vrijdag 4 september 2026

Tjies


De verhalenbundel Tjies (1958) is geschreven door Vincent Mahieu (pseudoniem van Jan J. Th. Boon die ook Tjalie Robinson gebruikte en nog het e.e.a.). Tjies is het koosnaampje voor een buks met een .22 kaliber die in de verhalen wordt gebruikt bij het jagen, het tonen van mannelijkheid, een soort Willem Tell actie en die zelfvertrouwen geeft.
     Een wapen biedt daarnaast ook ontplooiingsmogelijkheden: 
“Hardheid maakt plaats voor gehardheid, wreedheid voor barmhartigheid, met de macht om te doden leert de jongeman leven te sparen,” zo beweerd het schutblad. Mahieu is niet voor niets zoon van een in Indië geboren KNIL-beroepsmilitair. Zijn moeder is van Engels-Javaanse geboorte. Die diverse afkomst zou later een belangrijk deel van Boons leven kleuren.

Jan Boon ging in 1911 als baby mee naar Nederlands Indië om er vervolgens 44 jaar te wonen. De verhalen in Tjies spelen in die Nederlandse kolonie. In het boek zoeken jongens naar een houding in het leven; op blote voeten, ravotten, zwemmen in de kali (rivier) en jagen en het op een gegeven moment  toelaten en weer afstoten van 
meisjes.
     Gevoelens werden door die jongens gezien als weekhartig en moesten een plek krijgen of het liefst vermeden worden. Medelijden en empathie werden “beschouwd als nutteloos en onmannelijk.”
     Naast jongens zijn er ook (jong) volwassenen die een plek in het leven zoeken of dit nu op de motorfiets gebeurt of in een achteraf straatje aan de rand van de stad. Vechten is een terugkerend fenomeen en de hoofdpersonen doen er fors aan mee. Het hoort bij het leven in Batavia dat Mahieu beschrijft. Buurjongen Ventie leert de jonge man in een verhaal pas echt goed van zich afslaan. Ventie leerde hem ook zijn vernederingen te verdragen en zijn vermetelheid te bewonderen. Ventie, de zoon van ouders die altijd ruzieden en elkaar haatten, zou tragisch aan zijn einde komen.

Een van de terugkerende thema's is het zoeken naar gevaar en spanning om het leven te kleuren. In het geval van de jonge vrouw Didi – die voor haar mannelijke leeftijdsgenoten in stoerheid en optreden niet onderdeed – leidde deze roekeloosheid ertoe dat ze zo afgeranseld werd door een Japanner dat ze aan de gevolgen (een hersenbloeding) stierf. Ze zou daarmee een voorbeeld zijn voor ouders, schrijft Mahieu:
“(...) wie slecht leeft, komt slecht aan zijn eind. Haar leven zij hiermee aan alle verstandige ouders en jonge dochteren ten voorbeeld gesteld.” Je zou het als ironie willen zien, maar daarvoor geeft de tekst geen enkele aanwijzing. Haar onbesuisdheid bestond er uit dat ze haar man in het Jappenkamp eten kwam brengen. Dat irriteerde de Japanner.
     In een ander geval is de branie van een invalide jongen – die om zijn daden bewonderd werd – de oorzaak van zijn dood door een auto-ongeluk. Een ambtenaar springt uit de band en zwemt in de rivier – wat iemand van zijn stand eigenlijk niet doet. Als het misloopt, is hij aangewezen op hulp van de flirtende buurvrouw. Hij schudt haar af en vervolgt zijn leven liever via de weg van braafheid en kalmte. De achterdeur naar de kali* wordt afgesloten en hij leeft verder met zijn eigen vrouw die iedere dag de hele middag slaapt en tot 's avonds laat leest.
     Gevaar en dikwijls ook geweld botsen met orde, overleg en rust.

In het geval van de in de Kali zwemmende man lijken hij en zijn vrouw beide tevreden met de terugkeer naar de kalmte. Maar er is ook een bazige echtgenote die aan haar eindje komt en waar nauwelijks iemand een traan om laat. Of een domme maar beeldschone getrouwde vrouw waarop een alleenstaande bestuursambtenaar een oogje heeft. Dit laatste leidt tot een conflict waar de dreiging van een schot met Tjies in de lucht hangt.

