vrijdag 24 juli 2026

The Light Fantastic


Bij het zoeken naar een afbeeldingsbestand van de The Light Fantastic kaft geeft Google AI Overview ongevraagd een samenvatting van het boek. (Dan kan dat samenvatten hier wel overgeslagen worden.)
     Neem die geautomatiseerde wijsheid wel met een korrel zout. Een dreiging zou tot sterke gekheid leiden volgens de energie slurpende automatische slimmert. Terry Pratchett schildert in zijn verhaal echter een massa-psychose die zich keert tegen een deel van de samenleving die leeft op de schijf in de ruimte waar het verhaal speelt. Dat is net iets meer dan zomaar een verdwazing.

Het verhaal zelf is eenvoudig. Er is een dreigende zon die afkomt op De Schijf en er is een stunteltovenaar, Rincewind, die een van de acht machtigste toverspreuken in zijn hoofd heeft en daarmee een cruciale rol kan spelen. Die spreuk, hindert, beperkt én beschermt hem. 
Dat klungel Rincewind uiteindelijk stopt met hannesen en successen boekt, is een troost voor wie de weg naar wat verwacht wordt – zodat daar wat rekening mee gehouden kan worden –nog niet helemaal gevonden heeft.
     Het verhaal maakt grappen die je herkent uit de dagelijkse wereld beschrijft en principes die je moet kennen om de realiteit te kunnen begrijpen. Prachett is een schrijver die fantasie de werkelijkheid laat ontmoeten en omarmen.

Daaronder kleinigheden. Waarom het betoverde bos op De Schijf in de lokale taal Skund heet, terwijl dat vertaald Je Vinger Jij Mafketel is? Dat komt door een fenomeen waaraan ook aardse namen te danken zijn. Ontdekkingsreizigers komen, kijken en horen dan woorden van de lokalo's die ze interpreteren als naam voor wat zij willen benoemen. Dat leidde tot namen die vertaald Gewoon Een Berg, Weet Ik Veel, Wat, en dus ook Je Vinger Jij Mafketel betekenen. Aan welk aards voorbeeld Pratchett hier moest denken, geen idee. Bij mij kwam als eerste
Canada op: een verbastering van het woord voor dorp uit een Irokese taal. Zo zit er op vrijwel iedere pagina een grap, idee of iets anders dat betekenis heeft los van het verhaal.
     Een paar pagina's verderop komt de tandenfee voorbij als Twoflower, toerist op De Schijf, spreekt over de iele schoonheid die in de nacht uitgevallen tanden onder kussens vandaan haalt. Wat deed ze met die tanden, vraag Rincewind hem verwonderd.
“Ze deed het gewoon,” is het antwoord op de vraag. Ik had het me ook nooit afgevraagd. Dat dubbeltje dat er voor in de plaats kwam, verdoofde blijkbaar die nieuwsgierigheid. Overigens wordt de toerist die alle verschijnselen even geweldig, authentiek en interessant vindt en wil vastleggen met zijn camera, aardig in de verf gezet.
     Als een groep tovenaars samenkomt, wordt de vergadering voorgezeten door de meest ambitieuze onder hen, Trymon. Alle deelnemers krijgen van hem een papier. Wat is dat, vragen ze. Een agenda, is het antwoord.
“Maar we hebben er nooit een nodig gehad,” zegt een tovenaar. Trymon flemend: “Misschien heb je hem wel nodig gehad, maar je hebt er nooit een gebruikt.” Het is het begin van het vergroten van zijn machtspositie. Dat mechanisme was nieuw (tovenaars hadden voorheen genoeg aan de eigen sores) en daarom was er weinig verweer tegen. Ook hier komt een onaangenaam randje dat ook aan de gewone wereld zit, binnen rollen.  

Gewone toverdingen zijn er ook, zoals een koffer met heel veel kleine voetjes die achter je aan komt (en dus niet kwijt kan raken) en je beschermt, de trollen die als ze slapen veranderen in keien (de oudste onder hen zelfs in een steen die deel is van de berg), of als het huisje waar de dood woont met zijn dochter. Je kan er naar binnen, rondkijken, maar bij het vertrek beter niet achterom kijken, zo wordt
een Grieks sprookje (uit wat mythologie is gaan heten) verwerkt.

