vrijdag 11 september 2026

Pig earth

Pig earth (1976*) van John Berger gaat over de kleine boer. Dat is in het Engels the peasant. Dat beroep verschilt van dat van de farmer. In het Nederlands zou je het kunnen omschrijven als het verschil tussen de niet meer bestaande keuterboer en de agrariër. Het boek is deel van een trilogie. Het is aldus de theoretische introductie op de sociaal-economische en culturele positie van de keuterboer geschreven uit solidariteit met de zogenaamde achtergebleven groep of ze nu op het land leven of door een economische noodzaak naar de stad zijn gedreven.

Het boek is onderzoekend, maar verhalend geschreven. Het begint wel met stevig graven in de positie van de keuterboer in een 27 pagina's lange inleiding (op 200 totaal). Conservatief? Volgens Berger is dat een misverstand. Het zit ingewikkelder in elkaar. Het is inderdaad een beroep van omkijken, maar ook van verder op basis van ervaringen uit het verleden. Maar die liggen niet zo stevig verankerd dat er geen plaats zou zijn voor aanpassingen die de werking verbeteren.

De schrijver verbeeld vervolgens een fictieve wereld van die keuterboer in de Alpen. Hij doet dit zowel in proza als poëzie. In het eerste verhaal stap je als lezer meteen het leven in van de koe die aan het einde is gekomen en met een masker voor naar het slachthuis gaat. Op de boerderij neemt een pink de plek op stal van de geslachte koe in. Het rijmt als de seizoenen die ook steeds opnieuw beginnen.
     Keuterboer is een scheldwoord in het Parijse waar denigrerend wordt gezegd dat de provincialen terug moeten gaan naar hun geitenpoep. Voor Berger is het juist een wereld om in te stappen en te onderzoeken. Dat kan gaan van de verstopte aanvoer van water uit de bron tot een gedetailleerde beschrijving van de jaarlijkse slacht van het gemeste varken. En zo nog heel veel meer dat gaat tot de tekst die de dorpsonderwijzer op het schoolbord schreef: 
Aantijgingen zouden in zand moeten worden geschreven
Complimenten moeten worden gegraveerd in marme
Berger is een intellectueel met open blik en dat komt soms naar buiten waar je het niet verwacht zoals bij het geluid van de geitenbok. Dat geluid als van een doedelzak werd door de Grieken tragos genoemd, waar het woord tragiek van afstamt.

In de verhalen komt de bijzondere positie van de keuterboer ook naar voren. In de stad gaat geld van had tot hand, zo ziet een jonge vrouw die er heen ging om geld te verdienen. Zonder geld kan je niet leven, niet eens water drinken. Met geld kan je alles tot aan het kopen van dapperheid, zelfs als je laf bent. Maar ook in de agrarische gemeenschap in de bergen speelt geld een vervreemdende rol. De boer protesteert tegen de accijns op de drank die hij zelf stookt: “Het betekent dat ik moet betalen, geld betalen voor mijn eigen product.” Zo staat die keuterboer wel naast de markteconomie, maar is er toch ook onderdeel van gemaakt. Hij wordt dit nog meer als hij een kleine trekker aanschaft. Want na de trekker komen de landbouwwerktuigen die er aangekoppeld kunnen worden. De kosten van een trekker staan gelijk aan de opbrengst van tien koeien die elk 2.500 liter melk per jaar geven. Zo is er nog meer geld nodig om te kunnen boeren, moet er geleend worden en verdwijnt inderdaad een type boer die alleen met handen voeten en gewrichten aan het land gebonden is.
 
     Berger ziet het beroep verdwijnen in de Europese Unie. Hij geeft hem nog een kwart eeuw en dan zal Europees beleid een einde aan hebben gemaakt aan deze bijzondere beroepsgroep. Bijzonder omdat hij grotendeels zelfvoorzienend is en leeft met het ritme van de seizoenen en op basis van de werkende methoden van vroeger. Maar ook de schoolmeester in het verhaal The wind hauls too zegt: “Alle boerderijen zullen op de vlakte liggen.” Een deel van de boeren heeft zich daarbij neergelegd. Nieuwe fruitbomen worden niet geplant. Die er staan geven nog vrucht en wie dan leeft, wie dan zorgt.

