zaterdag 12 september 2026

Once in Europa

 



De hier besproken versie van Once in Europa is een samenwerking met fotografe Patricia Macdonald. Het is tweede deel van John 

De hier besproken versie van Once in Europa is een samenwerking met fotografe Patricia Macdonald. Het is tweede deel van John Bergers' trilogie Into their labours over het verdwijnen van de kleine boeren uit Europa. Het eerste deel is Pig Earth (1979) en het derde deel Lilac and Flag (1990).

De drie boeken behandelen de beroepsgroep gebonden aan het land waaraan ze haar bestaan ontleent. Deze boeren worden geconfronteerd met de moderniteit die hun leven op de helling zet en hun hele hele groep uit Europa doet verdwijnen. Het is niet alleen de kleine boer die daarmee verdwijnt, maar ook een levensstijl.
     De oudere generatie moet zich neerleggen bij het verlies van de volgende die eruit stapt. Zij kiezen voor een leven dat ruimer is dan dat van hun ouders en minder met het land en meer aan de ontwikkelingen elders in de samenleving en economie gebonden is. Oma kon nog leven van het verhuren van haar bok, die om viriel te blijven 's winters in huis mocht wonen. De dochter doet productiewerk in de dichtbij zijnde stad.

Dit tweede deel speelt grotendeels in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het begint met de observatie van een klaproos, van de harde knop tot de tere uitbundig rode bloem, “het meest overdonderende scharlaken dat in de velden kan worden gevonden.” Zo wordt de bloem op de schaars bedrukte eerste pagina beschreven en afgebeeld als fraaie bloem in de Franse Alpen en los geschreven van de symbolische waarde die wij mensen aan de poppy hebben geplakt. Hij krijgt weer zijn eigen diep rode betekenis. Als contrast staat een er een foto van helder blauwe licht bewolkte hemel naast. Kleine uitstapjes zijn deel van het verhaal.
     De intelligente Odile de dochter van een kleine boer is het hoofdpersonage. Het boerengezin waar ze geboren is, leeft naast een nieuw gevestigde fabriek voor de productie van een mangaanlegering. De smelterij heeft baat bij de opwekking van witte steenkool en die is juist in de bergen te winnen. De infrastructuur ervan gaat onvermijdelijk steeds meer de omgeving overheersen en de boerderij insluiten.
     De fabriek trekt arbeiders van elders en zij die van buiten komen slapen ter plekke in acht barakken voorzien van een letter. Samen vormen die I N   E U R O P A. Er komen er veel meer arbeiders dan van te voren gemeld, zo heeft de fabriek meer geheimen en verrassingen, veel meer dan de traditionele gemeenschap had (en die in Pig Earth zijn beschreven).

Odile wordt getrokken door de grotere ruimte en gaat in op de avances van een arbeider met een Oekraïens-Russische (dat kon je destijds nog zonder ongemakkelijk gevoel schrijven) achtergrond. Deze Stephan kwam terecht in Zweden, werd zeeman; voer, landde ergens en ging tenslotte werken in de fabriek in Frankrijk. Daar leert hij de boerendochter kennen. Haar stap uit de eigen groep wordt niet gewaardeerd door gezinsleden en omgeving. Maar wat ze in haar hoofd heeft … ja inderdaad dat doet ze en daarvan is ze niet af te brengen.
     Ze gaat elders werken. Haar leven neemt afstand van het boeren verleden en vindt een plek in de kapitalistische industriële wereld die zich opdringt, inclusief de giftige vervuiling waarmee dit gepaard gaat. Ouderschap, liefde, het verlies ervan en weer vinden tekeken haar leven samengevat in een grove schets. Ze kijkt tenslotte voldaan terug.
     Er is sprake van tragiek, tederheid en het openen van de persoonlijke leefwereld. Dat laatste kan volgens Odile ook zonder Parijs te zien.

Het regent kussen
en liefkozingen dalen neer
tot de vloed van tederheid
het nest overspoelt

zo dicht de schrijver idyllisch, maar als je gewend bent naar de natuur te kijken, dan ken je de kwetsbaarheid van het nest.