De dreiging van de ster leidt tot massa-psychose. Tovenaars worden omgebracht, magie bestreden, om het gevaar af te wenden. Massa's mensen met een rode ster op hun voorhoofd geschilderd trekken daartoe door de straten. De pestlijders, de joden, rohingha's, de ander etc. zijn hier vervangen door de tovenaars. Zij krijgen de schuld in de schoenen geschoven van de kosmische ramp. En hun dood wordt geponeerd als de oplossing voor het probleem.
     Een man zegt dat hij de stad ontvlucht richting de bergen. “Dat zal helpen,” zegt Rincewind. “Nee, maar het zicht zal beter zijn,” reageert de man. Doet me ook al aan vandaag denken. Oorlogs- en klimaatgevaar, velen kijken ernaar van een afstandje en zien wel.
      Je hebt mensen die zelfs een luchtig verzinsel nog loodzwaar weten te maken. Nee luchtig blijft het, maar de serieuze ondertoon maakt het wel tot meer dan een verhaaltje.

woensdag 22 juli 2026

Bladen en bloemen

 





Eind mei fietste ik voor het laatst mijn zogenaamde wekelijkse tocht naar het strand. Iedere week was er iets waardoor het niet door ging. Het ritme is er uit en daardoor was vertrek ook vandaag wat moeilijker.

De dag begon met een tijdschrift dat op tafel lag. Het Wageningse Uitwaaien. Het wordt twee maal per jaar uitgegeven. No. 7 moet eind 2026 komen.  Het zal als thema 'Geld' hebben
     In het lopende nummer een gedicht 'Genesis' (in het Nederlands, Engels en DNA-code). Het beschrijft de wereld waarin nog geen namen voor rivieren en eencelligen bestonden. Bij bewerkte en abstracte fotografie wordt de vraag gesteld hoe de landschappen uit het heden blijven als herinneringen voor komende generaties; als sporen naar wat vroeger was.
     De 66 pagina's over het verband tussen kunst en wetenschap staan vol kunstzinnige ideeën. 

Al eerder lag er een ander bijzonder tijdschrift in de woonkamer. Verschijnend onder dezelfde frequentie. Het is genoemd naar een bestaande vogel: De scharrelaar. Die vogel is in Nederland hooguit een zeldzame dwaalgast, maar op een groot deel van ons continent te vinden.
     Op de voorkant van nr. 2 van 2019 het winterkoninkje. Het begint met een tekst van Hans Warren over fabeldieren zoals de ooievaar waarin eerder nog geloofd werd. Het bevat ook een artikel door Marja Vuistje over 'De koolmezen van Rosa Luxemburg'. Ze fladderen op uit haar brieven. Mij was ook die aandacht van de erudiete revolutionaire voor de natuurlijke wereld van buiten haar cel bijgebleven, zichtbaar door het kleine raam. Vuistje kreeg ruimte erover te schrijven.
     Het blad wordt nog steeds uitgegeven. Mooi.

Mooi zijn ook de gele bloemen in de sloot, het vleesetende (loos of groot) blaasjeskruid. Aan de overkant zie ik de zwanenbloem, de mooiste wilde waterplant van Nederland, denk ik even. Maar dan roepen de waterlelie, watergentiaan, lis, lisdodde en zelfs van de oeverkant het bitterzoet hard in het binnenste van mijn brein dat zij niet vergeten mogen worden. Onderweg stop ik voor het kieken van de bessen van de Italiaanse aronskelk en van die van de heggenrank. Van die tweede had ik ze nog niet eerder gezien (wel zijn bij).

De lucht is nat. Regen kan je het niet noemen. Toch is het genoeg voor een verlaten strand in juli. Verlaten op een persoon met hond in de verte na. Dat is het voordeel van een spat. De donkere wolken maken duinen, strand en zee nog mooier ook.
     Moeilijk piegend loop ik over het strand. Graag zou ik iets beter willen zien. Fotograferen is ook steeds vaker gokken op een mooi beeld. De frustratie is snel verdwenen als ik in de golven loop, een stukje zwem, en kopje onder ga. Van balen naar genot in een paar minuten.

