maandag 13 juli 2026

De leeuw en zijn hemd



Het duurt maar even en dan weet ik dat het boekenweekessay De leeuw en zijn hemd (2013) door Nelleke Noordervliet al eens heb gelezen. De schrijfster gaat met een hink-stap-sprong op reis door de Nederlandse geschiedenis van de Gouden Eeuw tot jaar van uitgave. Ze spreekt onderweg op haar reis door de tijd vooraanstaande en gewone mensen, maakt belangrijke ontwikkelingen mee, en interviewt als een journalist mensen om een antwoord te krijgen op de overkoepelende vraag wie is de Nederlander. Voor het beschrijven met zevenmijlslaarzen van zo'n tijdsspanne in ruim zestig pagina's is een zorgvuldige greep uit de geschiedenis vereist.

Via de VOC en de Heren Zeventien, Rembrandt van Rijn, (gedesillusioneerde) Patriotten en Koningsgezinden lees ik toe naar de landing van Prins Willem Frederik op het Scheveningse strand in 1813. Het is een fragment in de uitgave dat me is bijgebleven. Het niet koninklijke landsbestuur is maar voor even geweest en gesmoord in Frans beleid in het veroverde Nederland. Dat optreden versterkte de steun voor de terugkeer van de vorst en daarmee voor een stap terug in de ontwikkeling van Nederland. De grondwet van 1798 (de zogenaamde Staatsregeling voor het Bataafsche Volk) verdween met terugkeer de terugkeer van Oranje, om pas decennia later, in 1848, plaats te maken voor die van Thorbecke die zich nestelde in het nationale bewustzijn. De eerste is grotendeels (opzettelijk)
vergeten, zozeer dat de tweede als eerste wordt gezien. Er lijkt geen haan naar te kraaien.

Tussen de gekozen onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis zit ook het kolonialisme. Zelfs critici van de krijgszuchtige variant ervan twijfelen niet aan
“het vanzelfsprekende recht van Nederland miljoenen mensen aan het andere eind van de wereld te besturen en uit te buiten,” aldus de schrijfster. Het is in hun eigen belang en goed voor de rust in de archipel. En zelfbeschikking is niet iets voor daar.: “De volken van Azië zijn kinderen.” Zelfs socialist Domela Nieuwenhuis doet mee aan het koloniale bal, en heeft geld in een koffieplantage gestoken, maar dat blijft beter geheim. Journaliste Noordervliet kan het niet laten om te wijzen op de positieve invloed van Indië op de Nederlandse staatsbegroting en op de paleisjes die oud Indisch-gasten bouwen. De handel wordt overgoten met de zogenaamde ethische politiek, maar dat is niet meer dan de vernis uit een hautain potje die zo moet spiegelen dat de grote nadelen van het gewelddadige kolonialisme niet te zien zijn. Het werkt.
     Misschien is dat wel een belangrijke Nederlandse kwaliteit, kritisch en keurig zijn daar waar dat batig is en niet de manco's zien die uit direct eigenbelang beter zo kunnen blijven. Wat gezichtspunten op Nederland komen zo naar voren, gekoppeld aan momenten uit de geschiedenis. Nederland is in ieder geval minder progressief dan het beeld dat velen erin menen te zien.

Voorouders in het Leidse van de schrijfster zien duidelijk een verschil waardering voor het land en het Koninkrijk waar ze leven. In het eerste zijn ze opgegroeid, ze spreken de taal, kennen de omgeving, de liedjes etc. Met de oranjes hebben ze niet veel op. Het is een duidelijk onderscheid, maar nuancering die niet vaak wordt gemaakt. Ze noemt daarbij ook dat het verschil tussen de kapitalist en de arbeider groter is dan de kloof tussen naties. En in een enigszins wankelende zin (waarvan de strekking echter duidelijk is) voegt ze daar aan toe:
“Ze weten waar oorlog wordt gevoerd, waar slachtoffers vallen, en slachtoffer is altijd Jan met de pet.”

