vrijdag 8 mei 2026

Hoe ik talent voor het leven kreeg



Hoe ik talent voor het leven kreeg is een roman van Rodaan Al Galidi uit 2007. Het laat het bestaan in een asielzoekerscentrum (AZC) zien vanuit het gezichtspunt van een van de zoekers, de fictieve vluchteling Semmier Kariem. Het schildert een beeld in donkere kleuren en van een bestaan is nauwelijks sprake. Het is ook een boek waarin van binnenbuitenuit naar Nederland wordt gekeken en dat de Nederlandse samenleving schildert.*
     Het is geschreven met humor, vlotte pen, en een zoveel mogelijk positieve kijk op de toekomst en mogelijkheden: “Je manier van denken is in moeilijke situaties soms het enige gat waardoor je aan de realiteit kan ontsnappen,” zo beseft Semmier als hij in Bagdad een vader aan zijn zoontje ziet uitleggen dat de het geen bombardementen zijn, maar het vuurwerk is wat hij ziet. Dat geeft wat lucht.

In een voorwoord wordt uitgelegd dat Rodaan dit boek is gaan schrijven om ermee te antwoorden op de vraag die een man serieus stelde naar zijn leven in het asielzoekerscentrum. Hij stuurde de man iedere maand een stuk van het boek: vanaf 15 oktober 2012 tot 19 mei 2015. Zo werd in ruim 30 maanden een boek bij elkaar geschreven dat in 82 hoofdstukken mee reist met Semmier: van zijn vlucht totdat hij erkend wordt. Dat leven in Nederland begon opgewekt bij het landen. Hij bedacht zich voor het eerst in zijn leven een mens te kunnen zijn. Dat was buiten de Nederlander en meer in het bijzonder buiten de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) gedacht. Het zou al snel een stuk deprimerender uitpakken. Het voorwoord sluit af met de opmerking:

“Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die er voor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.”

In deze bespreking geen poging om de beklemmende woorden uit de roman neer te zetten of om de overlap tussen Rodaan en Semmier te beschrijven. Het wordt een bespreking waarin enkele elementen van het boek voorbij komen. De luchtige diep donkere sfeer kan immers nooit zo overtuigend worden overgebracht als de schrijver dit doet. En inderdaad Semmier en Rodaan hebben veel gemeen; dat is al bekend.
     Als Semmier verplaatst wordt van het Opvang Centrum in Haarlem naar een tijdelijke overloopopvang bij boer Bouma nabij Assen verbaast hij zich er over dat er geen militairen,
roadblocks en politieposten zijn die worden gepasseerd. Al snel beseft hij dat de Nederlanders een andere manier hebben om te disciplineren die deze afwezigheid verklaart. Een van die methodes is om personen zoals de vluchteling tot zogenaamde dader te verklaren en bestraffend en opvoedend toe te spreken en verder geen interesse te hebben in de werkelijkheid achter het vergrijp. “Bij elk probleem buiten het AZC waar de asielzoeker bij betrokken is, is hij de schuldige. Altijd. Ongeacht het soort probleem of wie begon. Altijd moet de asielzoeker zich aanpassen aan de buitenwereld, gehoorzaam zijn en onderdanig, of liever nog onzichtbaar.”
     Boer Bouma begon overigens met goede moed met zijn opvang, maar zonder kennis van zaken en inzicht in zijn gasten. De vluchtelingen gooiden stenen naar zijn hond, vochten om afstandsbediening bij de satellietontvanger die hij voor hen kocht, en aten zijn vijver leeg, alleen de zwaan bleef in leven. De verklaring voor dat laatste: “Ach hij is zo zielig. En heel eenzaam.”

