vrijdag 22 mei 2026

Zabor


Zabor* is een loodzwaar boek van Kamel Daoud dat zich afspeelt in het dorp Aboekir in het postkoloniale Algerije. Hoofdpersoon Ismaël is er geboren in 1970. De huizen van de Fransen staan er nog en worden inmiddels bewoond door Algerijnen. De Franse begraafplaats is een plek om rond te hangen en wijkt met zijn grafzerken en kelders af van de plaatselijke ruimte voor de doden. 
     Hoewel de dood in het boek zeer aanwezig is, gaat het nog meer over schrijven en over taal. Schrijven is verlichten bedenkt Ismaël in de avondzon. Als het moet schrijft hij tussen de zerken of nabij een stervende. Het beschrijven van het leven van een iemand die de laatste adem uit gaat blazen voorkomt dat die persoon dood gaat. De woorden rekken het leven, zo meent Ismaël. 

Hij werkt al jaren aan het boek Zabor. Schriften vol heeft hij inmiddels geschreven in een vreemde taal die de zieken genas en ook
“het prestige van de voormalige kolonisten in stand hield.” Hij maakt notities op nachtelijke rondes tussen de huizen over de personen van het het dorp.** Het gaat mis als hij bij het sterfbed van zijn vader wordt geroepen. Zijn gave hapert dan. De relatie tussen beide is zeer problematisch. Als jongen is hij samen met zijn moeder het huis uitgezet nadat zijn oudste broer Abdel hem ervan beschuldigde dat hij hem in een put gooide. Volgens Ismaël was dat een leugen. Zijn moeder zou in de woestijn achterblijven en hij zou haar nooit meer terugzien. Een Christelijke achtergrond zorgt bij dergelijke ontwikkelingen onvermijdelijk voor het leggen van associaties. 
     Hij werd meegenomen door een oom en kreeg samen met zijn tante Hadjer en opa Hbib onderdak van zijn vader, de rijke slager Hadj Brahim, in een huis onder aan de heuvel, waar zijn vader boven woonde. De herkenbaar (zonder dat de ziekte genoemd wordt) dementerende Opa was zijn taal kwijt en daarmee een deel van het leven. Opa zal sterven op zijn schoot als hij veertien is.
      Later begon Ismaël toch het leven van zijn vader te beschrijven, toen die stervende was, alsof zijn zielenheil er van afhing. Dat proces mondt na een leven van verwaarlozing uit in een extase. Een vervoering die je ook als waanzin kan beschouwen.

Tijdens het schrijven van deze bespreking overkomt me wat ook tijdens het lezen gebeurde; de ene passage tuimelt over de volgende, het ene idee over het andere. Welk gegeven, welke ontwikkeling of welk personage moet er hier nu komen in de tekst? In het verhaal wordt dat tuimelen typografisch gedeeltelijk opgelost door kleinere letters tussen haakjes te gebruiken bij een inval tussendoor of bij wijsheden gesproken door de zogenaamde 'innerlijke hond.' 
     Goed dan, laat ik tante Hadjer nemen. Ze kon niet lezen, ook de ondertiteling niet bij de Bollywood films in het Hindi met haar favoriete acteur
Amitabh Bachchan, waar ze stapelverliefd op was. Ook voor Ismaël gaat de Franse ondertiteling te snel. Het draait erop uit dat hij aan de hand van wat woorden, de beelden en gezichtsuitdrukkingen zelf een verhaal bij de films gaat maken. De verliefdheid van zijn tante gaat zo een ongemakkelijk sensuele rol tussen hen beide spelen. Dat was schandalig en leuk tegelijk, zo constateert hij later. Door deze band wordt ook al snel duidelijk dat er niet voor iedereen evenveel taal is.
      Taal kent vele toepassingen. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt als magisch medicijn in volgeschreven miniatuurboeken die om de nek van de patiënt hangen. Na enige tijd werd de inkt opgelost en het verkregen vocht opgedronken om het lichaam ermee te sterken en bezetenheid te verdrijven. De 5436 schriften die Ismaël vol heeft geschreven worden dan weer begraven tussen de wortels van de bomen; een manier om het papier terug te geven aan de bron.

