vrijdag 3 april 2026

Brooklyn



Brooklyn
(2009) door Colm Tóibín is een deel van een serie. Het volgende deel Long Island stond in mijn lijstje te lezen boeken. Waarom? Geen idee meer. Maar Long Island (2024) was niet aanwezig in de bieb. Daardoor werd het – beter nog – 't eerste deel uit de serie.

Brooklyn is eenvoudig samen te vatten: begin jaren vijftig vertrekt Eilis Lacey vanuit het Ierse Enniscorthy naar het stadsdeel van New York, dat zuidoostelijk van Manhattan ligt, om daar meer kans te maken op een baan op haar niveau. Haar broers zijn al vertrokken naar Engeland om daar te werken. Eilis zet een nog grotere stap. Net als veel landgenoten, zowel voor als na haar deden. Het uitgewaaierde gezin legt hutje bij mutje om haar overtocht te bekostigen.

Haar landing in Brooklyn wordt geregeld door pater Flood, die er een Ierse parochie bestiert. Hij organiseert er kerstmaaltijden voor de Ieren van allerlei komaf. Er zijn vrijdagavonden met dansfeesten om geld binnen te brengen voor zijn kerk. Eilis helpt hem, zoals hij haar hielp. Ze heeft een baan in een groot warenhuis en leert boekhouden op een avondschool. Haar drukke bezigheden moeten de heimwee wegwerken. Als er ook een relatie bij komt, is vrijwel de hele week gevuld.

In het warenhuis wordt een soort dolle nylondag georganiseerd. Van te voren is niet bekend dat de koopjesjagers terecht kunnen voor de ladderende kousen, maar als het begint dan komen de koopsters er massaal op af. Een andere ontwikkeling is dat er aanbod is voor de gekleurde bevolking. In het huis waar Eilis woont, wordt van dit tweede schande gesproken, maar het zou wennen. Zo pik je terloops nog wat mee over de groei van het consumentisme in de jaren kort na de Tweede Wereldoorlog.

Naast heimwee zijn er na-ijver en roddel en achterklap die haar leven moeilijk maken. Langzaamaan vindt Eilis ver van huis echter een nieuw bestaan met nieuwe contacten, met werk dat weinig boeiend is, maar dat wel loopt, met vriendje Tony, lessen en boeken. Met een cheffin die niet genoeg van haar kan zien. Tony geeft Eilis aandacht en is grappig en onderhoudend. Alles zit mee. Dat moet wel fout gaan.

Dat doet het ook. Het moment dat misloopt wordt meteen gevolgd door een stevige vrijpartij die ik in dit boek niet zag aankomen. Wordt dat een oorzaak van het verder mislopen of is er al genoeg dat het leven compliceert? In ieder geval wordt onderstreept dat wat in Ierland gebeurt ver weg is als ze in New York is. Het is alsof de twee werelden verbonden zijn maar nog meer los van elkaar staan.

In Ierland kan ze niet denken aan Tony anders dan iemand waar ze mee verbonden is of ze dit nu leuk vond of niet. Hij was iemand die haar niet zou toestaan hem te vergeten en die haar terugkeer naar New York wenste. Tony en de toekomst van Eilis? Het antwoord op die vraag kan niet onverdeeld positief zijn. Hij wortelt in een andere migranten gemeenschap, met eigen mores en kijk op hoe het hoort.

Haar moeder is zielig en speelt daarmee. Wat haar dochter wenst, is voor haar van gering belang tot niet aanwezig. Die heeft het idee dat ze door haar moeder gemanipuleerd wordt. De knellende normen en waarden zorgen er voor dat ze veel niet vertelt, waardoor het leven niet makkelijker wordt. Als je zaken verzwijgt, wanneer ga je ze dan wel vertellen? Er zijn zaken die je niet kunt blijven verzwijgen. Zorgen de 
dorpse, benauwende en sturende omstandigheden ervoor dat Eilis zwicht voor de pogingen haar permanent terug te halen naar Ierland.

Dorps is hier verkeerd gekozen. Ook in Brooklyn is de kans groot dat men je afrekent als je uit de pas loopt en ook in dat grote stadsdeel van een metropool is de kans aanwezig dat men via via hoort wat je doet en daarop reageert. Dwingend conservatisme is misschien een betere omschrijving, los van stad of , dorp. Het is zelfs mogelijk dat via de vele Ierse trans-Atlantische relaties bekend wordt wat je aan de overkant van de oceaan deed. In de stad is de kans wel groter dat je uit de opgedrongen groep stapt.

