vrijdag 6 maart 2026

Samarkand

 


De eerste helft van Samarkand speelt in de 11e eeuw. Het is geschreven door Amin Maalouf*, een schrijver van Jordaanse origine, in Parijs woonachtig.
     In het zog van de dichter en wetenschapper Omar Khayyam reist de lezer van Samarkand naar Isfahan. Omar verblijft als een gast aan hoven en betaalt die gastvrijheid met zijn eruditie. Als man van de wetenschap in tijden dat dogmatisch religieus denken alom was, houdt hij houdt er voor velen omstreden standpunten op na. Als de grond door gestook tegen zijn persoon te heet wordt onder zijn voeten dan vlucht hij. Zo komt hij terecht in Bagdad en allerlei andere steden. Hoe ouder hij wordt, des te vaker wordt hij uit fatsoen ontvangen, maar is dan toch niet echt welkom.
     Zijn geboorte plaats Nishapur wordt uiteindelijk zijn laatste vluchtoord en de plaats waar hij begraven wordt “daar waar de noordenwind de bloemen iedere lente uiteen blaast.”

Omar Khayyam is schrijver van het met miniaturen versierde (Samarkand) Manuscript met roebaijjat (kwartrijnen) van zijn hand. Na zijn dood werd in de kantlijn zijn levensloop geschreven. Dit fictieve boek speelt in Samarkand de hoofdrol, waar de vertelling omheen is gevlochten. Dat betekent niet dat de roman een stoffig bibliofiel verhaal vertelt. Nee ze barst juist van het avontuur en ontwikkelingen. De Seltsjoeken stichten in de 11 eeuw een een enorm Islamitisch rijk dat liep van de Middellandse Zee tot voorbij Tibet. De lezer wordt mee genomen naar die tijd en dat gebied.**

Avontuur
Het boek is geschreven als een historisch avontuur. De Teljuks bestreden de ismaïlitische stroming van de Islam en worden op hun beurt dan weer geterroriseerd door de ismaïlieten. Die vonden volgens de roman, anders dan andere shi'íten, dat ze hun hun plaats moesten bevechten. Door de knoet die de Soenitische Seltsjoeken op hen loslieten, moesten zij zich terugtrekken en kwamen zo in een onneembare burcht in Alamut terecht. Van daaruit begonnen ze met zelfmoordaanslagen. Dit wordt beschreven in het tweede deel van het (uit vier delen bestaande) boek: Paradise of the Assassins.
     Op zijn tocht van Samarkand naar Isfahan komt Omar de eveneens onderweg zijnde Hassan Sabbah tegen en introduceert hem kort daarop bij de sultan Alp Arslan voor een functie als spion voor het hof. Zo hoeft Omar dit niet zelf te doen en creëert hij toch geen afstand tot de heerser door zijn afwijzing. De geleerde weet dan nog niet dat Sabbah ismaïliet is. De volgende intriges aan het hof zorgen ervoor dat Sabbah het aflegt tegen de vizier Nizam al-Mulk en uiteindelijk moet verdwijnen en in Alamut zijn positie gaat opbouwen.
    Terken Khatun, de vrouw van Malikshah (zoon en opvolger van Arslan) heeft haar man onder controle en gebruikt die macht om haar eigen positie en die van haar kinderen te versterken. Daarbij passeert ze de kinderen van andere vrouwen van de sultan. Dat leidt tot comflict en een forse gewapende strijd.
     Sabbah neemt ondertussen 6 september 1090 het fort Alamut op brutale wijze in. Zonder listigheid is een vrijwel onneembaar fort immers niet te veroveren. Het conflict tussen hem en al-Mulk blijft bestaan. De tweede wordt uiteindelijk gedood bij een aanslag op instigatie van Sabbah.
     De band van Omar met Sabbah, gecombineerd met zijn sceptische en onderzoekende houding, wordt uitgelegd als ongelovigheid en hem nagedragen en ingezet om zijn positie als wetenschapper aan te tasten.
     In grote lijnen zijn dit historische ontwikkelingen die de bedding voor de eerste helft van het verhaal vormen.
Nizam of Machiavelli
Nizam speelt er een belanrijke rol in. Ergens wordt een werk (Siyasset-Nameh/Siyasatnama) van hem vergeleken met De Vorst van Machiavelli. Als we de aandachdt voor beide boeken afmeten aan het aantal talen waarin wikipedia pagina's er aandacht aan geven (16:76) dan is dit in het voordeel van De Vorst. Maalouf denkt daar anders over en tekent in zijn roman op: “De Vorst is het werk van man teleurgesteld in de politiek en verhinderd om macht te hebben, terwijl de Siyasset-Nameh de vrucht is van de onvervangbare ervaring van de bouwer van een rijk.”
     Los van een romantisering, brengt het boek een geschiedenis dichterbij die voor veel Europeanen op grote afstand staat. De historie zo meenemen in de roman zou tot een stroperig verhaal kunnen leiden, waarin de feiten als een brei over de lezer worden uitgestort. Maalouf vertelt in het ruim 300 pagina's omvangrijke boek echter een krachtig verhaal over macht, intriges, en met nu-en-dan een veldtocht. Maar er worden ook prachtige kleuren geschilderd van steegjes in de steden, de paleizen en tuinen. Het landschap blijft wat onderbelicht en komt als het een functie heeft voor in het verhaal, zoals de rivier die zo woest is dat hij niet doorwaadbaar is en daarmee veiligheid biedt tegen oprukkende legers.
Uiteindelijk wordt Alamut dat er achter ligt halverwege de 13e eeuw toch vernietigd door de De Mongolen en de bibliotheek wordt in brand gestoken. Het manuscript van Khayyam is dan al meegenomen en zo ontsnapt aan de vlammen.