Een korte samenvattende visie komt maar bescheiden naar voren. Het essay eindigt met een opmerking van een fictieve Johan Huizinga die in een paar trefwoorden de Nederland en zijn optreden typeert:
“nuchter, zindelijk (in denken en doen), burgerlijk (niet provinciaal), onheroïsch. Niet erg geneigd tot extremen. Met alle negatieve kanten die elke goede eigenschap met zich meedraagt.” Het zijn woorden die Nederland afbeelden in sepia. Tenminste op vrijwel alle termen valt wel wat af te dingen.
     De leeuw en...is een fijn bondig onderzoek. Ik las het toevallig een paar dagen nadat Nederland uit het WK was getrapt. Het grootste sport wash festijn ooit stelt al kanttekeningen bij de woorden van Huizinga. Wat zou hij gedacht hebben van volkswijken vol oranje vlaggetjes, van de hoog oplopende emoties en het inzetten van het verlies van het Nederlandse elftal voor politiek gewin en tegen een deel van de Nederlanders? Noordervliet spreekt haar twijfels ook uit.
     Volmondig neem ik de opmerking over dat een volksaard een besmet begrip is. Het is iets voor grote halen snel thuis. Het miskent de verschillende visies in de samenleving, zelfs binnen segmenten ervan. Nationale identiteit is een meer in zwang geraakt eufemisme voor hetzelfde begrip, maar dat ruimt het bezwaar niet op. Volgens Noordervliet worstelen we met die identiteit, zowel collectief als individueel.
     Anderzijds zie ik dat de tevredenheid over de Nederlandse positie zo goed is en de bijdrage aan de wereld zo sterk, dat velen vinden dat het zo wel genoeg is, of zelfs teveel, en dat het gezeur op moet houden. Problemen van elders, van de anderen, lossen ze daar maar op. Behalve – ja daar komt ie weer – als het in ons voordeel lijkt wel in te springen. Het ethische vernis is daarbij langzaam aan het verdwijnen en de oorlogszucht hangt inmiddels over dit niet heroïsche volk. 
'De Nederlander' heeft een ingebakken opportunisme en geen last van mededogen als dat niet uitkomt.

De fietsverhuurder in Gulpen waar ik zojuist was, liet een type Nederlander zien.
“Kunt u contant betalen...,” vroeg hij. Zo blijft het immers buiten de boeken en hoeft er geen belasting betaald te worden. Om het nog wat meer in de verf te zetten, voegde hij toe “...dan wordt mijn geld niet voor vluchtelingen gebruikt.”

Het essay sluit af met de woorden van een laconieke Huizinga die het medicijn om verder te komen als land en de bewoners ervan samenvat met de woorden:
“zelfbewuste bescheidenheid en soberheid, elegante soberheid. Hartstochtelijke nuchterheid, opportunistische zindelijkheid. En een vleug ironie, daarmee komt u er wel. Daarmee komen wij er wel.” Is dat genoeg? Luister nog eens goed naar die fietsverhuurder en zovelen anderen, ook in het Parlement (of lees bijvoorbeeld dit betoog over vormen van racisme en de achtergrond ervan). Een duidelijk tegengeluid is wenselijk om de groene zeep van de helling te krijgen en menselijkheid, zorgzaamheid voor de natuurlijke omgeving, verdeling van macht, inkomen en kennis, inclusie, inspanningen voor vrede en solidariteit weer op de agenda te krijgen. Er zijn genoeg ideeën op al deze gebieden. Ze moeten alleen met kracht en inderdaad mogelijk met een vleugje ironie of humor worden vormgegeven.

