vrijdag 20 februari 2026

Hoe ik per ongelukt een boek schreef



Hoe ik per ongelukt een boek schreef is een verhaal door Annet Huizing. In de versie die ik uit een weggeefkast haalde, zit een uitgebreide opdracht – of eigenlijk twee – aan 'Wie dit leest' door ♥juf Nanette. De woorden komen erop neer dat ze hoopt dat de ontvanger door het lezen nog meer gaat genieten van het schrijven, en “moeder een heel dikke knuffel geeft.” Beide wensen volgen uit de inhoud van het boek.

Om te beginnen het eerste deel van de opdracht. Katinka is 13 jaar en wil beter leren schrijven. Aan de overkant van de straat woont een zestig jaar oude schrijfster, Lidwien. Die geeft schrijfles. Als de tiener vraagt of ze mee mag doen aan de cursus, dan zegt Lidwien dat het niets voor haar is tussen al die middelbare vrouwen. Ze mag wel op vrijdagmiddag komen. 'Ha privéles', denkt Katinka. In ruil daarvoor kan ze helpen in de tuin. Ze gaat trouw en krijgt commentaar, tips en kritiek.

Zo wordt ook de lezer langs verschillende elementen van het schrijven gevoerd, zoals de volgorde van het verhaal (begin met wat spannend is), show don't tell, over cliffhangers, laat zien wat niet gezegd wordt, geef feiten, speel met volgordes binnen zinnen, verdiep je in mensen, kijk zo nodig uit hun perspectief en zo nog een hele trits andere aanwijzingen. Lidwien geeft daar vaak heldere voorbeelden bij. Woorden 
zoals wolkbreuk worden geproefd. Dat is immers een vreemd woord. Kan zo'n zachte wolk wel breken? Intussen groeit er ook een stevige vriendschap tussen de twee.

Katinka gaat oefenen met schrijven en doet dat door te laten zien hoe Dirkje bij hun thuis terecht kwam. Ze ontmoetten haar op de veerboot van Terschelling naar het vaste land. Papa Hein, broer Kalle en zij moesten van Harlingen terug naar Hilversum en Dirkje naar Utrecht. Ze kon dus een flink stuk meerijden. Het gevolg: voorlopig zou ze niet meer uit het leven van het gezin verdwijnen. Moeder Louise van  Katinka en Kalle, was tien jaar eerder overleden. Dirkje was niet de eerste vriendin daarna, maar vader leefde met haar wel weer op. Tussen Katinka en Dirkje gaat het fantastisch. Totdat het klapt. Het is een dramatic turning point dat ook als schrijfelement door Lidwien wordt genoemd. 

Als je het boek uit hebt, heeft Katinka terloops haar eerste boek geschreven en heeft haar dode moeder een plaats gekregen. En daarmee is het ook een middel om rouw te verwerken. In het verhaal is een opdracht verwerkt die Lidwien schreef voorin Het geheim van de schrijver, van Renate Dorrestein. Ze deed Katinka het boek, inclusief opdracht kado:
Voor Katinka. Pagina 229, zesde regel van onderen. Doorgaan dus. Lidwien.
(Daar staat: maar bovenal is talent het vermogen je niet door twijfel uit het veld te laten slaan.)
Het boek heeft de NUR-code 283. Dat betekent dat het fictie is voor kinderen van 10 tot 12 jaar. Voor jongeren en jong volwassenen is het mogelijk te kinderlijk, maar pak het gerust op als je een jaar of vijftig of nog ouder bent, want een boek over: schrijven, verlies, betrokkenheid, empathie, opleven en dat bovendien prettig is geschreven doet vrijwel niemand kwaad.

vrijdag 13 februari 2026

Feest van het begin

 



Feest van het begin, door Joke van Leeuwen, won de AKO-literatuurprijs 2013. Dat is prettig. Het las als een goed jeugdboek,waarin het verhaal helder is, maar ook wat dun. Mogelijk liet het juryrapport zien waarom het 't beste is dat in dat jaar verscheen. Helaas is dat rapport onvindbaar.*