ɸ ɸ ɸ ɸ

In de volgende twee delen gaat verteller Bejamin O. Lesage naar Iran op zoek naar het boek van de schrijver waaraan hij de O. in zijn naam te danken heeft. Daarbij krijgt hij hulp van revolutionair Jamaladin. Jamaladin was in Iran door de sjah een invloedrijke positie aangeboden. Hij had geantwoord dit alleen te willen doen als: er een grondwet zou komen, verkiezingen zouden worden gehouden, gelijkheid in de wet vastgelegd, en buitensporige gunsten aan buitenlandse machten ingetrokken zouden worden. Na zoveel brutaliteit kon hij vertrekken. Daarna leefde hij gedwongen in Istanboel in een riante woning van de Sultan; een huis waar hij gasten ontving, maar dat hij niet mocht verlaten. Deze democraat geeft Lesage aanbevelingsbrieven mee die zijn gericht aan de geradicaliseerde Mirza Reza en de rijke Iraanse zakenman Fazel, die beide in Iran leven.
     Benjamin vertrekt naar het land en ontmoet er na een lange reis beide. Mirza vermoord vervolgens de sjah met een pistoolschot. Hij wordt gearresteerd en heeft de brief van Jamaladin met daarin Lesage naam in zijn zak. Die moet om zijn hachie te redden het land verlaten en krijgt daarbij hulp van prinses Shireen (een fictieve kleindochter van de Sjah). De prinses had hij al gezien toen hij de woning van Jamaladin in Istanboel bezocht en hij was meteen voor haar uiterlijk gevallen. Zo zit er weer een vleug liefdesgeschiedenis in Samarkand. De vorige amoureuze handelingen speelden tussen Omar en dichteres Jahan, zowel in Samarkand als Isfahan. Jahan zag het manuscript in het begin van hun relatie als rivale binnen hun liefdesaffaire, al waren voor hen de gedichten stof voor gesprek. (Jahan verbaasde zich wel over de versvorm, de rubaiyaat was een volkse versvorm. Paste dit Omar wel?)
    Ook de relatie tussen Prinses Shireen en Lesage draaide om het boek van Omar Khayyan. Dat boek zou samen met hen Iran verlaten. En vervolgens met de Titanic verdwijnen naar de boden van de Atlantische Oceaan. Die laatste rustplaats van het manuscript staat al in de eerste zin van het boek. Hoe het daar terecht komt beschrijft het laatste deel van de roman, A Poet at Sea.