Het boek eindigt met een drieledig verhaal over Lucie Cabrol dat bijna de helft van het boek vult. Het speelt van voor de Eerste Wereldoorlog tot eind jaren zestig van de vorige eeuw. Lucie wordt ook wel Cocadrille genoemd want ze heeft een groeistoornis, ze blijft klein. Een cocadrille komt uit een hanenei dat is uitgebroed in een mesthoop. Kortom een anomalie van een mens. Klein, maar krachtig, Lucie doet mannenwerk op de boerderij wat haar status aparte alleen maar verder onderstreept. Ze heeft blauwe ogen, in de kleur van vergeet-mij-nietjes, die zich vasthechten aan wat ze zien. Mensen zijn bang voor haar, omdat ze niet is zoals ze zou moeten zijn. Alleen twee mannen uit het verzet, maquis, die op de vlucht zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zien dat ze verstandiger is dan haar omgeving.

Toch wordt ze aan het slot van het eerste deel van de boerderij verdreven door haar broers en hun vrouwen. Dit hoewel het ook haar erfgoed is waarop ze boeren en waar zij haar arbeid in heeft gestoken. In het tweede deel is ze verzamelaarster in het bos geworden. Ze plukt en raapt producten en verkoopt die naar eigen zeggen voor goud geld in een stad verderop. Het lijkt nog een stap terug in de agrarische ontwikkeling. Voor haar is het echter geen achteruitgang. Ze leeft er ogenschijnlijk eenvoudig, maar met oog op een leven dat altijd gewenst heeft, en met zand en aarde onder haar nagels. De tragiek is nauwelijks verhuld.

Pig earth laat een wereld zien die verdween uit Europa. Misschien hier-en-daar nog een klein restant, maar het nog maar nauwelijks mogelijk om te leven als een zelfvoorzienend mens met producten van eigen land en kleine aankopen uit de opbrengsten van de overschotten. Het is een wereld die Berger niet idealiseert – de onaangepaste, maar moreel zeker niet mindere Lucie Cabrol past er niet –, maar in zijn wezen wel waardeert. Hij leverde er een herinnering aan de recente geschiedenis mee. 

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)


Noot:
* Dedoor mij gelezen versie heeft zeker niet de meest opvallende kaft. In de tekst heb ik daarom nog twee versies verwerkt. Die met de koeman: Pantheon, New York, 1979. 1e VS-editie; en de andere van Chatto & Windus uit 1985.

dinsdag 8 september 2026

De scharrelaar



Hoe schrijf je een bespreking van een tijdschrift waarin vijftien verschillende verhalen zijn opgenomen, zowel fictie als non-fictie? Je zoekt bijvoorbeeld een thema om alles bij elkaar te brengen.
     De Scharrelaar is een vogeltijdschrift voor lezers. Nummer 2 uit 2019 dook op in een weggeefkast en ik las het als een boek met korte verhalen. De schrijvers zijn afkomstig uit ornithologische kringen, de journalistiek of zijn fictie schrijvers. Het tijdschrift begon bij de uitgeverij Atlas Contact en is overgegaan naar uitgeverij Noordboek en wordt nog steeds uitgegeven.

Het eerste verhaal door Stefan Brijs heet een symfonie voor de kraanvogel te zijn. Het requiem voor de pracht op hoge poten ligt echter op de loer, zo lijkt het als wordt beschreven hoe de kraanvogels uit Navalvillar de Pela verdwijnen. Voor de rijstteelt “werden hele gebieden onder water gezet. Een grote weelde voor de kraanvogels, zo bleek, want na de oogst bleven er nog zoveel korrels op het land achter dat ze er winter na winter een redelijk gedekte tafel aantroffen.” Kortom de positieve gevolgen van een agrarische activiteit. Ja die zijn er ook. Maar de rijst maakte plaats voor duizenden identieke in het gelid staande olijfbomen “als een oprukkend leger dat zich opmaakt om nog meer land te veroveren,” en daarmee het leefgebied van de kraanvogel weg te nemen. 

De geboorte van de ooievaar wordt beschreven door Kester Freriks die dit vanuit huis volgt. De ooievaar is een succesnummer. Hij was bijna verdwenen. In 1945 nog 150-160 nesten. Jacht en hoogspanningsmasten worden daarvoor als schuldigen aangewezen, maar die andere doodsoorzaak landbouwgiffen als DDT wordt hier niet genoemd. Maar alla. Het gif is verboden. Hij is weer terug. Bovendien kom ik in het artikel het prachtige woord 'duimveren' tegen, dat zijn de wonderlijk krachtige en soepele veren die de vogel in staat stelt te sturen en te remmen.

