donderdag 6 augustus 2026

At night all blood is black

 


At night all blood is black van David Diop begint met de twijfel en het afwijzen van het eigen handelen door protagonist Alfa Ndiaye. Zijn sterke vriendschap, zo sterk dat Mademba Diop wel een broer leek, liep mis toen Alfa het verzoek door Mademba om hem te doden negeerde. Mademba lag te sterven op het slagveld buiten de loopgraaf, zijn darmen lagen uit zijn buikholte. Alfa weigerde zelfs na herhaald verzoek een einde aan het leven, eigenlijk het lijden, van zijn 'broer' te maken. Vastgestelde regels gingen boven vriendschap. Zo eindigde die in nodeloze narigheid. Zo zwart kan bloed, zo donker, kan een verhaal zijn. We zijn met de twee Tirailleurs meteen in de waanzin van de Eerste Wereldoorlog beland.

Beide kwamen uit Gandiol, een Senegalese plaats aan de kust, iets zuidelijk van de stad Saint Louis. De een sterft meteen een vreselijke dood. De ander verliest zichzelf in de ellende. De tekst is bezwerend door de herhalingen van zinnen en gedachten. Zo glijdt de lezer mee de geest in van Alfa. Zo kruipt hij mee naar een wraakactie, een volgende, en dan weer een, en nog een. Als er vier mannen met blauwe ogen in de tegenoverliggende loopgraaf zo het leven en een hand hebben verloren en uit de ellende verlost zijn, worden ook de maten in de eigen stelling bang van Alfa. Hij gaat zichzelf zien als een dëmm, een begrip uit het Wolof voor
een bloeddorstige heks, tovenaar of verslinder van zielen.* Het gaat flink mis met hem.

Er zit niets anders op dan Alfa weg van het front naar een kliniek te sturen om daar weer bij zinnen te komen. Hij blijft zichzelf echtere verliezen in zelfbegoocheling, Zijn wanen plaatsen zijn persoon daar waar hij niet is of juist daar waar hij wenst te zijn. Hij beeldt zich liefde in. Hij staat ver van de realiteit. Wat waar is en wat niet wordt hem volstrekt onduidelijk.

De psychiater laat hem tekenen. Allereerst schets hij een portret van zijn moeder en vertelt over haar. Hoe ze uitgehuwelijkt werd aan zijn vader, maar vertrok om opzoek te gaan naar de nomadische stam van haar vader. En nooit terugkwam. Hij tekende Mademba en vertelt over zijn vriendschap en zijn vrijpartij voor vertrek met een meisje uit hun beider dorp en daarbij over “
de zachte zoetheid in een vrouw.” Hij beschrijft ook landbouwbeleid dat niet de mensen voedt, maar de zakken van enkelen vult. Je leert over zijn geschiedenis die hem naar de oorlog dreef, in de verwachting er beter uit te komen. Dat liep anders, want de mens bepaalt niet de omstandigheden, maar de omstandigheden leiden hier de mens. Hij tekende tenslotte tot in detail de zeven handen die hij afsneed (en die daarmee hun greep op hem verloren) en raakte de sympathie van Dr. François kwijt toen die de tekeningen zag.

Zaken gaan door elkaar lopen. In zijn geest en in zijn gevoelens. Bijna als terloops verkracht en vermoord hij de dochter van de arts. Wie hij is? Zijn naam? Hij is het kwijt. De laatste regels van het indrukwekkende boek – “ik denk dat ik het nooit zal vergeten,” merkt Ali Smith op de kaft op –, zijn de woorden:
“… wanneer ik aan ons denk, dan is hij mij en ben ik hem.” De vervreemding, de verwarring is compleet, de pijn te groot. De oorlog komt hier in zijn gruwelen benauwend dichtbij.

Intussen komt ook het over de kling jagen van soldaten de orde. De commandant van Alfa zegt dat Frankrijk van de Chocolaatjes van zwart Afrika houdt, vanwege hun dapperheid, dit terwijl de kranten het alleen maar hebben over hoe ze uitgebuit worden. Intussen blaast diezelfde commandant hard op zijn fluit om ze uit de loopgraaf te jagen naar de overkant. De vijand is door het aanvalssignaal gewaarschuwd en maait zoveel mogelijk van hen neer. Het schijnt er niet toe te doen. Alfa zelf hamert ook op dapperheid. Hij spoorde Mademba aan, terwijl het beter was geweest als beide terug hadden kunnen gaan naar Gandiol. Die georganiseerde ellende zou je bijna vergeten als je zo diep in het hoofd van een enkeling duikt en naar het handelen van een getormenteerd slachtoffers kijkt. Maar die blikvernauwing staat Diop niet toe.