Constitutionele Revolutie

Benjamin gaat tussen de twee bezoeken door weer terug naar Annapolis, nabij Washington. Hij en Shireen gaan corresponderen. De prinses schrijft droogjes dat ze het manuscript gevonden heeft tussen de bezittingen van Mirza Reza en ze vraagt wanneer Benjamin terug naar Perzië komt. Het zal nog jaren duren. Als hij gaat, komt hij weer in onstuimige omstandigheden terecht; Iran’s Constitutionele Revolutie (1905-11) is begonnen.
     Op instigatie van het buurland Rusland wordt de democratische oppositie in het huidige Iran bestreden. Op 23 juni 1908 vernietigen de Russen het Parlementsgebouw. De oppositie wint toch de strijd. Die draaide niet alleen om het beëindigen van de heerschappij van de Sjah, maar vooral om vrijheid en democratie. Het vernietigde Parlementsgebouw werd later weer opgebouwd.
     Om de financiële staatshuishouding op orde te krijgen – en niet iedereen zal deze positieve noot waarderen, zeker gezien de illegale militaire interventie in de lente van 2026 – wordt Morgan Shuster uit de Verenigde Staten binnengehaald. Die doet zijn werk goed en buigt niet voor machten zonder democratische bevoegdheden, zoals die van Rusland en Engeland. Dat gaat niet goed. De Russen zorgen er met steun van de Britten voor dat Shuster het land moet verlaten en plaatsen de Iraanse politiek onder hun toezicht. De Iraanse bestuurlijke en sociaal economische ontwikkelingen komen vervolgens terecht in een metaforische tornado. Buitenlandse machten en Iran, ze gaan slecht samen en leiden binnenlands tot meer narigheid dan geluk.
     Het boek verscheen nog geen tien jaar na de Iraanse revolutie van 1979 en moet zeker in dat licht gelezen worden. Opvallend is bijvoorbeeld de opmerking van prinses Shireen: “Als de revolutie slaagt dan moeten de mullahs zich omscholen tot democraten; als het faalt dan moeten de democraten zich veranderen in mullahs.” Het gaat hier om de situatie eind 19e eeuw, maar de het roept toch parallellen met ruim tachtig jaar later op. 

ɸ ɸ ɸ ɸ

Samarkand is een meeslepend verhaal waarin feit (tot op de dagen van de week nauwkeurig) en fictie vermengd worden. Zo nu en dan bekruipt je het gevoel dat je de wondere wereld van het Oosten wordt voorgeschoteld en nog net de olielampen, waarover gewreven moet worden, ontbreken. Dat de schrijver zelf uit het nabije Oosten komt, neemt al iets van het schurende weg. Dat een groot deel van het boek verteld wordt door een man die genoemd is naar de dichter, omdat in de jaren rondom zijn geboorte een boek over Omar Khayyam furore maakte, juist vanwege het modieuze oriëntalisme van eind 19e eeuw maakt de beschrijvingen van intriges aan prachtige hoven, de 1001-nachtsfeer en citaten als: “De geheimen van de prinses interesseren me niet. Die branden de oren van hen die er naar luisteren,” steekhoudend en geeft er vooral een stilistische en inhoudelijke reden voor.
    Maar meer dan dit onbehagen blijkt dat ik veel van de passerende zaken voor het eerst lees en blijkbaar slecht op de hoogte ben, ook van de recente geschiedenis van een land dat regelmatig en dan volop in de belangstelling staat binnen de Westerse politiek.
    Ongemakkelijk werd ik ook van de beschrijving hoe O. Lesage zoon werd gemaakt van een vrouw in een huis waar hij tijdens zijn vlucht na de aanslag op de sjah bescherming zocht. De vrouw des huizes liet hem daartoe in het bijzijn van haar twee dochters aan haar ontblote tepels zuigen. In de daarop volgende tekst wordt opgemerkt: “De ceremonie leek me destijds zowel ontroerend als grotesk”. Blijkbaar twijfelde de schrijver zelf ook aan dit door hem opgediste tafereel, waardoor Lesage toegang kreeg tot de ongesluierde vrouwen in hun onderkomen. Het belet hem niet om deze mannenfantasie te laten staan. En weerhoudt hem er ook niet van om de opname in het vrouwenverblijf te beschrijven als een ervaring die inzicht heeft gegeven in de Oriënt. Dat lijkt alleen op het eerste gehoor mooi,** maar je hebt wel een erg ruime beugel nodig om dit te laten passeren. Niettemin heb ik het boek toch overwegend met plezier gelezen.

