Het duurt maar even en dan weet ik dat het boekenweekessay De leeuw en zijn hemd (2013) door Nelleke Noordervliet al eens heb gelezen. De schrijfster gaat met een hink-stap-sprong op reis door de Nederlandse geschiedenis van de Gouden Eeuw tot jaar van uitgave. Ze spreekt onderweg op haar reis door de tijd vooraanstaande en gewone mensen, maakt belangrijke ontwikkelingen mee, en interviewt als een journalist mensen om een antwoord te krijgen op de overkoepelende vraag wie is de Nederlander. Voor het beschrijven met zevenmijlslaarzen van zo'n tijdsspanne in ruim zestig pagina's is een zorgvuldige greep uit de geschiedenis vereist.
Via de VOC en de Heren Zeventien, Rembrandt van Rijn, (gedesillusioneerde) Patriotten en Koningsgezinden lees ik toe naar de landing van Prins Willem Frederik op het Scheveningse strand in 1813. Het is een fragment in de uitgave dat me is bijgebleven. Het niet koninklijke landsbestuur is maar voor even geweest en gesmoord in Frans beleid in het veroverde Nederland. Dat optreden versterkte de steun voor de terugkeer van de vorst en daarmee voor een stap terug in de ontwikkeling van Nederland. De grondwet van 1798 (de zogenaamde Staatsregeling voor het Bataafsche Volk) verdween met terugkeer de terugkeer van Oranje, om pas decennia later, in 1848, plaats te maken voor die van Thorbecke die zich nestelde in het nationale bewustzijn. De eerste is grotendeels (opzettelijk) vergeten, zozeer dat de tweede als eerste wordt gezien. Er lijkt geen haan naar te kraaien.
Tussen de gekozen onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis zit ook het kolonialisme. Zelfs critici van de krijgszuchtige variant ervan twijfelen niet aan “het vanzelfsprekende recht van Nederland miljoenen mensen aan het andere eind van de wereld te besturen en uit te buiten,” aldus de schrijfster. Het is in hun eigen belang en goed voor de rust in de archipel. En zelfbeschikking is niet iets voor daar.: “De volken van Azië zijn kinderen.” Zelfs socialist Domela Nieuwenhuis doet mee aan het koloniale bal, en heeft geld in een koffieplantage gestoken, maar dat blijft beter geheim. Journaliste Noordervliet kan het niet laten om te wijzen op de positieve invloed van Indië op de Nederlandse staatsbegroting en op de paleisjes die oud Indisch-gasten bouwen. De handel wordt overgoten met de zogenaamde ethische politiek, maar dat is niet meer dan de vernis uit een hautain potje die zo moet spiegelen dat de grote nadelen van het gewelddadige kolonialisme niet te zien zijn. Het werkt.
Misschien is dat wel een belangrijke Nederlandse kwaliteit, kritisch en keurig zijn daar waar dat batig is en niet de manco's zien die uit direct eigenbelang beter zo kunnen blijven. Wat gezichtspunten op Nederland komen zo naar voren, gekoppeld aan momenten uit de geschiedenis. Nederland is in ieder geval minder progressief dan het beeld dat velen erin menen te zien.
Voorouders in het Leidse van de schrijfster zien duidelijk een verschil waardering voor het land en het Koninkrijk waar ze leven. In het eerste zijn ze opgegroeid, ze spreken de taal, kennen de omgeving, de liedjes etc. Met de oranjes hebben ze niet veel op. Het is een duidelijk onderscheid, maar nuancering die niet vaak wordt gemaakt. Ze noemt daarbij ook dat het verschil tussen de kapitalist en de arbeider groter is dan de kloof tussen naties. En in een enigszins wankelende zin (waarvan de strekking echter duidelijk is) voegt ze daar aan toe: “Ze weten waar oorlog wordt gevoerd, waar slachtoffers vallen, en slachtoffer is altijd Jan met de pet.”
Een korte samenvattende visie komt maar bescheiden naar voren. Het essay eindigt met een opmerking van een fictieve Johan Huizinga die in een paar trefwoorden de Nederland en zijn optreden typeert: “nuchter, zindelijk (in denken en doen), burgerlijk (niet provinciaal), onheroïsch. Niet erg geneigd tot extremen. Met alle negatieve kanten die elke goede eigenschap met zich meedraagt.” Het zijn woorden die Nederland afbeelden in sepia. Tenminste op vrijwel alle termen valt wel wat af te dingen.
De leeuw en...is een fijn bondig onderzoek. Ik las het toevallig een paar dagen nadat Nederland uit het WK was getrapt. Het grootste sport wash festijn ooit stelt al kanttekeningen bij de woorden van Huizinga. Wat zou hij gedacht hebben van volkswijken vol oranje vlaggetjes, van de hoog oplopende emoties en het inzetten van het verlies van het Nederlandse elftal voor politiek gewin en tegen een deel van de Nederlanders? Noordervliet spreekt haar twijfels ook uit.
Volmondig neem ik de opmerking over dat een volksaard een besmet begrip is. Het is iets voor grote halen snel thuis. Het miskent de verschillende visies in de samenleving, zelfs binnen segmenten ervan. Nationale identiteit is een meer in zwang geraakt eufemisme voor hetzelfde begrip, maar dat ruimt het bezwaar niet op. Volgens Noordervliet worstelen we met die identiteit, zowel collectief als individueel.
Anderzijds zie ik dat de tevredenheid over de Nederlandse positie zo goed is en de bijdrage aan de wereld zo sterk, dat velen vinden dat het zo wel genoeg is, of zelfs teveel, en dat het gezeur op moet houden. Problemen van elders, van de anderen, lossen ze daar maar op. Behalve – ja daar komt ie weer – als het in ons voordeel lijkt wel in te springen. Het ethische vernis is daarbij langzaam aan het verdwijnen en de oorlogszucht hangt inmiddels over dit niet heroïsche volk. 'De Nederlander' heeft een ingebakken opportunisme en geen last van mededogen als dat niet uitkomt.
De fietsverhuurder in Gulpen waar ik zojuist was, liet een type Nederlander zien. “Kunt u contant betalen...,” vroeg hij. Zo blijft het immers buiten de boeken en hoeft er geen belasting betaald te worden. Om het nog wat meer in de verf te zetten, voegde hij toe “...dan wordt mijn geld niet voor vluchtelingen gebruikt.”
Het essay sluit af met de woorden van een laconieke Huizinga die het medicijn om verder te komen als land en de bewoners ervan samenvat met de woorden: “zelfbewuste bescheidenheid en soberheid, elegante soberheid. Hartstochtelijke nuchterheid, opportunistische zindelijkheid. En een vleug ironie, daarmee komt u er wel. Daarmee komen wij er wel.” Is dat genoeg? Luister nog eens goed naar die fietsverhuurder en zovelen anderen, ook in het Parlement (of lees bijvoorbeeld dit betoog over vormen van racisme en de achtergrond ervan). Een duidelijk tegengeluid is wenselijk om de groene zeep van de helling te krijgen en menselijkheid, zorgzaamheid voor de natuurlijke omgeving, verdeling van macht, inkomen en kennis, inclusie, inspanningen voor vrede en solidariteit weer op de agenda te krijgen. Er zijn genoeg ideeën op al deze gebieden. Ze moeten alleen met kracht en inderdaad mogelijk met een vleugje ironie of humor worden vormgegeven.
Het essay van Noordervliet is dertien jaar oud, en Nederland is flink veranderd in die periode, maar het zet nog steeds aan het denken en heeft een levendige vorm.






