De taal in Aboekir had niet de bedoeling de wereld te ontcijferen, maar was gevuld met macht, het weergeven van kennis en de regels rondom bezit. Ismaël, die later Zabor wordt, wil die taal anders gebruiken. Het boek vertelt hoe klein de taal thuis is vergeleken met de taal op school. Thuis lijkt de taal vuil, flets en banaal. De taal van school blijkt uiteindelijk ook zijn zwakheden te hebben. Hij bevatte veel woorden voor doden, het verleden, plichten en verboden, maar weinig treffende woorden voor het leven van alledag. Die schooltaal was thuis dan ook als een vis op het droge. 
     Het gaat in het dorp waar nauwelijks boeken zijn, en veel van de bewoners analfabeet, ook over lezen. De schriften met de teksten over stervenden die Sabor schreef, hebben allemaal een werkelijke boektitel. In het boek staan er op een pagina een aantal bij elkaar:
In de ban van de ring, het prachtige Een zeeman door de zee verstoten, De pest*** e.a. Maar door het boek heen worden er zo tientallen boektitels vermeld. Die gaan daardoor bestaan en blijven, de tekst in de schriften die Ismaël erbij schrijft is wel nieuw en anders. Stiekem komen er zo toch een paar planken met boeken de roman van Daoud binnen geschuifeld en belanden in het dorp waar weinig andere boeken dan de Koran zijn. 1001 Nacht is ook zeer aanwezig. Maar Zabor is andersom bedoeld dan deze beroemde raamvertelling; niet om het leven van de schrijver/vertelster te redden, maar zoveel mogelijk levens van anderen.
     Een veel genoemd boek is Robinson Crusoe dat wordt geanalyseerd er waarop voort wordt geborduurd. Nog aanweziger is de Koran. Dat boek begint met de opdracht: Lees! Waarom niet 'Schrijf!' vraagt Ismaël zich af en wat valt er te lezen als er nog niets geschreven is? Er zijn voorbeelden te over hoe beknellend Ismaël de islam ervaart; het geloof waarvan zijn vroege naamgenoot volgens de overlevering de oorsprong was.
    Hij schrijft in de taal van de voormalige kolonisator – die hij leerde door de erotische getinte thriller
Het vlees van de orchidee te lezen –, daar komt dan nog bij dat hij (als zoon van een slager) geen vlees eet, flauw valt bij het zien van bloed, sceptisch staat ten opzichten van de Koran, en hij verliefd is op een uitgestoten vrouw met twee dochtertjes die niet toevallig Djemila heet (in de Koran staat deze naam voor schoonheid van gedrag.) Hij valt duidelijk uit de toon. Met het loslaten van de Koran en rituelen daaromheen krijgt Zabor ook steeds meer de overhand over Ismaël. De conflictstof ligt voor het oprapen. De schrijvende protagonist, is dan ook beducht voor de imam die de tekst van de Koran volgt waarin staat: “En de dichters worden gevolgd door de dwalenden/Zie je niet dat zij in iedere vallei ronddwalen.../...en zeggen dat zij dat niet doen.” Maar deze blijkt hem echter te helpen als dat nodig is.

Als iemand in een put wordt geduwd dan doemt als vanzelf de Bijbelse snoever Jozef op, die het ook niet kon vinden met zijn broers. In Zabor zit een verwijzing naar hem met de opmerking dat in de Koran een geschiedenis met afgunstige broers goed afloopt voor het slachtoffer. Jozef zou door de gemene treiterij en wat tussenstappen een voorname positie verwerven aan het Egyptische hof. Jozef is de enige niet die hier genoemd wordt met een positie in Koran en bijbel.
Ook Jonas komt er in voor. De schrijver zelf leeft ook tussen beide religieuze werelden.
    Ismaël blijft ook aan de zijkant van de samenleving staan als zonderling. Heel even als hij naar eigen zeggen iemand in leven houdt met zijn woorden is er waardering voor hem, maar vaak zelfs dan niet. Zijn naam doet aan een ander verhaal denken. Ook hij wordt immers met zijn moeder de woestijn in gestuurd. Niet door Abraham maar door zijn vader de slager, die zijn vrouw en zoon afdankt. Dat laat littekens na waarvan de genezing
indien al mogelijkniet evident is. 