Het essay van Noordervliet is dertien jaar oud, en Nederland is flink veranderd in die periode, maar het zet nog steeds aan het denken en heeft een levendige vorm.

vrijdag 10 juli 2026

here is where we meet

here is where we meet van John Berger begint met een ontmoeting van John met zijn vijftien jaar eerder overleden moeder in hartje Lissabon. De doden blijven niet waar ze achter worden gelaten, vertelt ze hem, en verwoordt daarmee een belangrijk thema in het boek, ze kunnen opduiken waar ze willen.
     Gezeten op een trap laat ze hem zien dat de lift bij Santa Justa als enig doel heeft naar boven te gaan; boven is er het uitzicht en daarna weer de tocht terug naar beneden. Verder niets. Een gratis voorziening om te kijken. Iets dergelijks doet bijvoorbeeld een film ook. Je kijkt en komt weer terug. Kijken voegt ondertussen wel een ervaring toe aan het leven en is zeker waardevol.
     Moeder en zoon hebben prachtige gesprekken, de moeder giechelt, ze bekijken de stad met zijn azuren tegelwanden die afbeelden wat er zoal te zien is in de wereld en ze eten Portugees gebak. Moeder geeft haar zoon de schrijver de dwingende raad om te proberen de waarheid te schrijven.
    Uiteindelijk belanden beide weer op hoogte. Bovenop een aquaduct waarlangs het water de stad inkwam. Ook hier voeren ze een gesprek. Een onderhoud over het zetten van kleine stappen die haalbaar zijn. Als je die ketting van de hond nu eens een wat langer maakt dan kan hij de schaduw opzoeken en zal minder blaffen. Vervolgens hoort de vrouw het vogeltje in de keuken zingen en wordt vrolijker. Ze strijkt met meer plezier, de man voelt zich in zijn overhemd …etc. Het kan mooier en dat is ook wat wij mensen doorgaans wensen. Begin daarom een kettingreactie naar prettiger omstandigheden met een kleine stap. Omwentelingen die afhankelijk zijn van de daarvoor noodzakelijke objectieve omstandigheden worden zo opzij gezet. Maar bij deze praktische aanpak gaat het een weloverwogen kant op. 
Het Soortgelijke aqueduto do Convento de Cristo bij Tomar.

     Als je uit de verhalen wilt kiezen, lees dan de 55 pagina's waarop het volgepakte verhaal Lissabon is geschreven.

Het volgende hoofdstuk speelt in een andere aansprekende Europese stad: Genève. John bezoekt daar zijn dochter die er werkt in een theater. Hij vertelt haar over de ontmoeting die hij had met haar oma. Het geeft aan dat de verhalen niet los van elkaar staan. Dat is ook vrijwel onmogelijk aangezien ze op hoofdzaken autobiografische aspecten bevatten uit het leven van John Berger zelf.
     Vader en dochter wandelen door dat leven; ook hier samen met de doden. Zij reageert niet verbaast op zijn mededeling, maar komt met een vervolg activiteit op het bericht over haar oma. Ze bezoeken het graf van de Argentijnse schrijver en dichter Jorge Borges. Hij ligt begraven in de Zwitserse stad. Borges bracht er jaren van zijn jeugd door en keerde er terug. Nu is hij deel van de stad waar niet alleen de Europese winden samenkomen, maar ook organisaties en mensen uit de hele wereld, inclusief dus de doden.

Ook op de volgende stop, in Kraków, is het een dode die samen met John het verhaal vertelt. Ken is een oplevende schim die John ziet zitten als hij door de Poolse stad loopt opzoek naar een betaalautomaat. Ken is de man die hem in zijn tienerjaren wegwijs maakte door het leven. Hij noemt hem dan ook een passeur (een identieke tekst verscheen onder die titel in 2001 in de New Yorker). Ken leerde hem dat het leven wordt ontdekt door boeken te lezen. Berger dacht na ieder boek dat hij van hem kreeg en dat hij uitgelezen had dat hij dichter bij zijn leermeester stond.
     Nu zitten ze samen op een bankje op een plein en drinken bier in de stad waar de geschiedenis uit de Tweede Wereldoorlog je op de nek valt. Je hoeft alleen maar over de rivier naar het voormalige joodse kwartier te kijken. Berger noemt een getal van 6 miljoen Poolse doden, de helft joden. Nog meer schimmen.

