al is het ook een vrouw die aan haar eigen lot wordt overlaten (de valium wordt hiervoor pas later een 'oplossing') door haar patserige man. Diezelfde persoon schrijft:
“ironisch genoeg wordt ze het grootste obstakel om de droom te verwezenlijken.” Verder wordt genoteerd dat het verhaal speelt tijdens de crisis van de jaren dertig. Een tijd met wurgende slechte werkomstandigheden en grote armoede. Ook dat tekent het verhaal. Het ligt nu meer voor de hand om het te koppelen aan de Black Lives Matter beweging. Of aan een ander thema dat nog steeds speelt: de wijdverbreide aanwezigheid van vuurwapens in de samenleving van de Verenigde Staten. Een verschijnsel dat de al aanwezige problemen onbeheersbaarder maakt.

Crooks gelooft niet veel van dat boerderijtje waar George en Lennie van dromen. Hij heeft al teveel mannen met een zelfde gedachte gezien die nooit zo ver kwamen, omdat ze hun geld opdronken en naar de hoeren brachten.

Ik kreeg inderdaad begrip voor de geweldsmisdaden. Dergelijk meeleven ligt in de lijn van het verhaal, maar blijft ook verontrustend.* Dat je als onderwijzeres het boek graag gebruikt valt daarom te begrijpen. Het verhalend beschrijven van misstanden is literair interessant, maar ook een begin van een gesprek en in de praktijk het begin van een oplossing.

Noot:
* Het deed me denken aan de eerste ik keer dat ik dat gevoel had bij het kijken naar Los Santos Inocentes van regiseuir Mario Camus; een film die eveneens op een boerderij speelt, maar dan in de Spaanse jaren zeventig onder dictator Franco.


woensdag 3 april 2024

De uitgever en zijn bedrijf


De uitgever en zijn bedrijf door J. Tersteeg, uit 1930 is de opmaat naar het boekenweekgeschenk, een instituut dat officieel in 1932 begon, maar velen zien deze uitgave door den Nederlandschen Uitgeversbond als eerste boekenweekgeschenk. De auteur was kunsthandelaar, schijver en uitgever. Het boekje zou leiden tot de eerste 'boekenweekgeschenkrel'. Maar dat komt later.

De tekst begint met een waarschuwing dat je niet kan verwachten dat over dit vak, waar bedrijf en persoon niet van elkaar te scheiden zijn van A tot Z door het vak te worden geleid. Daarvoor is steviger werk nodig. Het uitgeversbedrijf is door zijn aard, waar de persoon zo cruciaal is, te complex om in zeventig pagina's volledig weer te geven.

Het uitgeversvak wordt in de tekst niet echt van een zonnige kant benaderd. Veel investeringen zijn nodig met grote kans op mislukken, zo luidt het. En er zijn niet alleen financiële investeringen nodig, maar ook een brede kennis en ervaring zijn onmisbaar. Dat loopt van papier inkoop, het ambacht van colportage –“een koopman zonder warenkennis op zijn gebied is een absurde figuur,” – naar inhoudelijke kennis over het gebied dat het boek beschrijft, de wensen van lezers, werkervaring in de boekensector etc. De verschillende aspecten worden aangestipt; van brocheren via het maken van een cliché tot rotogravure en advertentiebeleid. Tersteeg beschrijft het in een stroom van woorden die niet uitputtend is, maar wel zo nauwkeurig mogelijk het vak beschrijft..

De uitgever is weinig zonder de boekverkoper, die een man van meer dan gewone gaven wordt genoemd (al zijn er ook klaplopers en er waren vast ook wel vrouwen in actief).
“Uitgevers en boekverkopers ontmoeten elkaar in de grote en belangrijke, gedurende de 114 jaar van haar bestaan haar werkingssfeer steeds uitzettende ,,Vereeniging ter bevordering van belangen des Boekhandels"(...).” Er wordt gewezen op het enorme aanbod, de wens van de Nederlandse polyglot naar boeken in andere talen, de hoge kwaliteit en de optredende specialisatie bij Nederlandse boekenwinkels. Er was al een Bestelhuis en er waren regelmatige tijdrovende, maar nuttige, contacten met vertegenwoordigers van de uitgevers, onder andere om te zien of er nog wel genoeg boeken van oudere datum in voorraad waren. Tersteeg schreef ook dat de lezer wat gisteren verscheen, verouderd noemde. Dat is dus geen kwaal van vandaag, maar speelde een eeuw geleden ook al.