Ismaël voelde zich verantwoordelijk voor de levens van zijn dorpsgenoten, voor het hele dorp. Schrijven verbindt leven, geeft inzicht en haalt wat verloren leek te zijn weer terug, zo onderstreept Zabor. Uiteindelijk verwaaien zijn volgeschreven pagina's en ligt zijn vader dood, zonder dat hij nog bij de stervende is geweest. Zijn manisch schrijven heeft vader niet gered. Schrijven blijkt geen wondermiddel dat leven vasthoud of de doden opwekt. Schrijven is belangrijk, maar minder dan de man is gaan denken in zijn waanzin die voortkomt uit zijn gemakeerde leven in een knellende omgeving. 

De versie van Zabor die ik las, kwam van de bibliotheek. Een vorige lezer heeft er een boodschappenbriefje in laten zitten voor eenvoudige etenwaren en een fles wijn. Met enige fantasie is op de achterkant daarvan een deel van een foto van een muur in Aboekir te zien. Er zijn mensen die dergelijke lijstjes sparen. Het is ook taal, ook schrijven, en in zijn simpelste vorm ordenend, maar het gaat niet de diepte in zoals gezocht door Daoud in zijn boek. Zoveel diepte dat bij het lezen soms de vraag opdook of het niet teveel losraakte van de werkelijkheid. Maar dat is precies wat Ismaël/Zabor overkomt en wat hem treft in het laatste deel: De extase. De woestijnwind neemt zijn schriften mee en de bladen vliegen door het dorp. Hij is ontworteld; de waanzin nabij. Zijn schrijven heeft geen greep op het leven gegeven.
     De opdracht vooraf laat zien dat dit in de werkelijkheid van de schrijver anders ging:

Aan mijn vader Hamidou
Die me zijn alfabet naliet
Die zo waardig stierf
Dat hij zijn dood versloeg.

Het boek is geschreven in drie steden: Oran in Algerije, Tunis en Perugia in Italië, waar hij onderdak vond bij de Civitella Ranieri Foundation. In Algerije zijn alle boeken van Daoud inmiddels verboden en zijn visie op de geschiedenis van het land en de islam wordt hem niet – om het zwak te formuleren – in dank afgenomen. Vanwege woede over de roman Zabor werd het graf van zijn vader vernield. Zijn laatste boek, Houris (rondom een vrouw die in de burgeroorlog van de jaren negentig werd verminkt), schreef hij in Parijs. Algerije had hij inmiddels moeten verlaten. Het is schrijven op het scherp van de snede.

Noten:
*
“Volgens de islam is de Zabor een van de heilige boeken die vóór de Koran zijn geopenbaard. Het wordt vaak vergeleken met de Psalmen,” zo wordt vermeld op de pagina met de colofon. Bijna de helft van die psalmen wordt toegeschreven aan David, de herdersjongen die koning werd. Er is een wiki met meer uitleg ver de paralellen tussen beide. De Engelse uitgave heeft als titel Zabor, or The Psalms.
** Dit verzamelen van informatie over personen is later een delicaat onderwerp geworden, aangezien in zijn laatste roman
Houris sprake is van informatie verkregen door het medisch geheim te schenden, tenminste dat wordt hem aangewreven. Sowieso staat zijn schrijversloopbaan bol van uitgesproken meningen en is als gevolg daarvan vol van de strijd en controverses. Ook in Zabor neemt hij geen blad voor de mond.
*** Albert Camus (van De Pest) stond ook aan de basis van zijn succesvolle eerste roman Moussa of de dood van een Arabier die De vreemdeling vanuit lokaal perspectief liet zien.