Intussen kom je dan ook nog de mooie frase tegen dat een glimlach tot een glimlach leidt. Dit boek laat zien hoe de verschrikking van de oorlog tot verschrikkelijke mensen kan leiden. Het toont eveneens dat het anders moet kunnen. Bijvoorbeeld door besmettelijke te glunderen.

Noot
* Los van opmerkingen gerelateerd aan deze roman heb ik er nauwelijks iets over de figuur van de dëmm, ook wel demm of dem, kunnen vinden.

 

zaterdag 1 augustus 2026

Commentaar

 

Zag ik dat nu goed? Er rende iets bruins over het fietspad. Een ree? Toch? De wielrenner die me inhaalde keek ook nadrukkelijk tussen de bomen. Die had het dier blijkbaar ook gezien.

Wat was het mooiste wat je hebt gezien, werd me thuis gevraagd. Dat zijn toch vaak dezelfde beelden. De meeuw op de wind, de rollende golven, de spelende mens op het strand, de bloem aan de kant, de fladderende vlinder, de gele en groene korstmos op de stam. Toch zie je meer mooie details als je stopt met trappen, afstapt, al is het voor een plas.

Afstappen deed ik ook om te lezen wat er stond op de sticker met de Nederlandse vlag. Drie keer op een middag zelfs. Eén in Den Haag, twee bij Vijfhuizen. Tegen vluchtelingenopvang, alle drie. Ze maken dit stukje wereld een stuk lelijker. Daarover ging dan maar een sticker met een boodschap waar alle mensen beter van worden. Niet alleen 'wij,' niet alleen 'ons' soort. Mooier.


vrijdag 31 juli 2026

De man van veel

De man van veel door Karin Amatmoekrim beschrijft het leven van Anton de Kom rondom zijn drie maanden durende opname (1939-40) in een kliniek vanwege zware overspannenheid.
     Hij was agressief in de huiselijke situatie en werd op advies van zijn vrouw opgehaald. Hij leed aan achtervolgingswaanzin en dat zorgde ervoor dat de remedie gebaseerd op vertrouwen niet gemakkelijk van de grond kwam.
      Hier wordt een grootheid uit de Nederlandse geschiedenis pardoes neergezet als een kwetsbaar en nietig mens in een gesticht tussen andere nietige mannen. De schrijver van Wij slaven van Suriname is een patiënt.

Zijn opname was geen geheim. Maar juist daaromheen een verhaal over Adek vertellen dat is een aanpak die lef vereist. De man die de slavernij beschreef zoals ze was, hoe deze praktijk vervolgens werd voortgezet in zogenaamde contractarbeid, die een aanspreekpunt werd in Paramaribo voor wie getroffen werd door onrechtvaardigheid, die drie maanden vast werd gezet – zonder enige aanklacht – in Fort Zeelandia (waar kennen we die plek nog meer van) en werd daarna verbannen naar Nederland waar hij in de gaten werd gehouden en waar hem het leven zoveel mogelijk zuur werd gemaakt. Deze antikoloniaal, een held voor velen, zakt door het ijs en moet overeind geholpen worden. Dat laatste, maar ook andere aspecten zijn door de tekst gevlochten. 

Rond die drie maanden wordt een beeld geschetst van Anton als kind. Hoe hij leerde door de prachtige beelden van de Nederlandse helden heen te kijken en eigen voorbeelden kreeg. Hoe hij zocht naar een manier om de wereld beter te maken (hij ging er zelfs voor naar Haïti om daar de kunst af te kijken). Hoe hij observeerde, schreef en sprak om onrechtvaardigheid en uitbuiting aan de kaak te stellen. Hoe hij toegejuicht werd. Hoe hij stuitte op zaken die weinig hoopgevend waren. Hoe hij in de kliniek een band kreeg met personeel, collega patiënten en daar empathische gevoelens voor had. Hoe hij zijn fouten durfde toe te geven.
     Het boek is een monument voor een man met zijn zwakte, maar vooral voor de kracht die hij had. Niet iedereen heeft dat erin gelezen of willen lezen, blijkt uit de uitgebreide – soms vileine – polemiek die volgde op de publicatie.