Vluchteling Fettah is zo bang om iets verkeerd te doen dat hij probeert er niet te zijn. Hij plakt zich tegen de muren bibberend als een riet. In het AZC wordt dan ook gezegd:
“De Nederlanders zullen nooit tevreden zijn, zelfs niet als je een Fettah bent.” Wil de vluchteling niet gehoorzamen dan wordt hij als een basisschool leerling in de hoek gezet. Als hij vervolgens het personeel als zijn tegenstander gaat zien dan wordt de asielzoeker erop gewezen dat hij in het veilige en sociale Nederland is en niet meer in het land van herkomst.
     Maar de frictie is er meteen.
     Jimmy. Het zoontje van Kristi pakt op het strand (waarnaast het AZC ligt) speelgoed af en weigert het terug te geven. Als de moeder van het belaagde kind dan voor haar bloedje opkomt, wordt haar door Kristi verweten dat ze racistisch is. Ze doet dat zelfs zo overtuigend dat Semmier gaat twijfelen aan wat hij gezien heeft op het zand aan zee. Jimmy gaat kort daarop naar een Nederlandse school en wordt daar door juf Nanda zo goed begeleid dat zijn gedrag vooruit gaat. Nee geen heilige boontjes, maar geef je kansen en mogelijkheden dan is de kans groter zich te ontwikkelen. Die macht hebben de Nederlandse instanties en ze weigeren die te bieden.
     Sterker nog als gewaarschuwd wordt voor de gekte van een van de vluchtelingen die uit een gesloten centrum terug  is gekomen, dan zegt de Sociale Dienst van het AZC: je bent hier niet om voor anderen te zorgen. Bovendien weten ze heus zelf wel hoe ze het centrum en de 500 mensen die er leven moeten runnen. (Uit
Hoe ik talent ... blijkt dat ze minstens evenveel niet als wel zien.) Het duurt niet lang of de man hangt met een touw rond zijn nek aan een boom. Het gebrek aan empathie, moreel superioriteitsgevoel of zelfs racisme, kreeg dodelijke consequenties.
     De asielzoekers staan meestal wel in overlevingsstand. Ieder op een eigen manier.
     Firaas heeft de gave zijn verhaal overtuigende te brengen. In het centrum krijgt hij een kamer voor zichzelf, omdat hij zegt homo te zijn. Terwijl alle vluchtelingen van zijn uitspattingen met vrouwen weten. Hij bekeert zich ook tot Jezus om zo geholpen te worden door de dominee bij het verkrijgen van een status. Dit vanuit de visie: Nederlanders geloven sneller Nederlanders dan vluchtelingen. Ook die opzet slaagt.
     Zo komen er nog veel meer mensen voorbij. Dat zijn mensen van Vluchtelingen Werk, burgers, medewerkers van het AZC, politieagenten, maar voornamelijk vluchtelingen; van een Russische schone, tot een onverschrokken Jemeniet, via de Syrische Fatima – die voortreffelijk kon koken –, en nog tientallen anderen, naar Milaad die geboren was op de dag dat Semmier in het AZC aan kwam en waaraan hij de duur van zijn verblijf afmeet. (Dat werden overigens negen jaar met 500 anderen in een gebouw. Zelden of nooit alleen. Pfoehh!)

Lang niet iedereen was zo handig als Firaas, had een bevoorrechte positie of geld om een goede advocaat te betalen en dan was de kans groot dat je bleef zitten en dat was niet gezond.
“Het waren sterke mannen en vrouwen die arbeiders waren geweest, of soldaten, rebellen, ingenieurs, artsen, wetenschappers en ga zo maar door. Na het derde jaar begonnen ze op de een of andere manier de controle over zichzelf te verliezen (...)” De gekte drong zich dan op. Semmier constateert bij zichzelf dat hij steeds meer op zijn hoede is voor de Nederlanders, allemaal: “De nette, stille, schone straten, die beleefde mensen met hun eindeloze regels.”
     De medewerkers van het AZC snapten het niet als vluchtelingen bang voor hen werden: “Het irriteerde ze, want zij waren toch ook mensen, waarom zou je bang voor hen zijn?” Waarom zou je toch bang zijn voor mensen die je zomaar naar een cel kunnen sturen of je zakgeld inhouden als zij denken dat dit goed is.
    Uiteindelijk is er een generaal pardon (een begrip dat wel tot misverstanden moet leiden) en krijgt ook Semmier zijn verblijfsstatus.

Als jij als lezer ooit nog eens iets over vluchtelingen wilt zeggen: bijvoorbeeld dat ze niet welkom zijn. Lees dan eerst dit boek. Het is bijna twee decennia geleden geschreven en goed verkocht en moet
voor een paar euro gekocht kunnen worden. Huiver dan mee niet over de lenige waarheden van Firaas, of val niet over een kleinigheid, maar over de zelfvoldane, botte Nederlander binnen en buiten het AZC. Rodaan schreef een boek dat werkt als een spiegel; we zijn als Nederlanders niet Sneeuwwitje, maar als haar stiefmoeder in dat glas. Soms zag ik er een glimp van mezelf.