zondag 17 mei 2026

The White Tiger

The White Tiger geschreven door Aravind Adiga gaat over Balram Halwai afkomstig uit de arme kant van India (in de roman Duisternis genoemd). Dat betekent hier uit Laxmangarh een dorp op een paar honderd kilometer afstand van Delhi. Zijn vader was riksjarijder.
     Dat was al een stap weg van zware slecht betaalde seizoenslandarbeid (al wordt het trappen met een uitgemergeld lijf neergezet voor wat het is: als weinig verheven en ongezond voor lijf en leden).
     Balram kreeg autorijlessen om wat verder te komen in het leven en in de hoop dat hij zijn verdiensten zou delen met de familie. Hij werd er al vlug chauffeur mee voor 
machtige lokale familie die de  kolenwinningsonderneming bezat. Als een van hen, Ashok, naar Delhi gaat om daar de omkoopzaakjes op te knappen die noodzakelijk zijn voor lagere belastingaanslagen en de handelspositie van de onderneming dan gaat Balram mee. In de stad leeft hij onder in de flat, apart van de andere bedienden, maar wel tussen de kakkerlakken. Hij ziet in de hoofdstad hoe India en zijn rijke klasse functioneren.
     Zijn vader is intussen gestorven bij een ziekenhuis dat alleen middelen krijgt als verkiezingsbelofte, maar nadien altijd wordt vergeten.
Vrije mensen kennen de waarde van vrijheid niet, dat is het probleem
het zijn woorden van de protagonist uit het boek The White Tiger
Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken. Elk is een tekst op een avond geschreven aan Wen Jiabao. Wen was tussen 2003 en 2013 premier van China. Dus ook toen het boek verscheen (2008). Volgens het verhaal zou hij naar Bangelore komen en geïnteresseerd zijn in kennis over het verschijnsel zakenman. Bangelore is immers de stad waar de callcentra van bedrijven uit de VS zitten en waar veel van de Indiase en buitenlandse technologiebedrijven gevestigd zijn en waar ook Balram zijn zaken opzet als specialist in personeelsvervoer.

Duidelijk wordt al snel dat the
White Tiger dan wel een succesvolle roman is, maar dat dit niet betekent dat de kartelrandjes van India zijn afgevijld om het verhaal beter slikbaar te maken. Integendeel, ze zijn juist stevig aangezet. “Ons land, heeft dan wel geen drinkwater, noch elektriciteit, geen rioleringssysteem, of openbaarvervoer, ontbeert gevoel voor hygiëne, discipline, beleefde omgangsvormen, of stiptheid, maar het heeft entrepreneurs,” zo beweert Balram in een tekst gericht aan Wen. En de stemmen in de grootste democratie op aarde zijn al geteld voordat iemand ze heeft uitgebracht; de winnaar is immers vooraf bekend. Wel echt onafhankelijk willen stemmen kan je de kop kosten.
     Ook de trotse Ganges moet het ontgelden. Toeristen komen er naar toe, en de Indiase Premier beschijft hem als rivier van de verlossing, maar Balram adviseert Wen Jiabao er toch niet in te duiken. Tenminste als hij zijn mond niet vol ontlasting, stro, verweekte delen van menselijke lichamen, buffelvlaai en zeven verschillende soorten industriële zuren wil krijgen. Als jongen leert hij op school dat de rivier leven geeft aan plant, dier en mensen en tevens dat elke jongen in het hele land premier van India kan worden en meer van dat soort politiek correcte nonsens. Hij praat het na en doet dat met verve zodat de inspecteur van onderwijs die de school bezoekt hem als voorbeeld stelt en Balram een witte tijger in de jungle noemt.

Op de achterkant van het boek staat een tekening van een haan met kleurige veren (zie illustratie) die in de roman veel betekenis krijgt. Balram gaat naar de oude stadswijk van Delhi en ziet daar de slagers met hun kippenvlees en -organen uitgestald, nog glimmend van het bloed. “In het kippenhok eronder zitten de hanen. Ze ruiken het bloed. Ze zien de ingewanden van hun broerders liggen. Ze weten dat ze zullen volgen. Toch rebelleren ze niet. Ze proberen niet uit de ren te komen. Hetzelfde gebeurt met mensen in dit land.”
     Adiga beschijft dit met de woorden van Balram als het Hanenren verschijnsel. Het is een goedkope en effectieve manier om de arme Indiër eronder te houden. Er worden tal van voorbeelden gegeven hoe de menselijke hanen doen wat er van ze verwacht wordt, zonder protest. Ze zijn de “eerlijkste mensen van de wereld.” Er is dan ook geen geheime politie nodig, en geen dictator. De menselijke kippen doen het zelf, ze wachten op hun lot en ontsnappen niet. “Die betrouwbaarheid van de bedienden is de basis van de hele Indiase economie,” vertelt het verhaal.  Ieder mens zou zichzelf moeten bevrijden. In plaats daarvan wachten ze op de revolutie die uit de wildernis komt, of van de bergen, uit China of Pakistan, zo schijft Balram aan Wen. Geen hoop, maar doen, is zijn boodschap. 
     Op de achtergrond is er wel sprake van de Naxalieten (de communistische verzetsgroepen vooral actief aan de oostgrens van het enorme land), maar sporadisch en met veel nadruk op 'achtergrond'.