Noot:
* Bij de naam van de schrijver moest ik meteen aan trompestist Ibrahim Maalouf denken. En inderdaad stuitte ik er bij een laatste redactie op dat de schrijver de oom is van de blazer op het koperen instrument met de vier kleppen, die jazz speelt voor een breed publiek.
** 
Om de avontuurlijkheid te onderstrepen, tijdperk en locatie werden ook deel van de verhaallijn van de game Assasin Creed.
*** In een interessant en naast het boek aan te raden academisch werkstuk (“(En)gendering Orientalism: The Representation of Women in Amin Maalouf’s Samarkand”) gaat de Engelse literatuur student Hussan Helmy dieper in op deze kwestie en de rol die het oriëntalisme en vrouwen in het boek spelen. Hij beschrijft de positieve kanten eraan, maar ook de negatieve typeringen en de gebrekkige invloed op het verhaal dat de vrouwen hebben en dat hun rol toch vaak bedoeld is om de mannelijke heteroseksuele lezer te bekoren. De 'ceremonie' staat ook hem tegen en hij werkt uit waarom deze een irreële fantasie is.

vrijdag 27 februari 2026

Hertog van Egypte


Met
Hertog van Egypte (1996) schreef Margriet de Moor een boek over een paardenfokkerij in de achterlanden van Twente, een liefdesaffaire tussen een roodharige boerendochter en roma Joseph Plato. Plus de omzwervingen van Balkan tot Nederland door die laatste.
    De roman beschrijft ook het leven van de roma; van de eersten die in 1422 in Deventer aankwamen; via de zestien vrouwen en veertien mannen 
die terugkwamen in 1945 en die eerder door de Nazi's werden opgepakt (geen kind had het overleefd); naar een van hen die op het laatste moment aan de deportatie onsnapte en die tot het eind van de eeuw leefde en als Joseph centraal staat in het boek.

Een jaar voordat de roman in 1996 verscheen zat ik in Nijmegen tijdens een feest aan tafel met een Indiase onderzoekster die de taal van de roma bestudeerde die meegenomen werd uit haar moederland en die zij nog kon verstaan. De herinnering komt boven als in de roman de vraag wordt gesteld en beantwoord: “Zijn wij van oorsprong Syriërs?Kanaänieten? Mijne waarde heren uit de feiten vol hiaten kan ik u die over Indië niet onthouden, omdat langs de bovenloop van de Indus tot op heden onze taal wordt verstaan, verstaan en gesproken.” Zoals ook die onderzoekster destijds vertelde.

Ook deze roman is een studie. Een studie naar het leven van de mensen die als scharenslijpers, muzikanten, landbouwkrachten, dakdekkers en handelaars door Europa trokken; niet als vertegenwoordigers van de wereldcultuur, maar als “experts in de dialectiek van logica en zinsvervoering.” Wat opvalt is dat ze in de roman gewaardeerd worden, maar dat ze eveneens getreiterd worden, opgespoord, achtervolgd en weggejaagd door het zogenaamde gezag. Politie en Marechaussee schenen er plezier in te hebben; het is treiteren in het kwadraat en onvergelijkelijk met het gewone pesten. Eeuwenlange politiecontroles gaan immers onder de huid van het individu, en onder de huid van de groep zitten.
     In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog wordt binnen het Nederlandse bestuur naar een 'oplossing voor het zigeuner probleem' gezocht. Samenbrengen in een paar kampen, zo wordt bedacht. De Duitsers doen het drastischer met hulp van de Nederlandse arm der wet en een in de roman zeer knap beschreven verraadster. Er klonken: 
Harde stemmen, geen Duitse, gewoon Nederlandse stemmen, gewoon de stemmen van de Nederlandse politi. Gedreun  op de woonwagendeuren. Na de oorlog werden de centrale kampen voor roma en sinti in Nederland voorzien van voldoende fasciliteiten en begeleiding, weer beschaafd gemaaktd, maar met als doel de bewoners te disciplineren.