Al flink ver in het boekje ontbrak de schrijver nog in de werkzaamheden van de uitgever, maar die komt dan eindelijk aan bod. Hoewel de schrijver en uitgever beide dezelfde belangen lijken te hebben, is de tweede gebonden aan de cijfers; welke prijs wil de lezer betalen voor een boek en wat betekent dat voor het honorarium en de wijze van uitgeven, bijvoorbeeld. Tersteeg ziet hier een vruchtbare boden voor allerlei moeilijkheden. Hij haalt zelfs de Duitse uitgever E.A. Seemann aan die vanwege dergelijke beslommeringen besloot alleen nog auteursloze boeken uit te geven. De reactie op zijn werk zal zijn gelijk in deze bevestigen.

Volgens De uitgever... zijn de schrijvers in het voordeel in de samenwerking. Zij kunnen kiezen met wie ze samenwerken, terwijl de uitgever bij het gewenste geschrift ook de auteur krijgt.
(De schrijver die eindeloos zijn manuscript naar uitgevers zond, voordat er een het wilde uitgeven, en het misschien zelfs toch succesvol werd, zal deze visie betwijfelen.) Die kan van zijn positie gebruik maken een betaling te vragen die voor de uitgever weinig oplevert. Die betaling kan in een een keer verstrekt worden, als percentage bij ieder gedrukt of verkocht boek, bepaald aantal boeken, of als redelijk deel van de winst. Bij alle vormen zijn er voor- en nadelen, die Tersteeg minutieus uitwerkt.

Daar blijft het niet bij. Is het terecht dat de uitgever de correcties betaald van slordig ingeleverde manuscripten? En waarom kan een schrijver een voorschot krijgen nog voordat hij iets heeft geschreven, zo vraagt hij zich af. Dit gaat gepaard met de opmerking dat het in dit werkje vanuit een uitgeverstandpunt wordt bezien. Dat lijkt overbodig, hij wikt en weegt, schrijft en oordeelt vanuit die positie. Dt is klip en klaar. Om het te onderstrepen citeert hij een Zweedse uitgever, Albert Bonnier:
“boeken zijn dingen van vernuft. Eenig vernuft is noodig om ze te schrijven, meer vernuft wordt vereischt om ze te maken, maar het meeste vernuft wordt gevergd bij het verkoopen.” Tersteeg geeft zelfs tien punten waarin een voor de uitgever ideale auteur wordt neergezet, hier komen zijn loopbaan als officier en zijn positie als handelaar samen. Punt 10 luidt: Hij vertrouwt de uitgever volkomen en wordt diens beste vriend.” En het is geen grap.

In zeventig bladzijden wordt de uitgever en zijn handelswijze neergezet. Het werkje is informatief, maar ook gevuld met klagende volzinnen:

Er is een drang tot Umwertung aller Werte, en wel in den zin van nivelleering der hoogste waarden, van verlaging der geestelijke toppunten naar de vale vlakte waarin de stijgkrachtelooze massa leeft, welke drang bij beteren, uit zucht tot zelfbehoud, de neiging prikkelt om aan de jammerlijkste en platste verlangens dier massa te voldoen. Ook bij uitgevers.”
Deze hooghartige somberman's woorden worden gevolgd door ellenlange zinnen hoe in dit vorm krijgt:
“(...) de schrijver, de uitgever, de criticus, de lezer, allen blazen zich en hun werk op; uit zucht om genoemd te worden, groote oplagen te verkrijgen, veel te verkoopen, voor aangever van den toon te poseeren, met de nieuwste verschijningen bekend te zijn, gaan allen zich te buiten aan een onmatige opschroeverij van het minder dan aanvaardbaar middelmatige. Met het gevolg, dat het waarlijk goede (en van alle partijen eenige bezinning en geestesspanning vergende!) wordt voorbijgegaan of snel vergeten; dat de jacht naar het nieuwe steeds haastiger wordt, alsof niet elk boek, dat men nog ongelezen liet, nieuw mag worden genoemd; dat het vluchtige, ondiepe maakwerk de markt beheerscht, en handige opportunisten, met weinig artistieke scrupules doch veel slag van colportage hunner eigen persoon en werken, zich vrij lang handhaven in de aandacht der menigte en soms zelfs tot over de landsgrenzen heen hun misleidende werking doen gevoelen.”
Idealistisch en energiek wil Tersteeg bijdragen aan het keren van deze crisis. De kennismaking met zijn vak is er een onderdeel van.
Verder heeft de uitgever het moeilijk in de boekenwereld met zijn wisselvallige vraag. Tersteeg klinkt als de boer die altijd klaagt over het weer, of als de militair die altijd meer middelen wil. Hij is een man die meent dat aan schoenen meer eerbied wordt bewezen dan aan boeken. De verkoper van rijpe sinaasappels heeft het veel gemakkelijker dan de uitgever, zo vervolgt hij zijn litanie.

Zijn optie voor het zakelijke verband tussen uitgever en schrijver, dat de laatste betaald zou moeten worden van wat er overschiet na het verrekenen van alle kosten, schoot de schrijver Jan Greshoff in het verkeerde keelgat.
Hij pende er in tijdschrift In den Gulden Winckel een stevige visie tegenin, waarin vanuit de auteur wordt gedacht. Zijn fulmineren werd overgenomen door verschillende kranten. Een eerste 'boekenweekgeschenkrel' was geboren. Greshoff zou overigens in de eerste jaren van het instituut boekenweekgeschenk nog veel doen en regelmatig aan de bak komen.

De
Nieuwe Harlinger Courant van 14 november 1930 was minder negatief en stelde in een informatief artikel over de Boekendag, waar het geschenk mee gepaard ging: “Dit is een voor ons land nieuw geluid en men zal misschien geneigd zijn te veronderstellen dat dit weer één van de nieuwigheden is, die weer heel spoedig vergeten zijn. En dus bij voorbaat: niet de moeite waard. Wij gelooven dat een dergelijk vooroordeel ten eenen male misplaats is en op zijn minst als benepen-burgerlijk kan worden aangemerkt.” De krant zou het bij het rechte eind hebben. De Sumatra-Bode bestede ook een paar kolommen aan een visie op en samenvatting van de uitgave.

Bijna een eeuw later is er de Boekenweek, die staat, je zou bijna zeggen, als een zware boekenkast.
De visie van de uitgever als start van de boekenweekuitgaven is een mooi begin van het jaarlijks vieren van het boek.

Voor een online versie in pdf (ook scans), txt, ebook, xml vorm, zie hier.

maandag 1 april 2024

Spitzen

In Spitzen van Thomas Rosenboom, het boekenweekgeschenk van 2004, stapt de hoofdpersoon Han Bijman op een vierkwartsmaat over de dansvloer. Op de 1e en 3e tel van de slepende maat drukte hij zijn voeten neer.

Wat is een vierkwartsmaat eigenlijk en hoe werkt die? Het wordt tijd dat te weten. “De maat is de regelmatige indeling van de tijdsruimte in een muziekstuk, op grond van het accent, dat bij een vierkwartsmaat op de vierde tel komt,” één, twee, drie, vier. Of net anders en beter passend bij de dansende Han; “er wordt geteld in kwartnoten en er passen vier kwartnoten in een maat,” waarbij de nadruk op een eerste en derde tel ligt. Het slepende hoor je; dat geeft de muziek vermoedelijk zijn melancholie. Maar dit schrijven verzand meteen al meer in gemiste muzieklessen dan in een bespreking van het boek. Letters kunnen al weerbarstig zijn, noten zijn dat des te meer. (Ik hoorde ze door mijn favoriete drummer, toevallig ook 'n Han, onlangs op TV onbegrijpelijke vliegenpoep op wit papier noemen.) Dus terug naar de tekst van het boek.