Zo'n dertig jaar geleden kwam ik Mahieu voor het eerst tegen en raakte onder de indruk van zijn schrijven. De branie, de niet altijd even correcte visies, de belangrijke rol van vuurwapens, het uit de weg gaan van emotionaliteit, het lijkt hem allemaal van me af te stoten. Maar doet dit niet. Al in de eerste paar verhalen viel me de intimiteit op die hij beschrijft, de visies die hij ontwikkelt om het leven aan te kunnen. Het lijkt inderdaad alsof juist door het gevaar op te zoeken, ook de ruimte voor andere emoties en prettiger relaties mogelijk wordt.** Het boek stoot af en trekt aan. De schrijver is hard, maar ook open. Zo schrijft hij:
“Alle mensen zijn buitenstaander van alle vormen van leven, vaak zelfs van hun eigen. Daarom neem ik niemand iets kwalijk.” Bij de slaafse verhoudingen (met werk, kinderen, baas, religie, etc.) zijn er de slappe redeneringen die het gedrag moeten goedpraten, maar “tenslotte is er voor alles wat te zeggen.” Last leidt juist tot nieuwe wegen in het leven. Die ruimte zit ook meer contemplatief in: “Hij wist wat hij wist te goed om zich ooit ergens kwaad over te maken.” Als de woede om de wereld met kennis getemd kan worden, is het dan ook andersom zo dat een gebrek aan cognitieve grip die boosheid juist kan aanwakkeren? Of de schrijver het antwoord heeft? Hij houdt niet van al te hoogdravende visies, want dan “snap je achter niet meer wat je vóór begon.”

Er is het schoffie op blote voeten dat zich een plek moet vechten in de groep. Het joch dat zich ontwikkelt tot de jonge man die naar de HBS gaat.***
    De liefde voor boeken van de schrijver blijkt alleen al uit het aantal verhalen waarin ze uitdrukkelijk worden genoemd. Een keer gaan ze overboord, omdat de vriendschap die ze herbergden verraden werd. De boeken werden daarmee een deel van het leven waarin die band geweld was aangedaan en zo werden ze waardeloos. Het voorval maakt ze ook tot meer dan levenloze objecten.
     Intussen krijg je nogal wat beelden mee van de omgeving, zoals een klein straatje. Dat straatje begon zonder naam en werd Gang Bantoe genoemd, niet meer dan een steeg aan een grotere weg met wat huizen eraan. De steeg ontwikkelt zich en wordt laan en vervolgens weg.
“Ikzelf groeide met het gangetje mee: toen het gang heette, heette ik 'Peng', of 'Koetjai' of ' Séh, jongén!'; toen de naam 'laan' werd heette ik Mahieu of 'Ouwe', en toen de naam 'weg' kwam, heette ik mijnheer Mahieu en was ik 'Weledelgeboren'.” Deze Gang komt vaker voor in het boek, maar er zijn ook de weg naar het strand, de straten waaraan de bomen staan om te klimmen. Je wordt het Nederlands Indië van Boon binnengevoerd. Hij observeerde wat hij zag en reflecteerde op zijn eigen jeugd.

Hoewel verhalen over jongeren de hoofdmoot vormen, zijn er ook over volwassenen. Toen Mahieu ze scheef was hij zelf ook al veertiger met ervaringen. Een verhaal als De Pagger (een gevlochten erfafscheiding) en de burenruzie die daarover ontstond is tegenwoordig bekend van De Rijdende Rechter. Hier is er een man in Batavia die in brieven aan zijn buurman zijn eigen gelijk beargumenteert en de ander die uit de hoogte afgemeten de onzin van de hele affaire onderstreept. Deze posities worden ook nog eens versterkt door het verschil in maatschappelijke status tussen beide heren. In het verhaal over drukkerij Quick en Co gaat deze ten onder aan hebzucht en verschillende idealen van de twee leidinggevende en hun echtgenotes. In De Maaltijd wint de hond het pleit en vult zijn buik. (In een eerder verhaal werd een hond opgehaald door de hondenvangers.) Deze hond meent dat de mens hem wel wat toe zal stoppen, omdat ze barmhartig is. De zwerver die het vindt bot waarover een ruzie ontstaat, ziet deze menselijke trek als een bespottelijke gedachte, want dan zou ook hij immers geen honger leiden.