Er is ook een hoofdstuk dat buiten het raamwerk van het boek lijkt te vallen. Dat gaat over vruchten. Ook die vruchten hebben een klank, een smaak, een herinnering, die naar het vroegere leven reikt. Greengages zijn reine claudes. In de zomer liggen ze voor de Turkse winkel, waar ik in Amsterdam fruit, kruiden, bonen en wat groenten haal. Er staat een schaal met die vruchten op de kaft. De groene pruim laat als de jonge John zijn ogen sluit zijn jongensfantasie opleven en herbergt een belofte die nog niet benoemd is.
     Er is nog een Engelse naam die ik niet ken. Dat is de quetsch. In het Nederlands heet die vrijwel hetzelfde, de kwets. Ze is in het Engels beter bekend als de Elsas Damson pruim (zo'n mooie kleine paarse). Het is de vrucht van de zang. Dit doordat de zangvogels in de kwetsbomen bivakkeren of door de glaasjes gnôle, de drank die van de vruchten wordt gestookt en de stembanden in beweging brengt.
    Verder zijn er teksten over de meloen, perzik en kers. Dood is er nauwelijks in de teksten over deze vruchten, maar fantasie, verbeelding en associaties zijn er in overvloed.

De vruchten waren een tussendoortje. Islington (de wijk in Londen) is weer een plek voor mensen van vroeger: een schoolgenoot, zijn inmiddels overleden vrouw, en iemand die er voorheen nadrukkelijk was, maar nu verdwenen en naar elders is vertrokken. Zelfs haar naam is het brein ontschoten. John vraagt naar zijn jeugdvriendin bij man van hun beider kunstopleiding. Hij beschrijft haar postuur, eigenaardigheden en kleding en dan op de valreep komt de naam wer boven, waaraan de nagedachtenis aan haar kan kleven. Hij weet dat ook zij gestorven zal zijn, maar heeft haar toch nog even in deze zoektocht ontmoet. Hij voelde haar hoofd op zijn schouder en een dialoog tussen hen beide weer oppoppen: 
     Hij: “Oslo.” 
     Zij: “Je zei dat het rijmde met eerste sneeuw (snow).”
     Het huis van de oud schoolgenoot is volgepakt met wat door het leven heen is binnengehaald. Alles is keurig uitgestald. Wat bijzonder opvalt zijn de doosjes met plantenzaden, een verzameling klaar voor verzending. En er is het gesprek over de tekeningen van de overleden vrouw van de man. Wat doe ik er mee? Ik kan ze toch niet verbranden of weggooien? Orden ze thematisch, per groep in een enveloppe, op de volgorde die je het beste lijkt, is Johns advies. Zo komt het archiveren, het opbergen, op twee manieren weer terug. Het zat ook al nadrukkelijk in het hoofdstuk rond Genève.

Le pont d'Arc beschrijft de artistieke expressie van de Cro-Magnon, een volk in de Ardeche. Ze leefden 30.000 jaar geleden en beelden in een grot dieren en hun eigen handen af. Gemiddeld werden ze niet ouder dan 25 jaar. Die leeftijd is niets vergeleken met de duur van hun dood sindsdien. De grot is een plek voor een overpeinzing: Het begrip verleden en heden is ondergeschikt aan de ervaring van elders. Iets dat voorbij is, of waarop gewacht wordt, is elders verborgen, op een andere plek.”
     Tijdens het lezen ben ik zelf terug naar
een fietstocht niet ver van dat grottencomplex en herbeleef de stilte en natuurschoon. Geen prehistorische tekening gezien. Het was wel fijn.

Op pagina 161 staat in een zee van ruimte een grote mededeling: “Het aantal levens dat het onze betreedt is ontelbaar.” Verder niets op die pagina. Nog mooier dan Bergers moeder het deed vat deze zin het boek samen. Die mensen komen uit alle tijden, uit ontmoetingen, boeken, films en fantasieën. Alleen zijn is vrijwel onmogelijk, zelfs diep in een berg.
     Tijdens een bruiloft loopt buiten een verloren saxofonist rond die komt spelen. Vijftien jaar eerder was hij tegen een auto opgelopen en daarbij omgekomen. Echt vergeten was hij nooit. De muzikant was ook huisschilder en liet in alle huizen van het dorp een geschilderde tekst achter op de muren waarover hij daarna behang plakte: Winst is klote; De armen gaan naar de hemel; en Leve de rechtvaardigheid.
     Hoofdstuk 8½ is amper 'n pagina lang. Moeder legt er uit waarom ze nooit boeken van haar zoon heeft gelezen, ze leest liever over wat ze nog niet weet. Hem adviseert ze nogmaals slechts de waarheid te schrijven. Je moet wel dezer dagen.