Noot:
* Later zou hij het boek Holland schrijven met dezelfde thematiek, en ook met de hoofdpersoon Semmier, maar met veel meer ruimte om juist dat aspect te benadrukken. Mijn bespreking hier.


donderdag 7 mei 2026

Irritant






Altijd kijk ik wat in de lente onder het zand van de duinen vandaan komt. Het was veel dit keer.

Het is niet zo gek om bij die zwarte wegkruipende aan de duinlapsnuitkever (
Otiorhynchus atroapteru) te denken. Die lijkt erop, heeft zijn naam mee, en zit in 't gebied. Maar goed ook met alle hulpmiddelen blijf ik een leek, die er een slag naar slaat. (Eerder benoemde ik diezelfde kever als Otiorhynchus fuscipes.)
     Er zat nog een kever. Meer gedrongen van postuur. Ik weet niet of ik die eerder al gezien heb. Het lijkt me een pilkever (de pantserwants die dezelfde vorm heeft en op een kever lijkt, is het niet). Ik ging onder andere af op het driehoekje in het rugschild, de vormen ervan en de lijnen daarop.
     De grote tweestreep lijkt me goed. Dat is een miljoenpoot (twee pootjes per segment).

Die duinen lijken gebouwd van armzalige grond met weinig voeding. Waarom dan al dat leven? De pilkever voedt zich met (lever)mossen en algen; de grote tweestreep leeft op plantenresten; de duinlapsnuitkever heeft genoeg aan helmgras.
     De bastaardsatijnvlinderrups, zie er ook rondkroop, is onmiskenbaar en die leeft van planten iets verderop, zoals de duindoorn (waarin inderdaad zijn spinsel zit.)
     De snuitkever die in het Nederlands Grijze bolsnuittor heet (de philopedon plagiatus zo haalde ik ooit uit dagblad Trouw en nu komt Google image search met dezelfde suggestie) moet ik dit jaar nog opmerken. De larve eet plantenwortels, de kever is niet kieskeurig. 






6 mei 2020.

Zo'n duik in het kleine grut zorgt ervoor dat je veel meer gaat zien. Die onaanzienlijke pilkever is voedsel voor de fraaie rode wouw, torenvalk en steenuil. Daar sta je niet meteen bij stil. De verwarring rond de naam van de miljoenpoot brengt je een wereld in van een dier waarvan de familieleden al voor de haaien en krokodillen leefden. Die rups is van een nachtvlinder die zich heeft omhuld met allerlei mooie benamingen: ze komt uit de familie van de spinneruilen, en de onderfamilie is nog mooier benoemd als donsvlinders. Je ziet ze wel eens zitten in WC-gebouwtjes van campings. Dat deze rups haartjes heeft die irriteren, doet daar niet aan af. Zo'n vlinder moet zich toch ook beschermen.

Over het strand kijk ik naar de versiering die in Velzen-Noord is neergezet en de uitstoot ervan. Ik las deze week dat de pijpen en rook een groen kleurtje zullen gaan krijgen. Chapeau! Anderzijds las ik ook dat die afleidingsmanoeuvres deel zijn de strategie van het staalconcern. Het is een win-win-VERLIES situatie (dat laatste geldt gezondheid van omwonenden, klimaat en natuur). Ach ja een mens wil ook wel eens verdienen aan zijn inzet, de pijp moet immers roken. Waarom zou een rups wel irritant mogen zijn en een mens niet.

vrijdag 1 mei 2026

Little Boy Lost

Little Boy Lost is geschreven door Marghanita Laski. Ik lees een versie met een fraaie cover (zie illustratie) uitgegeven door Heineman Educational Books. De tekening van de jongen stond al op de oorspronkelijke uitgave. In het verhaal wordt geschreven over zijn grote ogen. Op de tekening van Vicky* zijn die niet te missen. De titel is afkomstig van William Blake die in 1789 Songs of Innocence uitgaf waarin het gelijknamige gedicht met tekening was opgenomen.**

