Vrije mensen kennen de waarde van vrijheid niet, dat is het probleemThe White Tiger gaat over Balram Halwai afkomsyig uit de arme kant van India (in de roman Duisternis genoemd). Dat betekent hier uit Laxmangarh een dorp op een paar honderd kilometer afstand van Delhi. Zijn vader was riksjarijder.
het zijn woorden van de protagonist uit het boek The White Tiger van Aravind Adiga.
Dat was al een stap weg van zware slecht betaalde seizoenslandarbeid (al wordt het trappen met een uitgemergeld lijf neergezet voor wat het is: als weinig verheven en ongezond voor lijf en leden).
Balram kreeg autorijlessen om wat verder te komen in het leven en in de hoop dat hij zijn verdiensten zou delen met de familie. Hij werd er al vlug chauffeur mee voor machtige lokale familie die de kolenwinningsonderneming bezat. Als een van hen, Ashok, naar Delhi gaat om daar de omkoopzaakjes op te knappen die noodzakelijk zijn voor lagere belastingaanslagen en de handelspositie van de onderneming dan gaat Balram mee. In de stad leeft hij onder in de flat, apart van de andere bedienden, maar wel tussen de kakkerlakken. Hij ziet in de hoofdstad hoe India en zijn rijke klasse functioneren.
Zijn vader is intussen gestorven bij een ziekenhuis dat alleen middelen krijgt als verkiezingsbelofte, maar nadien altijd wordt vergeten.
Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken. Elk is een tekst op een avond geschreven aan Wen Jiabao. Wen was tussen 2003 en 2013 premier van China. Dus ook toen het boek verscheen (2008). Volgens het verhaal zou hij naar Bangelore komen en geïnteresseerd zijn in kennis over het verschijnsel zakenman. Bangelore is immers de stad waar de callcentra van bedrijven uit de VS zitten en waar veel van de Indiase en buitenlandse technologiebedrijven gevestigd zijn en waar ook Balram zijn zaken opzet als specialist in personeelsvervoer.
Duidelijk wordt al snel dat the White Tiger dan wel een succesvolle roman is, maar dat dit niet betekent dat de kartelrandjes van India zijn afgevijld om het verhaal beter slikbaar te maken. Integendeel, ze zijn juist stevig aangezet. “Ons land, heeft dan wel geen drinkwater, noch elektriciteit, geen rioleringssysteem, of openbaarvervoer, ontbeert gevoel voor hygiëne, discipline, beleefde omgangsvormen, of stiptheid, maar het heeft entrepreneurs,” zo beweert Balram in een tekst gericht aan Wen. En de stemmen in de grootste democratie op aarde zijn al geteld voordat iemand ze heeft uitgebracht; de winnaar is immers vooraf bekend. Wel echt onafhankelijk willen stemmen kan je de kop kosten.
Ook de trotse Ganges moet het ontgelden. Toeristen komen er naar toe, en de Indiase Premier beschijft hem als rivier van de verlossing, maar Balram adviseert Wen Jiabao er toch niet in te duiken. Tenminste als hij zijn mond niet vol ontlasting, stro, verweekte delen van menselijke lichamen, buffelvlaai en zeven verschillende soorten industriële zuren wil krijgen. Als jongen leert hij op school dat de rivier leven geeft aan plant, dier en mensen en tevens dat elke jongen in het hele land premier van India kan worden en meer van dat soort politiek correcte nonsens. Hij praat het na en doet dat met verve zodat de inspecteur van onderwijs die de school bezoekt hem als voorbeeld stelt en Balram een witte tijger in de jungle noemt. Op de achterkant van het boek staat een tekening van een haan met kleurige veren (zie illustratie) die in de roman veel betekenis krijgt. Balram gaat naar de oude stadswijk van Delhi en ziet daar de slagers met hun kippenvlees en -organen uitgestald, nog glimmend van het bloed. “In het kippenhok eronder zitten de hanen. Ze ruiken het bloed. Ze zien de ingewanden van hun broerders liggen. Ze weten dat ze zullen volgen. Toch rebelleren ze niet. Ze proberen niet uit de ren te komen. Hetzelfde gebeurt met mensen in dit land.”
Adiga beschijft dit met de woorden van Balram als het Hanenren verschijnsel. Het is een goedkope en effectieve manier om de arme Indiër eronder te houden. Er worden tal van voorbeelden gegeven hoe de menselijke hanen doen wat er van ze verwacht wordt, zonder protest. Ze zijn de “eerlijkste mensen van de wereld.” Er is dan ook geen geheime politie nodig, en geen dictator. De menselijke kippen doen het zelf, ze wachten op hun lot en ontsnappen niet. “Die betrouwbaarheid van de bedienden is de basis van de hele Indiase economie,” vertelt het verhaal. Ieder mens zou zichzelf moeten bevrijden. In plaats daarvan wachten ze op de revolutie die uit de wildernis komt, of van de bergen, uit China of Pakistan, zo schijft Balram aan Wen. Geen hoop, maar doen, is zijn boodschap.