In de jaren zestig van de vorige eeuw begint het verhaal van de boerendochter Lucie samen te komen met dat van Joseph. Hij kwam aan de bar zitten van café De Kraan in het fictieve Benckelo “en rondjes geven met het air van iemand die wel gunsten bewijst, maar geen dank aanvaardt.” Hij is de man waar de vrouw met de koperen krullen meteen van houdt, mee zal trouwen, en kinderen mee krijgt. Samen zetten ze een succesvolle paardenfokkerij op voor het luxepaard. Ze anticiperen daarmee op een ontwikkeling. De boerenpaarden verdwijnen langzaam uit het landschap en rij-, draf- en springpaarden komen op. Van een volgende stap: sierlijke paarden voor een span, is pas aan het einde van de roman sprake. Joseph is de zoon van vader Jannosch, die het verraad van een illegale vergadering op de boerderij van Lucies vader tijdens de Tweede Wereldoorlog niet overleefde. Zijn stem verhaalt met een soort galgenopgewektheid hoe hij aan zijn einde is gekomen. Boer Gerard is er nog steeds woedend over. Wie eigenlijk niet?!

Het boek staat bol van de vertelstemmen om ons door de geschiedenis en half Europa te loodsen. De vertellers zijn een deel van de verhaalconstructie die het boek, schijnbaar contradictoir, tot meer dan een vertelling maakt.

In de Tweede Wereldoorlog oorlog komen we als lezers ook in Kroatië en Servië terecht. Waar cetniks en oestasja's zich schuldig maken aan het sadistisch vermoorden van roma. Vooral een voorval in Kroatië nabij het concentratiekamp Jasenovac wordt uitgebreid beschreven: “de kinderen werden haastig neergestoken,” de volwassenen kwamen beroerder aan hun einde. Opmerkelijk is dat de stad waar dit enige niet door Duitsers geleidde (maar door het Kroatische oestasja regime) zeer grote concentratiekamp in Europa genoemd wordt in een boek dat uitkomt als de burgeroorlog tussen Servië en Kroatië nog gaande is. Hertog van Egypte geeft zo een historische vingerwijzing bij de extreme politieke ideologieën die er hebben rondgewaard.

De Moor stapt in haar roman ook nog verder terug in de tijd, om met een brede blik naar de geschiedenis te kijken on het gewelddag in de hoek drijven, inclisief de brrandstapel, context te geven: 

“Die dingen gaan altijd sluipend. Er is een beetje overlast, een beetje antipathie, maar ineens gaan ze overal aanplakken dat alle bedriegers die bekend staan als Bohemers en Egyptiërs het land uit moeten: we zijn dan in de zestiende eeuw. Humanistisch Europa bouwt, legt droog, ontgint. Het kijkt geïrriteerd naar een bepaald soort mensen dat daar helemaal niet ondersteboven van is en roept om meer politie. (…) Vanaf nu wordt er gebrandmerkt, gegeseld, het rechteroor afgesneden en tevens het linker van wie zich opnieuw vertoont. Vanaf nu, en in de eeuwen die volgen, hebben ze het over een zigeunervraagstuk.”
Elders wordt gesteld: “Een mensenjacht krijg je nooit zomaar van de grond. Voor een grootscheepse opruiming zijn theorieën of op zijn minst hogere motieven nodig.” Zo worden de verre voorouders van Joseph in 1726 bij Eerbeek opgepakt tijdens de bestrijding van de zogenaamde heidenplaag, waarbij het toegestaan was over grenzen heen mensen na te jagen, te vangen, te ondervragen en op te knopen. En dat alles in de zogenaamde “kosmopolitische republiek, waar buitenlandse schrijvers en filosofen zeer hartelijk werden begroet, waar boeken die in Spanje, Italië en Frankrijk verboden waren rustig konden verschijnen, de tolerante republiek van nog altijd zeer rijke kooplieden begon een oorlog tegen een groep vagebonden die in een sfeer van meedogenloze vervolging inderdaad erg lastig was geworden.”
     Hier wordt bladgoud afgekrapd van de lijst om de trotse Nederlandse liberale geschiedenis en juist de voorbereiding alhier van de vernieiting door de Nazi's in de verf gezet.