Het zijn vaak de uitersten, die de verhalen kleuren en ze boeiend maken, ook als je barmhartigheid juist wenselijk vindt, of als je denkt dat een wapen niet leidt tot medeleven, maar de kans op ontsporing vergroot. Mahieu gaat niet alleen het gesprek met de lezer aan, maar ook met zichzelf en daarbij komen hardheid en inleving samen.

Noten :
* Die rivier wordt Tjiliwoeng (Indonesisch Ciliwung) genoemd en loopt nog steeds door hartje Jakarta, en destijds door Batavia.
** In de tijd dat ik het boek las, bekeek ik een uitzending van
Podium Dans over de uit Schotland afkomstige danseres en choreografe Courtney May Robertson die over een dergelijke spanning sprak en opmerkte dat ze: “altijd naar extreme ervaringen wordt getrokken. Als extremen naast elkaar bestaan dan creëert dit een soort dubbelzinnigheid en verdwijnt het binaire. Hier wordt het voor mij interessant, als de ogenschijnlijk tegenstrijdigheden zich vermengen.” Dit kan bijvoorbeeld extreme discipline samenbrengen met zorgzaamheid.
*** Boon doorliep zelf de H.B.S. en zou via een uitstapje naar de marine journalist en schrijver worden, zie: Kees Snoek, 'Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur: Tjalie Robinson,' februari 2013. Toen hij nog in Batavia woonde schreef hij als Tjalie Robinson de populaire columns de Piekerans van een straatslijper.


woensdag 2 september 2026

Aangenaam

De laatste keer was ik blij dat ik er was. Iets te veel omhoog, een beetje teveel kracht, krakkkchchkk. Nu zit er weer een nieuwe cassette op de fiets, evenals een voortandwiel en ketting. Kan ik weer trappen. Moest me er wel toe zetten. Maar ergens zat nog een restje spirit verstopt.

Aan het strand was het rustig. Het water is op zijn warmst (boven de 20 ºC). Weinig kwallen, niet veel honden en een beetje golven. Onderweg zag ik al hooglanders en koniks in het Geuzenbos. In de duinen lagen de rode koeien langs en over het pad en even verder liep wat moeilijk een konikpaard over het pad, de rest van de kudde liep in de duinvallei.

Het einde van straat werd afgesloten door cruiseschip Ventura. Welke voorspoed de meest vieze manier van vakantie brengt. Geen idee. Het is altijd wel weer overdonderend als zo'n torenflat voorbij vaar. Laat ik niet klagen. De zee was aangenaam om in te zwemmen.


maandag 31 augustus 2026

Het leven is vurrukkulluk

Het leven is vurrukkulluk (1961) van Remco Campert is een klassieker uit de Nederlandse literatuur. De feestelijke titel is vast een deel van de verklaring voor het succes. Het is daarbij eigenzinnig en kraaiend van plezier geschreven.

In de korte roman worden meer woorden dan alleen vurrukkulluk door de taalvervormer van de Leidsepleinvrijheid gehaald. Zoals 'seksjuwelen verkeer,' 'nijslollie,' 'giegullen' en 'Marie-Johanna roken'. Het is een melig trucje dat net niet gaat vervelen.

Dat Amsterdamse plein duikt in mijn brein op aangezien ik de schrijver meteen zie zitten in café Reynders (met Bert Schierbeek en Lucebert) als Clare Lennart de zogenaamde experimentelen komt interviewen voor het
boekenweekgeschenk van 1955. Dat interview ademt de sfeer die ook het vurrukkullukke leven een paar jaar later zal oproepen.

Het zijn drie jonge mensen die de belangrijkste stemmen zijn in het boek: Mees, Boelie en Panda. Ze plukken de dag en doen niet moeilijk. Het leven is er om rijk te zijn en van drank en seks te genieten; al het andere is franje. Het is geschreven in een eigen taal, die vloeiend en vlot van de pagina's rolt.