Overigens is van totaal roze geluk en geheel donkere tegenslag in Brooklyn geen sprake; in alle situaties duiken ook de tegenoverliggende emoties, voorvallen en ontwikkelingen op. Om te weten wat er aan de overkant van de Atlantische Oceaan zal gebeuren kan ik Long Island lezen. Ik kijk er naar uit.

Daarna is er nog
Nora Webster (2014), waarin de moeder van van Eilis voorkomt en dat gaat “over een andere strijd van een vrouw uit Enniscorthy voor zelfstandigheid,” zoals A.O. Scott het in de New Yorks Times schreef (13 mei 2024). Dat boek speelt in de jaren zestig en zeventig.  

Het komt zelden voor dat je het gevoel hebt in een roman zo dicht op de ontwikkelingen en het hoofdpersonage te zitten. Het is met lichte en eenvoudige, maar overtuigende pennestreken geschreven. Dat het naast een persoonlijk verhaal gaat over een belangrijk deel van de Europese geschiedenis – de Ierse migratie naar de Verenigde Staten – is meegenomen. Die migratie stromen mogen dan over hun hoogtepunt heen zijn als Eilis gaat, ze zijn aan beide zijden van de Atlantische Oceaan duidelijk zichtbaar. 
     Door de relatie met een Italiaan komt ook een andere belangrijke groep in beeld en de leraar op de avondschool is in de oorlog zijn familie verloren. Hij is van Joodse afkomst. Maar het is vooral het verhaal over een jonge vrouw in een nieuwe wereld.
 Waarom weet ik dus niet meer, maar het was niet verkeerd een boek van succesauteur Tóibín op mijn lijstje te zetten.

vrijdag 27 maart 2026

Dichter op de Zeedijk

Dichter op de Zeedijk door Kees van Beijnum vertelt het verhaal van Constance. Hij is een tiener die door zijn grootmoeder met harde hand, en ook verhuld liefdevol, wordt opgevoed. Oma is kroegbaas en een stevige tante die haar positie op de Dijk en in haar café de Rode Laars weet te verdedigen; als het kan met haar grote bek, als het nodig is met spierkracht. Er hangen allerlei types aan de bar. Een vaste klant die vanuit het café naar zijn werk gaat, ligt er op een moment 's morgens zelfs dood met zijn pet op. Bijna alsof hij slaapt.

Wanneer speelt het? De Zeedijk werd in de jaren zeventig een hangplek voor heroïne verslaafden. Je ziet dat in dit boek al een beetje aankomen, maar het verhaal speelt eerder. In de jukebox zitten Bill Haley met See you later alligator (1956), Bye Bye Love van de Everly Brothers (1958) en Pim Maas die in 1959 de titel “de Elvis Presley van de Nieuwendijk (...)” kreeg. Tegen het einde van het boek komt niet alleen de irritant genoemde muziek van Hank Williams voorbij, maar ook Twenty Four Hours From Tulsa van Gene Pitney (1964). 

Tekst loopt door onder de muziek.


 

Uit een andere hoek komt voetballer Henk Groot, tenminste die het moet wel zijn als geschreven wordt:

“In zijn winkeltje stond hij de hele dag in zijn eentje, tussen wat voor hem en definitief achter hem lag. Op graaiafstand van pakjes sigaretten, rolletjes pepermunt en, onder de toonbank. 'naaktstudies'. Hij verkocht kaartjes voor de thuiswedstrijden van zijn oude club, terwijl zijn eigen heldenjaren verkruimeld waren tot enkele bleke vaantjes aan de muur en de ingelijste foto ('kampioenselftal 1959-1960') waarop hij gehurkt in het midden zat – een leren knikker onder zijn gespreide vingers (…).” 
     Die vingers zijn dan weer van
zijn broer Cees, ook voetballer, Henks winkel ging in 1962 open. Niet in Amsterdam, zoals in het boek, maar in Koog aan de Zaan. Henk Groot komt later nog eens voor. Nu als bijnaam voor Muis die tijdens het Rock en Roll dansen haar hoofd per ongeluk in het kruis van haar danspartner plaatste. Henk Groot “maak ze ook allemaal met 't koppie.” Vandaar. Het is duidelijk we zitten in de jaren zestig.

