vrijdag 27 maart 2026

Dichter op de Zeedijk

Dichter op de Zeedijk door Kees van Beijnum vertelt het verhaal van Constance. Hij is een tiener die door zijn grootmoeder met harde hand, en ook verhuld liefdevol, wordt opgevoed. Oma is kroegbaas en een stevige tante die haar positie op de Dijk en in haar café de Rode Laars weet te verdedigen; als het kan met haar grote bek, als het nodig is met spierkracht. Er hangen allerlei types aan de bar. Een vaste klant die vanuit het café naar zijn werk gaat, ligt er op een moment 's morgens zelfs dood met zijn pet op. Bijna alsof hij slaapt.

Wanneer speelt het? De Zeedijk werd in de jaren zeventig een hangplek voor heroïne verslaafden. Je ziet dat in dit boek al een beetje aankomen, maar het verhaal speelt eerder. In de jukebox zitten Bill Haley met See you later alligator (1956), Bye Bye Love van de Everly Brothers (1958) en Pim Maas die in 1959 de titel “de Elvis Presley van de Nieuwendijk (...)” kreeg. Tegen het einde van het boek komt niet alleen de irritant genoemde muziek van Hank Williams voorbij, maar ook Twenty Four Hours From Tulsa van Gene Pitney (1964). 

Tekst loopt door onder de muziek.


 

Uit een andere hoek komt voetballer Henk Groot, tenminste die het moet wel zijn als geschreven wordt:

“In zijn winkeltje stond hij de hele dag in zijn eentje, tussen wat voor hem en definitief achter hem lag. Op graaiafstand van pakjes sigaretten, rolletjes pepermunt en, onder de toonbank. 'naaktstudies'. Hij verkocht kaartjes voor de thuiswedstrijden van zijn oude club, terwijl zijn eigen heldenjaren verkruimeld waren tot enkele bleke vaantjes aan de muur en de ingelijste foto ('kampioenselftal 1959-1960') waarop hij gehurkt in het midden zat – een leren knikker onder zijn gespreide vingers (…).” 
     Die vingers zijn dan weer van
zijn broer Cees, ook voetballer, Henks winkel ging in 1962 open. Niet in Amsterdam, zoals in het boek, maar in Koog aan de Zaan. Henk Groot komt later nog eens voor. Nu als bijnaam voor Muis die tijdens het Rock en Roll dansen haar hoofd per ongeluk in het kruis van haar danspartner plaatste. Henk Groot “maak ze ook allemaal met 't koppie.” Vandaar. Het is duidelijk we zitten in de jaren zestig.

De dichter op de dijk is de schim van Vondel die eind 16e en in de 17e eeuw leefde. Joost praat met Constance over normen en waarden, wat de mensen rond de dijk doen en waarom, en hoe gedichten horen te zijn: met de juiste vorm, het goede metrum en rijm om de tekst vaart te geven. Constance weet dat de visies van de dichter met het karakteristieke smalle baardje gedateerd zijn. Hij zoekt naar zijn eigen stem bij het dichten, om zijn eigen gevoel te verwoorden:

Morgen rijd ik met bedwelmende
bloemen naar je toe
ik wil niet langer wachten einde
lijk weten hoe
je bent, de bloemen zullen je verraden
De gedachten worden hem teveel. Hij wankelt en valt. Overvallen door koorts en vooral door liefde. “Het was vreselijk. Het was heerlijk.”

Afbraak Haarlemmer Houttuinen door Otto Boudewijn de Kat.
(1974 ) Collectie Amsterdam Museum. Zie.

Voorbij het centraal station gaat Constance met zijn vriend Ben de Haarlemmerbuurt in om daar hout voor een bootje te kopen dat ze samen gaan maken. Daar liggen de 'houtsloperijen' (ik vind geen informatie rond dat woord, wel iets over een houthandel). De buurt waar ze heen gingen, stond destijds op de valreep van een grote verandering. In de jaren zeventig ging een groot deel plat.
     Het boek handelt in een herkenbaar stuk Amsterdam. Zelfs als Constance en Muis met de pont naar Noord oversteken, waar ze intiem teder in het gras gaan liggen, zie je meteen de dijk langs het Noord-Hollandslanaal opdoemen. O ja, Muis is het mooie barmeisje dat oma met kennersblik heeft aangenomen. Ze zou inderdaad veel klanten trekken.

