vrijdag 2 oktober 2026

gliff




Gliff
is een roman van Ali Smith. Het verhaal begint vreemd met rode natte verf om een huis, waar de bewoners vervolgens met een camper uit moeten vertrekken. Diezelfde rode verf verschijnt de volgende  nacht om het voertuig van Leif, hij was de man in huis. De camper werkt vervolgens niet meer en wordt weggesleept. Er is blijkbaar een grens getrokken. Als woonruimte betrekken de kinderen vervolgens een leegstaande rijtjeswoning waar spoorwegpersoneel woonde in de tijd dat de railverbinding aangelegd werd. Er zijn geen meubels en het huisje ligt op een treinreis afstand van de eerdere woonplaats. De kinderen zijn dus weg van het bekende. Leif koopt conserven voor een week voor Bri (Briar) en Rose, de kinderen van zijn vriendin.
     Hij vertrekt in de richting van de moeder en zijn vriendin, een politiek activiste die verdwenen is. Je merkt terecht te zijn gekomen in een nare en angstaanjagende wereld waarin men absoluut niet zou willen leven. Het boek is dan ook voortgekomen uit de opdracht een Kafkaësk verhaal te schrijven.

Gliff

Rose betwijfelt als eerste of Leif wel terug zal komen. Ze staat wel vaker vooraan. Praten daar was ze niet snel mee. Ze was vier. “Paard,” was haar eerste woord. “Zei ze wat,” vroeg Bri destijds aan zijn moeder. “Ik zei paard,” antwoordde ze zelf.
     Ze was nu ook de eerste die de paarden in de buurt van hun lege huis tegenkwam. Ze krijgt een band met hen, vooral met die ene grijze die ze Gliff zal noemen. De naam komt als een fantasiewoord, maar het blijkt met ouderwetse papieren woordenboeken in de hand toch veel te beduiden. Er is een kort hoofdstuk aan gewijd:
Wat Gliff betekent. Die betekenis loopt van een synoniem voor stikkie, via een voorbijgaande ervaring van pijn of plezier, tot een woord dat ieder ander woord kan vervangen. De naam van het paad had die vooral die laatste betekenis en het dier werd zo volledig vrijgelaten. (Hun eigen naam wordt door de broer en zus zoveel mogelijk niet gegeven of veranderd. Zo kunnen ze anoniemer door de maatschappij bewegen.)
     Paarden spelen in Gliff een rol als dier dat staat voor vrijheid om te ontsnappen aan de beknellende omgeving. Gliff moet het lichtblauwe paard zijn dat de kaft van de roman siert. Een paard om vrolijk van te worden. Toch duikt ook de gevleugelde, mythische Pegasus op, niet in de vorm van het email-programma met die naam, maar in de betekenis van de gelijknamige Israëlische spionage software. Inderdaad als er al eens licht verschijnt dan wordt dit in de roman al snel weer overdekt met donkere beelden.
“We moeten niet wegkijken van de duisternis. En als ik niet keek naar het donker, wat voor soort schrijver zou ik dan zijn,” vraagt Smith zich retorisch af in een interview.
     Maar paarden maken 
toch vooral beweging mogelijk. Ze zijn ook echt aanwezig door hun geur en geluiden. Het paard als aangenaam baken van rust, en een held. 