Nu zijn er destijds wel berichten geweest waarbij de jury uitgebreid is geciteerd, zoals hier: “Het winnende boek stelt universele vragen over schoonheid en waarheid; het leven fris aanvaarden met inbegrip van alle malheur. Deze auteur schrijft als een meesterlijk pianist die de toetsen lichtjes beroert.” Er zijn inderdaad zinnen die prachtig zijn en metaforen die klinken als een klok, er valt wat te overdenken, maar de universele vragen over schoonheid en waarheid? Het lijkt mij wat overtrokken. Af en toe hoor ik op de pagina's ook wel eens noten zonder kraak en zonder smaak.

Maar als een boek wint dan worden alle registers opengetrokken. 
Met een groot oog voor het miniemste detail weet Joke van Leeuwen een overweldigende achttiende-eeuwse wereld op te roepen, zo luidt de tekst. “Als een moderne Tsjechov tekent zij in enkele zinnen een compleet karakter. Een van haar hoofdpersonen is het naar taal hunkerende weeskind [vondelinge, MB] Catho, dat les krijgt van de uit haar familie verstoten non Berthe.” Toe maar haal er een Russische meester bij. Maar het is nog niet genoeg:
“(...) hoe kun je de toekomst overzien als je meegevoerd wordt door de stroom van gebeurtenissen die geschiedenis blijkt? Wat is wijsheid, wat schuld? De woorden waarin Van Leeuwen dit verhaal giet, roepen de associatie op met dauw die glanst in een web in de ochtendzon. Haar taal is ingetogen en fonkelt tegelijk. Dat contrast verraadt achter iedere zin een vulkaan aan betekenis. Feest van het begin toont ons, met immense verfijning, de morele vraagstukken van de geschiedenis.”
Op de site van de schrijfster zelf is het boek zeer kort aangeprezen als: “Een revolutie, een vondelinge, een pianofortebouwer en een beul.” Zo fijn kaal, een verademing naast de barokke prijsteksten.

In besprekingen ervan duikt het woord hoop regelmatig op. Die zit dan niet in de revolutie, maar in de relaties tussen mensen, met name in die – hoewel plots beëindigd – tussen Catho en Berthe.
     Anderzijds is de harde werkelijkheid heel duidelijk aanwezig, waar mensen nemen van anderen, hun goederen, hun huis en zonder liefde hun lijf, of zelfs hun hoofd. Er hangt een grimmige sfeer in de hoofdstad waar de rivier
“als een kromme ruggengraat doorheen loopt”.

Bijzonder is dat het boek de sfeer ademt van de revolutie in Parijs, want je waant je je als lezer in Frankrijk, zonder dat dit land of de stad genoemd wordt. Het speelt in een katholiek Europees land enige eeuwen geleden, waar de koning het onderspit delft en sprake is van een Nationale Vergadering. En inderdaad het schriftelijke LoI HAVO-geschiedenisonderwijs dat ik deed, begon met de Franse revolutie in 1789 en dat feest stuitte al snel op zijn grenzen. Als de guillotine dan ook opduikt dan doemen de verhalen over Robespierre onvermijdelijk op.

Om de doodstraf politiek correct te maken en voor allen hetzelfde, wordt besloten iedereen die tot de dood wordt veroordeeld om het leven te brengen door onthoofding. De beul zet de pianofortebouwer aan tot ontwerp en bouw van een valbijl om een snelle efficiënte dood mogelijk te maken. Die beul** vindt het naar werk, maar hij neemt zijn verantwoordelijkheid en vervult zijn plicht voor het vaderland. Die inzet behelst niet alleen de uitvoering, maar kennelijk ook de vormgeving van het beulswerk en de productie van de benodigde apparatuur. Inderdaad waar kennen we dit van.