Deze versie van het boek valt vooral op door de foto's van Macdonald. Lang niet altijd is (meteen) te zien wat ze afbeelden. Sommige zijn heel dichtbij het onderwerp gemaakt, anderen uit de lucht geschoten. Het zijn beelden van landschap met schaduwen, sneeuw, bomen en er zijn foto's van gebruiksvoorwerpen, textiel, gebouwen en delen ervan, en met een stuw en huisjes in het landschap. Vervreemdend zijn er veel. Dat begint al met het beeld van de koeienvacht op boekomslag. De uitstekende botten geven de herkenbare vorm aan het beeld. Andere foto's zijn niet te ontcijferen. Of er is gewoon gras, dat door die gewoonheid een extra lading krijgt. Angus Macdonald, de man van de fotografe, is piloot dat maakte de luchtfoto's mogelijk.
      De uitbundige illustratie (waar foto's hele soms opeenvolgende pagina's vullen) betekent dat je tijdens het lezen door de afgelegen omgeving wordt gevoerd en als het boek uit is rustig nog een paar keer door het werk kan gaan om je te verbazen over hoe de realiteit een vervreemdende impressionistische indruk kan maken.

Berger zocht naar manieren om zijn vertellingen anders te brengen. Dit is een van de door hem gebruikte middelen. Intussen zie je een manier van leven verdwijnen en plaats maken voor een andere economie, waar de menselijke maat ontbreekt. De tekst is niet nostalgisch, maar wekt dit gevoel wel enigszins op, terwijl je tegelijkertijd beseft dat de vrijheid van Odile, niet die van haar moeder was. Wat dat betreft is een stap vooruit gezet, waard om te beschermen. Met een stinkende geitenbok in je keuken wonen? Nee bedankt. Giftige productie in je achtertuin? Doe maar niet. Iets dichter bij de natuur, het milieu, zullen we onze route moeten gaan zoeken. Dat is wat na het lezen blijft hangen.

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)

vrijdag 11 september 2026

Pig earth

Pig earth (1976*) van John Berger gaat over de kleine boer. Dat is in het Engels the peasant. Dat beroep verschilt van dat van de farmer. In het Nederlands zou je het kunnen omschrijven als het verschil tussen de niet meer bestaande keuterboer en de agrariër. Het boek is deel van een trilogie. Het is aldus de theoretische introductie op de sociaal-economische en culturele positie van de keuterboer geschreven uit solidariteit met de zogenaamde achtergebleven groep of ze nu op het land leven of door een economische noodzaak naar de stad zijn gedreven.

Het boek is onderzoekend, maar verhalend geschreven. Het begint wel met stevig graven in de positie van de keuterboer in een 27 pagina's lange inleiding (op 200 totaal). Conservatief? Volgens Berger is dat een misverstand. Het zit ingewikkelder in elkaar. Het is inderdaad een beroep van omkijken, maar ook van verder op basis van ervaringen uit het verleden. Maar die liggen niet zo stevig verankerd dat er geen plaats zou zijn voor aanpassingen die de werking verbeteren.

De schrijver verbeeld vervolgens een fictieve wereld van die keuterboer in de Alpen. Hij doet dit zowel in proza als poëzie. In het eerste verhaal stap je als lezer meteen het leven in van de koe die aan het einde is gekomen en met een masker voor naar het slachthuis gaat. Op de boerderij neemt een pink de plek op stal van de geslachte koe in. Het rijmt als de seizoenen die ook steeds opnieuw beginnen.
     Keuterboer is een scheldwoord in het Parijse waar denigrerend wordt gezegd dat de provincialen terug moeten gaan naar hun geitenpoep. Voor Berger is het juist een wereld om in te stappen en te onderzoeken. Dat kan gaan van de verstopte aanvoer van water uit de bron tot een gedetailleerde beschrijving van de jaarlijkse slacht van het gemeste varken. En zo nog heel veel meer dat gaat tot de tekst die de dorpsonderwijzer op het schoolbord schreef: 
Aantijgingen zouden in zand moeten worden geschreven
Complimenten moeten worden gegraveerd in marme
Berger is een intellectueel met open blik en dat komt soms naar buiten waar je het niet verwacht zoals bij het geluid van de geitenbok. Dat geluid als van een doedelzak werd door de Grieken tragos genoemd, waar het woord tragiek van afstamt.