Als er wel een kip uit de ren stapt, dan is dat een uitzondering. En een van die uitzondering komen we in dit boek tegen. De Witte Tijger loopt uit de pas en het doet hem goed. Zijn familie wordt er misschien voor gestraft, maar hij werkt zich naar een positie buiten de ren. Hij zag hoe zijn baas hem bestal, gebruikte en liet vallen toen dit beter uitkwam. Het wekte langzaamaan zijn woede op, nodig om uit te breken. Net als de rijken ging hij zelf een buik kweken gevoed met vals verkregen middelen.

      In de auto naast hem spuugt een chauffeur twee plasjes met betelsap op de weg. Ze staan – in een voor de roman aparte typografische manier op de pagina – naast elkaar in kolommen. Elk vertelt Balram een visie. In de ene plas ziet hij de conventionele positie van onderdanigheid en angst. In de andere is zijn werkelijke positie zichtbaar en vormt zich de woede. Het wordt snel duidelijke welke kant hij kiest. Zelfs een wensenbriefje dat hij krijgt met de tekst 'Eerbied voor de wetten is de eerste opdracht die komt van de Goden', kan dit niet meer veranderen. Als hij in de dierentuin dan ook nog eens flauw valt voor het hok van de witte tijger, dan weet hij het zeker. Hij kan niet en wil niet meer leven in een hok.


Hij schrijft de zeven teksten aan Wen drie jaar nadat hij Ashok dood achter heeft gelaten aan de kant van de weg en als zijn zaken inmiddels lopen door een handigheidje hier, een omkoperijtje daar, en vooral de politie maakt hij met stapels Roepia's tot zijn vriend. Zo werkt het en hij heeft dat van zijn voormalige bazen geleerd.

Het verhaal is misschien hier en daar met zeer vette letters en over the top neergezet, maar het is zeker een roman met een betekenis die verder gaat dan een vertelsel om de lezer in zijn vliegtuigstoel te plezieren. Het is een boek dat wijst op onrecht en hoe een mens daaruit breekt. Het wordt expliciet gemaakt dat dit de individuele uitzonderingen is; een soort criminele American dream. Maar als meer mensen dergelijke stappen gaan zetten zou het heel misschien ook voor anderen zo kunnen lopen, droom ik tijdens het lezen.

Het boek verwierf lof, maar schopte ook tegen zere schenen.
Wendy Singer schreef in de Kenyon Review bijvoorbeeld dat het boek dan wel in 2008 de Man Booker prijs kan hebben gewonnen, maar dat die is gegaan naar “een zwakke roman die weinig meer doet dan het laten zien van corruptie bij de machthebbers en verdorvenheid bij de armen en dat alles onder het mom van een 'post-koloniale' roman.” Het boek haalt het volgens haar niet bij Indiase romans die de prijs eerder kregen. Ze valt over de stereotypen en de neerbuigende visie van de schrijver uit Mumbai over de armoede in een regio elders in het land. Het is alsof ze meent dat de lezer niet door de stijlfiguren heen kan lezen en zij zelf de kracht van het spotschrift mist. Bovendien daar waar wij genieten van de riksjarijder met een metershoge stapel lege drinkwaterflessen op zijn fiets of een zwaar houten bed achterop die als foto kleurrijk wordt afgedrukt op de Oxfam/Novib-kalender, laat Adiga daar terloops de andere kant van zien; het gevaar voor de gezondheid van de vervoerder die basisvoorzieningen moet missen. Dat er andere boeken zijn die fijnzinniger zijn doet daar niets aan af.