Maar het was niet in mei de laatste keer. Tussendoor, op 11 juli, fietste ik ook al naar het strand met het hele gezin. Wel een paar strandpalen verderop en ik kon niet zwemmen door een kleinigheid, maar voor mijn verjaardag aten we zelfs wat bij de bekende strandtent Parnassia bij Bloemendaal aan Zee. Hoe dat te vergeten.



zaterdag 18 juli 2026

Onderweg




Een prachtig nieuw fietspad over vers land dat de Markermeer dijken moet beschermen tegen de klimaatramp en wordt omzoomd door velden wilde bloemen en water vol vogels; een mooi stuk over een enigszins ruig fietspad door boerenland (Van KP 71 bij Lambertschaagz* naar KP 18 en 2) met sloten vol watergentiaan; langs de polder waar het Oer-IJ hier en daar nog zichtbaar is; dan zijn er nog de statige boerderijen, ranke kerktorens in de verte, de kool die in het noordelijke deel van Noord-Holland veel verbouwd wordt; en ...

Ja het gaat ook door lelijke stukken zoals woonwijken zonder kraak en smaak en bedrijventerreinen, maar ook daar tussendoor een mooie sloot. Opeens stond ik in Koedijk ergens waar het verrassend bijzonder was (het ademde er nog dit).

Er zijn ook dingen zo lelijk dat je moet uitkijken dat ze niet de hele dag verprutsen.

De Heemskerkse boer die verschillende spandoeken in zijn land zette met Nederlandse vlag en de voorbijganger angst aanjaagt met de oprisping dat het verspreiden van vluchtelingen over het land Nederland in vijf jaar zal veranderen. Dus daarom geen AZC. Vluchtelingen zoeken het zelf maar uit, blijkbaar, volgens de landbouwer.

Fascist, racist, rechts-extremist, reactionair, frust, meeloper of gewoon een harteloze dombo? Geen idee. Je krijgt de neiging dergelijke haat aanwakkerende kwaadaardigheid stante pede te verwijderen. Het verdient geen plek. Ik heb me maar ingehouden. 

En de lepelaar, hij stapte voort.



Noot:
Als ik het stukje tekst nog eens doorlees dan wil ik weten wat Schaag betekent. (Het is ook bekend van het dichtbijzijnde Schagen.) Een schrijffout nooemt GAI het. Maar ook komt bovendrijven dat het een woord is dat sttamt uit het Oudfries woord dat 'uitstekende landtong' betekent of een kreekrug. 

vrijdag 17 juli 2026

De golven


De golven van Virgina Woolf is een boek over het leven van zes mensen die samen op een kostschool zaten. Ze blijven elkaar een leven lang ontmoeten. De lezer kruipt in hun hoofden en daarmee in de onderlinge relaties en gedachten over de ander. Zo simpel en tegelijk zo ingewikkeld is het boek. Doe het maar eens: zes levenslopen in 280 pagina's tekst.
     De golven is een voorbeeld van de
stream of consciousness literatuur die begin vorige eeuw ontstond en zijn naam kreeg toen May Sinclair het met een term van psycholoog William James in verband met literair voor 't eerst zo noemde. Die kennis haal ik bij Bernard Benstock die het nawoord schreef bij de versie die is uitgegeven door De Bezige Bij. Een uitgave die overigens opvalt door zijn prachtige kaft (bijna zo mooi als die van de Engelse.versie hieronder).