Er worden voorbeelden van gruwelen van de slavernij beschreven. Juffrouw Pierson, mevrouw Mauricius en Claas Badouw (de laatste in de roman niet bij name genoemd) spelen daarin een hoofdrol als sadistische 'slaveneigenaars' die menen zelf te mogen bepalen hoe gruwelijk ze kunnen handelen. De fictieve De Kom (en de werkelijke eveneens) schrijft erover in Wij slaven... Hij wordt kwaad en moet huilen. Wie niet?
     Een ander verhaal – van na de slavernij – is dat over Stampu. Een jongen die als daad van verzet de leuze WEG MET VAN HAAREN schilderde op een schutting bij het huis waar waarnemend gouverneur Van Haaren was ondergebracht. Deze wilde dit niet over zijn kant laten gaan. Stampu werd gearresteerd, opgesloten en toen er geen zware straf op stond krankzinnig verklaard en verplaatst naar de psychiatrische kliniek Wolfenbuttel (die geen fictie is en wel echt bestond en misbruikt werd door het keurige Nederlandse gezag). De Kom vertelt het verhaal tegen de directeur van de Scheveningse kliniek* waar hij zelf zit.
     Het verband tussen Stampu en De Kom is duidelijk. In werkelijkheid was de vertegenwoordiger van Nederland in Suriname de man die De Kom opsloot. Zowel Stampu als De Kom zaten volgens de roman tegelijkertijd vast. Stampu ging bovendien geïnspireerd door Adek en vol kinderlijke bravoure op pad met kwast en verf. Vervolgens werd zijn leven afgenomen door een bruut, onrechtvaardig en koloniaal systeem en dat een halve eeuw nadat de slavernij was afgeschaft. Weer verdriet, en pijn door verantwoordelijkheidsgevoel en kwaadheid over het onrecht een jongen aangedaan. Had De Kom geen witte Nederlandse vrouw uit de middenklasse gehad, hem zou mogelijk hetzelfde lot getroffen hebben, zo meent hij.

Zijn vrouw is het ook die hem over de streep trekt en uit de kliniek weer naar huis. David zijn maat onder de patiënten blijft. Pas op het laatst wordt duidelijk wat deze is overkomen en waarom hij vol littekens zit. Het doet in de verte denken aan de slaven van mevrouw Mauricius die ze niet rond wilde laten lopen met een gladde ongehavende huid. Hier is de verminking het gevolg van een amoreuze vorm van bezitswaan. De liefde van Adek voor David geeft hem nog meer menselijkheid op de botten.
     Een veelbetekenende opmerking is die van de geneesheer dat schaamte een teken van genezing is. Om je te schamen moet je beseffen fouten te hebben gemaakt. Maar schaamte is geen eindpunt. Het is wel een stap naar het rechtzetten van de zaken, en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Je zou hopen dat dit eenvoudige mechanisme waarlijk toegepast werd en het mechanisme heeft in die zin ook betekenis in het nationale debat over slavernij en wat daar op volgde. In het geval van het roman personage De kom is de schaamte een opening naar de weg terug; naar de man die hij was voordat hij overspannen raakte:
“De man die hij was, vóór de opstand in Paramaribo, zijn opsluiting, de doden die er vielen onder de mensen die voor hem opkwamen. De man voordat hij werd gevolgd door regenjassen van de geheime dienst, voordat hij gedwongen was steun te trekken, voordat zijn kinderen honger leden en zijn vrouw gedwongen werd lompen te dragen. Voordat het schrijven hem onmogelijk gemaakt was, voordat hij zijn dromen verloor.” (p 257)
Het lijkt onmogelijk, maar de arts ziet de opening wel, zonder de tegenslagen, tegenstand en onrecht weg te wuiven, meent hij dat een gezonde geest mee buigt en dat De Kom dat met zijn sterke en veerkrachtige karakter aan kan en daardoor weer verder kan komen. Dat zou ook blijken. De schrijfster laat die weerbare instelling van De Kom zien in de laatste tragische elf regels van haar boek dat wordt afgesloten met de mooie foto van een elegante Cornelia Gerhard Anton de Kom.**