Het boek trok nationaal en internationaal de aandacht: Door haar verteltechniek kan de schrijfster over de levens van haar personages vertellen, maar ook schandelijke periodes onthullen uit de Nederlandse geschiedenis,” werd in Magyar Nemzet (Hongaars Dagblad) gesteld. Verrukt legde ik het weg, merkt een recensent in L’Express op. Verrukt? Eerder voelde ik me weer op mijn plaats gezet als inwoner van een land en continent dat vooral in naam moreel hoogstaand is, maar feitelijk het laagste van het laagste accepteerde, faciliteerde en vergat als dat beter uitkwam.
     Toch is Hertog van Egypte geen pamflet, maar een knap gecomponeerde roman, met een verhaal waarin een onderdrukte minderheid in Nederland het in de hoek drijven op de koop toe neemt, maar niet tegen de grofste zaken is opgewassen.
     In het boek wordt ook gezocht naar een verklaring voor het venijnige en destructieve dat over sommige mensen hangt en vindt die gedeeltelijk ook; niet om dat gedrag goed te praten, juist niet (er is niet altijd een verklaring vanuit de rede), maar om het te begrijpen.

“Geen verhaal wordt ooit verteld omwille van de afloop. Niemands leven valt samen met het einde,” dat zijn woorden die de met tragiek gevulde heftige bladzijden van het boek onderstrepen en duidelijk maken dat mensen als mens gezien moeten worden en beschouwd op wat ze doen en op wie ze zijn. Daarom vertelt de schrijfster verhalen. Het is een vroege roman van De Moor, maar het wel waard herlezen te worden, al is het maar als waarschuwing dat je niet mee moet gaan met de wende naar rechts zoals die nu weer wordt ingezet in de internationale, maar ook Nederlandse, politieke arena. Sterker nog verzet daartegen is nodig. Er zullen ook mensen zijn die dit boek eenvoudigweg verlaten “zoals het paard in een woeste galop: verrukt.” Die merken dan het pamflet - dat er toch ook wel in verborgen zit - en de uitermate pijnlijke geschiedenis blijkbaar nog steeds niet op.



vrijdag 20 februari 2026

Hoe ik per ongelukt een boek schreef



Hoe ik per ongelukt een boek schreef is een verhaal door Annet Huizing. In de versie die ik uit een weggeefkast haalde, zit een uitgebreide opdracht – of eigenlijk twee – aan 'Wie dit leest' door ♥juf Nanette. De woorden komen erop neer dat ze hoopt dat de ontvanger door het lezen nog meer gaat genieten van het schrijven, en “moeder een heel dikke knuffel geeft.” Beide wensen volgen uit de inhoud van het boek.

Om te beginnen het eerste deel van de opdracht. Katinka is 13 jaar en wil beter leren schrijven. Aan de overkant van de straat woont een zestig jaar oude schrijfster, Lidwien. Die geeft schrijfles. Als de tiener vraagt of ze mee mag doen aan de cursus, dan zegt Lidwien dat het niets voor haar is tussen al die middelbare vrouwen. Ze mag wel op vrijdagmiddag komen. 'Ha privéles', denkt Katinka. In ruil daarvoor kan ze helpen in de tuin. Ze gaat trouw en krijgt commentaar, tips en kritiek.