In de verhalen komt de bijzondere positie van de keuterboer ook naar voren. In de stad gaat geld van had tot hand, zo ziet een jonge vrouw die er heen ging om geld te verdienen. Zonder geld kan je niet leven, niet eens water drinken. Met geld kan je alles tot aan het kopen van dapperheid, zelfs als je laf bent. Maar ook in de agrarische gemeenschap in de bergen speelt geld een vervreemdende rol. De boer protesteert tegen de accijns op de drank die hij zelf stookt: “Het betekent dat ik moet betalen, geld betalen voor mijn eigen product.” Zo staat die keuterboer wel naast de markteconomie, maar is er toch ook onderdeel van gemaakt. Hij wordt dit nog meer als hij een kleine trekker aanschaft. Want na de trekker komen de landbouwwerktuigen die er aangekoppeld kunnen worden. De kosten van een trekker staan gelijk aan de opbrengst van tien koeien die elk 2.500 liter melk per jaar geven. Zo is er nog meer geld nodig om te kunnen boeren, moet er geleend worden en verdwijnt inderdaad een type boer die alleen met handen voeten en gewrichten aan het land gebonden is.
 
     Berger ziet het beroep verdwijnen in de Europese Unie. Hij geeft hem nog een kwart eeuw en dan zal Europees beleid een einde aan hebben gemaakt aan deze bijzondere beroepsgroep. Bijzonder omdat hij grotendeels zelfvoorzienend is en leeft met het ritme van de seizoenen en op basis van de werkende methoden van vroeger. Maar ook de schoolmeester in het verhaal The wind hauls too zegt: “Alle boerderijen zullen op de vlakte liggen.” Een deel van de boeren heeft zich daarbij neergelegd. Nieuwe fruitbomen worden niet geplant. Die er staan geven nog vrucht en wie dan leeft, wie dan zorgt.

Het boek eindigt met een drieledig verhaal over Lucie Cabrol dat bijna de helft van het boek vult. Het speelt van voor de Eerste Wereldoorlog tot eind jaren zestig van de vorige eeuw. Lucie wordt ook wel Cocadrille genoemd want ze heeft een groeistoornis, ze blijft klein. Een cocadrille komt uit een hanenei dat is uitgebroed in een mesthoop. Kortom een anomalie van een mens. Klein, maar krachtig, Lucie doet mannenwerk op de boerderij wat haar status aparte alleen maar verder onderstreept. Ze heeft blauwe ogen, in de kleur van vergeet-mij-nietjes, die zich vasthechten aan wat ze zien. Mensen zijn bang voor haar, omdat ze niet is zoals ze zou moeten zijn. Alleen twee mannen uit het verzet, maquis, die op de vlucht zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zien dat ze verstandiger is dan haar omgeving.

Toch wordt ze aan het slot van het eerste deel van de boerderij verdreven door haar broers en hun vrouwen. Dit hoewel het ook haar erfgoed is waarop ze boeren en waar zij haar arbeid in heeft gestoken. In het tweede deel is ze verzamelaarster in het bos geworden. Ze plukt en raapt producten en verkoopt die naar eigen zeggen voor goud geld in een stad verderop. Het lijkt nog een stap terug in de agrarische ontwikkeling. Voor haar is het echter geen achteruitgang. Ze leeft er ogenschijnlijk eenvoudig, maar met oog op een leven dat altijd gewenst heeft, en met zand en aarde onder haar nagels. De tragiek is nauwelijks verhuld.

Pig earth laat een wereld zien die verdween uit Europa. Misschien hier-en-daar nog een klein restant, maar het nog maar nauwelijks mogelijk om te leven als een zelfvoorzienend mens met producten van eigen land en kleine aankopen uit de opbrengsten van de overschotten. Het is een wereld die Berger niet idealiseert – de onaangepaste, maar moreel zeker niet mindere Lucie Cabrol past er niet –, maar in zijn wezen wel waardeert. Hij leverde er een herinnering aan de recente geschiedenis mee. 

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)


Noot:
* Dedoor mij gelezen versie heeft zeker niet de meest opvallende kaft. In de tekst heb ik daarom nog twee versies verwerkt. Die met de koeman: Pantheon, New York, 1979. 1e VS-editie; en de andere van Chatto & Windus uit 1985.

dinsdag 8 september 2026

De scharrelaar



Hoe schrijf je een bespreking van een tijdschrift waarin vijftien verschillende verhalen zijn opgenomen, zowel fictie als non-fictie? Je zoekt bijvoorbeeld een thema om alles bij elkaar te brengen.
     De Scharrelaar is een vogeltijdschrift voor lezers. Nummer 2 uit 2019 dook op in een weggeefkast en ik las het als een boek met korte verhalen. De schrijvers zijn afkomstig uit ornithologische kringen, de journalistiek of zijn fictie schrijvers. Het tijdschrift begon bij de uitgeverij Atlas Contact en is overgegaan naar uitgeverij Noordboek en wordt nog steeds uitgegeven.