In de felle pennenstrijd rond het boek werd gesteld dat veel zaken in de werkelijkheid net iets anders zaten dan beschreven. De schrijfster reageert met de opmerking dat een roman geen biografie is en ze hier en daar een vrijheid heeft genomen, zelfs personages heeft beschreven die nooit hebben bestaan. Een krantenbericht dat ze noemt over een racistische ruzie (Haagsche Courant, 20 januari 1938) is een fictief feit en niet werkelijk afgedrukt. Het had wel in die krant kunnen staan en voegt iets toe aan het verhaal.
     Mij bleef de beschrijving bij van hoe De Kom uit woede, frustratie en het er doorheen zitten, alle bladen van een manuscript over straat liet waaien. Later raapte hij de vellen weer op. Welk manuscript was dit? Het was jaren nadat Wij slaven... verscheen. Even doemt in mijn hoofd de vraag op of dit echt zo is gegaan. Fictie op grond van de realiteit leidt vrijwel altijd tot dergelijke vragen. Die vragen zijn niet onzinnig, ze zijn een stap in het denken, maar het lezen van roman hangt niet af van waar en onwaar, maar van de verbeelding. “Het boek bood in elk geval stof tot nadenken en aanleiding om de werkelijke gebeurtenissen - voor zover die al exact zijn te achterhalen - in een ander perspectief te plaatsen. En laten dat nou net een paar cruciale kenmerken van een roman zijn,” meende journalist en schrijver Diederik Samwel in een artikel tegen de vergezochte kritiek die Amatmoemkrim over zich heen kreeg.

De man van … treft in de ziel (wat dat ook moge zijn). De Kom zelf is een monument voor menselijkheid, verzet, antiracisme en antikolonialisme, en krijgt veel kleur en diepte door de roman. Astrid Roemer schreef erover: “Judith de Kom zal verbijsterd zijn geweest over de inspanning die een jonge Javaanse auteur met roots in Suriname heeft gepleegd om van haar vader Anton de Kom inderdaad Een Man Van Veel te maken.”
     Sandew Hira (historicus, econoom en publicist van Surinaamse afkomst) schreef treffend: “...wie de roman leest krijgt alleen maar meer respect en waardering voor de figuur van Anton de Kom.” Amatmoekrim beseft dat kritiek op haar werk voort komt uit goede bedoelingen, zo schrijft ze. Ze voegt daar wel aan toe: “Aan goede bedoelingen gaat de wereld echter vaak genoeg ten onder.”

Het is bovendien een boek over hoe de mens die zich niet neer wil leggen bij de gegeven situatie zich overeind kan houden en wat die inzet de directe omgeving kan kosten. Het is ook nog eens een boek over een veel algemener voorkomend verschijnsel van instorten en weer overeind komen (met hulp van anderen). Over de rede achter en de onvermijdelijkheid van kwaad worden bij onrecht, maar ook over welke destructieve krachten dit kan hebben. De zwakte die zo centraal lijkt in dit boek onderstreept juist het contrast, waardoor de kracht er uitspringt.

De epiloog laat zien dat vijf jaar nadat hij uit de kliniek is ontslagen De kom als verzetsstrijder en schrijver voor De Vonk alsnog zal sneuvelen onder fascisme en werd opgepakt door NSB-politie, omdat hij op een lijst van de geheime dienst stond als gevaarlijke communist. Zo trof de Nederlandse repressie hem vertraagd en indirect alsnog.***

Noten:
* Het is een van de kritiekpunten van documentaire maakster Ida Does op het boek. Het was een Loosdrechtse kliniek en geen Scheveningse. Alsof enigszins afwijken van de exacte feiten in een roman een probleem zou zijn. Karin Amatmoekrim meent van niet.
** De foto is een uitsnede uit een portret met een vriend. De datering varieert van 1921 (in het boek), via 1922, 1923 naar 1924. Er zijn sepia en ingekleurde versie van.
*** “In het najaar van 1944 wordt hij gearresteerd. De Haagse Inlichtingendienst (omgedoopt tot Documentatiedienst), die De Kom altijd heeft gevolgd, bestaat voor het grootste gedeelte uit NSB’ers. De bestanden van de Inlichtingendienst worden overgedragen aan de Duitse bezetter en later fuseert de Documentatiedienst met de Sicherheitsdienst. De Kom is als communist bekend bij diverse infiltranten in Den Haag en doet zoals gezegd ook verzetswerk. De precieze gang van zaken is onduidelijk, maar dat er een verband is tussen de verziekte ambtelijke collaboratie in Den Haag en zijn arrestatie is hoogstwaarschijnlijk,” schreven Alice Boots en Rob Woortman in 'Profiel: Anton de Kom, Voor een vrij Suriname,' De Groene Amsterdammer, 29 juli 2020.
      In een zelfde Scheveningse omgeving is er ook het boek over Sonny Boy. Net als De Kom is ook hij omgekomen aan het eind van de oorlog. Ook verraden door Nederlanders. In het boek van Annejet van der Zijl worden Sonny Boy en De Kom zelfs verward door een bron wat weer leidt tot meer werkelijke kennis over de eerste. Op Broekfoto een bespreking van dit boek.