Dan een sprong terug in de tijd naar de cel waar Rosa Luxemburg brieven schreef over de vogels buiten de muren. Gevogelte waarmee ze een band kreeg. Marja Vuijsje beschrijft het met liefde. Zelf pak ik Briefe aus dem Gefängnis van de Rote Rosa weer eens uit de boekenkast. Je stuit bijna als vanzelf op vogelteksten: 
“Gestern höre ich plötzlich von drüben über die Mauer, die unseren Hof von einem anderen Gefängnisterrain trennt, den bekannten Gruß, aber so ganz verändert, nur ganz kurz und eilig dreimal hintereinander „Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä“, dann wurde es still. Mir zuckte das Herz zusammen, so viel lag in diesem eiligen, fernen Ruf, eine ganze kleine Vogelgeschichte. Das war nämlich eine Erinnerung der Blaumeise [pimpelmees] an die schöne Zeit des Liebeswerbens im Vorfrühling, wo man den ganzen Tag sang und lockte; jetzt aber heißt es den ganzen Tag fliegen und Mücken sammeln für sich und die Familie, also nur kurz eine Reminiszenz: „Ich habe keine Zeit – ach ja, es war schön – Frühling ist bald zu Ende – Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä –! – – –“ Glauben Sie mir, Sonjuscha, daß mich ein solcher kleiner Vogelruf, in dem so viel Ausdruck liegt, tief ergreifen kann.”

Brief uit gevangenis van Wronke, gericht aan Sonja Liebknecht, 23 mei 1917
Vuijstje haalt meer vogelfragmenten uit de brieven. Maar laat zien dat in de brieven ook aandacht is voor een rapport over het verdwijnen van zangvogels in Duitsland. Het maakt Luxemburg verdrietig. Kan ik beter andere zaken uit het artikel over de brieven halen, zoals de opmerking gericht aan haar ex-geliefde, Hans Diefenbach? Ze schreef hem dat ze na het horen van een roodborstje besloot hem te schrijven en daarbij niet iedere kleine belediging als boekhouder te bewaren. Maar duidelijk is ook hier staat de vogel onder druk. Rosa noemt het verdwijnen in een adem met de moord op de inheemse bevolking van Noord-Amerika. 

Is dat verdwijnen het overkoepelende thema? Dat kan toch niet zo zijn? Dit als verbindende schakel zien zou inderdaad droevig maken. Er is even de geruststellende fantasievogel van schrijfster Hedda Martens en het gebruik van vogels in films en boeken, waar Koos Dijksterhuis zich aan stoort. Je hoort ze zingen, roepen, gieren als ze al vertrokken zijn, ze zingen overdag het lied van de nacht, of ze krijgen de verkeerde naam. Ernstig? Ja, “omdat er zoveel onbegrip en onverschilligheid uit blijkt. Dat de mensen, ja zelfs schrijvers en regisseurs, meer geven om automerken en voetbalclubs dan om raven en uilen...”

In het verhaal van Alexander Reeuwijk over de vogel collectie van Walter Rothschild verdwijnen weliswaar vogels, maar hier gaat het om balgen (voor het bewaren geprepareerde vogels) die werden gestolen door klassiek fluitist (en vliegbinder) Edwin Rist. Maar die vogels was het leven al eerder afgenomen. Dat telt dus niet bij het verdwijnen.
     Op Nólsoy gedijt het stormvogeltje juist goed, omdat er geen ratten leven en omdat zo te houden wordt het eiland bewaakt met houten tunneltjes met inkt erin, waardoor ratten sporen na zouden laten als het eiland zouden bereiken. Er is nog geen spoor gevonden en de
drunnhvíti kan op het eiland in de Faeröer archipel oud worden.
     

Het verhaal van Ellen de Bruin 'Nestje' is de enige misser in het tijdschrift. De vogels zijn er met de haren bijgesleept, worden weggewerkt en komen weer terug, maar het gaat toch vooral om het liefdesleven van vrouw die potsierlijk voor designmeubels valt.
     Ernst Jansz (voormalig zanger en toetsenist van Doe Maar) blijkt ook bioloog te zijn. Hij beschrijft hoe hij een uit het nest gevallen torenvalk met succes weer terugbrengt. Misschien te mooi om waar te zijn, maar mooi als het zo is.