Los van alle herkenbaarheid en feitjes leest
Dichter op de Zeedijk prettig weg. Het boek is sfeer-, liefdevol en hard. Constance is kind, puber en vroegwijs. Er is de fijne band tussen hem en Muis. Zijn vriendschap met de veel oudere Ben wordt prachtig in de verf gezet. Die intieme relaties romantiseren de situatie op de Dijk niet. Daarvoor wordt teveel in alcohol geweekt en onenigheid opgelost met kopstoten en vuisten. Toch is daar wonen en opgroeien niet iets om je voor te schamen, maar anderzijds ook niet voor iedereen weggelegd.

vrijdag 20 maart 2026

Huizen zonder vaders



Huizen zonder vaders door Heinrich Böll is echte Trümerliteratuur, geschreven op de puinhopen van het Duitsland van na de oorlog. Snappen waar de vaders uit de titel zijn gebleven vergt geen denkkracht. Maar wat de naoorlogse situatie doet met de twee vrienden Martin en Heinrich wel. Beiden hebben een andere achtergrond. De vader van de een was dichter, die van de ander automonteur. Dit om maar een in het oog springend verschil te noemen. Hun denken en leefomgeving wordt door de schrijver op eenvoudige maar indringende wijze verwoord.

Zeven jongens in hun klas hadden in de oorlog een vader verloren, en konden daarom op clementie rekenen als ze iets niet wisten of verkeerd deden. Dat verloren klonk alsof ze hem hadden
“laten staan, als een paraplu.” Er zijn dus nog wel wat vaders, maar er zijn ook 'ooms' die een relatie met moeders krijgen en zich 'verenigen'. De ene oom is goed of net te doen, de andere oom is akelig en verteert de beperkte inkomsten, zodat de rest van 'het gezin' hongert.
     Er is een man die op Martin en Heinrich let, Albert. Hij is geen vader, maar ook meer dan een oom. Hij was de vriend van Martins vader. Die vader is de dood ingejaagd op een heikele missie door een officier die zich machtsbelust wilde laten gelden. Hij legde adviezen om de mannen niet te sturen naast zich neer.      Nella de moeder van Martin is economisch onafhankelijk. Ze wil niet meer trouwen. Haar liefde bleef in de oorlog: “(...) de een of andere kleine stommeling komt op het toneel en laat je man neerknallen – drie, vier miljoen van die plechtige gebeurtenissen worden door één oorlog teniet gedaan.” Minnares is daarna mooi genoeg. Ze wil niet weer weduwe worden. Want dat is wat ze vreest.
     Mooipraters strooien vergetelheid over de narigheid van de oorlog, zogenaamd in het belang van de kinderen, maar ook omdat de mannen er weer op uit moeten gaan,
“anders stagneert de weduwenfabriek.” Nu woont Nella in een verwaarloosd huis, maar wel een plek met een dak, koelkast en een ruimte waar ook anderen huizen, zoals haar moeder die de moordenaar van haar schoonzoon niet vergeet. Maar ook Glum. Glum heette eigenlijk Glumbich Choklokusteban. Dat betekende 'Zon die onze bessen doet rijpen'. Hij kwam van ver, helemaal uit het noorden van Siberië, aan de Poolzee bij een rivier, die Sjechtisjechna-sjechticho wordt genoemd, maar ook van dichtbij genoeg om nu in hetzelfde huis te wonen.
    Mevrouw Brielach, de moeder van Heinrich, is op de steun van de ooms aangewezen. Rijkdom brengt het haar niet. De inboedel is een allegaartje. Heinrich slaapt bijvoorbeeld op een deur uit het Ministerie van Financiën, meer specifiek die van kamer 547. Dat staat er nog op. Eronder staan vier klossen. Een kast is niet veel meer dan een touw, een plank en een gordijn. Heinrich cijfert zich suf om de uitgaven net zo krap te maken als de inkomsten en ontwikkelt daartoe niet alleen zijn rekenkunde, maar als jong kind ook zijn handelsgeest en een te volwassen gevoel voor verantwoordelijkheid. Mevrouw Brielach is gedwongen om op beter te hopen en dat te zoeken.

