zaterdag 25 juli 2026

krassende krijs


Bewolking aan de lucht. Lekkere temperatuur. Weinig wind. Ideaal fietsweer. Haast ga ik niet maken. Het werd een bekend rondje met wat extra's. Dat begon al met de zwaaiende vrouw in Amsterdam-Noord.

Maar eerst wat vooraf ging. Deze week werd binnen de familie een festivalkaartje aangeboden. Het ging om Huntenpop op 22 augustus in Ulft. Op die dag heb ik al wat anders. Mij viel op dat de Bintangs er spelen. Die had ik al eens gezien toen ik nog op school zat en bij mijn ouders woonde. Op de fiets ging ik met een vriend op 26 mei 1979 naar Nieuw Vossemeer om daar in een tent een heel aantal Nederlandse bands te zien. De op een koebel slaande Adje van de Berg (destijds gitarist van Teaser) en Livin' Blues zijn me het meest bijgebleven. Samen met Barrelhouse werd die tweede mijn favoriete Nederbluesband. De Bintangs spelen nog steeds rechttoe-rechtan bluesrock. (Barelhouse speelde tot in 2025.) 

Op het verste punt van de fietstocht was het een gekrijs van jewelste.
'Kariek' zo omschrijft de vogelsbescherming de klank van de roep van de stern. Anderen hebben het over scherp, luid en krijsend. Het is een combinatie van beide. Een fijne krassende krijs. Er zijn mensen die de geluiden van de verschillende sterns uit elkaar halen.
     Ik maak bij het geluid een praatje aan de kant van de plas waar ze momenteel wonen.

Kort na vertrek zie ik een man in een sloot met een lange stok plantjes vissen.
“Mijnheer mag ik U vragen wat U doet?” Hij was snavelrupia ((Ruppia maritima) aan het opvissen. Jelle van Dijk was leraar wiskunde, maar natuurvorserij was meer dan een hobby. Hij schreef verschillende boeken over dieren en planten in Zuid-Holland. Hij noemde me er een: van Aardaker tot Zwanenbloem; Flora van de Duin- en Bollenstreek.
     Als ik vertel nog even langs een sloot met blaasjeskruid te fietsen, reageert hij meteen: “Loos blaasjeskruid?” Ik zeg dat ik dat nog niet weet en vanmorgen eigenlijk het verschil met Groot blaasjeskruid had moeten opzoeken. Geen probleem: “Loos blaasjeskruid heeft een platte onderlip.” Hij kwam het zelf tegen nadat hij het boek over de planten rond zijn woonplaats af had, te laat om het op te nemen.

Kort daarna gaat de tocht door de Elzenlaan in Bergen aan Zee. Een paar maanden geleden reed ik daar mijn band nog stootlek op een afremstoepje in de straat dat ik niet zag. Ze waren nu op een na allemaal weg. Misschien was ik niet de enige die er op stuitte. Mogelijk zag men het voordeel van een fietsstrook. Of nog iets anders. Geen idee. Hoe dan ook: voor mij betekende die rand een les dat ik trager moest gaan en beter opletten.
      Zuidelijk van Bergen aan Zee gaat het weer de duinen in. Die waren tot vorig jaar kleddernat en een stuk van het fietspad stond onder water. Nu is het weer 't andere uiterste, zelfs het grote ven bij Het Woud staat bijna droog.

Via de mooiste strandopgang van Nederland en het loos blaasjeskruid gaat het terug naar huis. Op het strand zie ik grote waterafvoerwerken. (Vanwege decentie plaats ik de foto van hoog en ver met de daarop de werkers niet. Wel die van dichtbij met het werk zelf; als je goed kijkt zie je het water stromen.)
     Er waren enorm veel blauwtjes in de duinen, maar in een foto hadden ze weinig zin.

Het voorgenomen broodje kroket onderweg vergeet ik te halen. Zo kom ik niet eens hongeerig en met een bak vol belevenissen en beelden weer thuis. 


P.S. De route begon met het idee om naar een andere plek te gaan waar ook parnassia stond. Daar waar ik er wekelijks langs kom, staat het dit jaar niet. Vandaar. Maar op die andere plek waar ik het vorig jaar het voor 't eerst zag ook niet.

P.S. 2 De ene grote wielerronde eindigt in chaos door oorlog en genocide, de volgende moet worden aangepast door het verknallen van onze leefwereld. Tja.

P.S. 3 Ik hoorde net een zanger zeggen dat we ondanks alles maar door moeten gaan.

vrijdag 24 juli 2026

The Light Fantastic


Bij het zoeken naar een afbeeldingsbestand van de The Light Fantastic kaft geeft Google AI Overview ongevraagd een samenvatting van het boek. (Dan kan dat samenvatten hier wel overgeslagen worden.)
     Neem die geautomatiseerde wijsheid wel met een korrel zout. Een dreiging zou tot sterke gekheid leiden volgens de energie slurpende automatische slimmert. Terry Pratchett schildert in zijn verhaal echter een massa-psychose die zich keert tegen een deel van de samenleving die leeft op de schijf in de ruimte waar het verhaal speelt. Dat is net iets meer dan zomaar een verdwazing.