Eigenlijk staat in deze inleiding al het hele verhaal. Veel actie en plotwendingen zijn er niet. Tegelijkertijd gebeurt er heel veel. Het boek is strak gecomponeerd om te beschrijven hoe deze mensen met elkaar omgaan en zich tot elkaar verhouden in een gewone dagelijkse wereld.
     Ook vormvast is dat elk van de negen hoofdstukken begint met een cursief gezette tekst van een of meer pagina's die vooral gaat over de natuur, waarbij zee en golven en de zon een voorname rol spelen. Daarmee zijn zowel grootse aardse natuurverschijnselen als het heelal tot context voor het verhaal gemaakt. Dat komt ook terug in de daarop volgende tekst. In de stilte hoort Louis de aarde zelfs bewegen door de afgronden van de oneindige ruimte. Maar dit grootse is zeker niet het enige dat deze inleidende teksten vult. Er zijn tuinen met vogels en planten, weides, heuvels, zelfs keukendampen en door vogels geslachte slakken, schaduwen en bomen zo zwart als ijzer en kaal gewaaid staan ze overeind. Het leven wordt immers niet alleen gevormd door het enorme, maar ook door de directe omgeving. Deze poëtische preludes zijn meer dan natuurbeschrijvingen die de zee in woorden willen vatten. Ze zijn ook de bedding waarin het verhaal zich kan bewegen. 
“Langzamerhand terwijl de lucht verwitte vertoonde zich een donkere lijn aan de horizon die zee en zwerk van elkander scheidde en de grijze doek werd doorstreept met dikke zwarte halen die, een voor een, achter elkaar, onder het oppervlak bewogen, elkaar volgend, elkaar achtervolgend, in eindeloze gang.
Dit is de derde zin van de roman en komt uit zo'n inleidende tekst. In de eerste twee zinnen moet de zon nog opkomen, het beeld helder worden en de omgeving kleur krijgen. Dat gebeurt al enigszins in de geciteerde woorden. Sterker nog ze laten het verhaal, en de levens als golven beginnen en de zon verlicht als een lamp huizen, bomen en tuinen. Daarmee wordt ook de omgeving waarain de roman personages leven zichtbaar.
     Er is veel natuur in De Golven. Naast planten ook vogels. Over de torenuil struikel ik, omdat ik hem niet ken. Het blijkt de kerkuil te zijn, die nog meer regionale of minder gangbare namen kent (volgens
Zien is kennen!: krans-, lijk-, kat-, oranje-, slot-, en sluieruil). Het roept de vraag op welke naam er voor de barn owl in het origineel is gebruikt. Ook een streeknaam?* 

De golven begint in een tuin bij het huis Elvedon. Het is daar waar Louis, Neville, Bernard, Jinny. Rohda en Susan les krijgen. De zes komen zo'n beetje om de beurt aan het woord. Zo leer je ze allen kennen. Naast hen is er later op de vervolgopleiding nog de populaire Percival, waar medestudenten achter aan lopen, als de kinderen van Hamelen achter de fluitspeler. Hij blijft desondanks altijd op afstand. Hij zegt niets. Een mythische figuur.
     Percival vertrekt voor een functie in India. Hij verongelukt daar door een val van zijn paard (hoe anders sterf je met zo'n naam), maar blijft voor altijd als herinnering sterk aanwezig. Ook na zijn dood is hij iemand om zaken aan voor te leggen, om iets aan te vragen. Zoals Rhoda er na haar zelf verkozen dood nog is om een arm door de hare te kunnen steken en haar tegen onvoorzichtigheid te waarschuwen. Vriendschap is er tot over de dood heen.
     Percival, de stille zevende, is deel van de zes geworden. Zoals door het samen optrekken de zes deel van elkaar worden. Bernard stelt dat hij een ieder van hen is. Dat betekent niet dat ze een amorfe eenheid zijn. Nee door de verteltechniek wordt juist duidelijk gemaakt dat dit niet zo is. Levens overlappen én verschillen, blijkt als een zelfde situatie door verschillende van hen net anders worden beschreven. Maar het leven van de een wordt gekend door de ander. Bernard verwoord aan het slot van
De golven dat ervaringen in het leven ieder van hen anders heeft getekend: “Louis vond al het lijfelijke weerzinwekkend; Rhoda onze wreedheid; Susan kon niet met een ander delen; Neville wilde orde en netheid; Jinny liefde; enzovoorts.” Maar ze trekken wel een leven lang met elkaar op, zodat hun levens verstrengeld zijn geraakt en bijna niet uit elkaar konden worden gehaald: “Wij hebben vreselijk geleden toen wij afzonderlijke lichamen werden,” voegt hij aan deze observatie toe. Het doet denken aan de klimop strengen tegen een boomstam.
     Bernard zelf is voor buitensporigheden bewaard gebleven, zo meldt hij zelf. Maar ook uit emotionele reacties wordt duidelijk dat het binnen hun groep om individuen gaat. Terwijl Bernard zich het huilen van Susan aantrekt, laat het Neville onverschillig. De eerst leert daardoor dat hij iemand is en ook anders is dan Neville.
     