De dichter op de dijk is de schim van Vondel die eind 16e en in de 17e eeuw leefde. Joost praat met Constance over normen en waarden, wat de mensen rond de dijk doen en waarom, en hoe gedichten horen te zijn: met de juiste vorm, het goede metrum en rijm om de tekst vaart te geven. Constance weet dat de visies van de dichter met het karakteristieke smalle baardje gedateerd zijn. Hij zoekt naar zijn eigen stem bij het dichten, om zijn eigen gevoel te verwoorden:

Morgen rijd ik met bedwelmende
bloemen naar je toe
ik wil niet langer wachten einde
lijk weten hoe
je bent, de bloemen zullen je verraden
De gedachten worden hem teveel. Hij wankelt en valt. Overvallen door koorts en vooral door liefde. “Het was vreselijk. Het was heerlijk.”

Afbraak Haarlemmer Houttuinen door Otto Boudewijn de Kat.
(1974 ) Collectie Amsterdam Museum. Zie.

Voorbij het centraal station gaat Constance met zijn vriend Ben de Haarlemmerbuurt in om daar hout voor een bootje te kopen dat ze samen gaan maken. Daar liggen de 'houtsloperijen' (ik vind geen informatie rond dat woord, wel iets over een houthandel). De buurt waar ze heen gingen, stond destijds op de valreep van een grote verandering. In de jaren zeventig ging een groot deel plat.
     Het boek handelt in een herkenbaar stuk Amsterdam. Zelfs als Constance en Muis met de pont naar Noord oversteken, waar ze intiem teder in het gras gaan liggen, zie je meteen de dijk langs het Noord-Hollandslanaal opdoemen. O ja, Muis is het mooie barmeisje dat oma met kennersblik heeft aangenomen. Ze zou inderdaad veel klanten trekken.

Los van alle herkenbaarheid en feitjes leest
Dichter op de Zeedijk prettig weg. Het boek is sfeer-, liefdevol en hard. Constance is kind, puber en vroegwijs. Er is de fijne band tussen hem en Muis. Zijn vriendschap met de veel oudere Ben wordt prachtig in de verf gezet. Die intieme relaties romantiseren de situatie op de Dijk niet. Daarvoor wordt teveel in alcohol geweekt en onenigheid opgelost met kopstoten en vuisten. Toch is daar wonen en opgroeien niet iets om je voor te schamen, maar anderzijds ook niet voor iedereen weggelegd.

vrijdag 20 maart 2026

Huizen zonder vaders



Huizen zonder vaders door Heinrich Böll is echte Trümerliteratuur, geschreven op de puinhopen van het Duitsland van na de oorlog. Snappen waar de vaders uit de titel zijn gebleven vergt geen denkkracht. Maar wat de naoorlogse situatie doet met de twee vrienden Martin en Heinrich wel. Beiden hebben een andere achtergrond. De vader van de een was dichter, die van de ander automonteur. Dit om maar een in het oog springend verschil te noemen. Hun denken en leefomgeving wordt door de schrijver op eenvoudige maar indringende wijze verwoord.