De pretentie is om goed te leven, verder moet je alles niet te zwaar nemen en de moraliteit moet niet in de weg staan van een goed feest, als het nodig is mep je darvoor zelfs een oude haveloze man neer. Aan een oudere vrouw met een jongen man in een bed op een zolderkamertje wordt voorbij gegaan alsof het niets is. Ze liggen er, maar doen er verder niet toe. Als het raam maar open kan om er hangende aan een paraplu uit te springen om in de tuin te landen. Zo luchtig is het leven.

In de
Nederland leest (2011) uitgave die ik lees mag Ronald Giphart als het kind dat van ballonnen houdt opschrijven dat het een van de beste boeken is die hij kent. Is dat lege reclamepraat of meent hij dit werkelijk? (Dit wordt de derde keer dat ik schrijver Giphart betwijfel op dit blog.) Wat frisse lucht was goed in het muffe Nederland. Maar beste? Wel plezierig leesbaar. Dat is wat waard.

vrijdag 28 augustus 2026

Atlas van in nevelen gehulde continenten

 



Atlas van in nevelen gehulde continenten is een boek geschreven door de Turkse succesauteur Ihsan Oktay Anar. Het was zijn debuut dat werd gepubliceerd in 1995. Dertig jaar later verscheen de 85e druk. Het is vertaald in vele talen, waaronder het Arabisch, Azerbeidzjaans, Bulgaars, Duits, Frans, Hongaars, Koreaans en Zweeds, maar opmerkelijk, maar onduidelijk waarom, niet in het Engels. De roman is een hit. Sinds eind vorig jaar is er ook een Nederlandse vertaling.

Vertaalster Veronica Divendal heeft zich uitgeleefd op de Atlas
van.... Haar aanpak zet ze uiteen in een zestien pagina's lang nawoord dat ook informatief is met betrekking tot schrijver en roman. Deze tekst wordt gevolgd door 13 pagina's aantekeningen bij in de tekst genoemde liedjes, boeken, personen e.d.; een soort voetnoten als verstopt toetje, een verrassing tot slot. Toch hadden ze beter in de tekst aangegeven kunnen worden.
    Zowel nawoord als lijst zijn – zeker samen – een mooie aanvulling op een fantastisch verhaal. Bij de vraag of ik het nawoord liever vooraf had willen lezen als informatie bij de tekst, of dat ik tevreden ben dat ik eerst mijn eigen mening heb kunnen vormen, neig ik toch naar het tweede.

Je stapt meteen het 17e-eeuwse Istanboel binnen, destijds nog Konstantiniye genoemd. In de voor- en achterkaft binnen staat een kaart van die stad.* Konstantiniye is de naam die in het boek gebruikt wordt. Door de straten van die oude stad aan de Gouden Hoorn lopen opvallende personages. Kort door de bocht zijn ze te vatten onder de categorieën: stads- en zeeschuimers, excentrieke wetenschappers, overheids beambten, ondernemers, tragische pechvogels en dromers. Dat dromen levert in nevelen gehulde verhalen op. De wetenschap een atlas of een anatomisch handboek. Als die twee samen komen ontstaat de op dromen gebouwde atlas die weergeeft wat de geest ziet op zijn reis over de wereld en aanwijzingen geeft om verder te komen.

Ook enkele personages vallen onder verschillende noemers. Er is bijvoorbeeld het hoofd van de Rijksinlichtingendienst, de ongenaakbare Ebrehe. Hij is tweede man onder de sultan, alchemist, uitvinder, homoseksueel, inhalig en keihard; hij martelt en vernederd. Ebrehe haalt de hoofdpersoon, dat is de jonge Bünyamin, zijn invloedssfeer binnen om hem beter te kunnen volgen en wordt, getroffen door zijn ongegeneerde meningen, verliefd op hem. De jongen blijkt echter voor het meisje Aglaya te vallen.