Het eerste verhaal door Stefan Brijs heet een symfonie voor de kraanvogel te zijn. Het requiem voor de pracht op hoge poten ligt echter op de loer, zo lijkt het als wordt beschreven hoe de kraanvogels uit Navalvillar de Pela verdwijnen. Voor de rijstteelt “werden hele gebieden onder water gezet. Een grote weelde voor de kraanvogels, zo bleek, want na de oogst bleven er nog zoveel korrels op het land achter dat ze er winter na winter een redelijk gedekte tafel aantroffen.” Kortom de positieve gevolgen van een agrarische activiteit. Ja die zijn er ook. Maar de rijst maakte plaats voor duizenden identieke in het gelid staande olijfbomen “als een oprukkend leger dat zich opmaakt om nog meer land te veroveren,” en daarmee het leefgebied van de kraanvogel weg te nemen. 

De geboorte van de ooievaar wordt beschreven door Kester Freriks die dit vanuit huis volgt. De ooievaar is een succesnummer. Hij was bijna verdwenen. In 1945 nog 150-160 nesten. Jacht en hoogspanningsmasten worden daarvoor als schuldigen aangewezen, maar die andere doodsoorzaak landbouwgiffen als DDT wordt hier niet genoemd. Maar alla. Het gif is verboden. Hij is weer terug. Bovendien kom ik in het artikel het prachtige woord 'duimveren' tegen, dat zijn de wonderlijk krachtige en soepele veren die de vogel in staat stelt te sturen en te remmen.

Dan een sprong terug in de tijd naar de cel waar Rosa Luxemburg brieven schreef over de vogels buiten de muren. Gevogelte waarmee ze een band kreeg. Marja Vuijsje beschrijft het met liefde. Zelf pak ik Briefe aus dem Gefängnis van de Rote Rosa weer eens uit de boekenkast. Je stuit bijna als vanzelf op vogelteksten: 
“Gestern höre ich plötzlich von drüben über die Mauer, die unseren Hof von einem anderen Gefängnisterrain trennt, den bekannten Gruß, aber so ganz verändert, nur ganz kurz und eilig dreimal hintereinander „Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä“, dann wurde es still. Mir zuckte das Herz zusammen, so viel lag in diesem eiligen, fernen Ruf, eine ganze kleine Vogelgeschichte. Das war nämlich eine Erinnerung der Blaumeise [pimpelmees] an die schöne Zeit des Liebeswerbens im Vorfrühling, wo man den ganzen Tag sang und lockte; jetzt aber heißt es den ganzen Tag fliegen und Mücken sammeln für sich und die Familie, also nur kurz eine Reminiszenz: „Ich habe keine Zeit – ach ja, es war schön – Frühling ist bald zu Ende – Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä –! – – –“ Glauben Sie mir, Sonjuscha, daß mich ein solcher kleiner Vogelruf, in dem so viel Ausdruck liegt, tief ergreifen kann.”

Brief uit gevangenis van Wronke, gericht aan Sonja Liebknecht, 23 mei 1917
Vuijstje haalt meer vogelfragmenten uit de brieven. Maar laat zien dat in de brieven ook aandacht is voor een rapport over het verdwijnen van zangvogels in Duitsland. Het maakt Luxemburg verdrietig. Kan ik beter andere zaken uit het artikel over de brieven halen, zoals de opmerking gericht aan haar ex-geliefde, Hans Diefenbach? Ze schreef hem dat ze na het horen van een roodborstje besloot hem te schrijven en daarbij niet iedere kleine belediging als boekhouder te bewaren. Maar duidelijk is ook hier staat de vogel onder druk. Rosa noemt het verdwijnen in een adem met de moord op de inheemse bevolking van Noord-Amerika. 

Is dat verdwijnen het overkoepelende thema? Dat kan toch niet zo zijn? Dit als verbindende schakel zien zou inderdaad droevig maken. Er is even de geruststellende fantasievogel van schrijfster Hedda Martens en het gebruik van vogels in films en boeken, waar Koos Dijksterhuis zich aan stoort. Je hoort ze zingen, roepen, gieren als ze al vertrokken zijn, ze zingen overdag het lied van de nacht, of ze krijgen de verkeerde naam. Ernstig? Ja, “omdat er zoveel onbegrip en onverschilligheid uit blijkt. Dat de mensen, ja zelfs schrijvers en regisseurs, meer geven om automerken en voetbalclubs dan om raven en uilen...”