Europa is een prachtig werelddeel met steden vol cultuur op allerlei gebied. Geschiedenis met zijn mooie en zeer lelijke kanten (en dan ontmoetten we nog niet eens het kolonialisme). Maar wie we niet moeten vergeten zijn de mensen die voor en met ons waren, zij die uit onze levens verdwenen, en er alleen oppervlakkig gezien uit vertrokken zijn. Ze hebben nog steeds veel te vertellen. Bij dergelijk treffens staat Berger stil. Het is de gewoonste zaak van de wereld.
     In alle hoofdstukken zitten mooie zinnen, gedachten en ontmoetingen, teveel om te benoemen; als je begint is het als het eerste koekje uit de trommel; er volgen vanzelf meer voorbeelden en woorden. Als je ze wilt, haal ze dan zelf uit uit het boek.
     Lissabon speelt eerste viool in here is where... Dat verhaal toont het thema, behandelt 'n politieke aanpak, en laat zorgzaam de stad aan de Taag zien. Even ga ik de schrijver achterna en zoek naar de lift en het aquaduct en geniet mee. Tijdens het lezen keerde ik er terug naar vroegere bezoeken aan de stad en kwam er mensen tegen met wie ik er verbleef. Berger is dan ook de schrijver van het kijken. Hij doet dit op een plezierige manier.




woensdag 8 juli 2026

Uitstap naar Zuid-Limburg (2-7 juli 2026)





In Nijmegen uit de trein gestapt samen met de bezoekers aan het Down the Rabit Hole festival met hun karren vol campingspullen. Ze stonden in een rij voor de lift. Eentje keek me aan en vertelde toen wat hij ging doen en noemde wat namen: David Byrne, the XX, en Florence + the Machine. Goed ingeschat. XX kende ik alleen van naam. 
     “En U?”
 De fiets richting Maastricht. “Dat is nog een eind.”

Het trapte van een leien dakje. De LF3 richting Maastricht pikte ik meteen op. Deze werd daarna de Maas (ook wel Maastricht) route. Aangegeven met van de al gewende kleine liggende bordjes die de grotere staande hebben vervangen op de niet vervallen routes.

Het werd een gelukzalige tocht (maar wel zigzag en het schoot niet op). Dan maar verder parallel aan de Maas. Om 18uur, voor Roermond, bleek volgens mijn navigatie dat het nog 50km was naar de camping.

Het laatste deel van de tocht ging gedeeltelijk door Duitsland. In totaal werd het 168 km (de kortste route was zo'n 130 geweest). Maar mijn telefoon stuurde me nog wel vlak voor het eindunt over de Keutenberg. Daar heb ik vanaf gezien.

Op de camping stond de tent al onder een tamme kastanje en een kers. Vooral die laatste tekende niet alleen de tent door wat er uit valt, maar trok ook veel vogels van allerlei slag. De mannelijke stuifmeelslierten van de eerste bevatten dan weer veel voeding voor insecten.
     Op de douchedeuren hangt een boodschap met een actuele, filosofische en praktische betekenis als je het erin wilt lezen.

Die camping is vanaf eind jaren vijftig (
1959) in gebruik en ging naar de Nivon. Van de naast gelegen Gronselenput (sinds een paar jaar ook Nivon: wel samen maar ook apart) is een geschiedenis gepubliceerd. Voor de Gele Anemoon is die wel uitgesproken, maar een zoektocht naar een geschreven versie is te vergeefs.