Toch blijft het lezen als een jeugdboek. Is dat niet goed? Het is geweldig in zijn soort. Het is meeslepend, met ideeën en voorvallen die het leven verrijken. Met daarin de waarde van toenadering – ook als je beledigd bent – en de realiteit dat het niet altijd goed komt als je zelf goed doet. Een boek waarin levens bovendien met elkaar worden verbonden.
     Zover ik weet, kunnen de boeken van Van Leeuwen voor kinderen en jongeren vaak evengoed door volwassenen gelezen worden. Ook Feest... is een fijn boek om op de weg van een lezend leven tegen te komen, als jongere en ook later. 

Noten:
* De Boekenbon Literatuurprijs stond tot 2020 bekend als BookSpot Literatuurprijs, tot 2018 als ECI Literatuurprijs en tussen 2000 en 2014 als AKO Literatuurprijs, een naam die de prijs ook al had tussen 1986 en 1996. Daar tussendoor heette de prijs Generale Bank Literatuurprijs (1996-1999) en in 1999 de Fortis Literatuurprijs, maar onder die naam is de prijs nooit uitgereikt. De AKO-prijs website is verlaten en ook elders kan ik het juryrapport niet vinden.
** Geënt op Charles-Henry Sanson zoals weergegeven in Mémoires des Sanson, bezorgd door Henry Sanson in 1862.

vrijdag 6 februari 2026

How to be both



How to be both van Ali Smith begint met het doen en laten van de schilder Francesco del Cossa die bijna 600 jaar geleden leefde. Hij was volgens de roman vergeten, maar doordat hij zijn opdrachtgever de regionale heerser Borso d'Este, schriftelijk opslag vroeg en deze brief bewaard is gebleven, bleef zijn naam bekend en konden ook andere werken aan hem worden toegeschreven. Zijn grootste klus was beschilderen van een ruime in het Palazzo Schifanoia in Ferara.

Dat deed hij in de werkelijkheid samen met Cosmo (Cosimo Tura). Die speelt in het boek een rol op de achtergrond, en wordt genoemd als adviseur, leraar, hofschilder, en schilder van ander werk. In het geval van het paleis kwam hij twee keer kort “als een zwaan binnen gegleden en deed een kleinigheid,” zo vertelt Del Cossa in de roman.
       In het paleis komen later in de geschiedenis de goed bewaarde fresco's tevoorschijn van achter een laag verf die erover geschilderd was.
    Het roman personage Del Cossa verwijst regelmatig naar het boekwerk over schilderkunst van de grote Alberti (
De pictura van Leon Battista Alberti) die leefde van 1404 tot 1472.

Veel is er niet bekend over Del Cossa's leven, maar Smith put 
uitbundig uit wat voorhanden is. Die gegevens heeft ze aangepast en aangevuld met wat nodig was voor het verhaal. 
    Het werd voorzien van franje, zoals bij een bordeelbezoek waar hij de vrouw die voor hem gekozen was om 
seks mee te hebben – betaald door een bemiddelde vriend – in plaats daarvan tekende en hij naast haar in slaap viel. Het hele huis van plezier wilde vervolgens wel zo'n tekening en het maakte hem er immens populair. De meer gebruikelijke activiteiten in een dergelijke gelegenheid kwamen onvermijdelijk ook. 
     Dat Del Cossa zoon was van een vader die muren bouwde is dan weer aan de bekende geschiedenis ontleend. 

Vreemd is dat twee moderne jongeren naar het werk kijken en dat de schilder dit kon zien. Het meisje hield een plaat vast waarop liefdesperikelen te zien waren omgeven met muziekklanken en de afgebeelde personen dansende bewegingen maakten. Nu herkennen we daar meteen een mobieltje in met op het scherm een muziekclip. Del Cossa kende dat niet. Die jongen, wie was hij? Haar vriend? Haar broer? De schilder denkt het laatste.
     Veel meer dan sluimeren op de achtergrond doet deze magisch realistische aanwezigheid van jongen en meisje niet. Het draait vooral om de kunstenaar en zijn kunst. Het beschilderen van de ruimte in het paleis wordt beschreven met aandacht voor het werk en voor de details (waar het werk van Del Cossa en Tura inderdaad toe uitnodigt).
     In het tweede deel blijkt dat de twee jongeren samen met de moeder naar het paleis zijn afgereisd om het werk te bekijken.