Het verhaal zelf is eenvoudig. Er is een dreigende zon die afkomt op De Schijf en er is een stunteltovenaar, Rincewind, die een van de acht machtigste toverspreuken in zijn hoofd heeft en daarmee een cruciale rol kan spelen. Die spreuk, hindert, beperkt én beschermt hem. 
Dat klungel Rincewind uiteindelijk stopt met hannesen en successen boekt, is een troost voor wie de weg naar wat verwacht wordt – zodat daar wat rekening mee gehouden kan worden –nog niet helemaal gevonden heeft.
     Het verhaal maakt grappen die je herkent uit de dagelijkse wereld beschrijft en principes die je moet kennen om de realiteit te kunnen begrijpen. Prachett is een schrijver die fantasie de werkelijkheid laat ontmoeten en omarmen.

Daaronder kleinigheden. Waarom het betoverde bos op De Schijf in de lokale taal Skund heet, terwijl dat vertaald Je Vinger Jij Mafketel is? Dat komt door een fenomeen waaraan ook aardse namen te danken zijn. Ontdekkingsreizigers komen, kijken en horen dan woorden van de lokalo's die ze interpreteren als naam voor wat zij willen benoemen. Dat leidde tot namen die vertaald Gewoon Een Berg, Weet Ik Veel, Wat, en dus ook Je Vinger Jij Mafketel betekenen. Aan welk aards voorbeeld Pratchett hier moest denken, geen idee. Bij mij kwam als eerste
Canada op: een verbastering van het woord voor dorp uit een Irokese taal. Zo zit er op vrijwel iedere pagina een grap, idee of iets anders dat betekenis heeft los van het verhaal.
     Een paar pagina's verderop komt de tandenfee voorbij als Twoflower, toerist op De Schijf, spreekt over de iele schoonheid die in de nacht uitgevallen tanden onder kussens vandaan haalt. Wat deed ze met die tanden, vraag Rincewind hem verwonderd.
“Ze deed het gewoon,” is het antwoord op de vraag. Ik had het me ook nooit afgevraagd. Dat dubbeltje dat er voor in de plaats kwam, verdoofde blijkbaar die nieuwsgierigheid. Overigens wordt de toerist die alle verschijnselen even geweldig, authentiek en interessant vindt en wil vastleggen met zijn camera, aardig in de verf gezet.
     Als een groep tovenaars samenkomt, wordt de vergadering voorgezeten door de meest ambitieuze onder hen, Trymon. Alle deelnemers krijgen van hem een papier. Wat is dat, vragen ze. Een agenda, is het antwoord.
“Maar we hebben er nooit een nodig gehad,” zegt een tovenaar. Trymon flemend: “Misschien heb je hem wel nodig gehad, maar je hebt er nooit een gebruikt.” Het is het begin van het vergroten van zijn machtspositie. Dat mechanisme was nieuw (tovenaars hadden voorheen genoeg aan de eigen sores) en daarom was er weinig verweer tegen. Ook hier komt een onaangenaam randje dat ook aan de gewone wereld zit, binnen rollen.  

Gewone toverdingen zijn er ook, zoals een koffer met heel veel kleine voetjes die achter je aan komt (en dus niet kwijt kan raken) en je beschermt, de trollen die als ze slapen veranderen in keien (de oudste onder hen zelfs in een steen die deel is van de berg), of als het huisje waar de dood woont met zijn dochter. Je kan er naar binnen, rondkijken, maar bij het vertrek beter niet achterom kijken, zo wordt
een Grieks sprookje (uit wat mythologie is gaan heten) verwerkt.

De dreiging van de ster leidt tot massa-psychose. Tovenaars worden omgebracht, magie bestreden, om het gevaar af te wenden. Massa's mensen met een rode ster op hun voorhoofd geschilderd trekken daartoe door de straten. De pestlijders, de joden, rohingha's, de ander etc. zijn hier vervangen door de tovenaars. Zij krijgen de schuld in de schoenen geschoven van de kosmische ramp. En hun dood wordt geponeerd als de oplossing voor het probleem.
     Een man zegt dat hij de stad ontvlucht richting de bergen. “Dat zal helpen,” zegt Rincewind. “Nee, maar het zicht zal beter zijn,” reageert de man. Doet me ook al aan vandaag denken. Oorlogs- en klimaatgevaar, velen kijken ernaar van een afstandje en zien wel.
      Je hebt mensen die zelfs een luchtig verzinsel nog loodzwaar weten te maken. Nee luchtig blijft het, maar de serieuze ondertoon maakt het wel tot meer dan een verhaaltje.

woensdag 22 juli 2026

Bladen en bloemen

 





Eind mei fietste ik voor het laatst mijn zogenaamde wekelijkse tocht naar het strand. Iedere week was er iets waardoor het niet door ging. Het ritme is er uit en daardoor was vertrek ook vandaag wat moeilijker.