Spitzen speelt in de wereld van de Amsterdamse tangokringen. Iedere avond is er wel ergens in de stad een gelegenheid om de Argentijnse dans op de vloer te brengen. Vermoedelijk kom je daarbij wel dezelfde DJ tegen die de platen draait. Die geeft daarnaast ook CD's uit waarop hij nummers van platen heeft gebrand die hij in Buenos Aires is gaan kopen. Intussen krijgen we wijsheden rond de tango mee, die is “een droevige gedachte waarop men kan dansen.” Machteld, de bovenduurvrouw van Han kent ze allemaal, en ook de tangoregels: “Geen drank... scherp blijven... drank en tango gaan niet samen!” Er zijn erbij die een algemenere betekenis of gebruik zouden kunnen hebben, zoals: “Vraag nooit een dame zomaar ten dans... altijd eerst oogcontact maken … mijdt ze je blik, respecteer dan dat ze niet wil.... zo behoudt ze haar vrijheid, en bespaar je jezelf het gezichtsverlies van de afwijzing ...” De 'hij vraagt, zij reageert' benadering is wel wat gedateerd. Ook in Spitzen zelf is het al snel andersom.

Er is een passage waar Bijman in de kamer van de grote en weelderig, bovenbuurvrouw Machteld met het rode krullende haar, zijn recente ervaringen staat te overdenken, terwijl zij over de door haar georganiseerde concerttour van tangovirtuoos Omar Moreno Palacias vertelt. Moreno “
is in Argentinië en Uruguay een grootheid, in de rest van de wereld volslagen onbekend, vermoedelijk omdat hij in geen enkel opzicht voldoet aan het beeld vn de elegante tangomuzikant uit Buenos Aires, integendeel,: hij is een man van het platteland, paardenfokker, nog steeds, echt zo'n oude gaucho,” met laarzen aan en zwarte hoed op, en nog sympathiek ook. Zo kan je als schrijver naast vertellen ook nog een andere kunstenaar in het licht zetten. Maar ondertussen praten in Amsterdam de beide buren volledig langs elkaar heen. Het ondanks elkaar ieder in de eigen wereld zijn, is geweldig beschreven. De uitwijding over haar uiterlijk, viel me pas op bij het teruglezen van fragmenten voor deze bespreking. Het is de vraag of die er veel toe doet.



Indertijd, toen het het geschenk verscheen, had ik iets tegen Rosenboom. Ik vond hem pedant. Het is inmiddels bijna twintig jaar later. Het waarom van die kwalilficatie is vergeten. Nu lees ik een boek waarin dans en leven overlappen, waar een de tango een verhaal omlijst van bedrog, en waar liefde door een van de protagonisten als inwisselbaar verbruiksproduct wordt gezien.

Dansen is meer dan een gewone vrijetijdsbesteding. Het is als
“een intieme omhelzing, een flirt.” Na de eerste seks in zijn leven heeft Bijman het gevoel alsof hij gevochten had ergens in een buitenwijk, na een eerste intense tango dans voelde hij dit ook. Rosenboom gebruikt in beide gevallen precies dezelfde woorden om het samenvallen van beide te onderstrepen.

De spitzen uit de titel zijn van Esther, de liefde van Bijman. Ze zijn zijn het symbool van haar onschuld. Ze worden door Han ingezet in een verloren, zinloze strijd, waarvan hij al snel spijt heeft. Spitzen is beeldend geschreven en het zou evengoed verfilmd kunnen worden als leven binnen de kaft van een boek. Het onverwachte, maar ook onvermijdelijke, slot van het boek zou een
romcom met een feelgood einde opleveren, terwijl het verhaal leek af te stevenen op een cynische blik op de liefde.

zaterdag 30 maart 2024

Feminist Solutions for Ending War



Het eerste deel van 'n uitgebreidere versie
van deze bespreking (in twee delen) vind je hier
.