Zo wordt ook de lezer langs verschillende elementen van het schrijven gevoerd, zoals de volgorde van het verhaal (begin met wat spannend is), show don't tell, over cliffhangers, laat zien wat niet gezegd wordt, geef feiten, speel met volgordes binnen zinnen, verdiep je in mensen, kijk zo nodig uit hun perspectief en zo nog een hele trits andere aanwijzingen. Lidwien geeft daar vaak heldere voorbeelden bij. Woorden 
zoals wolkbreuk worden geproefd. Dat is immers een vreemd woord. Kan zo'n zachte wolk wel breken? Intussen groeit er ook een stevige vriendschap tussen de twee.

Katinka gaat oefenen met schrijven en doet dat door te laten zien hoe Dirkje bij hun thuis terecht kwam. Ze ontmoetten haar op de veerboot van Terschelling naar het vaste land. Papa Hein, broer Kalle en zij moesten van Harlingen terug naar Hilversum en Dirkje naar Utrecht. Ze kon dus een flink stuk meerijden. Het gevolg: voorlopig zou ze niet meer uit het leven van het gezin verdwijnen. Moeder Louise van  Katinka en Kalle, was tien jaar eerder overleden. Dirkje was niet de eerste vriendin daarna, maar vader leefde met haar wel weer op. Tussen Katinka en Dirkje gaat het fantastisch. Totdat het klapt. Het is een dramatic turning point dat ook als schrijfelement door Lidwien wordt genoemd. 

Als je het boek uit hebt, heeft Katinka terloops haar eerste boek geschreven en heeft haar dode moeder een plaats gekregen. En daarmee is het ook een middel om rouw te verwerken. In het verhaal is een opdracht verwerkt die Lidwien schreef voorin Het geheim van de schrijver, van Renate Dorrestein. Ze deed Katinka het boek, inclusief opdracht kado:
Voor Katinka. Pagina 229, zesde regel van onderen. Doorgaan dus. Lidwien.
(Daar staat: maar bovenal is talent het vermogen je niet door twijfel uit het veld te laten slaan.)
Het boek heeft de NUR-code 283. Dat betekent dat het fictie is voor kinderen van 10 tot 12 jaar. Voor jongeren en jong volwassenen is het mogelijk te kinderlijk, maar pak het gerust op als je een jaar of vijftig of nog ouder bent, want een boek over: schrijven, verlies, betrokkenheid, empathie, opleven en dat bovendien prettig is geschreven doet vrijwel niemand kwaad.

vrijdag 13 februari 2026

Feest van het begin

 



Feest van het begin, door Joke van Leeuwen, won de AKO-literatuurprijs 2013. Dat is prettig. Het las als een goed jeugdboek,waarin het verhaal helder is, maar ook wat dun. Mogelijk liet het juryrapport zien waarom het 't beste is dat in dat jaar verscheen. Helaas is dat rapport onvindbaar.*

Nu zijn er destijds wel berichten geweest waarbij de jury uitgebreid is geciteerd, zoals hier: “Het winnende boek stelt universele vragen over schoonheid en waarheid; het leven fris aanvaarden met inbegrip van alle malheur. Deze auteur schrijft als een meesterlijk pianist die de toetsen lichtjes beroert.” Er zijn inderdaad zinnen die prachtig zijn en metaforen die klinken als een klok, er valt wat te overdenken, maar de universele vragen over schoonheid en waarheid? Het lijkt mij wat overtrokken. Af en toe hoor ik op de pagina's ook wel eens noten zonder kraak en zonder smaak.