Beknellend
Als de twee er op gaan letten lopen voor het huis bijna alle mensen voorbij met een blik op het scherm van hun mobiel en hebben anderen een intelligent horloge om de pols. Bestaan de kinderen op een foto in de sleutelhanger van het huis waar ze leven of zijn ze samengesteld uit duizenden digitale portretten, zoals de kennis steeds vaker ook uit opgediste losse brokken bestaat? Overal hangen observatiecamera's met of zonder afluisterapparatuur. Op de achtergrond zijn van de bevolking de persoonlijke details vastgelegd, zoals familierelaties, baan, inkomen, enzovoorts en is een stukje verloren grond voor rondtrekkende mensen onbruikbaar gemaakt door er betonnen paaltjes op te plaatsen (enigszins vergelijkbaar met het harteloos onbruikbaar maken of zelfs verwijden van bankjes in parken, op stations en bij bushaltes voor een mens die er wil liggen of gewoon als hangjongere, wandelaar of passagier even wil zitten.)
     Faciliteiten voor vermaak, zoals theaters, concertzalen, bioscopen – waar mensen ooit heel ouderwets samen van de verbeelding genoten – worden gesloten en maken plaats voor dure vastgoed projecten.
Brian zal ooit een machine maken die data van het net weg eet zodat mensen niet zijn wat het web zegt wat ze zijn, denkt Rose. Hij zal ook de technologie uitvinden om surveillance apparatuur om mensen te volgen op hun tochten te stoppen; het na gaan van de handelingen van mensen heeft immers niets te maken met reizen. Dat had de camper wel (of wat mij betreft de fiets en niet het vliegtuig of privé auto), weer aldus de zus die trots wil zijn op haar broer.
     Smith schildert hier een controle maatschappij die stilletjes ook steeds meer onze werkelijkheid wordt. Angstaanjagend, maar minder naar en totalitair dan hier geportretteerd. Het is eerder een waarschuwing voor wat komen kan en waarvan veel facetten er al zijn, dan een beschrijving van een hedendaagse werkelijkheid. Zoals ook 1984 in 1948 door Orwell werd geschreven. 

Woorden en beelden
Het zoeken naar de betekenis van woorden komt veel voor in de literatuur van Smith, zoals het verband tussen lock en lockdown in Companion Piece. Er zitten niet gangbare woorden in de tekst die moeten worden opgezocht of waar overheen moet worden gelezen. Als Brian het woord profligate gebruikt om zijn zus te pesten, dan vraagt Rose: Wat? Brian reageert met de opmerking dat het niet zijn probleem is als zij niet weet wat woorden betekenen. Gemeen, maar het stelt de lezer gerust die dit woord voor losbandigheid of spilziek ook niet kent als een Engelstalig romanpersonage hetzelfde probleem heeft.
     Ook keert de aandacht voor schilderkunst terug in de boeken van Smith. Hier is dat een aantal pagina's over
George Stubbs met zijn schilderijen van paarden die worden aangevallen door een leeuw. Ze zijn geschilderd in een situatie waarin de paarden met opzet angstig zijn gemaakt. Rose noemt dit ronduit nep en verweert zich er tegen. Ze sprak laat, maar neemt nu geen blad meer voor de mond ook niet om haar oprechte verontwaardiging uit te spreken. Niet als het draait om de dierenmishandeling door Stubbs, niet als het ingaat tegen het totalitaire regime en niet als het gaat om haar identiteit. Gliffs vacht licht op; maar haar woorden verlichten het verhaal in meerdere betekenissen. 

Tekst loopt door onder clip.

Moeder “drove us playing the songs by the singer called marianne Faithfull up the lane and on to the main road then the motorway towards the greener north. Bronken Engelish, Sister Morphine, Working Class Hero. What Have They Done To Rain,” p. 250.
De zangeres sluit vrijwel naadloos aan op deze roman.


Taal
Als je aan een beknellende literaire wereld denkt komt naast 1984 al snel Brave New World van Aldous Huxley voorbij als klassieker in dit genre. Gliff geeft me wel het gevoel dat het dichter bij de huidige wereld staat dan de genoemde voorgangers en dat leidt mijnerzijds tot afweer tegen de zwartgalligheid in de tekst. 'Zo erg is het niet,' verzucht ik regelmatig. Maar het denkbeeldige hoeft niet als naadloze mal over de werkelijkheid te liggen om toch betekenis te hebben. En het is onmiskenbaar; veel is al zo erg. Ze haalde Huxleys boek ook Autumn binnen om de controle in dienst van het vluchtelingenbeleid een contekst te geven. Dat Gliff niet omkijkt, maar de toekomst in, maakt het niet minder deel van de het samenhangende oeuvre van Smith. Het weer oppakken van de Dappere Nieuwe Wereld is daarvan slechts een voorbeeld.