Het boek is opgebouwd uit vier delen: Het verlies, Het zoeken, De beproeving, en Het oordeel. Die titels vatten het geheel samen en geven het vorm.
     Op de eerste pagina denk ik: 'dit zal een mooi boek worden'. Er wordt beschreven hoe een gezicht in het kaarslicht een andere uitdrukking krijgt. Maar het spreekt vooral aan door de daarop volgende vraag van de hoofdpersoon Hilary Wainwright*** of ook zijn gezicht is veranderd in
die gloed en hoe anderen hem dan zien. In deze passage gebeurt nogal wat. Hij ziet een ander in dat kaarslicht, en reflecteeerd vervolgens over het voorkomen van zichzelf, een persoon die hij niet kan zien.
     Even later vind ik het verhaal zich ontwikkelen naar te sentimenteel en te gemakkelijk. Mijn verhouding tot het boek blijft zo schommelen. Er is een 
kort drakerig slot, waar een meer open einde mooier was geweest.
     Maar het gaat naast het aandoenlijke ook over de hardheid van het bestaan in het naoorlogse Europa, zeker voor kinderen. Dat Hilary Wainwright naar zichzelf zocht na zijn verlies in de oorlog is een belangrijk thema in het boek.

Film
De filmrechten werden door Laski al snel verkocht. Vier jaar later kwam de film uit. Het werd een musical met Bing Crosby in de hoofdrol. De schrijfster was woedend over wat ervan gemaakt was. De dieper gravende morele vraagstukken waren verdwenen en de sentimentele zoektocht van een vader naar zijn zoontje bleef over. 

Verdwenen
De jongen, Jean, leeft in een weeshuis, waarheen hij is gebracht door een wasvrouw die hem tijdelijk opving. Via via was hij bij haar terecht gekomen. Hij was in eerste instantie weggebracht toen zijn moeder vreesde gevaar te lopen vanwege haar verzetswerk in het door de Duitsers bezette Parijs. De vader heeft hem alleen op de dag van geboorte gezien en is in 1940 naar zijn vaderland, Engeland, vertrokken. Daar wordt hij geïnformeerd door de ambassade  over de dood van zijn vrouw Lisa. Tijdens een kort bezoek van de Franse verzetsman Pierre wordt hij bijgepraat over het tijdelijk onderbrengen van zijn zoon bij zijn geliefde – en ook omgekomen – Jeanne.
     Jeanne is een idealiste en vind dat doel en middelen met elkaar in overeenstemming moeten zijn. In zijn verzet is geweld onderdeel. Pierre en zij hebben vlak voor haar arrestatie een doel-en-middelen ruzie. Het er voor zorgen dat de baby van haar vriendin Lisa bij de vader terecht kan komen, is in haar ogen zo'n positieve en goede activiteit. Als ook Jeanne door de Gestapo wordt opgepakt en geliquideerd zijn de sporen naar het kind verdwenen. Pierre beloofd Hilary te helpen bij het terugvinden. 

Bedolven
Na de oorlog heeft Hilary echter geen haast met het zoeken. Hij is bang dat een kind zijn herinnering aan zijn vrouw zal bedelven. De oorlog heeft zijn geluk en idyllische leven gesmoord. Hij leeft bij zijn moeder die hij in het al genoemde kaarslicht ziet veranderen van een vrouw met een koude vijandigheid op haar gezicht, die hij bitter moet weerstaan, naar een vrouw met een gelaat dat troost en liefde uitstraalt, maar slechts als de omstandigheden ideaal zijn. Hij heeft een baan die hem slecht bevalt. Wat overblijft zijn de herinneringen aan zijn fijne leven in Parijs met Lisa als zijn echtgenote. Die gedachten werken voor hem als een drug. (Zijn nieuwe liefde Joyce heeft die het verleden bedwelmende invloed blijkbaar niet, ook niet na een paar jaar relatie.) Hij vertrekt met al zijn twijfels begin 1946 toch naar Parijs en wordt inderdaad geholpen door Pierre, die al veel voorwerk heeft gedaan. 

Acceptatie
Hij laat de voormalige verzetsman in Parijs achter en gaat op grond van Pierres aanwijzingen naar het weeshuis in A. Daar is een jongen die aangewezen als zijn mogelijke zoon. Iedere dag haalt hij Jean op in het weeshuis en loopt met hem het stadje in om te kijken naar de treinen, een glas te drinken, of zelfs naar de kermis te gaan. De spanning van het boek is opgebouwd rond de vraag: accepteert hij Jean wel of niet als zoon. 