De belangrijke rol die de Geheime dienst speelt in het boek meende ik te moeten begrijpen als een verhulde literaire kritiek op het repressie apparaat van de Turkse Staat. De dienst is in de
Atlas van... vooral uit op het verwerven van macht en invloed en vernielt het leven van derden, soms zelfs willekeurig, omdat het kan. Een van de doelwitten is Lange Ihsan: filosoof, maker van de atlas van in nevelen gehulde continenten, de vader van Bünyamin en een personage dat grote overeenkomsten met de schrijver vertoont. Lange Ihsan heeft zich echter niet laten slopen en stoppen door het uitsteken van zijn ogen, en het afsnijden van zijn oren.
     De Dienst grondt zijn inzet op een soort bijgeloof en mechanische abacadabra waarover Erbrehe bovendien ook nog eens quasidiepzinnig kakelt met een soort jeugdige fascinatie voor techniek. Dat dit bijgeloof gedeeltelijk aangewakkerd werd door een buitenlandse mogendheid door middel van een ingenieus mechaniek, doet er dan niet eens toe. Hybride oorlgosvoering avant la lettre.
      Maar voor de heimelijke kritiek heb ik geen feitelijke aanleiding in het boek gevonden en ook geen externe bronnen.

Het boek leest als een sprookje, als een boek vol knap aan elkaar geknoopte verhalen. Een kinderboek? De hardheid erin mag kinderen bespaard worden. Is het een boek dat de ideeën van René Descartes (hier Rendèkâr) onder de loep neemt: ik denk dus ik ben? Ook. Wat het zeker is, is een boek dat je voor zou willen lezen, zoals aan jongeren in de onderbouw van de middelbare school. Het is bovendien een vertelling waarin vele verhalen geknoopt zijn, een verhaalvorm die meer voorkomt in het Nabije Oosten.

Lange Ihsan is duidelijk in zijn visie op geloof en wetenschap. Het idee van Rendèkâr vond hij onvoldoende. Op grond van de aanname 'Ik denk dus ik ben' kan een mens alleen zijn eigen bestaan vaststellen. Hij besluit de betekenis ervan verder uit te zoeken in een droom. Daar komt hij op de gedachte: 'Ik droom dus ik ben. Ik ben, maar wie ben ik?' Het is het begin van een hele nieuwe visie op de wereld, zijn rol erin, en op wat er nog meer is. De anderen bestaan immers ook, omdat Ihsan hen bedenkt en eveneens de wereld waarin ze leven is er met dank aan zijn verbeelding. Ze bestaan bij gratie van zijn gedachten.
     De vertaalster wijst erop dat de visie van de schrijver en Lange Ihsan overeenkomen als Anar in een zeldzaam interview stelt: “(...) Ik zelf verkies wetenschap, kennis, boven geloven.” Over de botsing van wetenschap versus geloof gaat ook het boek, naast dat het over het wezen van de mens gaat, over inhaligheid, en autoriteit versus vrije keuze. Deze thema's zijn volgens de vertaalster verpakt “in een concreet menselijk, avontuurlijk en sprookjesachtig verhaal.”


Verderop in het nawoord schrijft ze: 
“Met een mengeling van sprookjes en werkelijkheid schiep Anar in zijn Atlas van in nevelen gehulde continenten een universum waarin het voor de lezer goed toeven is. Herkenbare situaties, gevoelen en menselijke zaken zoals list en bedrog, liefde en geld, droom en voorspelling, wetenschap en kennis, macht en vrijheid, angst en dapperheid passeren de revue.”
Het valt niet zwaar er nog een aantal thema's aan toe te voegen, zoals lust tegenover liefde, vader en zoon, brallen versus bescheidenheid, zelfspot en bekrompenheid, orde en verzet, en de vraag of fantasie en werkelijkheid wel een tegenstelling zijn. Het nawoord door de vertaalster is een loflied op het boek door iemand die er blijkbaar vanaf de hoge duikplank ingedoken is en de sprookjes, de gedachten heeft opgepakt, bekeken, verteerd, vertaald en opgeschreven in het Nederlands. Het boek zelf wordt mooier als je ook haar toegevoegde teksten leest.

Noot:
* Helaas is in de bibliotheek versie de legende bij de kaart van de stad gebruikt om daarover de titelbeschrijving te plakken. Achterin sneuvelde een stuk Stambul onder een streepjescode. Administratief is het te begrijpen, maar het straalt weinig respect van de OBA uit voor hoe het boek door de bezorgd is.