Huxleys boek duikt nadrukkelijk op in Gliff: veel alinea's in het slot van de roman worden voorafgegaan door vetgedrukte tussenkopjes die spelen met die titel

 rave new o ld
  ave n (i) r

en nog een aantal andere varianten om vervolgens over te gaan in

Brave old world
Brave you world
Brave now world
Bravo new world
Brave new word


Het zijn tussenkopjes die de verhaalde status quo en de apathie op de korrel nemen. Nieuwe dapperheid. Smith laat het woord ingaan tegen de verdoving van de technologie en kunstmatige pillen die de onderklasse in dit boek slikt tegen de pijn. Het spelen met die bekende boektitel doet ook denken aan de leuze van de Anders Globalisten: een andere Wereld is Mogelijk. Woordkeus speelt daarbij een rol.
Het maakt duidelijk dat dit boek verhaalt over het donkere, maar ook over zich niet neerleggen bij de situatie. Het lijkt noodzaak je te verzetten tegen de beknotting van hogeraf. Zus zette haar taal, haar woorden, daartoe in. Hoewel het verhaal een open einde kent en de tekenen niet gunstig zijn, is dit niet meewaaien de weg die zelfs broer Bri weer wil gaan samen met Colon, de zoon van de eigenaar van Gliff.

Sprongen
Het is net alsof er geen jaren tussen de ontmoeting met die jongen en het paard zitten, maar eerder een paar weken zo terloops gaat de hernieuwde kennismaking tussen de twee toch inmiddels volwassen mannen. Even is het moeilijk mee te gaan met ras vertelster Smith. Ze maakt flinke sprongen in haar verhaal. Je zou willen weten wat er in die tussenliggende periode is gebeurd. Hoe het ging met Colon? Waarom koos Bri ervoor zich in het systeem te passen?
     De samenleving die Smith schetst is ook al niet gemakkelijk te verteren. Mensen die verdwijnen, uitgesloten worden, gevaarlijk en ziekmakend werk doen, met pijnstillers als beloning (Sister Morphine als troost), overal gecontroleerd worden, en dat in een herkenbare omgeving. Het blijft de verzuchting oproepen: is het niet wat veel?!

Het boek is een waarschuwing voor de controle maatschappij, waar mensen misbruikt kunnen worden, afgeschreven als goederen en keihard gecorrigeerd als ze niet in de pas lopen. En het is door de laatste stappen die Brian zet vooral een aansporing je niet bij een autocratische bestuur neer te leggen en je medemenselijkheid niet te verliezen. En dat alles in een ellendig verhaal dat je soms keihard raakt, maar dat zeer zeker ook prachtig en aangrijpend verteld is.

donderdag 1 oktober 2026

werkelijkheid

Afgelopen zaterdag zat ik in een kerk in Amsterdam-Zuid genoemd naar de vader des vaderlands, betrokken bij de holomodor in de Meijerij, Willen, zowel van Oranje als de Zwijger. Daar zag ik het met drumband uitgebreide ZEA, Honey Beer en het trio Ardea Alba. Het was deel van het Kronkel festival en en op deze plek ook Burendag. Het avond programma miste ik.

De vrouw uit het trio Ardea Alba, Sougol Khojasteh, 
vroeg ons mee te klappen en zingen met het laatste nummer. Het ging om een religieus voorganger zo bleef hangen van haar korte inleiding op het lied. Ze zong overigens met prachtig volle stem, nadat ze eerder een fluit, de ney speelde met een solo waar het instrument veel van zijn kanten liet zien. Haar collega Bamsar Dezhkameh speelde de suroz. Daarnaast speelde de Nederlandse (van Friese komaf) Dina gitaar en zong de meest nummers, waardoor het Iraans met een Nederlands tintje werd of net andersom. 
     Thuis zoek ik de achtergrond van dat laatste nummer wel op, dacht ik. Maar dat lukte niet.