De jongens houden zich bezig met wat MOREEL, IMMOREEL en ONZEDELIJK is en wat FATSOEN betekent. Welke moeder past welke rol? Wanneer is het zich verenigen tussen man en vrouw wel of niet goed te praten? Deze vraag blijft spelen tot in de laatste zin van de roman en krijgt dan een antwoord waarbij aan een deel van de narigheid ontsnapt lijkt te worden (maar of dat zo is ligt over de horizon van de tekst).
     Het fatsoen van een oom was niet meer dan een woord gebruikt als vernis. De onzedelijkheid van de oorlog speelt op de achtergrond een veel grotere rol dan de vragen die door de hoofden van de beginnende pubers jagen. Het NAZISME met zijn geweld en bloeddorst was weliswaar DOOR EN DOOR DUITS, maar zo Duits geaard trapten ze ook een donkere lachende jongen dood. Een Jood. Vandaar. Op de plek van die lynchpartij groeien nu in het donker champignons en buiten roepen de moeders er na de oorlog naar hun kinderen dat ze op moeten passen KOM ER NIET TE DICHT BIJ. Op school werden de nazi's “NIET ZO ERG afgeschilderd; andere verschrikkingen stelden de NIET ZO ERGE NAZI's in de schaduw: de Russen.” Böll constateert al in 1954 hoe de opkomende Koude Oorlog als boenwas voor het fascisme wordt gebruikt.

Woorden spelen een grote rol in het boek. Soms worden ze met hoofdletters benadrukt. De woorden in kapitalen hierboven komen allemaal zo gezet uit
De huizen zonder vaders. Dat gaat van een woord als GELD, of STINKOORLOG, naar woorden die niet goed zouden zijn als EIGENLIJK, SOWIESO en UBERHAUPT, maar dat waren “woorden die belangrijker waren dan volwassenen dachten.”
     Door het hoofd van Martins' moeder spelen andere woorden, de eerste letter valt van deze niet in kapitalen geschreven
ührer, olk en aderland af. Een, twee, drie lettergrepen, maar ze waren goed voor miljoenen weduwen, miljoenen wezen. Woorden die ervoor zorgden dat de vader van Heinrich lag te verrotten in Kalinovka (dat is net over de grens met Oekraïne in Rusland gelegen).

Gäseler, de officier die zijn slopende machtswoord sprak, werkt inmiddels aan een bloemlezing van het werk van Raimund Bach de vader van Martin. De dichter is populair geworden na de oorlog, en wordt steeds meer gebruikt als vlag op een modderschuit. Als Nella hem spreekt, zegt ze: “Mijn man haatte de oorlog, en ik geef u geen enkel vers voor uw bloemlezing als u er niet een brief bij opneemt die ik zal uitzoeken. Hij haatte de oorlog, de generaals, het hele militarisme – en ik zou u moeten haten, u verveelt me alleen maar.” Het huidige Duitsland, de huidige wereld, heeft weer nood aan Nella's.

Op de al genoemde
pagina over de Puinhoop literatuur, wordt beweerd dat Böll “vond dat de literatuur na de Tweede Wereldoorlog eenvoudig moest worden.” Hij is daar in dit boek bijzonder goed in geslaagd, zonder dat het daardoor simpel is. Sterker nog het boek is een stem tegen het vergeten en geeft er een aan de kinderen, de vrouwen en jonge soldaten die slachtoffer werden van wat de daders zo snel mogelijk  wilden uitwissen. Waar ze overheen wilden praten. Dit boek werkt als plumeau, en veegt het mooipraatstof weg.

Bovenal is het een boek dat laat zien dat oorlog niet zozeer over dapperheid, maar veel meer over ellende gaat.

donderdag 19 maart 2026

Vragen, altijd vragen

 

Toch doe ik het wel: schrijven over een praatje op mijn bankje onder aan 't duin. Of eigenlijk niet over het gesprek, maar over mijn eigen falende hersenpan. Het ging over van alles en nog wat, maar ook over het sluizencomplex bij Velzen. Dat werkt niet goed en dat levert gevaar op voor delen van Noord-Holland en Utrecht.
     Het probleem wordt al jaren met lapmiddelen afgewend. Er is een nieuw gemaal nodig en de kosten daarvan kunnen oplopen tot € 2,3-miljard. Die aanpak wordt door het Kabinet vooruitgeschoven (dat ziet veiligheid vooral in wapens). De provincie vindt dat het tijd voor een aanpak wordt. Ik wist er het fijne niet meer van en sprak er desondanks met bombarie toch over. Vragen, altijd vragen. Vragen dat levert meer op dan beweren.