In het verhaal van Alexander Reeuwijk over de vogel collectie van Walter Rothschild verdwijnen weliswaar vogels, maar hier gaat het om balgen (voor het bewaren geprepareerde vogels) die werden gestolen door klassiek fluitist (en vliegbinder) Edwin Rist. Maar die vogels was het leven al eerder afgenomen. Dat telt dus niet bij het verdwijnen.
     Op Nólsoy gedijt het stormvogeltje juist goed, omdat er geen ratten leven en omdat zo te houden wordt het eiland bewaakt met houten tunneltjes met inkt erin, waardoor ratten sporen na zouden laten als het eiland zouden bereiken. Er is nog geen spoor gevonden en de
drunnhvíti kan op het eiland in de Faeröer archipel oud worden.
     

Het verhaal van Ellen de Bruin 'Nestje' is de enige misser in het tijdschrift. De vogels zijn er met de haren bijgesleept, worden weggewerkt en komen weer terug, maar het gaat toch vooral om het liefdesleven van vrouw die potsierlijk voor designmeubels valt.
     Ernst Jansz (voormalig zanger en toetsenist van Doe Maar) blijkt ook bioloog te zijn. Hij beschrijft hoe hij een uit het nest gevallen torenvalk met succes weer terugbrengt. Misschien te mooi om waar te zijn, maar mooi als het zo is.

Het door mij gekozen thema is dan al langzaam weggesleten. Het komt geforceerd over, en de twijfel slaat toe of het juist gekozen is, maar dan komt Jean-Pierre Geelen, Volkskrant journalist. In Toptijd wordt niet eens over een soort gesproken. In het algemeen vallen vogels “ten prooi aan opwarming, ontbossing, verdroging, bestrijdingsmiddelen en stropers. En anders wel de vinkentering;” weer terug bij de trieste realiteit. Het is de kunst ondanks dit alles te blijven genieten van wat je toch nog tegenkomt; optimisme is een plicht. En dus klampt hij zich vast 

“aan een vaag vertrouwen in een ommekeer, dat verstand en inzicht zullen zegevieren, dat boeren hun bermen weer laten begroeien met wilde planten, dat niet elk insect meer bestreden wordt met alles vernietigende chemicaliën, dat het grondwater op de weidegronden weer gewoon aan de lippen van de laatste grutto mag staan.”

Als je dan toch nog naar de overgebleven vogels wilt kijken dan is de inventarisatie door ornitholoog Rob Bijlsma een hulp die duidelijk maakt op welke afstand je kan komen voordat een een vogel op- en wegvliegt. Die vluchtafstand is keurig per vogel weergegeven in tabellen. Het lijkt alsof je de slechtvalk het minst en het goudhaantje het beste kan benaderen, maar het vogeltje met de gouden streep op de kop bevindt horizontaal misschien dichtbij voor hij opvliegt (1 meter), vertikaal bevindt het zich doorgaans in de boomkruin.
     De tabellen zijn overzichtelijk, maar 't verhaal over de fluiter laat meer sporen na. De anekdote speelt rond een wandeltocht in Drenthe waarvoor een eet- en drinkgelegenheid met generator in het bos werd opgezet pal naast het nest van de genoemde fluiter. Die vogels bleven vervolgens weg; ze stopten de zorg. Toen de zaak weer ingepakt en opgeruimd was, bevatte het nest vier lijkjes en twee afgekoelde eieren. Het 10 gram zware vogeltje dat overwintert in het Congo-bekken maakt mogelijk maar één broedsel in het leven.
     De schrijver merkt op, geheel tegen de gangbare visie in, dat hij vreest dat het in de natuur zijn niet leidt tot benul hebben van de aanwezige levende have. Sterker nog hij stelt dat gezien dat
“de gezwinde pas, of – indien in groepsverband – het kwettervolume, valt af te lezen dat natuur toch vooral een groen decor is. (…) Dan is verstoring zo gepiept.” Ik vrees dat hij voor een groot deel gelijk heeft.

In een bezoek aan Hoy (Orkney-eilanden) vliegen de stoere grote jagers over, maar blijkt daar een mens verdwenen, omdat er geen plaats was voor de ongehuwd zwangere vrouw. De bevruchter (een walvisvaarder) vertrok na de daad, en liet Betty Corrigal achter in de streng Christelijke gemeenschap. De eilandbewoners lieten merken dat zij fout zat. Zij doodde vervolgens zichzelf. Betty leefde in de zeventiende eeuw. Ze is in de vorige herbegraven en sindsdien herhaaldelijk 
bezongen. Dit mens verdween, maar de grote jagers zijn gebleven. 