De vraag toen maar naar de band Bamsar gestuurd, deel van Ardea Alba. Dezelfde dag kwam er een uitgebreid antwoord. Hieronder een groot deel van de (uit het Engels naar het Nederlands vertaalde en wat bewerkte) tekst:

Het stuk draagt ​​de titel "Man Moridan" en is opgedragen aan sjeik Abdul Qadir Jilani. Hij was een van de beroemdste mystici en soefi-geleerden. Hij werd geboren in Noord-Iran, in de regio ten zuiden van de Kaspische Zee die in historische bronnen met Gilan wordt geassocieerd. Op jonge leeftijd trok hij naar Bagdad, waar hij zich bekwaamde in de religieuze wetenschappen, de islamitische rechtsgeleerdheid en de Hadith. Later verwierf hij grote faam als prediker, rechtsgeleerde en mysticus.

Hij legde bijzondere nadruk op:

  • oprechtheid en zuiverheid van intentie;
  • vertrouwen op God;
  • de strijd tegen het ego en egoïsme;
  • het helpen van armen en behoeftigen;
  • het vermijden van hypocrisie en overmatige gehechtheid aan het wereldse leven; en
  • het behouden van de verbinding tussen de islamitische wet (sharia) en het spirituele pad
  • In Balochistan (waarde musici van Bamsar vandaan komen), zijn er Qadiri-derwisjen die tijdens de Maled of Pirpatar-rituelen in kringen samenkomen. Ter ere van hem voeren zij devotionele gezangen uit, begeleid door de daf, een traditionele frametrommel.
         De muziek die ze in de Willem de Zwijgerkerk lieten horen, is eveneens een vorm van deze devotionele, spirituele muziek. Vermeldenswaardig is ook dat Abdul Qadir Jilani bekendstaat onder titels als Ghawth al-A’zam ("de Grootste Helper") en Muhyiddin ("Vernieuwer van het Geloof")
    .

    Tot zover de tekst. Ballochistan roept een herinnering bij me op met beeld en al, maar daaraan is nu wat moois en wat kennis toegevoegd. Door een concert stapte ik even in een volgende werkelijkheid. Er waren er nogal wat deze zaterdagmiddag.













    zaterdag 26 september 2026

    Knot


     




    Het is een nieuwe route door wat ooit drassig was en nu doorsneden wordt door waterlopen en kades in het veen. Langs de smalle paden staan knotwilgen. De een nog verweerder en kunstzinniger dan de ander. Juist de verwering, de ouderdom, en butsen maken ze mooi. Ik stop ervoor en rijd weer verder. De boom staat er een volgende keer ook nog wel.

    Nieuw is de route vanwege het sluiten van twee bruggen over de Beneden Merwede. Maar mijn route blijkt te lang geworden, juist de doorrijdfietspaden zijn afgesloten. De pont naar Werkendam haal ik daardoor niet meer en de volgende misschien ook niet. Vervolgens een uur wachten past niet. Dan maar kijken of ik Dordrecht anders kan bereiken. Het lukt met een noodpont.

    In het Dortse ziekenhuis stap ik een kunsthuisje in dat volledig is gemaakt van de letters van het gedicht Liberté van Paul Élouard (uit Poésie et vérité 1942). Er is ook een vertaling door Paul Claes. De volgende dag stap ik binnen bij de Willem de Zwijgerkerk.

