maandag 18 juli 2022

Boeken in juli


Laatst gelezen boek boven.

Hotel World van Ali Smith kreeg ik cadeau voor mijn verjaardag. Het was gekocht omdat de gever me de laatste roman van Smith wilde schenken, maar die niet kon vinden. Dat boek heb ik inmiddels ook in huis, van mijn moeder gekregen (komt later hier nog aan bod). Fijn om met Hotel World weer een boek met een opdracht te krijgen. Dit keer:

Maar we moeten. Optimisme is een plicht.
Geschiedenis is een kronkelrivier. Overal
stroomt water, vindt nieuwe wegen
​door ze zelf te maken. Geloof wat je weet.


Het is de laatste strofe van
Wat je weet door Justus van Oel. Mooi.

Is er een verband tussen deze opdracht en het boek over leven in het hotel waar vrouwen rondhangen, werken of sterven? Hotel World is geschreven in 2001 door een schrijfster die graag aanhaakt bij de wereld van vandaag. Eenentwintig jaar lijkt een eeuwigheid geleden. Het was een tijd dat ik me kon verdiepen (naast de aandacht voor de oorlog in Atjeh) zonder dat er alles verdringende zaken speelden. De woorden uit de opdracht sluiten een poëtische overdenking van 12 weken oorlog in de Oekraïne af. Een oorlog met wel een alles op zij zettende kracht. Het hoofdstuk voor Hotel World uit 2022 zou nog geschreven moeten worden. Er is vast een verhaal te bedenken over een jonge Oekraïense vrouw die verzeild raakt in het hotel waar haar tijd verstrijkt. Ze is er gekomen, omdat …. nee laat ik dat niet doen, aan de hand van mijn fantasie op de loop gaan met het boek.

Als ik opzoek waar ik voor het slapen gaan in het boek ook al weer over las, dan kom ik een zin tegen die blijft hangen: “Hotel World is a postmodern novel, influenced by modernist novels.” Smith schrijft zelf in de roman dat het speelt in de postmoderne Britse maatschappij. Een van de personages draagt “kleren die gezegend zijn met de geur van geld, niet te koop in dit deel van het land, zelfs nu niet in het nieuw postmoderne Groot-Brittannië.” Die woorden alleen maken van de roman nog geen postmoderne fictie (of juist niet). In de aangehaalde wiki zin worden postmodern en modernisme naast elkaar gebruikt. Wat betekenen ze?

Postmodern is in de filosofie (volgens wiki):
“een door twijfel en relativering gekenmerkte wereldbeschouwing die het bestaan van een absolute waarheid ter discussie stelt.” Modernisme zoekt dan weer op grond van kennis of waarnemingen juist naar gefundeerde beweringen over de werkelijkheid.

Ali Smith laat – merk ik op na het lezen van haar serie rond de seizoenen en op grond van dit boek – veel stemmen aan het woord om de alledaagse werkelijkheid te onderzoeken, beschrijven, en er een positie in te nemen. Ze zoekt naar 'waarheden' zelfs in het boek dat speelt in het postmoderne Groot Brittannië van Tony Blair. Geld is dik of dun, waardeloos of waardevol, meer een herinnering dan een betaalmiddel, of zelfs een schroevendraaier. Maar zeker minder waard dan liefde en genegenheid. In de neoliberale maatschappij van begin deze eeuw was dat al een betekenisvolle boodschap. In Hotel World keren vrouwen, geld en tijd steeds terug. Denk aan die eindige tijd en mis de liefde niet, lijkt het overkoepelende motto. Gehuld in flitsende kleren, met de nieuwste snufjes kan dit je ontgaan en compassie verdwijnen achter dure hebbedingen waaraan je vast zit. In haar latere boeken zit meer uitdrukkelijke aandacht voor maatschappelijke onderwerpen (verdeling van rijkdom, klimaat, Brexit, vluchtelingen en zelfs voor vredeactivisten). Die boeken kwamen dan ook nadat de schrale luwte verdween.