De dag begon met een tijdschrift dat op tafel lag. Het Wageningse Uitwaaien. Het wordt twee maal per jaar uitgegeven. No. 7 moet eind 2026 komen.  Het zal als thema 'Geld' hebben
     In het lopende nummer een gedicht 'Genesis' (in het Nederlands, Engels en DNA-code). Het beschrijft de wereld waarin nog geen namen voor rivieren en eencelligen bestonden. Bij bewerkte en abstracte fotografie wordt de vraag gesteld hoe de landschappen uit het heden blijven als herinneringen voor komende generaties; als sporen naar wat vroeger was.
     De 66 pagina's over het verband tussen kunst en wetenschap staan vol kunstzinnige ideeën. 

Al eerder lag er een ander bijzonder tijdschrift in de woonkamer. Verschijnend onder dezelfde frequentie. Het is genoemd naar een bestaande vogel: De scharrelaar. Die vogel is in Nederland hooguit een zeldzame dwaalgast, maar op een groot deel van ons continent te vinden.
     Op de voorkant van nr. 2 van 2019 het winterkoninkje. Het begint met een tekst van Hans Warren over fabeldieren zoals de ooievaar waarin eerder nog geloofd werd. Het bevat ook een artikel door Marja Vuistje over 'De koolmezen van Rosa Luxemburg'. Ze fladderen op uit haar brieven. Mij was ook die aandacht van de erudiete revolutionaire voor de natuurlijke wereld van buiten haar cel bijgebleven, zichtbaar door het kleine raam. Vuistje kreeg ruimte erover te schrijven.
     Het blad wordt nog steeds uitgegeven. Mooi.

Mooi zijn ook de gele bloemen in de sloot, het vleesetende (loos of groot) blaasjeskruid. Aan de overkant zie ik de zwanenbloem, de mooiste wilde waterplant van Nederland, denk ik even. Maar dan roepen de waterlelie, watergentiaan, lis, lisdodde en zelfs van de oeverkant het bitterzoet hard in het binnenste van mijn brein dat zij niet vergeten mogen worden. Onderweg stop ik voor het kieken van de bessen van de Italiaanse aronskelk en van die van de heggenrank. Van die tweede had ik ze nog niet eerder gezien (wel zijn bij).

De lucht is nat. Regen kan je het niet noemen. Toch is het genoeg voor een verlaten strand in juli. Verlaten op een persoon met hond in de verte na. Dat is het voordeel van een spat. De donkere wolken maken duinen, strand en zee nog mooier ook.
     Moeilijk piegend loop ik over het strand. Graag zou ik iets beter willen zien. Fotograferen is ook steeds vaker gokken op een mooi beeld. De frustratie is snel verdwenen als ik in de golven loop, een stukje zwem, en kopje onder ga. Van balen naar genot in een paar minuten.

Maar het was niet in mei de laatste keer. Tussendoor, op 11 juli, fietste ik ook al naar het strand met het hele gezin. Wel een paar strandpalen verderop en ik kon niet zwemmen door een kleinigheid, maar voor mijn verjaardag aten we zelfs wat bij de bekende strandtent Parnassia bij Bloemendaal aan Zee. Hoe dat te vergeten.



zaterdag 18 juli 2026

Onderweg




Een prachtig nieuw fietspad over vers land dat de Markermeer dijken moet beschermen tegen de klimaatramp en wordt omzoomd door velden wilde bloemen en water vol vogels; een mooi stuk over een enigszins ruig fietspad door boerenland (Van KP 71 bij Lambertschaagz* naar KP 18 en 2) met sloten vol watergentiaan; langs de polder waar het Oer-IJ hier en daar nog zichtbaar is; dan zijn er nog de statige boerderijen, ranke kerktorens in de verte, de kool die in het noordelijke deel van Noord-Holland veel verbouwd wordt; en ...

Ja het gaat ook door lelijke stukken zoals woonwijken zonder kraak en smaak en bedrijventerreinen, maar ook daar tussendoor een mooie sloot. Opeens stond ik in Koedijk ergens waar het verrassend bijzonder was (het ademde er nog dit).

Er zijn ook dingen zo lelijk dat je moet uitkijken dat ze niet de hele dag verprutsen.

De Heemskerkse boer die verschillende spandoeken in zijn land zette met Nederlandse vlag en de voorbijganger angst aanjaagt met de oprisping dat het verspreiden van vluchtelingen over het land Nederland in vijf jaar zal veranderen. Dus daarom geen AZC. Vluchtelingen zoeken het zelf maar uit, blijkbaar, volgens de landbouwer.

Fascist, racist, rechts-extremist, reactionair, frust, meeloper of gewoon een harteloze dombo? Geen idee. Je krijgt de neiging dergelijke haat aanwakkerende kwaadaardigheid stante pede te verwijderen. Het verdient geen plek. Ik heb me maar ingehouden. 

En de lepelaar, hij stapte voort.



Noot:
Als ik het stukje tekst nog eens doorlees dan wil ik weten wat Schaag betekent. (Het is ook bekend van het dichtbijzijnde Schagen.) Een schrijffout nooemt GAI het. Maar ook komt bovendrijven dat het een woord is dat sttamt uit het Oudfries woord dat 'uitstekende landtong' betekent of een kreekrug.