    Op het podium staan ZEA en de drumband Hallejah Makum. Ze voeren het laatste album uit. (Ik schreef al eens een stukje over de teksten.) In de zaal klinkt het nog een stuk mooier. Het Kronkel festival 2026 was ermee begonnen.

    vrijdag 25 september 2026

    Hadji Murad


    Hadji Murad door Tolstoj (1828-1910) verscheen een paar jaar na het overlijden van de Russische schrijver.*
         Murad was als Naïb/landvoogd in dienst van Imam Sjamyl. Hoewel hij een waardevol strateeg was, stond hij op gespannen voet met deze heerser. Als de relaties door een opvolgingskwestie zo verslechteren dat hij zijn leven niet meer zeker is, verlaat Murad de zogenaamde Kaukasische Arend. Zijn gezinsleden blijven gegijzeld achter. Om ze vrij te krijgen loopt hij over naar de Russen om met hun hulp (wapens, gevangenen ruil, troepen) meer kans te maken op hereniging met zijn vrouwen en kinderen en uiteindelijk zelf
    “heer en meester” te worden “over het ganse, onderworpen Tsjetjna.”

    Hadji Murad was ook in de werkelijkheid een verzetsleider voor de Dagestanen en Tsjetsjenen tegen de Russen en inderdaad in dienst van Sjamyl. Zijn faam was groot en hij was in Rusland berucht. 
         Een graaf die in de novelle over zijn positie moest oordelen, hoorde zijn mooie woorden, maar geloofde dat Murad “een vijand zou blijven van al wat Russisch en christen was...”
         Tolstoj schreef Hadji Murad tussen 1896 en 1904 op grond van zijn eigen ervaringen half negentiende eeuw, archief onderzoek en verhalen over Murad.** Zijn militaire ervaring zit bijvoorbeeld overduidelijk in de beschrijving van de afkeer bij de militairen te velde over het overnachten van de vrouw van een hoge militair in het kamp, een privilege waarvoor extra bewaking moest worden ingezet en dus meer wacht gelopen.
         In de jaren dat het schrijfproces duurde kwam er een tiental verschillende versies, waarbij de polemieken achteraf of de uitgegeven versie wel de juiste was en zijn goedkeuring weg kon dragen onvermijdelijk waren. Een kwestie voor literatuurwetenschappers.

    Nog niet zo lang geleden bleek dat het tussen Russen en Tsjetsjenen nog steeds niet boterde. Er waren twee felle en zeer gewelddadige oorlogen (1994-1996 en 1999-2009), waarbij de hoofdstad Grosny in puin werd geschoten.*** Het oprakelen van die Tsjetsjeense oorlogen lijkt onvermijdelijk bij het lezen van dit boek over de inlijving van de Kaukasus door de Russen halverwege de negentiende eeuw.

    De novelle beschrijft niettemin een eenvoudig verhaal. Het vrij krijgen van de familie van Murad is de drijvende factor achter de ontwikkelingen. Als lezer duik je in de bijeenkomsten van de Russische elite (zowel militair als bestuurlijk), de soldatenkampen en de omgeving van Hadji Murad en in zijn geschiedenis. Je komt terecht op de Kaukasus waar de Russen ook toen al door een waar terreurbewind (moord, vernietigen voedsel, vergiftigen water en verbranden van huizen en goederen) greep op probeerden te krijgen. Ook is er een ontmoeting met de overspelige, wreedaardige en gewelddadige tiran, tsaar Nicolai I. (Tolstoj is verre van mild in zijn oordeel over hem.)
         Kenner van de Russische literatur James B. Woodward merkt op dat de novelle het contrast beschrijft tussen de Russische uiteenvallende bureaucratie en het gezonde en gepassioneerde leven van een bergbewoner. Het is eveneens een boek waar christelijke macht stuit op een islamitische bevolking. Je komt thuis bij de bergbewoners, en maakt kennis met hun geschiedenis, cultuur en ideeën (niet allen even aantrekkelijk). Je leest hun reactie op het Russische optreden:
    “Geen woord van haat jegens de Russen werd vernomen. Dit gevoel, dat de Tsjetsjenen van de oudste man tot het jongste kind vervulde, ging ver boven haat uit. Het was het gevoel van onmacht om deze Russische honden nog als mensen te beschouwen, een gevoel van grenzeloze afschuw en walging, een gevoel van zulk een verbijsterde ontzetting over de zinloosheid van deze wreedheid, dat men de Russen niet anders kon zien dan als ratten, wolven of giftige spinnen, tot niets meer goed dan om te verdelgen met alle middelen waarover men beschikte.
    De fictieve Russische militair Butler leefde in het gevaar van de oorlog. Een gevaar dat hem onderscheidingen opleverde en hoogachting van kameraden en vrienden. “De andere zijde van de oorlog, de dood en de wonden, die soldaten, officieren en bergbewoners troffen, wilde hij zich niet bewust zijn. Zonder er bij na te denken, vermeed hij het naar gesneuvelden of gewonden te kijken, het zou zijn romantische kijk op de oorlog bederven.” Je moest je tegen de dappere bergbewoners, de dsjigits, verdedigen, vond hij.
         Tegelijkertijd kon hij het goed met Hadji Murad vinden. In een gesprek vertelt Murad hem de parabel over de muilezel en de hond. De hond geeft het hoefdier vlees en hij krijgt zelf hooi. Beide blijven hongerig. Na een glimlach volgt de uitleg:
    “Elk volk is van mening dat de eigen zeden en gebruiken de beste zijn.” Die reflectie is waardevol, nog steeds. Kokkin Marja Dmitrijewna heeft aan Russische zijde de meest kritische visie op het Russische optreden en de meest open blik op de islamitische strijder. Ook dat kan.