Het boek is luchtig en met een satirische toon geschreven, en Balram is niet een uitgewerkt romanpersonage, maar een schema. Op de achterflap wordt hij dienstbode, filosoof, ondernemer en moordenaar genoemd. Veel meer dan die vier woorden is hij inderdaad niet en hij heeft geen vlees op de botten. Hij stipt wel verschijnselen aan die het waard zijn om nog eens naar te kijken.
     
     Bovendien heb ik het met plezier gelezen.

vrijdag 8 mei 2026

Hoe ik talent voor het leven kreeg



Hoe ik talent voor het leven kreeg is een roman van Rodaan Al Galidi uit 2007. Het laat het bestaan in een asielzoekerscentrum (AZC) zien vanuit het gezichtspunt van een van de zoekers, de fictieve vluchteling Semmier Kariem. Het schildert een beeld in donkere kleuren en van een bestaan is nauwelijks sprake. Het is ook een boek waarin van binnenbuitenuit naar Nederland wordt gekeken en dat de Nederlandse samenleving schildert.*
     Het is geschreven met humor, vlotte pen, en een zoveel mogelijk positieve kijk op de toekomst en mogelijkheden: “Je manier van denken is in moeilijke situaties soms het enige gat waardoor je aan de realiteit kan ontsnappen,” zo beseft Semmier als hij in Bagdad een vader aan zijn zoontje ziet uitleggen dat de het geen bombardementen zijn, maar het vuurwerk is wat hij ziet. Dat geeft wat lucht.

In een voorwoord wordt uitgelegd dat Rodaan dit boek is gaan schrijven om ermee te antwoorden op de vraag die een man serieus stelde naar zijn leven in het asielzoekerscentrum. Hij stuurde de man iedere maand een stuk van het boek: vanaf 15 oktober 2012 tot 19 mei 2015. Zo werd in ruim 30 maanden een boek bij elkaar geschreven dat in 82 hoofdstukken mee reist met Semmier: van zijn vlucht totdat hij erkend wordt. Dat leven in Nederland begon opgewekt bij het landen. Hij bedacht zich voor het eerst in zijn leven een mens te kunnen zijn. Dat was buiten de Nederlander en meer in het bijzonder buiten de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) gedacht. Het zou al snel een stuk deprimerender uitpakken. Het voorwoord sluit af met de opmerking:

“Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die er voor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.”

In deze bespreking geen poging om de beklemmende woorden uit de roman neer te zetten of om de overlap tussen Rodaan en Semmier te beschrijven. Het wordt een bespreking waarin enkele elementen van het boek voorbij komen. De luchtige diep donkere sfeer kan immers nooit zo overtuigend worden overgebracht als de schrijver dit doet. En inderdaad Semmier en Rodaan hebben veel gemeen; dat is al bekend.
     Als Semmier verplaatst wordt van het Opvang Centrum in Haarlem naar een tijdelijke overloopopvang bij boer Bouma nabij Assen verbaast hij zich er over dat er geen militairen,
roadblocks en politieposten zijn die worden gepasseerd. Al snel beseft hij dat de Nederlanders een andere manier hebben om te disciplineren die deze afwezigheid verklaart. Een van die methodes is om personen zoals de vluchteling tot zogenaamde dader te verklaren en bestraffend en opvoedend toe te spreken en verder geen interesse te hebben in de werkelijkheid achter het vergrijp. “Bij elk probleem buiten het AZC waar de asielzoeker bij betrokken is, is hij de schuldige. Altijd. Ongeacht het soort probleem of wie begon. Altijd moet de asielzoeker zich aanpassen aan de buitenwereld, gehoorzaam zijn en onderdanig, of liever nog onzichtbaar.”
     Boer Bouma begon overigens met goede moed met zijn opvang, maar zonder kennis van zaken en inzicht in zijn gasten. De vluchtelingen gooiden stenen naar zijn hond, vochten om afstandsbediening bij de satellietontvanger die hij voor hen kocht, en aten zijn vijver leeg, alleen de zwaan bleef in leven. De verklaring voor dat laatste: “Ach hij is zo zielig. En heel eenzaam.”