Het boek is beïnvloed door modernistische romans, staat in de aangehaalde wiki-zin. Dat betekent dus dat je een postmodern boek aldus de lemmamakers kan schrijven met modernistische technieken. Hier gaat het dus om het gebruik in literaire stromingen en niet over alledaagse filosofie. Wat betekenen ze in die context? De definitie van modernisme haal ik uit een scriptie van Dewi Beulen over het karakter van twee boeken van Smith, waaronder Hotel World. Modernisme “verwijst in eerste plaats naar de ontwikkelingen binnen de experimentele literatuur van de vroeg twintigste eeuw die bedoeld zijn om los te komen van traditionele versvormen en verteltechnieken om nieuwe methoden te vinden die passen bij het leven in een stedelijke, industriële omgeving en tijdperk van de massa.”

Voor een beschrijving van postmoderne literatuur vlucht ik maar weer naar wiki. Deze “stelt ironie centraal omdat het nastreven van orde en zin onwaarschijnlijk wordt geacht. (…) De gebeurtenissen volgen niet uit elkaar, maar vinden simultaan plaats, of als ze na elkaar plaatsvinden, is er geen direct verband te leggen. Het maakt niet uit waar iets begint en hoe het begint, hoe de gebeurtenissen met elkaar verbonden zijn, waar en hoe het eindigt.”

Beulen komt in haar scriptie tot de conclusie dat de bestudeerde boeken van Smith een voorbeeld zijn van metamodernisme, een vorm van literatuur die pendelt tussen modernisme en postmodernisme, en een “structuur van gevoel” bevat. Is dat het gevoel dat je beleeft als je vanuit het donker een verlichte kamer binnen kijkt en beseft dat men jou vanuit het licht niet kan zien en jij de mensen in de verlichte huiskamer wel? Dat een klik van de lichtschakelaar dat plotsklaps kan veranderen? Dat is wel het gevoel dat boeken op kunnen roepen. Ook dit boek. Dat je meekijkt naar wat mensen doen als ze rondlopen en binnenkijken, zoals de verwende Penny en de dakloze Else, die eigenlijk Elspeth heet. Tijdens die tocht in de donkere buurt vraagt de dakloze Else aan Penny naar de betekenis van het woord rebbigot. Het is een woord uit een gedicht en verkeerd onthouden, eigenlijk is het re-begot (wedergeboren). Penny had deze avond daarop een kans, maar ze laat hem schieten. Dat ze niet weet wat het woord betekent onderstreept dit. 

Ben ik geholpen met de zoektocht naar de betekenis van de literaire begrippen? Wel en niet. Wel omdat ik er iets nauwkeuriger naar heb gekeken en weet dat ook deskundigen er geen gat in zien om het een in het ander over te laten stromen tot een mengsel. Niet geholpen, omdat ik belandde in een debat uit een verdwenen tijdperk en uiteindelijk terecht kwam in een stroming die zo complex en wijd is als de delta van de Amazone; vrijwel alles past er in, als het maar niet premodern is en zelfs dat kan ironisch gebruikt toch ook. Ook niet, omdat het 't boek niet dichterbij heeft gebracht. Ik las een modern boek, dat postmodern en metadodernistisch genoemd werd, met verbanden tussen alle personages, die direct of indirect te maken hebben met het dramatisch verongelukte kamermeisje van het hotel.

Ik lees tenslotte een zestiental woorden die het leven samenvatten. Leef, hou van, en ga met een uithaal
      Wooooo-hooooooo oo o.
Ook daarin kan je geloven als je het weet.

Volgende bespreking onder foto.

Een week puzzelen en dan heb je 29 haaien voor je liggen. De vis die al 450 miljoen jaar geleden leefde.




Laatst gelezen boek boven.