Magisch lijkt ook de beschrijving van de reële aanwezigheid van een verbeelde creatie of persoon:
“Schilder een roos, een muntstuk, een eend of een baksteen en je zal het met zekerheid voelen alsof de munt een mond had en je vertelde wat het was om een geldstuk te zijn, alsof een roos je zelf verklaarde wat bloemblaadjes zijn, hun zacht- en vochtigheid als een vlies van kleur dunner en gevoeliger dan een ooglid, alsof een eend je vertelde over de natheid en de gelijktijdig droge onderliggende veren, of een baksteen over de ruwe kus van zijn huid.” Het is er niet echt, maar het schijnt wel zo.
     Die vermenging is ook aanwezig in de beschrijving van een geschilderde, aan de haak geslagen, en krachtige vis, waaraan de lijn moest worden doorgesneden, zodat de hij aan de vangst kon ontsnappen. “Juist daardoor is het de beste vis die ik ving, de vis die ik niet ving, omdat het de vis is die nu altijd bij me blijft en nooit gegeten zal worden, hij zal nooit sterven, zal nooit op het land belanden,” zei de schilder. De verbeelding werd tot werkelijkheid.
     Nog een voorbeeld van zijn en niet zijn. Hier in de vorm van een intellectueel spelletje. Wat was er eerst de ondergeschilderde fresco of de schildering daaroverheen? Volgens dochter George de onderste. Moeder betwijfelt dit want het eerste wat we zien is wat aan de oppervlakte ligt. Als we niet weten dat er iets onder is zou dat ook niet kunnen bestaan. De gesprekken tussen moeder en dochter zijn regelmatig op het scherpst van de spitsvondige snede en aangenaam om te volgen.

Allegory of May by Francesco del Cossa
Het opzoeken van de in het boek genoemde beelden “vergroot zeker het leesplezier, verrijkt de ervaring van het omgaan met de tekst, voegt een dimensie toe aan het puur verbale materiaal van het verhaal en zet op een andere manier de aandacht voor het zien voort die in het hele boek aanwezig is,” merkt Engelse literatuur wetenschapper Derek Attridge op (PDF, p . 172). Deze beelden zijn er gewoon, of ze nu op de omslag staan of – als je dat wilt – op te zoeken (voor werken van Cossa en Tura zie bijvoorbeeld hier). Daar is geen magisch realisme voor nodig. 

______
______

In het tweede deel zal de moeder overlijden en verwerkt George haar verdriet. Rouwverwerking is een gewild thema voor romans. Ook hier speelt het schijnbaar toevallig, zonder opdringerig te zijn, een grote rol. Beetje bij beetje wordt verwerkt dat moeder er niet meer is. Na verloop van tijd verschijnt weer een lach op George's gezicht.
      De overleden moeder was een econome, journaliste en Internet Guerilla Interventioniste. (Tegelijk met
How to be both las ik een boek over kunst-activisme en soms liepen beide boeken samen op, zoals bijvoorbeeld als in het tweede wordt beschreven hoe actiegroep fierce pussy taal ziet als een constant geschapen en herschapen wezen, dat lijkt te ademen. Door de moeder wordt taal in een dispuut met haar dochter neergezet als een levend en groeiend organisme.) 
      Moeder heeft wel meer van de activisten uit dat andere boek, ze schreef ook LIAR (LEUGENAAR) op een ruit van een restaurant boven het hoofd van een daar dinerende politicus of spindoctor; een van beide, welke van de twee, dat is vergeten.
      Ze dacht ook achtervolgt te worden. Of was de achtervolgster verliefd op haar en wilde die haar zien en ontmoeten. Is liefde eigenlijk altijd te herkennen? Als de vrouw 
naar het buitenland verdwijnt vraagt de dochter zich af of ze een goede vriendin of een geliefde van haar moeder ziet vertrekken?