Feminist Solutions for Ending War is een boek onder redactie van Megan MacKenzie and Nicole Wegner. Zij schreven de inleiding op de veertien hoofdstukken rond het thema uit de titel. Achttien schrijfsters en een schrijver uit de hele wereld (een derde werkzaam in Australië) werkten mee aan de collectieve onderneming die dit boek was. Alle auteurs zijn met een korte biografie achterin opgenomen.* Uitgeverij Pluto Press prijst de uitgave aan met een citaat van de bekende feministische schrijfster over vrede en militarisme Cynthia Enloe:
“Een groot deel van de patriarchale politieke cultuur wordt in stand gehouden door de mythe dat oorlog, net als armoede, altijd bij ons zal blijven. Maar toen ik de gegronde, stimulerende hoofdstukken van het boeiende boek van Mackenzie en Wegner las, besefte ik dat juist de onrealistische personen onder ons degenen zijn die de mythe van de eindeloze oorlog in stand houden”**

Oorlog is in onze taal gaan zitten en heeft zich genesteld in de samenlevingen waar we wonen en leven. Het bestaan van oorlogen is genormaliseerd, stelt Swati Parashar, docent in Gotenburg en schrijfster van het voorwoord. Aandacht ervoor en een publiek oordeel erover is daarom noodzakelijk. Daarbij kunnen de volgende vragen gesteld worden: wat vinden we van oorlog, en wat zijn de meest beklijvende verhalen ervan die we ons moeten herinneren? Kunnen we naast het verdriet om de slachtoffers ook om een einde eraan vragen?

Als we geen vragen stellen, dan maken we oorlog gewoon en blijft ze acceptabel, schrijven Mackenzie en Wegner. Dit terwijl oorlog een blijk van falen is van een internationaal systeem dat is gevormd door het patriarchaat, militarisme, overheersing en kapitalisme. Feminisme staat voor het omverwerpen van politiek-economische systemen als kapitalisme, imperialisme en het patriarchaat, schreef de bekende polemoloog Johan Galtung die wordt aangehaald. Een stellingname die MacKenzie en Wegner aanvullen met het inzicht dat militarisme en imperialisme witte vrouwen ook voordelen hebben opgeleverd en waarin sommige mannen – vooral zwarte en bruine mannen – juist worden “behandeld als gevaren en waarvan de dood en verwonding worden beschouwd als onvermijdelijk en als onfortuinlijke bijkomende schade bij militaire veiligheidsoperaties.”

Corona en Oekraïne
Het boek stond al in de steigers in 2020 toen twee grote ontwikkelingen ervoor zorgden dat het aangepast moest worden: de corona pandemie en de enorme groei en aanwezigheid van de Black Lives Matter beweging. De Oekraïne oorlog was nog niet in zijn volle hevigheid losgebroken (hoewel Dombas en Krim al conflictgebieden waren) door de Russische inval en de vastgelopen poging naar Kyiv op te trekken. Je kan inmiddels een boek als dit met deze titel Feministische oplossingen om oorlog te beëindigenniet meer lezen zonder die oorlog in het achterhoofd. In 2023 kwam daar de Israëlische oorlog in Gaza nog bij. Hoewel het goed is die oorlogen mee te wegen, stamt het boek duidelijk uit een ander tijdperk. Het boek leest beter gemakkelijker als de lezer dat beseft. Zo niet dan kan het gevoel gaan overheersen dat je meer in handen wilt krijgen, terwijl het toch ook een rijk boek is.

Wat is oorlog
In het voorwoord wordt gewezen op het bestaan van andere oorlogen: Afghanistan, Jemen, Syrië, etc. Al snel ga je als lezer beseffen dat de grote oorlogen tussen staten buiten het land waar men woont of vandaan komt niet het onderwerp van het boek zijn. Sterker nog, menig schrijfster probeert juist afstand te nemen van oorlog als onderwerp dat gekoppeld is aan de machtspolitiek van staten. De vraag die in het boek voor ligt is: Wat zien we als oorlog? Het wordt breed ingevuld en moet anders benaderd worden aldus de schrijfsters. Maar tegelijkertijd laten de inleiders er geen misverstand over bestaan dat er geen eenduidige definitie of uitleg van oorlog wordt gegeven door de verschillende schrijfsters.