Vluchteling Fettah is zo bang om iets verkeerd te doen dat hij probeert er niet te zijn. Hij plakt zich tegen de muren bibberend als een riet. In het AZC wordt dan ook gezegd:
“De Nederlanders zullen nooit tevreden zijn, zelfs niet als je een Fettah bent.” Wil de vluchteling niet gehoorzamen dan wordt hij als een basisschool leerling in de hoek gezet. Als hij vervolgens het personeel als zijn tegenstander gaat zien dan wordt de asielzoeker erop gewezen dat hij in het veilige en sociale Nederland is en niet meer in het land van herkomst.
     Maar de frictie is er meteen.
     Jimmy. Het zoontje van Kristi pakt op het strand (waarnaast het AZC ligt) speelgoed af en weigert het terug te geven. Als de moeder van het belaagde kind dan voor haar bloedje opkomt, wordt haar door Kristi verweten dat ze racistisch is. Ze doet dat zelfs zo overtuigend dat Semmier gaat twijfelen aan wat hij gezien heeft op het zand aan zee. Jimmy gaat kort daarop naar een Nederlandse school en wordt daar door juf Nanda zo goed begeleid dat zijn gedrag vooruit gaat. Nee geen heilige boontjes, maar geef je kansen en mogelijkheden dan is de kans groter zich te ontwikkelen. Die macht hebben de Nederlandse instanties en ze weigeren die te bieden.
     Sterker nog als gewaarschuwd wordt voor de gekte van een van de vluchtelingen die uit een gesloten centrum terug  is gekomen, dan zegt de Sociale Dienst van het AZC: je bent hier niet om voor anderen te zorgen. Bovendien weten ze heus zelf wel hoe ze het centrum en de 500 mensen die er leven moeten runnen. (Uit
Hoe ik talent ... blijkt dat ze minstens evenveel niet als wel zien.) Het duurt niet lang of de man hangt met een touw rond zijn nek aan een boom. Het gebrek aan empathie, moreel superioriteitsgevoel of zelfs racisme, kreeg dodelijke consequenties.
     De asielzoekers staan meestal wel in overlevingsstand. Ieder op een eigen manier.
     Firaas heeft de gave zijn verhaal overtuigend te brengen. In het centrum krijgt hij een kamer voor zichzelf, omdat hij zegt homo te zijn. Terwijl alle vluchtelingen van zijn uitspattingen met vrouwen weten. Hij bekeert zich ook tot Jezus om zo geholpen te worden door de dominee bij het verkrijgen van een status. Dit vanuit de visie: Nederlanders geloven sneller Nederlanders dan vluchtelingen. Ook die opzet slaagt.
     Zo komen er nog veel meer mensen voorbij. Dat zijn mensen van Vluchtelingen Werk, burgers, medewerkers van het AZC, politieagenten, maar voornamelijk vluchtelingen; van een Russische schone, tot een onverschrokken Jemeniet, via de Syrische Fatima – die voortreffelijk kon koken –, en nog tientallen anderen, naar Milaad die geboren was op de dag dat Semmier in het AZC aan kwam en waaraan hij de duur van zijn verblijf afmeet. (Dat werden overigens negen jaar met 500 anderen in een gebouw. Zelden of nooit alleen. Pfoehh!)

Lang niet iedereen was zo handig als Firaas, had een bevoorrechte positie of geld om een goede advocaat te betalen en dan was de kans groot dat je bleef zitten en dat was niet gezond.
“Het waren sterke mannen en vrouwen die arbeiders waren geweest, of soldaten, rebellen, ingenieurs, artsen, wetenschappers en ga zo maar door. Na het derde jaar begonnen ze op de een of andere manier de controle over zichzelf te verliezen (...)” De gekte drong zich dan op. Semmier constateert bij zichzelf dat hij steeds meer op zijn hoede is voor de Nederlanders, allemaal: “De nette, stille, schone straten, die beleefde mensen met hun eindeloze regels.”
     De medewerkers van het AZC snapten het niet als vluchtelingen bang voor hen werden: “Het irriteerde ze, want zij waren toch ook mensen, waarom zou je bang voor hen zijn?” Waarom zou je toch bang zijn voor mensen die je zomaar naar een cel kunnen sturen of je zakgeld inhouden als zij denken dat dit goed is.
    Uiteindelijk is er een generaal pardon (een begrip dat wel tot misverstanden moet leiden) en krijgt ook Semmier zijn verblijfsstatus.