Op de achtergrond is er wel sprake van de Naxalieten (de communistische verzetsgroepen vooral actief aan de oostgrens van het enorme land), maar sporadisch en met veel nadruk op 'achtergrond'.
Als er wel een kip uit de ren stapt, dan is dat een uitzondering. En een van die uitzondering komen we in dit boek tegen. De Witte Tijger loopt uit de pas en het doet hem goed. Zijn familie wordt er misschien voor gestraft, maar hij werkt zich naar een positie buiten de ren. Hij zag hoe zijn baas hem bestal, gebruikte en liet vallen toen dit beter uitkwam. Het wekte langzaamaan zijn woede op, nodig om uit te breken. Net als de rijken ging hij zelf een buik kweken gevoed met vals verkregen middelen.
In de auto naast hem spuugt een chauffeur twee plasjes met betelsap op de weg. Ze staan – in een voor de roman aparte typografische manier op de pagina – naast elkaar in kolommen. Elk vertelt Balram een visie. In de ene plas ziet hij de conventionele positie van onderdanigheid en angst. In de andere is zijn werkelijke positie zichtbaar en vormt zich de woede. Het wordt snel duidelijke welke kant hij kiest. Zelfs een wensenbriefje dat hij krijgt met de tekst 'Eerbied voor de wetten is de eerste opdracht die komt van de Goden', kan dit niet meer veranderen. Als hij in de dierentuin dan ook nog eens flauw valt voor het hok van de witte tijger, dan weet hij het zeker. Hij kan niet en wil niet meer leven in een hok.
Hij schrijft de zeven teksten aan Wen drie jaar nadat hij Ashok dood achter heeft gelaten aan de kant van de weg en als zijn zaken inmiddels lopen door een handigheidje hier, een omkoperijtje daar, en vooral de politie maakt hij met stapels Roepia's tot zijn vriend. Zo werkt het en hij heeft dat van zijn voormalige bazen geleerd.
Het verhaal is misschien hier en daar met zeer vette letters en over the top neergezet, maar het is zeker een roman met een betekenis die verder gaat dan een vertelsel om de lezer in zijn vliegtuigstoel te plezieren. Het is een boek dat wijst op onrecht en hoe een mens daaruit breekt. Het wordt expliciet gemaakt dat dit de individuele uitzonderingen is; een soort criminele American dream. Maar als meer mensen dergelijke stappen gaan zetten zou het heel misschien ook voor anderen zo kunnen lopen, droom ik tijdens het lezen.
Het boek verwierf lof, maar schopte ook tegen zere schenen. Wendy Singer schreef in de Kenyon Review bijvoorbeeld dat het boek dan wel in 2008 de Man Booker prijs kan hebben gewonnen, maar dat die is gegaan naar “een zwakke roman die weinig meer doet dan het laten zien van corruptie bij de machthebbers en verdorvenheid bij de armen en dat alles onder het mom van een 'post-koloniale' roman.” Het boek haalt het volgens haar niet bij Indiase romans die de prijs eerder kregen. Ze valt over de stereotypen en de neerbuigende visie van de schrijver uit Mumbai over de armoede in een regio elders in het land. Het is alsof ze meent dat de lezer niet door de stijlfiguren heen kan lezen en zij zelf de kracht van het spotschrift mist. Bovendien daar waar wij genieten van de riksjarijder met een metershoge stapel lege drinkwaterflessen op zijn fiets of een zwaar houten bed achterop die als foto kleurrijk wordt afgedrukt op de Oxfam/Novib-kalender, laat Adiga daar terloops de andere kant van zien; het gevaar voor de gezondheid van de vervoerder die basisvoorzieningen moet missen. Dat er andere boeken zijn die fijnzinniger zijn doet daar niets aan af.
Het boek is luchtig en met een satirische toon geschreven, en Balram is niet een uitgewerkt romanpersonage, maar een schema. Op de achterflap wordt hij dienstbode, filosoof, ondernemer en moordenaar genoemd. Veel meer dan die vier woorden is hij inderdaad niet en hij heeft geen vlees op de botten. Hij stipt wel verschijnselen aan die het waard zijn om nog eens naar te kijken.
Bovendien heb ik het met plezier gelezen.









_miljoenpoot.jpg)