Maar als een boek wint dan worden alle registers opengetrokken. 
Met een groot oog voor het miniemste detail weet Joke van Leeuwen een overweldigende achttiende-eeuwse wereld op te roepen, zo luidt de tekst. “Als een moderne Tsjechov tekent zij in enkele zinnen een compleet karakter. Een van haar hoofdpersonen is het naar taal hunkerende weeskind [vondelinge, MB] Catho, dat les krijgt van de uit haar familie verstoten non Berthe.” Toe maar haal er een Russische meester bij. Maar het is nog niet genoeg:
“(...) hoe kun je de toekomst overzien als je meegevoerd wordt door de stroom van gebeurtenissen die geschiedenis blijkt? Wat is wijsheid, wat schuld? De woorden waarin Van Leeuwen dit verhaal giet, roepen de associatie op met dauw die glanst in een web in de ochtendzon. Haar taal is ingetogen en fonkelt tegelijk. Dat contrast verraadt achter iedere zin een vulkaan aan betekenis. Feest van het begin toont ons, met immense verfijning, de morele vraagstukken van de geschiedenis.”
Op de site van de schrijfster zelf is het boek zeer kort aangeprezen als: “Een revolutie, een vondelinge, een pianofortebouwer en een beul.” Zo fijn kaal, een verademing naast de barokke prijsteksten.

In besprekingen ervan duikt het woord hoop regelmatig op. Die zit dan niet in de revolutie, maar in de relaties tussen mensen, met name in die – hoewel plots beëindigd – tussen Catho en Berthe.
     Anderzijds is de harde werkelijkheid heel duidelijk aanwezig, waar mensen nemen van anderen, hun goederen, hun huis en zonder liefde hun lijf, of zelfs hun hoofd. Er hangt een grimmige sfeer in de hoofdstad waar de rivier
“als een kromme ruggengraat doorheen loopt”.

Bijzonder is dat het boek de sfeer ademt van de revolutie in Parijs, want je waant je je als lezer in Frankrijk, zonder dat dit land of de stad genoemd wordt. Het speelt in een katholiek Europees land enige eeuwen geleden, waar de koning het onderspit delft en sprake is van een Nationale Vergadering. En inderdaad het schriftelijke LoI HAVO-geschiedenisonderwijs dat ik deed, begon met de Franse revolutie in 1789 en dat feest stuitte al snel op zijn grenzen. Als de guillotine dan ook opduikt dan doemen de verhalen over Robespierre onvermijdelijk op.

Om de doodstraf politiek correct te maken en voor allen hetzelfde, wordt besloten iedereen die tot de dood wordt veroordeeld om het leven te brengen door onthoofding. De beul zet de pianofortebouwer aan tot ontwerp en bouw van een valbijl om een snelle efficiënte dood mogelijk te maken. Die beul** vindt het naar werk, maar hij neemt zijn verantwoordelijkheid en vervult zijn plicht voor het vaderland. Die inzet behelst niet alleen de uitvoering, maar kennelijk ook de vormgeving van het beulswerk en de productie van de benodigde apparatuur. Inderdaad waar kennen we dit van.

Toch blijft het lezen als een jeugdboek. Is dat niet goed? Het is geweldig in zijn soort. Het is meeslepend, met ideeën en voorvallen die het leven verrijken. Met daarin de waarde van toenadering – ook als je beledigd bent – en de realiteit dat het niet altijd goed komt als je zelf goed doet. Een boek waarin levens bovendien met elkaar worden verbonden.
     Zover ik weet, kunnen de boeken van Van Leeuwen voor kinderen en jongeren vaak evengoed door volwassenen gelezen worden. Ook Feest... is een fijn boek om op de weg van een lezend leven tegen te komen, als jongere en ook later. 

Noten:
* De Boekenbon Literatuurprijs stond tot 2020 bekend als BookSpot Literatuurprijs, tot 2018 als ECI Literatuurprijs en tussen 2000 en 2014 als AKO Literatuurprijs, een naam die de prijs ook al had tussen 1986 en 1996. Daar tussendoor heette de prijs Generale Bank Literatuurprijs (1996-1999) en in 1999 de Fortis Literatuurprijs, maar onder die naam is de prijs nooit uitgereikt. De AKO-prijs website is verlaten en ook elders kan ik het juryrapport niet vinden.
** Geënt op Charles-Henry Sanson zoals weergegeven in Mémoires des Sanson, bezorgd door Henry Sanson in 1862.