Met de eerder gebruikte woorden 'begint' en 'tweede' verraad ik welke versie van de roman ik heb gelezen.
     De roman bestaat uit twee delen, beide één genoemd. In het ene is Del Cossa aan het woord en begint met een schets naar een fragment uit een schilderij van hem. In het andere deel, eveneens één, speelt de tiener de hoofdrol en daar staat de schets van een bewakingscamera naast de nummering ervan. (Die tekening geeft ook meer dan een hint naar een antwoord op de eerdere vraag omtrent liefde of controle. De afgebeelde camera wijst immers op observatie en de moeder is niet paranoïde, maar terecht op haar hoede voor de achtervolgster.)
     Twee maal een eerste deel, betekent dat de lezer zelf mag beslissen waar het lezen begint; halverwege of voorin. De meeste mensen zullen het laatste kiezen. Maar
How to be both ishoe treffendook nog eens uitgeven in twee versies. Daarin zijn de delen van plek verwisseld. “Dit klinkt als een roman vol postmoderne gimmicks, maar Smith brengt het zowel fantastisch complex als ongelooflijk ontroerend,” schreef recensent Ron Charles met betrekking tot dit aspect.

Het roept onvermijdelijk de gedachte op hoe de roman beleefd wordt in de andere volgorde. In de schilder-eerst versie komen de schimmen pas in het tweede deel uitgebreid tevoorschijn. De schilder blijft iets geheimzinnigs houden, terwijl de moeder, zoon en vooral dochter uitgewerkt worden. Deze volgorde lijkt me daarom het mooist. 
 In 'de andere versie' krijgen George, haar moeder en broer 'gewoon' de overhand, omdat de lezer als eerste kennis maakte met hen. Maar zeker weten zal die dat nooit. De kans op die eerste indruk is immers verkeken.
     Hoewel muziek in de geest andere snaren raakt dan tekst, is de indruk van een eerste volgorde toch enigszins te vergelijken met het voor het eerst horen van een aansprekend muziekstuk, waardoor een uitvoering met andere musici daarna vaak minder klinkt dan wat eerst kwam. 
     Het is door deze bijzondere contructie wel een boek om twee keer smaakvol je tanden in te zetten. 

vrijdag 30 januari 2026

De bloei van het leven



De bloei van het leven is een vervolg op Een wel opgevoed meisje, het eerste deel van de autobiografie van Simone de Beauvoir. Hierna volgden nog een derde en vierde deel verschijnen: De druk der omstandigheden en Alles wel beschouwd.
      In het tweede deel beschrijft ze de jaren dertig, de oorlogsjaren en ze eindigt in 1944 als Parijs bevrijd wordt. Daarmee bestrijkt het boek haar 21e tot 34e levensjaar. Dat betekent dat het gaatvan individualistische moraal naar een beeld waarin ze zich niet los kon zien van de omstandigheden waarin ze opgroeide.

Het leven werd een compromis tussen haar en de wereld. Ze meende eerder dat de onrechtvaardigheden in dat leven verdragen en vermeden moesten worden; je ertegen verzetten had immers geen zin.
     De bloei... is het verslag van de zoektocht van en zelfreflectie door een jonge, en bekende Franse intellectuele die tot ze ging werken in onmin met zichzelf leefde.
     Achteraf verklaart ze dat ze in haar jonge jaren op een verschrikkelijke manier abstract dacht. 