Het door mij gekozen thema is dan al langzaam weggesleten. Het komt geforceerd over, en de twijfel slaat toe of het juist gekozen is, maar dan komt Jean-Pierre Geelen, Volkskrant journalist. In Toptijd wordt niet eens over een soort gesproken. In het algemeen vallen vogels “ten prooi aan opwarming, ontbossing, verdroging, bestrijdingsmiddelen en stropers. En anders wel de vinkentering;” weer terug bij de trieste realiteit. Het is de kunst ondanks dit alles te blijven genieten van wat je toch nog tegenkomt; optimisme is een plicht. En dus klampt hij zich vast 

“aan een vaag vertrouwen in een ommekeer, dat verstand en inzicht zullen zegevieren, dat boeren hun bermen weer laten begroeien met wilde planten, dat niet elk insect meer bestreden wordt met alles vernietigende chemicaliën, dat het grondwater op de weidegronden weer gewoon aan de lippen van de laatste grutto mag staan.”

Als je dan toch nog naar de overgebleven vogels wilt kijken dan is de inventarisatie door ornitholoog Rob Bijlsma een hulp die duidelijk maakt op welke afstand je kan komen voordat een een vogel op- en wegvliegt. Die vluchtafstand is keurig per vogel weergegeven in tabellen. Het lijkt alsof je de slechtvalk het minst en het goudhaantje het beste kan benaderen, maar het vogeltje met de gouden streep op de kop bevindt horizontaal misschien dichtbij voor hij opvliegt (1 meter), vertikaal bevindt het zich doorgaans in de boomkruin.
     De tabellen zijn overzichtelijk, maar 't verhaal over de fluiter laat meer sporen na. De anekdote speelt rond een wandeltocht in Drenthe waarvoor een eet- en drinkgelegenheid met generator in het bos werd opgezet pal naast het nest van de genoemde fluiter. Die vogels bleven vervolgens weg; ze stopten de zorg. Toen de zaak weer ingepakt en opgeruimd was, bevatte het nest vier lijkjes en twee afgekoelde eieren. Het 10 gram zware vogeltje dat overwintert in het Congo-bekken maakt mogelijk maar één broedsel in het leven.
     De schrijver merkt op, geheel tegen de gangbare visie in, dat hij vreest dat het in de natuur zijn niet leidt tot benul hebben van de aanwezige levende have. Sterker nog hij stelt dat gezien dat
“de gezwinde pas, of – indien in groepsverband – het kwettervolume, valt af te lezen dat natuur toch vooral een groen decor is. (…) Dan is verstoring zo gepiept.” Ik vrees dat hij voor een groot deel gelijk heeft.

In een bezoek aan Hoy (Orkney-eilanden) vliegen de stoere grote jagers over, maar blijkt daar een mens verdwenen, omdat er geen plaats was voor de ongehuwd zwangere vrouw. De bevruchter (een walvisvaarder) vertrok na de daad, en liet Betty Corrigal achter in de streng Christelijke gemeenschap. De eilandbewoners lieten merken dat zij fout zat. Zij doodde vervolgens zichzelf. Betty leefde in de zeventiende eeuw. Ze is in de vorige herbegraven en sindsdien herhaaldelijk 
bezongen. Dit mens verdween, maar de grote jagers zijn gebleven. 



Het laatste artikel gaat over een boek met fraaie tekeningen van duiven, en niets dan duiven, door Pauline Knip-Rifer. Alexander Reeuwijk heeft het samen met Hay Wijnhoven een paar jaar nadat hij dit artikel schreef opnieuw uitgegeven. Twee van Knips prenten zijn in De Scharrelaar opgenomen, de zonnekraagduif (m) en de groene muskaatduif (m). Van de Mauritaanse blauwe duif wordt vermeld dat die het niet gered heeft. Hij stierf omstreeks 1840 uit.
     Een vogel die er uitbundig wel is, de fazant, wordt in veel vogelboeken uitgelsoten omdat hij na alle jaren dat hij hier loopt en fladdert nog steeds niet inheems zou zijn en bij de Nederlandse vogels zou horen. Saskia van Loenen neemt met kracht afstand van deze bekrompenheid. 

De scharrelaar gaat zeker ook over nog levende vogels. Ze krijgen juist kleur op de veren. Er is duidelijk noodzaak om zuinig op het gevogelte te zijn. De vogel die de uitgave zijn naam gaf is uitbundig blauw en is zelden in Nederland te zien. Hij leeft in Midden- en Zuid-Europa en sierde de eerste uitgave van dit fraaie tijdschrift. Hij is juist van de rode lijst gehaald!