Zeven jongens in hun klas hadden in de oorlog een vader verloren, en konden daarom op clementie rekenen als ze iets niet wisten of verkeerd deden. Dat verloren klonk alsof ze hem hadden
“laten staan, als een paraplu.” Er zijn dus nog wel wat vaders, maar er zijn ook 'ooms' die een relatie met moeders krijgen en zich 'verenigen'. De ene oom is goed of net te doen, de andere oom is akelig en verteert de beperkte inkomsten, zodat de rest van 'het gezin' hongert.
     Er is een man die op Martin en Heinrich let, Albert. Hij is geen vader, maar ook meer dan een oom. Hij was de vriend van Martins vader. Die vader is de dood ingejaagd op een heikele missie door een officier die zich machtsbelust wilde laten gelden. Hij legde adviezen om de mannen niet te sturen naast zich neer.      Nella de moeder van Martin is economisch onafhankelijk. Ze wil niet meer trouwen. Haar liefde bleef in de oorlog: “(...) de een of andere kleine stommeling komt op het toneel en laat je man neerknallen – drie, vier miljoen van die plechtige gebeurtenissen worden door één oorlog teniet gedaan.” Minnares is daarna mooi genoeg. Ze wil niet weer weduwe worden. Want dat is wat ze vreest.
     Mooipraters strooien vergetelheid over de narigheid van de oorlog, zogenaamd in het belang van de kinderen, maar ook omdat de mannen er weer op uit moeten gaan,
“anders stagneert de weduwenfabriek.” Nu woont Nella in een verwaarloosd huis, maar wel een plek met een dak, koelkast en een ruimte waar ook anderen huizen, zoals haar moeder die de moordenaar van haar schoonzoon niet vergeet. Maar ook Glum. Glum heette eigenlijk Glumbich Choklokusteban. Dat betekende 'Zon die onze bessen doet rijpen'. Hij kwam van ver, helemaal uit het noorden van Siberië, aan de Poolzee bij een rivier, die Sjechtisjechna-sjechticho wordt genoemd, maar ook van dichtbij genoeg om nu in hetzelfde huis te wonen.
    Mevrouw Brielach, de moeder van Heinrich, is op de steun van de ooms aangewezen. Rijkdom brengt het haar niet. De inboedel is een allegaartje. Heinrich slaapt bijvoorbeeld op een deur uit het Ministerie van Financiën, meer specifiek die van kamer 547. Dat staat er nog op. Eronder staan vier klossen. Een kast is niet veel meer dan een touw, een plank en een gordijn. Heinrich cijfert zich suf om de uitgaven net zo krap te maken als de inkomsten en ontwikkelt daartoe niet alleen zijn rekenkunde, maar als jong kind ook zijn handelsgeest en een te volwassen gevoel voor verantwoordelijkheid. Mevrouw Brielach is gedwongen om op beter te hopen en dat te zoeken.

De jongens houden zich bezig met wat MOREEL, IMMOREEL en ONZEDELIJK is en wat FATSOEN betekent. Welke moeder past welke rol? Wanneer is het zich verenigen tussen man en vrouw wel of niet goed te praten? Deze vraag blijft spelen tot in de laatste zin van de roman en krijgt dan een antwoord waarbij aan een deel van de narigheid ontsnapt lijkt te worden (maar of dat zo is ligt over de horizon van de tekst).
     Het fatsoen van een oom was niet meer dan een woord gebruikt als vernis. De onzedelijkheid van de oorlog speelt op de achtergrond een veel grotere rol dan de vragen die door de hoofden van de beginnende pubers jagen. Het NAZISME met zijn geweld en bloeddorst was weliswaar DOOR EN DOOR DUITS, maar zo Duits geaard trapten ze ook een donkere lachende jongen dood. Een Jood. Vandaar. Op de plek van die lynchpartij groeien nu in het donker champignons en buiten roepen de moeders er na de oorlog naar hun kinderen dat ze op moeten passen KOM ER NIET TE DICHT BIJ. Op school werden de nazi's “NIET ZO ERG afgeschilderd; andere verschrikkingen stelden de NIET ZO ERGE NAZI's in de schaduw: de Russen.” Böll constateert al in 1954 hoe de opkomende Koude Oorlog als boenwas voor het fascisme wordt gebruikt.

Woorden spelen een grote rol in het boek. Soms worden ze met hoofdletters benadrukt. De woorden in kapitalen hierboven komen allemaal zo gezet uit
De huizen zonder vaders. Dat gaat van een woord als GELD, of STINKOORLOG, naar woorden die niet goed zouden zijn als EIGENLIJK, SOWIESO en UBERHAUPT, maar dat waren “woorden die belangrijker waren dan volwassenen dachten.”
     Door het hoofd van Martins' moeder spelen andere woorden, de eerste letter valt van deze niet in kapitalen geschreven
ührer, olk en aderland af. Een, twee, drie lettergrepen, maar ze waren goed voor miljoenen weduwen, miljoenen wezen. Woorden die ervoor zorgden dat de vader van Heinrich lag te verrotten in Kalinovka (dat is net over de grens met Oekraïne in Rusland gelegen).