Het laatste artikel gaat over een boek met fraaie tekeningen van duiven, en niets dan duiven, door Pauline Knip-Rifer. Alexander Reeuwijk heeft het samen met Hay Wijnhoven een paar jaar nadat hij dit artikel schreef opnieuw uitgegeven. Twee van Knips prenten zijn in De Scharrelaar opgenomen, de zonnekraagduif (m) en de groene muskaatduif (m). Van de Mauritaanse blauwe duif wordt vermeld dat die het niet gered heeft. Hij stierf omstreeks 1840 uit.
     Een vogel die er uitbundig wel is, de fazant, wordt in veel vogelboeken uitgelsoten omdat hij na alle jaren dat hij hier loopt en fladdert nog steeds niet inheems zou zijn en bij de Nederlandse vogels zou horen. Saskia van Loenen neemt met kracht afstand van deze bekrompenheid. 

De scharrelaar gaat zeker ook over nog levende vogels. Ze krijgen juist kleur op de veren. Er is duidelijk noodzaak om zuinig op het gevogelte te zijn. De vogel die de uitgave zijn naam gaf is uitbundig blauw en is zelden in Nederland te zien. Hij leeft in Midden- en Zuid-Europa en sierde de eerste uitgave van dit fraaie tijdschrift. Hij is juist van de rode lijst gehaald!



Noord

Op de pont van Buitenhuizen zag ik dat Ton de fietsenmaker mijn kettingkast beter had vastgezet. Mijn houtje-touwtje was verbeterd. Prettig een goede fietsenmaker in de buurt.

De pont vertrok vrijwel meteen nadat ik hem bereikte. De wind achter blies me door de duinen naar het noorden. Het werd een veerboot van een uur eerder naar Texel dan gepland. Ook die vertrok kort na aankomst, maar stresserend krap was dat ook niet. Alles zat mee. (Het was wel wat druk op de fietspaden op deze mooie maandag in september.)

Bij het NIOZ Zeeonderzoek is het fietspad flink veranderd. Er ligt een snelle baan in plaats van het buitendijkse van vroeger dat altijd bezaaid lag met oesterschelpen die de meeuwen erop kwakten om ze open te breken; altijd een stijlvol begin van mijn rondje Texel.

Bij het haventje van de Cocksdorp stond een bord dat de vrijheid op Texel bepleit tegen de beperkingen in. Affiches met dezelfde tekst hingen op meer plaatsen.
'Vrijheid' het klinkt vaak beter dan het is. Hier is de actie een reactie op een rapport waarin wordt gesteld dat de druk op de natuur verminderd moet worden. Dat kan wel eens ten koste gaan van economische activiteiten en de vrijheid overal te mogen komen. Het rapport pleit juist beargumenteerd voor maatregelen. 

“In het gebied vinden veel menselijke activiteiten plaats, zoals visserij, scheepvaart, baggerwerkzaamheden, recreatie, gas-, zout- en zandwinning, militaire oefeningen en de aanleg van infrastructuur voor de energie-transitie. Deze activiteiten zijn soms onderdeel van het huidig gebruik en worden soms als losse activiteit vergund, terwijl dit in samenhang met elkaar leidt tot een opeenstapeling van effecten op de natuur. Dit heeft geleid tot een permanente verstoring van en druk op de natuur, waardoor onder andere zand en slib anders door de Waddenzee verplaatsen, zeegras- en kweldervegetaties niet goed herstellen en ontwikkelen en het voedselweb en leefgebied van veel diersoorten is verstoord.”

Beleidskader Natuur Waddenzee; Advies over de ecologische onderbouwing, Ecologische Autoriteit, april 2026
Het pad langs het mooie witte strandje bij de boot naar Vlieland was afgesloten voor de aanleg van een duiker voor een open verbinding naar de Waddenzee, maar een beetje doorzetter kon er nog wel langs.
     Daar lag nog een roeiboot naast het klein schorrenkruid even rood als de boot zelf.

De drukte, zeker in de duinen tussen Egemond en Callantsoog en op Texel bij De Koog was wel eens wat veel, maar het was mooi en fijn dat ik de tocht gemaakt heb.