The old men and the sea van Ernest Hemingway kreeg ik cadeau op het strand van IJmuiden van mijn oudste zoon voor mijn 51e verjaardag. Onlangs herlas ik het vanwege een ander boek, Ontij (zie hieronder) dat op de omslag naar de oude man verwees.

Het boek kan opgedeeld worden in drie delen (hoewel van hoofdstukken geen sprake is): een inleiding die speelt in het Cubaanse vissersdorp; het vissen op de marlijn die de omslag siert; en een slot waarin de oude man bijkomt in het dorp waar mensen naar elkaar omkijken.

De man is oud maar tevens taai. Ooit was hij een krachtpatser, een kampioen in het handjedrukken in de zeemanskroegen tot in Marokko aan toe. Hier vecht de lijnvisser, in zijn eenvoudige bootje, zijn strijd met de natuur.

Hoewel hij de haaien haat, houdt hij van de marlijn die hij ving, bijna als van een vriend. Hij praat ertegen, maar dood hem toch. Het spijt hem. Maar hij ziet het als een noodzakelijke zonde; nodig om de kost te verdienen en anderen te voeden. Als het een zonde is dan is alles een zonde, zo bedenkt hij. Die strijd van de visser is uiterst actueel, maar ook zo getypeerd achterhaald, we zijn als zoogdier immers onmiskenbaar een deel van de natuur, we staan er niet naast of boven, maar strijden wel met onze mede natuurgenoten.

Hoewel het leeuwendeel van het verhaal zich als eenakter op zee afspeelt, is er aan de wal de jongen die de visser verzorgt, van hem houdt en de visser van hem. Hij zegt op zee verschillende keren: “Ik wide dat de jongen hier was.” Dat is om zijn hulp bij visserstaken, maar ook om emotionele redenen; hij mist zijn maatje. Het maakt het boek wezenlijk anders dan Ontij.

“Nu is het niet de tijd om te bedenken wat je niet hebt. Bedenk wat je kan doen met wat je hebt,” overweegt de visser. Voordat je zelfs maar kan bedenken dat dit een platitude is, komt er: “Je geeft me veel goede raad. Ik ben het beu.” Die twee laatste zinnen geven wat een cliché was opnieuw kracht.

PS Al eens eerder postte de animatie door Alexander Petrov naar het boek van Ernest Hemingway, The Old man and the Sea. “Even tijd? Twaalf minuten? Kijk dan,” zette ik erbij. Dat advies herhaal ik met plezier.


Volgende bespreking onder foto.



Laatst gelezen boek boven.

A. Alberts was een man van weinig woorden; ook in de laatste novelle die hij schreef De vrouw met de parasol. Die vrouw is de frivole Aafje, de vrouw van Pieter. Pieter is de mislukte en dwalende zoon uit een kleinburgerlijke handelsfamilie. Zijn broers kopen hem het bedrijf uit zodat hij hen niet meer voor de voeten zal lopen.

In de Volkskrant omschreef
Arnold Heumakers het boek als een impressionistisch schilderij. Van dichtbij zie je vegen en vage vlakken, van veraf zie je het hele beeld. Dat is ook hoe Alberts de taal gebruikt, hij schildert met dunne strepen. Hij laat de lezer veel ruimte om zelf in te vullen. Het beeld van een vrouw met een parasol brengt je direct bij Monet. Het beeld van het schilderij wordt ook door Alberts genoemd: Aafje herinnert zich dat Pieter haar zag als een vrouw die liep op een schilderij.

De woorden vertellen niet alleen van veraf, maar ook met je neus op het doek verhalen. Als de kleine Pieter – het zoontje van Aafje en Pieter – eindelijk gestopt is met het opnieuw en opnieuw en opnieuw zingen van een kinderliedje, vraagt hij:
“Is pa in de schuur?”
Aafje antwoord:
“Waarom ga je niet weer zingen?”
De toon is in elf woorden gezet.