Noord

Op de pont van Buitenhuizen zag ik dat Ton de fietsenmaker mijn kettingkast beter had vastgezet. Mijn houtje-touwtje was verbeterd. Prettig een goede fietsenmaker in de buurt.

De pont vertrok vrijwel meteen nadat ik hem bereikte. De wind achter blies me door de duinen naar het noorden. Het werd een veerboot van een uur eerder naar Texel dan gepland. Ook die vertrok kort na aankomst, maar stresserend krap was dat ook niet. Alles zat mee. (Het was wel wat druk op de fietspaden op deze mooie maandag in september.)

Bij het NIOZ Zeeonderzoek is het fietspad flink veranderd. Er ligt een snelle baan in plaats van het buitendijkse van vroeger dat altijd bezaaid lag met oesterschelpen die de meeuwen erop kwakten om ze open te breken; altijd een stijlvol begin van mijn rondje Texel.

Bij het haventje van de Cocksdorp stond een bord dat de vrijheid op Texel bepleit tegen de beperkingen in. Affiches met dezelfde tekst hingen op meer plaatsen.
'Vrijheid' het klinkt vaak beter dan het is. Hier is de actie een reactie op een rapport waarin wordt gesteld dat de druk op de natuur verminderd moet worden. Dat kan wel eens ten koste gaan van economische activiteiten en de vrijheid overal te mogen komen. Het rapport pleit juist beargumenteerd voor maatregelen. 

“In het gebied vinden veel menselijke activiteiten plaats, zoals visserij, scheepvaart, baggerwerkzaamheden, recreatie, gas-, zout- en zandwinning, militaire oefeningen en de aanleg van infrastructuur voor de energie-transitie. Deze activiteiten zijn soms onderdeel van het huidig gebruik en worden soms als losse activiteit vergund, terwijl dit in samenhang met elkaar leidt tot een opeenstapeling van effecten op de natuur. Dit heeft geleid tot een permanente verstoring van en druk op de natuur, waardoor onder andere zand en slib anders door de Waddenzee verplaatsen, zeegras- en kweldervegetaties niet goed herstellen en ontwikkelen en het voedselweb en leefgebied van veel diersoorten is verstoord.”

Beleidskader Natuur Waddenzee; Advies over de ecologische onderbouwing, Ecologische Autoriteit, april 2026
Het pad langs het mooie witte strandje bij de boot naar Vlieland was afgesloten voor de aanleg van een duiker voor een open verbinding naar de Waddenzee, maar een beetje doorzetter kon er nog wel langs.
     Daar lag nog een roeiboot naast het klein schorrenkruid even rood als de boot zelf.

De drukte, zeker in de duinen tussen Egemond en Callantsoog en op Texel bij De Koog was wel eens wat veel, maar het was mooi en fijn dat ik de tocht gemaakt heb.



vrijdag 4 september 2026

Tjies


De verhalenbundel Tjies (1958) is geschreven door Vincent Mahieu (pseudoniem van Jan J. Th. Boon die ook Tjalie Robinson gebruikte en nog het e.e.a.). Tjies is het koosnaampje voor een buks met een .22 kaliber die in de verhalen wordt gebruikt bij het jagen, het tonen van mannelijkheid, een soort Willem Tell actie en die zelfvertrouwen geeft.
     Een wapen biedt daarnaast ook ontplooiingsmogelijkheden: 
“Hardheid maakt plaats voor gehardheid, wreedheid voor barmhartigheid, met de macht om te doden leert de jongeman leven te sparen,” zo beweerd het schutblad. Mahieu is niet voor niets zoon van een in Indië geboren KNIL-beroepsmilitair. Zijn moeder is van Engels-Javaanse geboorte. Die diverse afkomst zou later een belangrijk deel van Boons leven kleuren.