Er hangt een prettige sfeer. Erachter leeft in de Geul een bever die veel bekijks trekt. Op een zoektocht zie ik hem niet. Mijn partner heeft later meer succes. Ik doe het met vlinders en juffers. Die mooie oranje vlinder heb ik alleen een tweetal keren langs zien vliegen en niet kunnen fotograferen. Ach jammer maar helaas. De lijsters met hun brede repertoire waren niet te missen, net zomin als de kreten van de roofvogels in de verte.

De aanleiding voor deze vakantie was een activiteit in Maastricht. In een moeite door koop ik in de Zuideuropees aandoende stad voor een habbekrats een slaapzak en pyjama. Koude nachten, vandaar. Bij het zoeken naar een warenhuis beland ik in de Limburgse pedant van de Kalverstraat op zaterdag. Daarna zocht ik onder een brug verkoeling, met een bijzonder deel van bewoners om me heen die ook schaduw zochten.


Achter de camping ligt dus Keuten boven op de berg. Het hoogte verschil is zo'n 80 meter.  Bovenop werd Bouke bedankt. Hij werd in 2014 bekend als deel van het duo Bau en Lau in de Tour. Lau is allang een andere fietscarrière begonnen. Ik zie hem nog vallen in de Giro (2019) vlak voordat hij stopte. Van Mollema herinner ik me vooral zijn ontsnapping en overwinning in de Tour van 2017; vooruit en maar malen. In de Ronde van de vallende bladeren (gewonnen 2019) komt zijn naam nog wel een paar jaar terug. Maar die Tourwinst was heroïsch.

Meer naar het oosten loopt ook een weg vrijwel in een rechte lijn naar boven, naar Keuten. Dat is de dodemanwegIk begon met die makkelijke kant. De volgende dag werd het de moeilijke. Dacht ik.
     Zo wordt ook dit weer een beetje een wielervakantie. (Ik kon het niet laten te kijken wie de ploegentijdrit in Barcelona had gewonnen. Uitkomst niet verrassend.) Als ik de dodemanwegklim opzoek blijkt het de gemiddeld steilste van Nederland. Wielerfanaten putten zich uit in taal om de zwaarte ervan te duiden. De Keutenberg begint wat steiler, maar is ook op mijn hybride ros goed te doen, dat geldt ook voor de andere kant. Best wel leuk dat klimmen. 



Op de teugweg gaat de reis door het andere buurland, België (bereikt met het veer tussen Geulle aan de Maas en
Uikhoven). Een kunstwerk aan de rivier wijst ons op de plicht wat zorgzamer met onze omgeving om te gaan. Baat zo'n vermaning? Of gaat de ratrace met blinddoek om door alsof het niet op kan, met hier een oorlog, daar wat fossile vervuiling en uitbundig consumeren? De gedachte aan de dreigende en steeds meer zichtbare mega-ramp is onvermijdelijk.
     Bij Thorn de grens weer ovr en daar is Nederland op zijn pittoreskst. Later zijn er wegwijsborden die wijzen naar Bospop bij Weert. Weer een festival.
     In Eindhoven neem ik de trein naar huis. Zo is de vakantie waarin onze nieuwe tent (de vorige was niet outdated, maar versleten) werd ingewijd netjes afgerond.





















donderdag 2 juli 2026

Light Years



Op de voorkant van Light Years (1975) is om het boek van James Salter aan te prijzen een blurb geplaatst uit de New Yorker: “Onder de hedendaags romanciers, kan ik niemand bedenken die een mooiere roman heeft geschreven dan Light Years.” (De tekst komt van Brendan Gill, maar dat moet je zelf opzoeken.) Het boek bevat ook een introductie door de schrijver Richard Ford. Dat voorwoord begint met de zin: “Het is een gemeenplaats onder lezers van fictie om te stellen dat James Salter betere Amerikaanse zinnen schrijft dan alle hedendaagse schrijvers.” En op die toon gaat het tien pagina's door om te overtuigen dat de bladzijden zijn gevuld met literair goud.