In 2018 begon ik met het schrijven van notities over de boeken om niet te vergeten wat ik las. Sommige van die beschrijvingen werden opgepikt door anderen en ik ging verder uitweiden om die lezers meer te bieden. Soms graaf ik daarvoor naar informatie. Bij non-fictie meer dan bij fictie, maar ook bij verhalen uit verbeelding zoek ik achtergrond over schrijver, vertaler, situatie en lees ik boekbesprekingen van middelbare scholieren (vaak informatief, maar
in dit geval veel fouten en een voorbeeld van klakkeloos overnemen).

Over De vrouw met de parasol las ik bespiegelingen uit de dagbladen. Je kan zo'n recensie bijna voorspellen. Het begint met: Alberts schrijft zuinig, inderdaad net zoals ik begon, bijna alsof het een stilzwijgende afspraak is. Mogelijk volgen dan wat verwijzingen naar het leven van de auteur, maar zeker naar zijn filosofie. De personages worden gefileerd en het verhaal wordt samengevat in een door de recensent gewenste context. Het laat je zien hoe beroepslezers zijn mysterieuze schetsen duiden. Meestal steek je er wat van op. Leo Oomens van het AD had een mooie ontmoeting met de auteur rond dit boek. Het voegde informatie toe aan de besprekingen.

Het hervertellen zou me mogelijkheden geven om nog meer te zeggen over de rampzaligheid van personen als Pieter die alles om zich heen uit domheid meesleuren de vernieling in. Het eerste de beste Duitse kamermeisje of professor ziet het meteen “
so eine Dummheit” en draait hem de rug toe, maar hijzelf weet het niet. Zelfs een vrolijk stappende vrouw met een parasol is niet opgewassen tegen een man die voor of achter je loopt, maar nooit naast je, met een leeg hoofd en alleen kortstondig aandacht voor alles, zonder onderscheid. Die niettemin toch alles verliest, ook zichzelf.

Maar zou ik dat breekbare verhaal beschrijven, dan zouden er scherven van afbreken. Dat niet alleen, verrassingen in het verhaal zouden verklapt worden. Daarom haal ik er wel voorvallen en gedachten uit, maar zonder het verhaal neer te pennen. Een geheugensteuntje dat mogelijk mensen prikkelt het boek te lezen.

Mis hier geen zin, mis geen woord, en zie een schilderij opdoemen met reisbestemmingen in Europa; een dramatische slot; en met meer of minder subtiele gedachten en emoties die uit de tekst spreken of er onder sluimeren. Dit was de laatste novelle van de schrijver van het weggelaten woord. Nog net zo mooi als hij begon. De vrouw met de parasol eindigt met de ultra korte zin: Stil.

Het boek verscheen in 1991. Voorjaar 1995 zou
Alberts de P.C. Hooftprijs krijgen: En dat alleen maar wegens het vertellen van een aantal verhalen, want daar komt het toch in de grond op neer,” aldus de schrijver zelf. In december van dat jaar zou hij op 84 jarige leeftijd voor altijd helemaal stil worden.

Voor mij komt hier een einde aan een seriebesprekingen van zijn door Van Oorschot uitgegeven boeken.

Volgende bespreking onder foto

Laatst gelezen boek boven.

Het is niet verwonderlijk dat Ontij door Tomás González vergeleken wordt met de De oude man en de zee, de novelle van Ernest Hemingway. Het koppelen aan een succesnummer is niet alleen verkooptechnisch handig, maar ook om de inhoud te duiden. Ook hier speelt het verhaal in een vissersboot. Er wordt gevist op dezelfde Caraïbische Zee; hoewel ver naar het Zuiden aan de kust van Colombia. Het verhaal speelt ook in een kort tijdsbestek, niet drie dagen, maar slechts 26 uur.