Principes
Hilary is een befaamd Brits dichter. Een man van de gedachte en van het woord. Hij blijkt ook een man die zelfgenoegzaam in zijn eigen links progressieve intellectuele bubbel leeft. Anderen houdt hij zoveel mogelijk op afstand. Als blijkt dat Pierre voor De Gaulle heeft gekozen, dan kan die niet deugen, zo vindt hij wars van ruimte voor nuance. Pierre zelf houdt zich in het naoorlogse Frankrijk op de been door het standpunt dat de houding van mensen niet door de komst van de Duitsers werd bepaald, maar zich al lang daarvoor in hen genesteld had. Mensen onderscheiden in collaborateurs en verzet had wat hem betreft dan ook geen zin. Hilary staat volledig, als wereldwijs man uit één stuk, voor zijn zaak. Een leraar in het weeshuis die ervoor kiest zijn leven in A. op het Franse platte land te leiden, dat moet wel een bekrompen man zijn, zo meent hij dan ook en zet hem daarmee gemakkelijk weg.
      Als het om zijn eigen genot gaat blijkt hij flexibeler. Zijn eten en koffie moeten vooroorlogse kwaliteit hebben en komen daarom van de zwarte markt. Maar de buigzaamheid is nog sterker als het gaat om seks. Hoe meer zijn lustobject Nelly blijkt niet te deugen (ze was waarschijnlijk prostitué voor de Duitsers) hoe fijner hij haar vindt, juist door de afstand die dit tot zijn persoon creëert, hoeft hij niet bang te zijn dat het naast een lust- ook een liefdesrelatie wordt. Maar de uitspatting met haar gaat mogelijk wel een vaderband met Jean voorkomen. 

Jean
Jean blijkt een slim en grappig ventje als hij op zijn gemak is. Maar is hij niet te wijs als hij terloops verhaalt hoe andere jongen bezocht werden en meegenomen door mannen die hun teruggekeerde vaders bleken te zijn? En daarmee suggereert dat die keuze ook door Hilary gemaakt kan worden. Of ontwikkel je als kind in een beknellende en moeilijke situatie al op je vijfde dergelijke strategieën om zo naar iets beters te kruipen? (Böll had het er in het geval van Heinrich in het boek dat ik hiervoor las, Huizen zonder vaders, dat in dezelfde tijd speelt, ook al over de bijna volwassen inzet van jonge kinderen.)
    Parijs en Frankrijk kort na de Tweede Wereldoorlog worden als een deprimerende omgeving beschreven waarin veel op de zwarte markt moet worden gekocht tegen hoge prijzen en waar mensen nog in de wantrouwige overlevingsstand stonden en daarbij wisten wie fout was geweest. Juist in die omgeving moet Hilary zijn zoon en bestaansreden terugvinden en dat gaat niet door afwijzen, maar door het waarderen van mensen. 
Film
Het scenario voor de film die regisseur George Seaton van het verhaal maakte, verschijnt als vanzelf als je het verhaal door het hoofd laat spelen en de filmposters bekijkt. Je hoeft daarvoor de mening van de schrijfster erover niet te kennen. Je ziet in dat beeld op het affiche ook dat veel hakende rafels van het verhaal zijn afgepoetst en dan blijft inderdaad het sentimentele over. Laski's boek heeft het drama zeker in zich, maar is meer dan dat. Door dat meeslepende verhaal, gecombineerd met keuzes die mensen kunnen maken, is het een boek voor een breed publiek.

De schrijfster
Achter op de Penguin uitgave staat een biografie van de schrijfster, maar ik voeg de tekst toe uit een bespreking op de site The book binder's daughter: “Engelse journaliste, radiopanellid en romanschrijfster: ze schreef ook literaire biografieën, toneelstukken en korte verhalen. Laski kwam uit een vooraanstaande familie van Joodse intellectuelen: Neville Laski was haar vader, Moses Gaster haar grootvader en de socialistische denker Harold Laski haar oom. Na een tijdje in de mode te hebben gewerkt, studeerde ze Engels in Oxford, trouwde vervolgens met uitgever John Howard en werkte in de journalistiek. Ze begon met schrijven nadat haar zoon en dochter waren geboren. Als bekend criticus en romanschrijfster schreef ze boeken over Jane Austen en George Eliot. Ecstasy (1962) onderzocht intense ervaringen en Everyday Ecstasy (1974) de sociale gevolgen ervan. Haar karakteristieke stem was vaak te horen op de radio in The Brains Trust en The Critics.”