Driehoeksverhouding

Het boek is verschenen in 1960. De Nederlandse vertaling door Jan Hardenberg kwam er pas in 1968. Aandacht ervoor in de pers spitste zich op de beschrijving van de afspraak die de basis vormde voor de relatie tussen De Beauvoir en Sartre en de driehoeksverhouding met daarin de jongere Olga, en haar babbelzucht waarin zij vertelt welke uitgevers ze bezoekt, in welke hotels ze verblijft en de cafés die ze frequenteert.
     Ze beschrijft in het boek ook over het existentialisme, de verhouding tot Rusland en reizen naar met name Zuid-Europa. Op een zeer groot deel van de pagina's wordt Sartre genoemd alsof ze zich in de open relatie zo vaster aan hem bindt. 'Wij' en 'onze' wordt veelvuldig gebruikt om hun samenzijn en gedeelde meningen en ervaringen te benadrukken.
    Het is een boek met zoveel feiten, geschiedenis, ideeën en visies, dat het onmogelijk is die in een korte bespreking recht te doen. Daarom wordt er hieronder een paar punten uitgehaald.

Dokwerker
Ze gaat samen met Sartre naar Italië, omdat het kan, ook met een krappe beurs. Het reizen is door Mussolini goedkoop gemaakt; wie in de Rome een 'fascistische tentoonstelling' bezoekt, kreeg een flinke reductie op de reiskosten. 
     Soms blijken de twee niet te begrijpen wat ze in het buitenland meemaken. Ze leren in Napels wel dat als het voedsel uitbundig uitgestald ligt dat misleid; vermoedelijk sterven er dan juist mensen van de honger. Ze zien in Spanje een arrestatie, maar horen pas later wie waarom gearresteerd werd.
    Feministe is De Beauvoir nog niet. Toch duiken al vroeg voorbeelden op waardoor de ontwikkeling die kant uit niet verbaast. 
    Tijdens een politieke bijeenkomst over abortus, waar vooral jonge vrouwen en meisjes aanwezig zijn, maakt een lid van de rechtse Camelots du Roi, met zwierig vlinderdasje, een onbeschofte opmerking. Een dokwerker van de ordedienst stapte eropaf en zegt:
“Ik heb dan wel niet uw opvoeding, mijnheer, maar in het bijzijn van dames sla ik dergelijke taal niet uit.” Het beschreven beeld van die scene voor je zien, doet nog steeds goed.

Antimilitarisme
Als Sartre voor zijn dienstlicht op moet komen, schrijft ze dat beiden antimilitaristen zijn. Sartre noemt die dienstplicht stompzinnig en zij vindt het uniform lijken op de uitrusting van een dwangarbeider. Op de kermis smeten ze met plezier de poppen omver met gezichten van bekende generaals. Half jaren dertig spraken de twee een Duitse veteraan uit de oorlog van 1914-18 die meende dat bij een volgende oorlog Duitsland zijn eer terug zou krijgen. Als Sartre zegt dat zo'n oorlog niet nodig is, komt als repliek “de eer gaat voor alles.” Het is een variant op de bekende dolkstootklacht, maar ze wordt hier gebruikt om de zin van het antimilitarisme te onderstrepen.

Spanje
De jaren dertig vormden de opmaat naar Tweede Wereldoorlog. Voor De Beauvoir is de oorlog in Spanje tussen Republiek en opstandelingen onder leiding van Generaal Franco wat op het vlak van internationale politiek het meest dichtbij komt. Het zou tweeënhalf jaar haar leven beheersen. Ze vond dat de Republiek bewapend moest worden, dat er kanonnen, mitrailleurs, geweren en vliegtuigen vanuit Frankrijk geleverd moesten worden. Pacifisme en antimilitarisme waren duidelijk geen synoniemen binnen haar denkkader. De Franse regering weigerde. Ook de Franse socialisten waren verdeeld. Er waren er ook die “banger waren voor het revolutionaire elan”dan voor het fascisme. Ze wilden daarom liever de vrede met Duitsland behouden. Er werd aldus de schrijfster Franco geen strobreed in de weg gelegd, waardoor de As-mogendheden meer moraal kregen. Italië en Duitsland steunden wel openlijk Franco en zijn troepen. 
     Het is verleidelijk hier een uitstapje naar 2022-heden in Oekraïne te maken, maar de situatie is alleen oppervlakkig vergelijkbaar, en het zou een korte bespreking te buitengaan om de verschillen, overeenkomsten, de toen en nu gewenste politiek en mogelijke gevolgen te beschrijven.
    De Beauvoir komt enige pagina's na haar verontwaardigde oproep met de opmerking:
“Het enige land dat in staat was de opmars van het fascisme te stuiten, en ook de oprechte wens had dat te doen, was de Sovjet Unie.” Maar een paar regels verderop verwoord ze haar twijfels over Moskou en noemt het verdriet dat er geen enkel hoekje in de wereld was waarop je je hoop richten kon. Weer later ziet ze de strijd tussen Stalinisten aan de ene kant en de Trotskisten van de P.O.U.M., de Socialisten van Negrín en anarchisten aan de andere. De tweede groep beschuldigde de eerste ervan zowel de volksbeweging als de republiek te vermoorden. Hoewel ze later twijfelt aan de rol van Moskou, neemt ze geen positie in en wijdt geen woord aan de politiek van Negrin om naar steun aan de Stalinisten te neigen, om zo de hulp vanuit Moskou te garanderen.
    