Het richt zich vooral op structurele zaken op een basaler terrein dan de internationale machtspolitiek. In de documentaire film
Teken voor Verandering (deel van een zesdelige serie, die momenteel laat op de dinsdag bij de VRT wordt uitgezonden) is de Syrisch cartooniste Amany Al-Ali aan het woord. Ze leeft en werkt in de heftige situatie van oorlog, waar sirenes huilen, en angst en beperking het leven bepalen. Zij stelt in die situatie dat er nog een front is waar een gevecht woedt, daar waar gebruiken en tradities vrouwen knevelen (va. 15:33) en kleineren tot simpele zielen. Het zou een visie uit dit boek kunnen zijn waarin oorlog naar het persoonlijke en de positie van met name vrouwen wordt gehaald. Anderzijds stellen de tekeningen van Al-Ali de oorlog wel aan de kaak, maar het persoonlijke speelt daarnaast een even belangrijke rol.

In het boek wordt de vraag gesteld hoe geweld te voorkomen en beëindigen; en hoe kunnen feministen steun verlenen aan hen in oorlogszones en samenlevingen helpen te herstellen van dood en vernieling. Genoemde antwoorden zijn wijdlopig en behelzen economische hervormingen, ontwapening, gebruik van inheemse kennis, het bouwen van relaties tussen mensen en binnen gemeenschappen, het luisteren en verwerken van stemmen die naar een einde van de oorlog zoeken. Alles bij elkaar zitten er veel aanknopingspunten in voor het reageren op de oorlogen die de wereld nu teisteren. Verder valt op dat opmerkingen bij en kritiek op het ene hoofdstuk veelal worden ondervangen
door de schrijfster van een ander hoofdstuk. .

Opdracht van formaat
Het boek heeft zowel een avant gardistische ongewone als een idealistische benadering. Het eerste in de uitbreiding en toepassing van concepten van wat oorlog zou zijn. Die benadering zet het begrip wat mij betreft eerder op de helling dan dat het 't versterkt. Het tweede is niet de internationale politieke verhoudingen als belangrijke factor beschrijven, maar het benadrukken van samenwerking, empathie, en relaties tussen mensen. Maar wapenbeheersing, diplomatie, onderhandelingen en staakt-het-vurens kunnen deel
van een oplossing zijn bij het beëindigen van oorlogen. Ook bij die aanpak zijn inlevingsvermogen, kijken naar de effecten op alle betrokkenen, samenwerking e.d. noodzakelijk. Kortom veel van de methoden die in dit boek worden verwoord. Van een 'en en' aanpak behandelt dit boek vooral één kant.

Bovendien wordt de vorm die de inzet tegen oorlog krijgt niet tot nauwelijks benoemd, met in enkele hoofdstukken een minimale uitzondering. Maar veelal draait het verwoorden van (radicale) visies. Dat is ook een activiteit, en een begin naar meer, maar het in een handelingsperspectief omzetten is misschien wel het moeilijkste deel van de strijd tegen oorlog. Die stap is wel nodig als je een institutie als georganiseerd en structureel geweld aan wilt pakken. De genoemde trefwoorden patriarchaat, militarisme, kapitalisme zijn niet alleen woorden met een hoog abstractie niveau, het zijn ook woorden die veel macht in zich dragen. Hoe dring je die partijen opzij of hoe dwing je ze tot verandering? Door het hameren op de aanpak van vrouwenonderdrukking, racisme en verdelingsvraagstukken, is er wel sprake van grote groepen die bij activiteiten betrokken kunnen worden. Hoe die in beweging te krijgen is echter de vraag.

In het voorwoord staan al een aantal bedenkingen bij de feministische strijd voor vrede. Een betere representatie van vrouwen betekend geen wondermiddel tegen oorlog. De visie van de ene vrouw is niet die van de andere. Sterker nog het benadrukken van de onderdrukking van vrouwen kan ook gebruikt worden om de roep om oorlog te versterken, alsof dat dan, zoals in Afghanistan, de oplossing zou zijn.

