Huizen
zonder vaders
door Heinrich
Böll
is echte Trümerliteratuur,
geschreven op de puinhopen van het Duitsland van na de oorlog.
Snappen waar de vaders uit de titel zijn gebleven vergt geen
denkkracht. Maar wat de naoorlogse situatie doet met de twee vrienden
Martin en Heinrich wel. Beiden hebben een andere achtergrond. De
vader van de een was dichter, die van de ander automonteur. Dit om maar een
in het oog springend verschil te noemen. Hun denken en leefomgeving
wordt door de schrijver op eenvoudige maar indringende wijze
verwoord.
Zeven jongens in hun klas hadden in de oorlog een
vader verloren, en konden daarom op clementie rekenen als ze iets
niet wisten of verkeerd deden. Dat verloren klonk alsof ze hem hadden
“laten
staan, als een paraplu.” Er zijn dus nog wel wat vaders, maar er zijn ook 'ooms' die een
relatie met moeders krijgen en zich 'verenigen'. De ene oom is goed
of net te doen, de andere oom is akelig en verteert de beperkte
inkomsten, zodat de rest van 'het gezin' hongert.
Er is een man die op Martin en Heinrich let, Albert. Hij is geen vader, maar
ook meer dan een oom. Hij was de vriend van Martins vader. Die vader is de dood
ingejaagd op een heikele missie door een officier die zich
machtsbelust wilde laten gelden. Hij legde adviezen om de mannen niet te sturen naast zich neer. Nella
de moeder van Martin is economisch onafhankelijk. Ze wil niet meer
trouwen. Haar liefde bleef in de oorlog: “(...)
de een of andere kleine stommeling komt op het toneel en laat je man
neerknallen – drie, vier miljoen van die plechtige gebeurtenissen
worden door één oorlog teniet gedaan.”
Minnares is daarna mooi genoeg. Ze wil niet weer weduwe worden. Want
dat is wat ze vreest.
Mooipraters strooien vergetelheid over de
narigheid van de oorlog, zogenaamd in het belang van de kinderen,
maar ook omdat de mannen er weer op uit moeten gaan, “anders
stagneert de weduwenfabriek.”
Nu woont Nella in een verwaarloosd huis, maar wel een plek met een dak,
koelkast en een ruimte waar ook anderen huizen, zoals haar
moeder die de moordenaar van haar schoonzoon niet vergeet. Maar ook
Glum. Glum heette eigenlijk Glumbich Choklokusteban. Dat betekende
'Zon die onze bessen doet rijpen'. Hij kwam van ver, helemaal uit het
noorden van Siberië, aan de Poolzee bij een rivier, die
Sjechtisjechna-sjechticho wordt genoemd, maar ook van dichtbij genoeg om nu in hetzelfde huis te wonen.
Mevrouw Brielach,
de moeder van Heinrich, is op de steun van de ooms aangewezen.
Rijkdom brengt het haar niet. De inboedel is een allegaartje.
Heinrich slaapt bijvoorbeeld op een deur uit het Ministerie van
Financiën, meer specifiek die van kamer 547. Dat staat er nog op. Eronder
staan vier klossen. Een kast is niet veel meer dan een touw, een
plank en een gordijn. Heinrich cijfert zich suf om de uitgaven net
zo krap te maken als de inkomsten en ontwikkelt daartoe niet alleen
zijn rekenkunde, maar als jong kind ook zijn handelsgeest en een te
volwassen gevoel voor verantwoordelijkheid. Mevrouw Brielach is
gedwongen om op beter te hopen en dat te zoeken.
De jongens
houden zich bezig met wat MOREEL, IMMOREEL en ONZEDELIJK is en wat FATSOEN betekent. Welke moeder past welke rol? Wanneer is het zich
verenigen tussen man en vrouw wel of niet goed te praten? Deze vraag
blijft spelen tot in de laatste zin van de roman en krijgt dan een
antwoord waarbij aan een deel van de narigheid ontsnapt lijkt te
worden (maar of dat zo is ligt over de horizon van de tekst).
Het
fatsoen van een oom was niet meer dan een woord gebruikt als vernis.
De onzedelijkheid van de oorlog speelt op de achtergrond een veel
grotere rol dan de vragen die door de hoofden van de beginnende pubers
jagen. Het NAZISME met zijn geweld en bloeddorst was weliswaar DOOR
EN DOOR DUITS, maar zo Duits geaard trapten ze ook een donkere lachende
jongen dood. Een Jood. Vandaar. Op de plek van die lynchpartij
groeien nu in het donker champignons en buiten roepen de moeders er
na de oorlog naar hun kinderen dat ze op moeten passen KOM ER NIET TE
DICHT BIJ. Op school werden de nazi's “NIET
ZO ERG afgeschilderd; andere verschrikkingen stelden de NIET ZO ERGE
NAZI's in de schaduw: de Russen.” Böll
constateert al in 1954 hoe de opkomende Koude Oorlog als boenwas voor
het fascisme wordt gebruikt.
Woorden
spelen een grote rol in het boek. Soms worden ze met hoofdletters
benadrukt. De woorden in kapitalen hierboven komen allemaal zo gezet uit De
huizen zonder vaders.
Dat gaat van een woord als GELD, of STINKOORLOG, naar woorden die
niet goed zouden zijn als EIGENLIJK, SOWIESO en UBERHAUPT, maar dat
waren “woorden
die belangrijker waren dan volwassenen dachten.”
Door het hoofd van Martins' moeder spelen andere woorden, de eerste
letter valt van deze niet in kapitalen geschreven ührer,
olk
en aderland
af. Een, twee, drie lettergrepen, maar ze waren goed voor miljoenen
weduwen, miljoenen wezen. Woorden die ervoor zorgden dat de vader van
Heinrich lag te verrotten in Kalinovka (dat is net
over de grens met Oekraïne in Rusland
gelegen).
Gäseler,
de officier die zijn slopende machtswoord sprak, werkt inmiddels aan een bloemlezing van
het werk van Raimund Bach de vader van Martin. De dichter is populair geworden na de
oorlog, en wordt steeds meer gebruikt als vlag op een modderschuit.
Als Nella hem spreekt, zegt ze: “Mijn
man haatte de oorlog, en ik geef u geen enkel vers voor uw
bloemlezing als u er niet een brief bij opneemt die ik zal uitzoeken.
Hij haatte de oorlog, de generaals, het hele militarisme – en ik
zou u moeten haten, u verveelt me alleen maar.” Het huidige Duitsland, de huidige wereld, heeft weer nood aan Nella's.
Op de al genoemde pagina
over de Puinhoop literatuur,
wordt beweerd dat Böll “vond
dat de literatuur na de Tweede Wereldoorlog eenvoudig moest worden.”
Hij is daar in dit boek bijzonder goed in geslaagd, zonder dat het
daardoor simpel is. Sterker nog het boek is een stem tegen het
vergeten en geeft er een aan de kinderen, de vrouwen en jonge
soldaten die slachtoffer werden van wat de daders zo snel mogelijk wilden uitwissen. Waar ze overheen wilden praten. Dit boek werkt als plumeau, en veegt het mooipraatstof weg.
Bovenal is het een boek dat laat
zien dat oorlog niet zozeer over dapperheid, maar veel meer over ellende gaat.

