De lezer komt terecht aan de Hudson rivier, waar de architect Viri, zijn vrouw Nedra, de dochters Franca en Danny, een pony, hond en wat kippen net buiten de stad wonen. Het duurt maar even of het blijkt dat de relatie tussen beide niet lekker loopt. Of eigenlijk wist je dat al door het voorwoord (dat ook daarom beter niet gelezen was). Beide houden er buitenechtelijke seksuele avonturen op na. Nedra doet het zo'n twee maal per week tijdens de lunch met de buurman. Viri gaat uit de kleren met een jonge collega als hij zegt over te werken . Hij is intussen een architect die nog nooit een bouwwerk heeft ontworpen dat blijvende indruk maakt. Nedra laat het geld tussen haar vingers door sijpelen en is vooral een consument. Er zijn feestjes waar wijn met klinkende namen uit de Bourgogne en Champagne streek worden opengetrokken.

Als ik lees stop ik papiertjes op de pagina's waar ik voor een bespreking nog wat mee wil. Hier komt het eerste pas op pagina 197 waar de relaties tussen beide wordt afgezet tegen die van een echtpaar in een vakantiehuis waarmee het wel goed schijnt te gaan. Viri realiseert zich dat zijn eigen leven niets waard is. Kort daarop tijdens de vakantie in Europa meldt Nedra dat ze niet terug wil naar haar oude leven. Het duurt even voordat tot hem doordringt wat dit betekent. Ze gaan uit elkaar. Het geeft wat dynamiek aan een tot nu toe – wat mij betreft – vervelend verhaal.

Nedra kan eindelijk doen wat voor haar vrijheid wezenlijk is. Dat is werken aan haar zelfbeheersing, iets wat alleen voor hen die alles op het spel zouden willen zetten echt haalbaar is, zo klinkt de organiseer-je-leven-goed goeroe wijsheid. Op de volgende pagina wordt benadrukt dat ze een vriendin van haar dochter leerde hoe ze oogschaduw op moest doen. Het zou een vlak gelaat veranderen in een soort glimlachende Nefertiti (de Egyptische koningin) tot zover de voordelen van de vrijheid.
      Viri verloedert na de scheiding thuis. Zijn leven lijkt afgelopen. Als hij het huis heeft verkocht dan vertrekt hij alleen en voor een lange periode naar Europa. In Rome wordt hij versierd en ingepakt door een extreem aanhankelijke en gewillige jonge vrouw. Hij mist evenwel New York en zijn dochters. Maar zijn eigen apathische rol in het falen van zijn relatie met Nedra wordt aan de andere kant van de oceaan vet onderstreept.

Tegen het einde begint het boek minder stroperig en zeurend andere kanten aan het leven te tonen en komen er grotere vraagstukken voorbij, zoals: Wat heeft 't leven betekenis gegeven? Ze worden gesteld aan het eind van een leven. Dat lag destijds voor de schrijver blijkbaar zo rond de vijftig (Salter was bij het schrijven zelf tegen de vijftig). Er wordt benoemd hoe langzaam alles verdwijnt, ook de herinneringen.
     Even kan ik me voorstellen waarom Salter als schrijver zo hoog op het paard is gezet. Hoewel... Society romans zijn misschien ook niet helemaal, of niet allemaal, mijn soort leesvoer. Zelfs als levensvragen worden gesteld dan gebeurt dat hier in een met rijkdom en privilege geplamuurde artificiële wereld die de mijne niet is. Dan kan je nog zo duidelijk achterop zetten: “Opmerkelijk …. een aangrijpende lofzang op mooie levens gerafeld door de tijd,” (James Wolcott, weer zelf opzoeken; het werd gepubliceerd in Esquire) maar met dergelijk slogans komen we toch niet dichter bij elkaar.

Overigens wordt onder het “Onder hedendaagse schrijvers ….” citaat ook een artikel vermeld dat minder positieve kritieken noemt. Er waren meer recensenten waarvan de verwachtingen in de roman te hoog waren gespannen. Of ik het boek had uitgelezen zonder alle voorafgaande lof.... Het veren steken, werkt blijkbaar.