Al in het voorwoord wordt gesteld dat het vertellen van verhalen ook ongemakkelijk kan zijn. Academici, onderzoekers en activisten, hebben bijvoorbeeld privileges. We zijn niet op de wereld om die te bejubelen. Het feminisme heeft zich ontwikkeld door ongewone en vooruitziende kaders voor analyse te geven. Het feminisme moet niet comfortabel zijn, maar laten zien dat oorlog zowel bij overwinning als verlies ellende produceert. Of zoals in een dichtregels aan het einde van dat voorwoorden:

War is itself a problem
It isn't the solution to any problem;
Today it will offer fire and blood,
And deliver hunger and want tomorrow.
***

Jang to ḳhud hi ek maslaa hai,
Jang kyaa maslon ka hal degi,
Aag aur ḳhoon aaj baḳhshegī,
bhookh aur ehtiyaaj kal degi.
Het bekende adagium is dat bij oorlog niemand wat te winnen heeft. Dat klinkt mooi. Maar is het ook zo? Uiteindelijk misschien, maar voor die tijd zijn er personen, bedrijven, en organisaties die garen spinnen bij oorlog en de voorbereiding ervan. Die partijen de wind uit het grootzeil nemen, is een opdracht van formaat. Het zijn onder andere feministen die laten zien dat er andere opties zijn om conflicten te verminderen en onder controle te krijgen. Sterker nog dat structurele stappen noodzakelijk zijn, om iedereen op deze wereld een volledige plek te geven.

Door de afkomst en benadering van de sch rijfsters belanden we in een aantal hoofdstukken in conflict of oorlogsituaties. Voor een Nederlandse is oorlog doorgaans een ver van mijn bed show geweest, zelf met de omvangrijke interrventie in Afghnaistan die gepaard ging met hevige gevechten, was dat geen deel van het bewustzijn in het dagelijks leven tussen de rivieren en achter de dijken van Nederland. Het was een klus voor militairen. Dat is vreemd. Door hier de visies van vrouwen van elders te lezen komt die wereld op een betrokken wijze binnen. Het boek vergroot daardoor je inlevingsvermogen.

Als oorlog tot ellende leidt dan laat dit boek zien voor wie dat zeker geldt. Dat het woord oorlog als een elastiek is uitgerekt heeft het voordeel dat het laat zien dat er nog veel meer conflicten zijn waar we ons om moeten bekommeren om zo'n wereld te bereiken. Het boek laat zien wat doorgaans niet te zien is. Los van mijn in deze bespreking verwerkte kanttekeningen zijn de voorgeschotelde visies een waardevolle bijdrage aan de strijd tegen oorlog. Die is nu nog meer nodig dan toen het boek geschreven werd.

Een uitgebreidere bespreking in twee delen vind je hier.

Noten:
* MacKenzie is professor in Canada op het gebied van gender studies. Wegner werkt als onderzoekster voor de Australische overheid en is deskundig op het gebied van internationale relaties en feministische methoden om gender, oorlog en militarisme te begrijpen.
De landen waar de auteurs werken zijn als volgt: Australië, 6; Canada, 3; India, 2; Schotland, 2; Israël, Kenia, Nieuw Zeeland, VS, Zuid-Afrika en Zweden (voorwoord), alle 1. In de tekst heb ik de namen vet gemaakt.
Het boek is te vinden onder deze link:
https://library.oapen.org/bitstream/handle/20.500.12657/52008/external_content.pdf
** ‘So much of patriarchal political culture is sustained by the myth that war, like poverty, will always be with us. But as I read the grounded, energizing chapters of Mackenzie's and Wegner's engaging book, I realized that the unrealistic ones among us are actually those who perpetuate the myth of unending war’ - Cynthia Enloe.
*** Spelling in Hindi en vertaling naar het Engels uit het boek aangehouden. Hier een
online versie van het hele gedicht door Kulliyat-e-Sahir Ludhianvi.