    De novelle speelt bijna twee eeuwen geleden. En ze is ruim een eeuw geleden geschreven. Helaas, het klinkt herhaaldelijk nog steeds herkenbaar door de actualiteit. Tolstoj weet een toon te treffen die de tijd overleeft. Alleen het woord
    dsjigits leidt tot geen enkele google treffer (veel Islamitische termen zijn juist gangbaarder geworden, hoewel licht van spelling veranderd zoals chariat naar sharia). Dsjigits komt uit het Turks en betekent dappere persoon.**** 
         Hadji Murad is niet alleen een avontuurlijke en voor de huidige lezer prettig leesbare geschiedenis, de novelle landt op nieuwe ontwikkelingen in de Kaukasus, elders in Rusland en hecht zich aan ontwikkelingen ver daarbuiten.

    Noten:
    * De uiteindelijke ongecensureerde versie op grond van Tolstojs originele manuscripten verscheen pas in 1950. Het hier opgenomen citaat “Geen woord...men beschikte.” was bijvoorbeeld weggezuiverd evenals de kritiek op de tsaar.
    ** Het is een van de de romans die ik dit jaar las die historische ontwikkelingen volgt. Eerder waren er: Samarkand door Amin Maalouf; A Sultan in Palermo door Tariq Ali; Een zandstorm, zeiden ze door Çiler Ílhan. En dan waren er nog Ander Licht over de schilderes Alida Withoos, Eén korrel graan over Britts kolonialisme in Kenia en de strijd ertegen, en De man van veel over een deel uit het leven van Anton de Kom. 
    De biografische romans en verhalen laat ik dan nog weg.
    Het een is meer geromantiseerd dan het andere, maar in alle is de lijn van geschiedenis duidelijk zichtbaar. Literatuur en geschiedenis; het is niet verwonderlijk dat ze een sterke band hebben. Maar het is wel ervoor waken om fictie niet voor de werkelijkheid aan te zien, al kan ze helpen verklaren wat in het echt gebeurde.
    *** Tijdens een vredesbijeenkomst in Tampere (Finland) merkte ik eind jaren negentig dat deze oorlogen veel impact hadden op het denken over Rusland, oorlog en vrede, terwijl ze in de Nederlandse vredesbeweging wel opgemerkt werden maar geen grote rol in het debat speelden.
    **** In Ne Chabar herken ik het Inonesische woord kabar met dezelfde betekenis en eveneens gebruikt als Is er nieuws (apa kabar)? Zo blijkt taal flink door de geschiedenis en over de wereld gereisd te hebben. Toltoj gebruikt dit lokale woord zonder verklarende voetnoot, maar met een eenvoudige vertaling in de tekst.