Er zijn ook grotere verschillen. Zo zijn er in Ontij drie vissers: een vader en twee zoons, Mario en Javier. De strijd wordt niet gestreden met een de verbeelding prikkelende vis – hoewel ook dat in een vissersboot onvermijdelijk voorkomt –, maar tussen de zoons en de oude lul. De vader ziet beide nakomelingen als een stelletje lamzakken en schat ze slechts sporadisch voor even op waarde, al ziet hij dat dan als gevolg van zijn goede invloed. De visser van Hemingway heeft meer waardering voor zijn jonge opvarende.

Aan de wal heeft de vrouw Nora als zijn vrouw en als moeder van die twee zoons. Ze heeft een psychotische stoornis. Volgens het verhaal door zijn optreden. Soms wordt ze vastgebonden op bed. Mario heeft het meest contact met haar en begrijpt zijn moeder het best. De vader heeft ook een jonge vrouw en bij haar een zoon om aan zijn echtgenote en zijn oudste zoons te ontsnappen.

Javier leest veel. De boeken worden gekocht in de stad of meegenomen door de gasten in het hotel van zijn vader.
González refereert aan de hand van Javier naar Shakespeare in zijn verhaal. Een koningsdrama is het daar op zee. Het lijkt me te hoog gegrepen.

De schrijver is geboren in Medellin. Hij was barman in een nachtclub in Bogotá. Later fietsenmaker in Miami, en vrij lang journalist in New York. Als Colombiaan uit het binnenland is de zee in veel van zijn romans een centraal element. Hij heeft een groot ontzag voor het golvende water:
“hoogmoed, de pretentie de zee te kennen, heeft al sinds bestaan van de zee en het begin van de geschiedenis voor rampen gezorgd.”

In Nederland heeft hij een toegewijd vertaler, Jos den Bekker. Die herschepper liet me struikelen over een terugkerend gebruik van het woord 'heb' waar 'heeft' hoort te staan, zoals hij “heb gelijk”. Er is een groot aantal personen uit verschillende delen van Colombia die zo spreken. Voor een schrijver die niet van opsmuk houdt, vond ik het te gekunsteld. Den Bekker is echter een ervaren vertaler die dergelijke accenten in de taal niet zomaar aanbrengt. Het is sappig Noord- en Zuid-Hollands. Uitgeschreven was het echter ongemakkelijk.*

Dat González steeds opnieuw duidelijk maakt dat er verstoorde relaties zijn tussen vader en zoons, vader en echtgenote, werd me wel eens teveel. Een dag op zee had mooier kunnen zijn als wat zuiniger was geschreven.


* Nadien merk ik dat ik steeds meer ben gaan letten op het verhaspelen van werkwoordvormen binnen dialecten. Dat hebben González en Den Bekker toch maar mooi voor elkaar.

Volgende bespreking onder foto.
  Laatst gelezen boek boven.

Satanstango van Lászlo Kraznahorkai is geschreven in de kleur van een nooit gewassen tafelkleedje in een oudbruin café, maar dan nog smoezeliger; het is geschreven alsof je in een vervallen molen twee meisjes aan een vuurtje de hoer ziet spelen, omdat er niets anders mogelijk is; het is geschreven in een wereld waar mensen aan hun lot worden overgelaten en hooguit hooghartig gecontroleerd worden door het bestuur; en het is geschreven met zuigende teksten alsof je over een Oost-Europese modderweg in de herfst gaat waar men wacht op de vorst om de weg weer hard en begaanbaar te maken.

Hier is dat wachten, het wachten op de verrijzenis van Irimiás, de zwerver met dubbele agenda en het image van een verlosser. De mythe rond zijn persoon is versterkt door het verhaal dat hij dood is wat de jongen van het verlopen gezin Horgos rondbazuinde. De kroegbaas gelooft echter niet dat doden weer levend kunnen worden. Hij wordt geteisterd door satanische spinnen die overal hun webben weven. Hij gelooft in de kracht van cijfers; voorraad en winstberekeningen. Die cijfers hebben werkelijk kracht in het boek, want nergens is enige alinea te bespeuren, de hoofdstukken zijn aaneengeregen zinnen. Vrijwel uitsluitend waar gerekend wordt zijn de regels niet uitgevuld. Of het is bij het Onze Vader of bij liedjes, zoals hier een laatste stukje volkslied dat het verhaal uitstekend past en zo typografische leven geeft aan de tekst:

't lot heeft ons niet steeds behoed,
Breng ons thans een blijde tijd!
Hebben wij niet reeds geboet...