Pas als duidelijk wordt dat Rusland en Duitsland een verdrag hebben getekend dat Hitler de vrije hand gaf in de rest van Europa (het Molotov von Ribbentrop Pact (23 augustus 1939), dat door de schrijfster meer algemeen een verdrag tussen Rusland en Duitsland wordt genoemd) is er een grote schok en wordt de visie onderschreven dat Rusland een imperialistische mogendheid was geworden met geen enkel ander doel dan het nastreven van eigenbelang.

Wegkijken
Wat opvallend is in het boek is dat De Beauvoir zich vooral afzijdig houdt van de internationale ontwikkelingen; er haar ogen bewust voor sluit. Ze ziet dat de wereld op meer dan een strovuurtje afstevent, maar kijkt toch weg. Het begin van de Jodenvervolging wordt kalm opgenomen. De kranten worden lichtzinnig gelezen. De ontwikkelingen in Spanje, in de Franse binnenlandse politiek en alle ellende in de wereld gaven haar een gevoel van machteloosheid en ze wilde dit eigenlijk alleen maar vergeten. Ze doet dit door wandelingen en reizen als afleiding. In die houding volhard ze vrijwel tot aan de verovering door de Duitsers van Frankrijk.
     De strijdbare feministe van na de oorlog was een individualiste die vooral met haar persoonlijke ontwikkeling, werk, vriendschappen en schrijversloopbaan bezig was. Ze beschreef zichzelf begin jaren dertig als realiste, en verbeelde zich daarmee representatief te zijn voor de hele mensheid, achteraf zegt ze dat daaruit juist bleek dat ze behoorde tot de bevoorrechte klasse die ze meende af te wijzen. 

Feiten
De laatste twee hoofdstukken gaan over de oorlogsjaren. Ze verwerkt daarin integraal dagboekaantekeningen en beschrijft nauwkeurig wat ze in die jaren meemaakte (waar ongetwijfeld ook bronnen materiaal bij is gebruikt). Het maakt de oorlogsjaren in Parijs en Frankrijk in het algemeen voelbaar. Toch gaat het ook wel eens mis met ophalen van de geschiedenis. Op 10 juli 1944 werden 13.000 mensen “voor het merendeel vrouwen en kinderen” levend verbrand in hun huizen en de kerk waar ze heen waren gevlucht in het dorp Oradour-sur-Glane, schrijft ze. Bij het zoeken naar achtergronden, blijkt dat het dorp in 1939 1.574 inwoners kende en in 1946 1.145. Er werd door de Duitsers wel een slachting aangericht, maar het betrof 648 mensen – nog steeds enorm veel, gezien de omvang van de bevolking – en niet in juli, maar op 10 juni (vier dagen na de landing in Normandië). 
     Het getal 13.000 dat in ruim verband het meest opduikt als je zoekt op Frankrijk en Tweede Wereldoorlog kent ook een zeer wrange achtergrond, maar dat ging om het samendrijven van Joden op de wielerbaan van Hiver in Parijs door de Franse politie om ze vervolgens af te voeren naar een concentratiekamp. Mogelijk is het cijfer blijven hangen. (Enige maanden na het lezen van De bloei... kwam ik het cijfer tegen om de de jacht op migranten in de VS te illustreren met een zeer wrangcitaat.) 
     Twee gruwelen lijken door De Beauvoir elkaar gehaald te zijn. Feiten worden wel vaker losjes gebruikt, maar hier was het wel heel duidelijk fouttief. De lezer is gewaarschuwd, maar de sfeerbeschrijving blijft – al kan je dat laten meeleven ook als babbelzucht beleven. Mij beviel het.