Als jij als lezer ooit nog eens iets over vluchtelingen wilt zeggen: bijvoorbeeld dat ze niet welkom zijn. Lees dan eerst dit boek. Het is bijna twee decennia geleden geschreven en goed verkocht en moet
voor een paar euro gekocht kunnen worden. Huiver dan mee niet over de lenige waarheden van Firaas, of val niet over een kleinigheid, maar over de zelfvoldane, botte Nederlander binnen en buiten het AZC. Rodaan schreef een boek dat werkt als een spiegel; we zijn als Nederlanders niet Sneeuwwitje, maar als haar stiefmoeder in dat glas. Soms zag ik er een glimp van mezelf.

Noot:
* Later zou hij het boek Holland schrijven met dezelfde thematiek, en ook met de hoofdpersoon Semmier, maar met veel meer ruimte om juist dat aspect te benadrukken. Mijn bespreking hier.


donderdag 7 mei 2026

Irritant






Altijd kijk ik wat in de lente onder het zand van de duinen vandaan komt. Het was veel dit keer.

Het is niet zo gek om bij die zwarte wegkruipende aan de duinlapsnuitkever (
Otiorhynchus atroapteru) te denken. Die lijkt erop, heeft zijn naam mee, en zit in 't gebied. Maar goed ook met alle hulpmiddelen blijf ik een leek, die er een slag naar slaat. (Eerder benoemde ik diezelfde kever als Otiorhynchus fuscipes.)
     Er zat nog een kever. Meer gedrongen van postuur. Ik weet niet of ik die eerder al gezien heb. Het lijkt me een pilkever (de pantserwants die dezelfde vorm heeft en op een kever lijkt, is het niet). Ik ging onder andere af op het driehoekje in het rugschild, de vormen ervan en de lijnen daarop.
     De grote tweestreep lijkt me goed. Dat is een miljoenpoot (twee pootjes per segment).

Die duinen lijken gebouwd van armzalige grond met weinig voeding. Waarom dan al dat leven? De pilkever voedt zich met (lever)mossen en algen; de grote tweestreep leeft op plantenresten; de duinlapsnuitkever heeft genoeg aan helmgras.
     De bastaardsatijnvlinderrups, zie er ook rondkroop, is onmiskenbaar en die leeft van planten iets verderop, zoals de duindoorn (waarin inderdaad zijn spinsel zit.)
     De snuitkever die in het Nederlands Grijze bolsnuittor heet (de philopedon plagiatus zo haalde ik ooit uit dagblad Trouw en nu komt Google image search met dezelfde suggestie) moet ik dit jaar nog opmerken. De larve eet plantenwortels, de kever is niet kieskeurig. 






6 mei 2020.

Zo'n duik in het kleine grut zorgt ervoor dat je veel meer gaat zien. Die onaanzienlijke pilkever is voedsel voor de fraaie rode wouw, torenvalk en steenuil. Daar sta je niet meteen bij stil. De verwarring rond de naam van de miljoenpoot brengt je een wereld in van een dier waarvan de familieleden al voor de haaien en krokodillen leefden. Die rups is van een nachtvlinder die zich heeft omhuld met allerlei mooie benamingen: ze komt uit de familie van de spinneruilen, en de onderfamilie is nog mooier benoemd als donsvlinders. Je ziet ze wel eens zitten in WC-gebouwtjes van campings. Dat deze rups haartjes heeft die irriteren, doet daar niet aan af. Zo'n vlinder moet zich toch ook beschermen.

Over het strand kijk ik naar de versiering die in Velzen-Noord is neergezet en de uitstoot ervan. Ik las deze week dat de pijpen en rook een groen kleurtje zullen gaan krijgen. Chapeau! Anderzijds las ik ook dat die afleidingsmanoeuvres deel zijn de strategie van het staalconcern. Het is een win-win-VERLIES situatie (dat laatste geldt gezondheid van omwonenden, klimaat en natuur). Ach ja een mens wil ook wel eens verdienen aan zijn inzet, de pijp moet immers roken. Waarom zou een rups wel irritant mogen zijn en een mens niet.