De afgeschreven dokter houdt alles in de gaten. Hij heeft een ziekelijke neiging alles te zien en alles te noteren (voor elk persoon in het vervallen dorp een schrift). Zijn notities gaan over “de in opbouw zijnde satanische orde.” Zijn leven is gedrenkt in drank en gehuld in sigarettenrook. Hij ziet door een spleet in het gordijn de – ondanks alles toch – kleurrijke dorpelingen langskomen, zoals bijvoorbeeld Halics in zijn jas waaruit alle soepelheid verdwenen is en die hem niet niet beschermt tegen “de kletsgrage wateren van het noodweer, maar veeleer, zoals hij vaak zei, 'tegen innerlijke regens die gauw fataal kunnen worden'.”

Als de dorpelingen in slaap vallen wordt de lezer getrakteerd op een potpourri met in elkaar grijpende dromen die zich allengs minder van de regels aantrekken. De punten verdwijnen achter de zinnen en dan gaan de woorden aan elkaar plakken erkwameenmannnekeaandatzei. Langzaam loop je vast in de tekst, inderdaad, als op een modderweg. Kraznahorkai speelt blijkbaar graag met dergelijke vormen. In een ander boek gebruik hij geen hoofdletters en punten bij het begin en einde van zinnen. Hier raast de tekst dus zonder alinea indeling door en ontstaat er een wanorde waarin alles zich in het vorige en volgende verstrikt. Het past de visie van de schrijver dat de mens meestal niet veel betekent en door gebrek aan verbeelding en kennis blijft zitten waar hij zit en slechts wordt gedreven door primitieve behoeften.

Er is wel beweging achter op een voortrazende vrachtwagen; in weer en wind over een uitgestorven weg zonder weloverwogen plan. De tocht van de berooiden, hongerigen en geradbraakten gaat doelloos en op goed geluk de wijde wereld in, zonder ook maar een vermoeden te hebben wat er aan het einde wacht. Zelf beschikken over het reisdoel was uitgesloten. Nee dat werd bepaald door een rammelend, aftands en schokkend vehikel. Zo luiden de gedachten van Futaki, de manke denker.

Hij liep even om de hoek van het gebouw en ging piesen bij de kale acacia, en toen hij tussendoor even nar de hemel keek voelde hij zich verschrikkelijk klein en weerloos, en terwijl de urine onophoudelijk met mannelijke kracht uit hem stroomde, werd hij ineens weer door droefheid bevangen,” zo wordt zelfs het urineren literatuur. En er zijn de woorden van Petrina, de hulp van Irimiás: “zo-even heb ik begrepen dat er tussen mij een kever, een kever en een rivier, een rivier en een schreeuw over die rivier, geen enkel verschil is. Alles functioneert in het luchtledige en zonder zin, opgehangen en dwangmatig slingerend in een tijdloze beweging,” voor dergelijke zinnen lees je zelfs een boek zonder alinea's; ook als je wel zin in het leven ziet.

In een app-bericht dat ik zelf verstuurde merkte ik op: “Wat een leven. Gelukkig is in mijn boek van het moment nog troostelozer.” Want dat is het. Het boek beschrijft het leven van troostelozen. Het gaat over hen waarvan zelfs de hoop dunner is dan het vlies over een plas. Al luiden ook in de ellende ergens klokken – nauwelijks hoorbaar, nauwelijks vindbaar, nauwelijks bereikbaar – “een reeds verloren gewaande melodie van hoop.”


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.