In het verhaal is dat een derde stap het leven in. De eerste twee zijn geboren worden en als persoon los van de moeder komen (als een soort tweede geboorte), maar ook daarna volgen fase na fase, waaraan geen einde lijkt te komen. Onderweg wordt kennis opgedaan door ervaringen, maar ook door bijvoorbeeld Horatius,
Tennyson, Keats en Mathew Arnold te lezen.

Er zijn veel metaforen gevormd rond golven. Sterker nog water is het meest dominant gebruikte begrip in de beeldspraak van het boek. Het leven start er immers mee. Het komt steeds terug. Niet alleen in de preludes, maar ook in de daarop volgende teksten. Sommige keuzes liggen voor de hand, zoals het golvende haar, maar er zijn ook de beschermende golven van het alledaagse, of Jinny die door het leven rijdt als een meeuw op een golf, de golf die verheft wat te zwaar is, en de golven die het schuim tot in de uiterste hoeken van de aarde werpen. Iets voor de golven uit zijn er de krabben die voort krabbelen over het zand, als vaste metgezellen die de afgunst, jaloezie, haat en venijn verbeelden. Voor wie van golven houdt, is het boek een eldorado, een paradijs (
elvedon/elf-eden) aan beschrijvingen ervan.
     Maar er zijn ook andere metaforen, zoals de ster in een ingeslagen ruit waarom alles en iedereen stil blijft staan (zoals rond Jinny en Percival), of het aansprekende beeld van de boomstam waarin de ringen staan voor nieuwe ervaringen in het leven. Of de bijl die een boom tot in de warme kern klooft, terwijl klanken vibreren in de schors. Mooi gevonden beelden, maar vaak schijnbaar gemakkelijk en terloops gebruikt.

De laatste cursieve opening begint met het zakken van de zon achter de kim. Zwerk en zee waren zoals in de vroege ochtend ook in de avond weer niet van elkaar te onderscheiden. Nu komt er niet steeds meer kleur, maar komt de nacht met schaduwen. Het einde van het verhaal wordt ingeleid. De boom laat de bladeren vallen en die zouden gaan ontbinden, waarmee het einde ook een nieuw begin inluidt.
     Met: 
“De golven braken op het strand,” eindigt de roman en daarmee komt een eind aan alles, zo lijkt het even. Toch al eerder stond er dat de golf zich terugtrekt de zee. De verwachting dat dit zelfde water weer komt aanrollen, eerst als een streep in de verte en die vervolgens met stuifwater op het strand valt, is onvermijdelijk. Deze cyclus past het boek, waarin natuur en leven zo centraal staan. Niets laat die herhaalde terugkeer zo helder zien als de aanrollende golven. Die zich alleen kunnen vormen door het weerkeren van het water in de zee. Water dat leven brengt en weer meeneemt. De kringloop van het leven is duidelijk aanwezig in de wegstervende vriendschap (eerst abstract bij Percival als idee van de onvermijdelijkheid, later concreet, zoals bij Rhoda) zoals vallende bladeren, opduikende paddenstoelen en de ontbinding in het algemeen die voeding creëert voor het leven daarna. 
     De golven lezen en herlezen is de aanbeveling, want dat is de dunne, en tegelijk volle roman waard. 

Noot:

Vanwege het precieze, fijnzinnige en genuanceerde taalgebruik heb ik juist voor een Nederlandse vertaling gekozen dat heeft dan op een minder voornaam punt als dit wel een overkoombaar nadeel. In de Engels talige versie in onze kast herdrukt in 1977 door Panther Books uit Londen (8e druk uit 1984) staat (p. 155): “What song do we here – the owl's, the nightingale's, the wren's?” Nachtegaal en winterkoninkje zijn in De golven goed vertaald. Van de uil is een specifieke soort gemaakt, zelfs met een streeknaam, door de vertaalster naar het Nederlands, Gerardine Franken.