Gäseler, de officier die zijn slopende machtswoord sprak, werkt inmiddels aan een bloemlezing van het werk van Raimund Bach de vader van Martin. De dichter is populair geworden na de oorlog, en wordt steeds meer gebruikt als vlag op een modderschuit. Als Nella hem spreekt, zegt ze: “Mijn man haatte de oorlog, en ik geef u geen enkel vers voor uw bloemlezing als u er niet een brief bij opneemt die ik zal uitzoeken. Hij haatte de oorlog, de generaals, het hele militarisme – en ik zou u moeten haten, u verveelt me alleen maar.” Het huidige Duitsland, de huidige wereld, heeft weer nood aan Nella's.

Op de al genoemde
pagina over de Puinhoop literatuur, wordt beweerd dat Böll “vond dat de literatuur na de Tweede Wereldoorlog eenvoudig moest worden.” Hij is daar in dit boek bijzonder goed in geslaagd, zonder dat het daardoor simpel is. Sterker nog het boek is een stem tegen het vergeten en geeft er een aan de kinderen, de vrouwen en jonge soldaten die slachtoffer werden van wat de daders zo snel mogelijk  wilden uitwissen. Waar ze overheen wilden praten. Dit boek werkt als plumeau, en veegt het mooipraatstof weg.

Bovenal is het een boek dat laat zien dat oorlog niet zozeer over dapperheid, maar veel meer over ellende gaat.

donderdag 19 maart 2026

Vragen, altijd vragen

 

Toch doe ik het wel: schrijven over een praatje op mijn bankje onder aan 't duin. Of eigenlijk niet over het gesprek, maar over mijn eigen falende hersenpan. Het ging over van alles en nog wat, maar ook over het sluizencomplex bij Velzen. Dat werkt niet goed en dat levert gevaar op voor delen van Noord-Holland en Utrecht.
     Het probleem wordt al jaren met lapmiddelen afgewend. Er is een nieuw gemaal nodig en de kosten daarvan kunnen oplopen tot € 2,3-miljard. Die aanpak wordt door het Kabinet vooruitgeschoven (dat ziet veiligheid vooral in wapens). De provincie vindt dat het tijd voor een aanpak wordt. Ik wist er het fijne niet meer van en sprak er desondanks met bombarie toch over. Vragen, altijd vragen. Vragen dat levert meer op dan beweren.

We hadden het op dat bankje de dag na de gemeenteraadsverkiezingen ook over Emiel Roemer. Ik wist niet dat hij op dat moment met de gevolgen van een verkeersongeluk kampte. Dat kan. Maar ook niet meer welke functie de aimabele SP'er tegenwoordig vervult. Burgemeester ergens in Zuid-Limburg? Nee natuurlijk niet. Hij is al vijf jaar Commisaris van de Koning in die provincie. Dat wist ik wel. Maar mijn hersens lijken wel een bezinkput waar alles verdwijnt naar de bodem. Het warrelt soms weer boven als ik erin roer. (Dat ik nog maar moeilijk kan lezen, werkt ook niet echt mee.) Het voordeel? Ik ben steeds weer verbaasd, bijvoorbeeld als ik zie waar de voormalige schoolmeester terecht is gekomen.

***

Voor mij was de tocht naar het strand, weer de eerste langere fietstocht in tijden. Twee seizoenen had ik overgeslagen. De herfst en de winter, stonden in het teken van ziektes. Blij maakte dat de vingerhelmbloem niet ver van de duinen weer bloeide en de ereprijs de berm weer blauw kleurde. Ook de eetbare bladeren van de daslook  zijn weer terug. In de duinen liepen opeens Exmoor pony's. (De vraag is nu zijn de Koniks er nog? Ja dus.) Op het strand lag het vol met schelpen. Ik nam een wulk mee terug naar huis, een gevlochten fuikhoren, een ruggewervel van een vis en een aan de vloedlijn gevonden slakkenhuisje van wat toch een landslak lijkt.
     Fijn zo'n uitspapje.

***

Inuit Tanya Tagaq bracht op 6 maart 2026 haar nieuwe album uit, Saputjiji (vertaald: 'aangewezen beschermer'). Het combineert elektronische elementen met krachtige zang en dient als een anti-oorlogs- en anti-koloniale reactie op de hedendaagse spanningen.
     Tagaq is muzikante, activiste en schrijfster. Hier haar nummer Fuck War