Noten:
* Tekenaar
"Vicky" (Victor Weisz), vluchtte uit Nazi-Duitsland en maakte de cover illustratie voor het boek, waaruit bij deze uitgave de jongen op de voorkant is geknipt. De tekening is in veel van de uitgaven verwerkt.
** Er is zijn verschillende exemplaren van het gedicht, met een eigen drukdatum, volgorde in die specifieke band van de dichtbundel. Wiki geeft een zevental versies. Ik koos als illustratie een versie uit 1794 die in het bezit is van Yale Center for British Art.
*** De naam Hilary Wainwright ken ik als die van een politiek activiste en redactrice van de Red Pepper. Ze is geboren in 1949 als ook dit boek verschijnt.

Langer en anders


Het voelde als een stap over een flinke drempel: de fietstocht naar mijn moeder en zus die beide in dezelfde Zuid-Hollandse stad wonen. Een tocht met veel water. Het gaat langs de Amstel, Aarkanaal, Gouwe, Gouwekanaal, Hollandse IJssel, Noord, en over de Oude Rijn en Beneden Merwede (spoorbrug heen en pont terug) en een veer over de Lek. Nederland is een waterland en het is fijn er weer langs te trappen en er over te gaan.

Hoewel. Het begon met een afgesloten pad naar het Amsterdamse Bos. In dat bos lag wel een nieuwe zesbaans fietsroute. Die baan was er nog niet toen ik er een halfjaar geleden voor het laatst was. Maar ook die liep weer dood op werkzaamheden aan het pad langs de niet meer in gebruik zijnde spoorlijn. Het duurt even voordat ik weer op mijn route zat.
     Bij Alphen aan de Rijn wordt gewerkt aan de Steekterbrug. De volgende hindernis om over te komen. Het lukt over de weg (N207) en een stuk stoep. Zo kom ik weer op de omhooglopende weg richting fietspad langs 't Gouwekanaal.
     Pas bij de Julianasluisbrug bij Gouda gaat het weer mis. Als ik er voor het weg gesloopte pad sta en niet verder kan, vraag ik de regelaar of het mag als ik afstap en er over loop. Het mag. Op de terugweg blijkt dat deze coulance een flink verschil maakte. Ik fiets dan langs de andere kant om de lang gerekte werkzaamheden aan de oever van de Hollandse IJssel met omleidinkjes en stoplichten te vermijden. De werkzaamheden rond de sluisbrug blijven ook dan een obstakel.
     Hindernissen maakten de route flink langer, maar ook anders.

Aan de west oever van die IJssel kom ik op de terugweg langs een beeld. De tegenwind is hard en stoppen plezierig. Bovendien denk ik bij het aanrijden al te weten wat ik zie. Hier is de man die Zuid-Holland in 1953 redde door zijn schuit te laten zinken in een gat in de dijk en het oprukkende water zo af te remmen.

     Kort voordat vorig jaar een einde aan mijn fietsen kwam, sprak ik met een vrouw die de dochter was van een man die voor de eigenaar van het schip werkte. Arie Evergroen heeft nog heel lang op schadevergoeding moeten wachten, vertelde ze. Hij had wel vrouw en kinderen. Zuinigheid ten kostte van.
     Uiteindelijk is er als schrale troost een beeldje gekomen. Ik nam me toen het verteld werd al voor het eens op te zoeken. Nu passeerde ik door mijn routeaanpassing als vanzelf. Evergroen was de enige niet in de Watersnoodnacht die er lijf en goed inzette. Ook Hannes van Vliet en Cor Heuvelman deden dat. Ze worden in de tekst op de dijk niet genoemd.

klik voor een leesbare versie.


     De beelden in Papendrecht langs de oever van de Beneden Merwede, zoals AVA 1840, de Engel, en de onafhankelijke vrouw (die Volupté, 'n ander werk van Duval verving) had ik al eerder gezien. Ik ben er nog niet op uitgekeken.

Tussen dit alles door loopt melkkoe 672 in een zonovergoten weiland. (Thuis valt me pas op dat al die koeien een zendertje onderaan om hun poot hebben. Dat kan verschillende functies hebben.)