We hadden het op dat bankje de dag na de gemeenteraadsverkiezingen ook over Emiel Roemer. Ik wist niet dat hij op dat moment met de gevolgen van een verkeersongeluk kampte. Dat kan. Maar ook niet meer welke functie de aimabele SP'er tegenwoordig vervult. Burgemeester ergens in Zuid-Limburg? Nee natuurlijk niet. Hij is al vijf jaar Commisaris van de Koning in die provincie. Dat wist ik wel. Maar mijn hersens lijken wel een bezinkput waar alles verdwijnt naar de bodem. Het warrelt soms weer boven als ik erin roer. (Dat ik nog maar moeilijk kan lezen, werkt ook niet echt mee.) Het voordeel? Ik ben steeds weer verbaasd, bijvoorbeeld als ik zie waar de voormalige schoolmeester terecht is gekomen.

***

Voor mij was de tocht naar het strand, weer de eerste langere fietstocht in tijden. Twee seizoenen had ik overgeslagen. De herfst en de winter, stonden in het teken van ziektes. Blij maakte dat de vingerhelmbloem niet ver van de duinen weer bloeide en de ereprijs de berm weer blauw kleurde. Ook de eetbare bladeren van de daslook  zijn weer terug. In de duinen liepen opeens Exmoor pony's. (De vraag is nu zijn de Koniks er nog? Ja dus.) Op het strand lag het vol met schelpen. Ik nam een wulk mee terug naar huis, een gevlochten fuikhoren, een ruggewervel van een vis en een aan de vloedlijn gevonden slakkenhuisje van wat toch een landslak lijkt.
     Fijn zo'n uitspapje.

***

Inuit Tanya Tagaq bracht op 6 maart 2026 haar nieuwe album uit, Saputjiji (vertaald: 'aangewezen beschermer'). Het combineert elektronische elementen met krachtige zang en dient als een anti-oorlogs- en anti-koloniale reactie op de hedendaagse spanningen.
     Tagaq is muzikante, activiste en schrijfster. Hier haar nummer Fuck War













zondag 15 maart 2026

In Lichem fol beloften



In Lichem fol beloften is een muziekalbum en boek ineen. Het komt van ZEA*. Onder die naam wordt al de hele eeuw muziek gemaakt. Hier in bijzondere bezetting. Niet altijd met zulk mooi drukwerk. Allereerst valt me op dat het is gedrukt door Kaboem, waar Hennie al jarenlang de drukker van dienst is.
     Boek is misschien een groot woord. Brochure past beter, maar het is een voorbeeld voor velen hoe je liedteksten bij een album kan voegen, niet in een 5 pts lettertje waarvoor je een loep moet aanschaffen, maar in een leesbare lettergrootte en zelfs met hier met daar een illustratie. De teksten staan er in het Fries, Nederlands en Engels.

Er zijn liedteksten en verhalen. Soms laten de verhalen zien waar de songteksten vandaan komen, zoals dat over de schaakpartij met de dood. Of het absurdistische verhaal bij pijn en tijd I waar de boom op een auto valt die later wordt opgehaald. Het is geschreven rond een gesprek met snackbar Coja medewerker 1 en Coja medewerker 2, maar het gedicht gaat vooral over de moeder van wie de auto eerder was.
     Maar de boekbrochure begint met een foto van doekjes en washandjes op tegels, en daarna het gedicht in lichem fol beloften met als eerste regel van het water leerden we dromen. Het komt van dichter Tsead Bruinja. De Friese titel van album, lied en gedicht is ook voor een Hollander goed te begrijpen, maar de associatieve tekst die volgt is gelukkig vertaald in 't Nederlands en Engels voor de stervelingen die die taal uit de Noordelijke Nederlandse provincie niet meester zijn. Vechten tegen degradatie is veel lastiger dan strijden om kampioen te worden verhaalt dat ooit de ziel, het vehikel dat ons lichaam meeneemt afscheid van ons zal nemen. Daar is niet tegen te strijden. Dood is regelmatig aanwezig op een lichaam vol beloften.

Hierboven werden de teksten al gedichten genoemd, maar zijn het geen teksten van liedjes die weliswaar vervreemdend werken en je net een andere kant op sturen? Ze leiden je niet over het fietspad, maar door het weiland, drassig met veen in de verte. Je weet wel waar dat meisje gevonden werd. Hoewel soms wat melancholiek of lichtjes droef om het verlies, en een enkele keer donker, blijft het aan de aangename kant; zelfs als een gedicht begint met ik ben geen vrij man/ik ben de bewaker van mijn angsten. Die sfeer.
     Kiezen hoeft gelukkig niet tussen liedteksten en onpretentieuze gedichten. Al neig ik naar dat tweede en luister dan later weer naar het eerste met de vertaling in de hand. En er zijn er ook teksten van 'erkende' dichters bij. Bruinja hebben we al gehad.