woensdag 29 juli 2026

Commercieel vertrouwelijk


Van twee mensen kreeg ik geld voor mijn verjaardag. Ik kocht er een boekje van (dat komt later nog wel terug als bespreking) en twee CD's. Een met cello muziek van Afred Schnittke e.a. De andere met het Cello Concerto van Witold Lutosławski. Er zijn nog meer cello wensen (Ernst Reseijsiger bijvoorbeeld (in de hele breedte van jazz, tot avantgarde en 'ethno' muziek) en tevens de muziek voor dit instrument gecomponeerd door Penderecki. Het laatste Elisabeth concours heeft me blijkbaar  aangestoken. 

Die tweede CD heet The essentitial Lutosławski. Een van de opgenomen stukken is
Les espaces du sommeil met als tekst die van het gelijknamige gedicht van Robert Desnos waarin belevenissen tijdens de slaap verband houden met het leven in ontwaakte staat en ook nog bedden in de gang van de wereld, zoals het water dat eindigt op het strand. Het werd gezongen door Dietrich Fischer Dieskau in Berlijn (november 1985). De bariton had Lutosławski om een compositie gevraagd. Dee werd het.
     Er is veel aan mijn muzikale smaak toegevoegd de afgelopen twintig jaar, maar in dit stukje staan wat constanten: van Dieskau kocht ik muziek (Kinder toten lieder) toen ik net in Amsterdam woonde, evenals van Penderecki (
Threnody for the Victims of Hiroshima).

Voor ik vertrek duikt ook een blog op als een van de best bezochte in de afgelopen zeven dagen met de titel ƒ 1000. Het draait hier niet om geld. Het gaat om om het strandduizendguldenkruid. De naam is bovendien een misverstand ontstaan bij de vertaling van centaur werd cent (100) en van aurum (goud) gemaakt en kennelijk werd er ook een inflatiecorrectie op los gelaten. De naam centaur verwijst naar Chiron, de centaur uit de Griekse mythologie die de geneeskrachtige eigenschappen ontdekte van een plant die uiteindelijk "centaury" werd genoemd (die naam wordt nog wel gebruikt voor een familie planten, waaronder de korenbloem valt).
     Vorige week zag ik fraaie exemplaren van het ƒ 1000 kruid staan. De foto werd niet scherp, maar dat zag ik pas thuis op het grote computerscherm. Toen ik er vanmiddag langs kwam heb ik weer gekiekt. Beter dit keer.

Ondertussen werk ik met een jaarlijks verschijnend document dat onder verwijzing naar 'commerciële vertrouwelijkheid' van een lading informatie is ontdaan die er voor die geheimzinnigheid wel instond. Van wapens mogen we niet weten hoe duur ze zijn, dat heet vertrouwelijk. Niet om militaire, maar om economische redenen wordt controle door Kamerleden beperkt tot het inzien achter de schermen. Ze mogen er dan niet over praten in 't debat en hun assistenten staan helemaal buitenspel.
     Er lijkt meer aan de hand. Mogen we niet weten hoe duur de wapens die onze overheid aanschaft eigenlijk wel zijn?
     Misschien gaan mensen dan toch twijfelen aan het verstand van de volksvertegenwoordigers van rechts, die overigens weinig tegenstand krijgen vanuit de partij die onder het motto PRO de afbraak niet wezenlijk bestrijd, maar slappe kanttekeningen plaatst en zachtjes mee jankt in het bos. En ach de partij ontstaan om de democratische waarden op te schudden heeft de meeste veren er inmiddels juist uitgeschud; D66 leest wel, maar komt al helemaal niet met kritiek. Straks hebben we wel voor miljarden – al dan niet – deugdelijke wapens en houden een bedrijf overeind dat corrupt is en weinig efficiënt. Fijn?
 
Onmiskenbaar  – ook los van het gele vaantje  –  wandelt de Strandzesdaagset voorbij. De zee die zingt door. Ze weet het: mijn tijd zal het wel duren. Ze zal nog drie tot vier miljard jaar ruisen. Dan houdt het op. Het water en leven zal verdwijen. De mens zal dat uiteindelijke sterven vermoedelijk niet meemaken. Het kruid in de duinen ook niet. Een schrale troost. Laat ik Penderecki nog eens opzetten.