Boeken

In De bloei van het leven bespreekt ze het schrijven van de boeken in de jaren tot aan 1945 en soms ook later werk, haar aanpak, overwegingen, maar ook wat ze anders had moeten doen. Uit die besprekingen haal ik een zin die ze licht gewijzigd vaker heeft gebruikt, vermoedelijk omdat ze hem mooi vond: “Hoe kun je het gewicht van een traan vergelijken met het gewicht van een druppel bloed.”
    Hij wordt door roman personage 
Jean Blomart uitgesproken om de keuze voor maatschappelijke afzijdigheid te verklaren; het is immers toch onmogelijk je zo te gedragen dat je aan alle mensen recht doet. Bijna Tien jaar later zal Anne Dubreuil in De Mandarijnen (een boek dat herhaaldelijk wordt genoemd in De bloei...) hem herhalen, maar dan zonder een oordelende betekenis. Maar de metafoor spreekt ook los van deze werken van De Beauvoir tot de verbeelding.
    Naast eigen werk komen ook boeken van anderen aan de orde die verschenen in de beschreven jaren. Daarmee is de biografie ook een overzicht van literatuur die de schrijfster het waard vond om te vermelden. Zo wordt Russische literatuur genoemd van Babel, Ehrenburg, Olecha, Pilnyak, Panferov, Shokolov en Leonide Leonov en Duitse romans van Wassermann en Döblin. Toch is het vooral de Amerikaanse literatuur die de meeste aandacht krijgt, met name Faulkner waarvan o.a.
As I lay dying wordt genoemd, “de epische, wrede schelmenroman” en Light in August.
     Celines Reis naar het einde van de nacht wordt lof toegezwaaid als tekst die onder meer de oorlog en het kolonialisme aanvalt. (
Dood op krediet zorgt voor zijn val in hun ogen – je krijgt ook bij haar beoordelingen van boeken Sartre er gratis bij – door de neerbuigendheid en de fascistische neiging die er uit spreekt. Inmiddels heeft dat boek voor velen ook de Reis naar... neergehaald).
     Kafka komt als iets nieuws in het boek naar voren. Zo nieuw dat hem in een rijtje met Proust en Joyce zetten, zoals wel gebeurde, niet serieus genomen kon worden. Sartre en De Beauvoir lachten om die naam:
“Als die Kafka werkelijk een groot schrijver was konden wij hem immers niet hebben gemist….” Al snel zouden ze de fout van hun beoordeling inzien en gaan ze hem intens bewonderen.
    Ook schilderkunst, theater en vooral films passseren, waardoor het boek een waardevolle staalkaart geeft van verschenen kunsten.

Haar schizofrene vervoering die jarenlang bedrieglijk haar wereld dienstbaar had gemaakt aan haar eigen plannen zou ze laten varen.
“Handelen, verbonden met alle mensen, strijden, de dood aanvaarden opdat het leven zijn waarde zou behouden: als ik me aan die voorschriften hield zou ik het duister, waaruit de klacht van de mensheid opsteeg, de baas kunnen worden,” zo schrijft ze gedragen aan het slot van de biografie. Het leven was daarmee geen spel meer, maar werd geleefd in een werkelijkheid met een zwaar gewicht, die soms afschuwelijk was en nog altijd is. Haar door de jaren verworven ernst is ook nu geen luxe artikel.