Na een paar pagina's komt een typische Amsterdamse foto voorbij; vol met fietsen die beeldvullend geparkeerd staan. Het daarna afgedrukte gedicht gaat over het vragen om hulp, maar vooral om wat meer tijd. Dat de vertaling soms zijn eigen weg zoekt in de taal waarin het Fries verandert, zie je meteen aan Fügel dat in het Nederlands en hij sloeg de vogel en in het Engels and the man killed the bird is geworden. Met twee maal dezelfde drie regels eindigt het kleine sprookje – dat ook ook hart onder de kunstenmakersriem is.

en hij sloeg de vogel dood
en met de vogel ook het lied
en met het lied doodde hij zichzelf
(2x)

Aan deze tekst gaat een tekening van een brug vooraf. De tekeningen bevallen me beter dan de foto's. Die zijn vaak wat vlak of zeer minimaal. Maar dat als een nauwelijks belangrijk terzijde.

Als er iemand komt
van ver
met een taal die misschien
al het geluid verstomt
laat zien dat de vreemdeling misschien redenen heeft voor wat hij doet. In het verhaal achter in het boek krijgt dit gedicht zowel een loodzware als vrolijke achtergrond.
    Ik tel dyn bonken op, gaat over bewaren onder de ziel en geen afscheid nemen. De regel 'ik tel je botten op' is de laatste. De woorden zijn gebaseerd op een tekst van Nina Nastasia.
     Tussendoor zijn we langs een kaartje van Makkum gekomen met op de pagina ernaast alle straatnamen. Voor wie het stadje aan het IJsselmeer kent is het een invulpuzzel en liedtekst ineen. Het verhaal Makkum vertelt dat de Cynthia Lenigestraat naar de gelijknamige Makkumse dichteres uit de 18e eeuw is genoemd die in haar tijd en ook daarna zeer werd gewaardeerd** en vroeg gestorven is.

De dood wordt voorafgegaan door een tekening naar een schildering uit 1470 door Alberts Pictor in Tâby kirka net boven Stokholm. Dat staat in het verhaal de Dea (met hoofdletter hoewel die verder spaarzaam worden gebruikt, dit blijkbaar om het ontzag voor de dood te onderstrepen). De liedtekst zelf is een vertaling naar het Fries van het gedicht De dood door M. Vasalis.

Het tweede deel van de boekbrochure bevat verhalen. Daarvan werder er hiervoor al enkelen genoemd. Het eerste beschrijft het verband tussen moeder, washandjes, een optreden op Lowlands en een gratis drug. Een kus naar de betonnen wolken, heeft alleen een Engelse en Friese titel, maar gaat over hoe een gedicht de gitarist Arnold de Boer inspireert.
     Een enkele keer is de tekst een achtergrond bij een tekening, zoals
de fügel die gaat over de Slauerhoffbrug over de Harlingervaart in Leeuwarden. De raakvlakken met het liedgedicht dat er onder deze titel ook is, lijkt verdwenen. Waar de bleek en de doden in lakens samen komen, vertelt ik tel dyn bonken op. Soms moet je even terug naar het gedicht of is het aan te bevelen vooruit te bladeren naar het bijpassende verhaal. Alles past kunstig in elkaar.

Bij de albumhoes en de kaft van het boek past het beste weer is een dag voorbij (het gelijknamige lied eindigt met een melodie van Misha Mengelberg). De laatste tekst van vier regels suze nane poppe is een droef Fries wiegeliedje waarbij je de achtergrond zou willen weten, maar het album heeft door dit toegevoegde boek al zoveel meer informatie dan gewoon is, dat dergelijke wensen wel een het-is-nooit-genoeg lijken te zijn. Wat een heerlijke manier van een plaat uitbrengen.
      Want dat is er ook nog: de muziek met veel moois, zoals de klarinetklanken van een uitgebreide band. Voor mij springt de kus en de wolken eruit. 



Noot:
*
Meer over ZEA bij https://zeamusic.nl/news/ en https://makkumrecords.nl/.
** Zie lemma 571 over Kynke Lenige in 1001 Vrouwen uit de Nederlandse Geschiedenis, samengesteld door Els Kloek (Nijmegen: Van Tilt, 2013), pp. 781-782.