Jan Boon ging in 1911 als baby mee naar Nederlands Indië om er vervolgens 44 jaar te wonen. De verhalen in Tjies spelen in die Nederlandse kolonie. In het boek zoeken jongens naar een houding in het leven; op blote voeten, ravotten, zwemmen in de kali (rivier) en jagen en het op een gegeven moment  toelaten en weer afstoten van 
meisjes.
     Gevoelens werden door die jongens gezien als weekhartig en moesten een plek krijgen of het liefst vermeden worden. Medelijden en empathie werden “beschouwd als nutteloos en onmannelijk.”
     Naast jongens zijn er ook (jong) volwassenen die een plek in het leven zoeken of dit nu op de motorfiets gebeurt of in een achteraf straatje aan de rand van de stad. Vechten is een terugkerend fenomeen en de hoofdpersonen doen er fors aan mee. Het hoort bij het leven in Batavia dat Mahieu beschrijft. Buurjongen Ventie leert de jonge man in een verhaal pas echt goed van zich afslaan. Ventie leerde hem ook zijn vernederingen te verdragen en zijn vermetelheid te bewonderen. Ventie, de zoon van ouders die altijd ruzieden en elkaar haatten, zou tragisch aan zijn einde komen.

Een van de terugkerende thema's is het zoeken naar gevaar en spanning om het leven te kleuren. In het geval van de jonge vrouw Didi – die voor haar mannelijke leeftijdsgenoten in stoerheid en optreden niet onderdeed – leidde deze roekeloosheid ertoe dat ze zo afgeranseld werd door een Japanner dat ze aan de gevolgen (een hersenbloeding) stierf. Ze zou daarmee een voorbeeld zijn voor ouders, schrijft Mahieu:
“(...) wie slecht leeft, komt slecht aan zijn eind. Haar leven zij hiermee aan alle verstandige ouders en jonge dochteren ten voorbeeld gesteld.” Je zou het als ironie willen zien, maar daarvoor geeft de tekst geen enkele aanwijzing. Haar onbesuisdheid bestond er uit dat ze haar man in het Jappenkamp eten kwam brengen. Dat irriteerde de Japanner.
     In een ander geval is de branie van een invalide jongen – die om zijn daden bewonderd werd – de oorzaak van zijn dood door een auto-ongeluk. Een ambtenaar springt uit de band en zwemt in de rivier – wat iemand van zijn stand eigenlijk niet doet. Als het misloopt, is hij aangewezen op hulp van de flirtende buurvrouw. Hij schudt haar af en vervolgt zijn leven liever via de weg van braafheid en kalmte. De achterdeur naar de kali* wordt afgesloten en hij leeft verder met zijn eigen vrouw die iedere dag de hele middag slaapt en tot 's avonds laat leest.
     Gevaar en dikwijls ook geweld botsen met orde, overleg en rust.

In het geval van de in de Kali zwemmende man lijken hij en zijn vrouw beide tevreden met de terugkeer naar de kalmte. Maar er is ook een bazige echtgenote die aan haar eindje komt en waar nauwelijks iemand een traan om laat. Of een domme maar beeldschone getrouwde vrouw waarop een alleenstaande bestuursambtenaar een oogje heeft. Dit laatste leidt tot een conflict waar de dreiging van een schot met Tjies in de lucht hangt.

Zo'n dertig jaar geleden kwam ik Mahieu voor het eerst tegen en raakte onder de indruk van zijn schrijven. De branie, de niet altijd even correcte visies, de belangrijke rol van vuurwapens, het uit de weg gaan van emotionaliteit, het lijkt hem allemaal van me af te stoten. Maar doet dit niet. Al in de eerste paar verhalen viel me de intimiteit op die hij beschrijft, de visies die hij ontwikkelt om het leven aan te kunnen. Het lijkt inderdaad alsof juist door het gevaar op te zoeken, ook de ruimte voor andere emoties en prettiger relaties mogelijk wordt.** Het boek stoot af en trekt aan. De schrijver is hard, maar ook open. Zo schrijft hij:
“Alle mensen zijn buitenstaander van alle vormen van leven, vaak zelfs van hun eigen. Daarom neem ik niemand iets kwalijk.” Bij de slaafse verhoudingen (met werk, kinderen, baas, religie, etc.) zijn er de slappe redeneringen die het gedrag moeten goedpraten, maar “tenslotte is er voor alles wat te zeggen.” Last leidt juist tot nieuwe wegen in het leven. Die ruimte zit ook meer contemplatief in: “Hij wist wat hij wist te goed om zich ooit ergens kwaad over te maken.” Als de woede om de wereld met kennis getemd kan worden, is het dan ook andersom zo dat een gebrek aan cognitieve grip die boosheid juist kan aanwakkeren? Of de schrijver het antwoord heeft? Hij houdt niet van al te hoogdravende visies, want dan “snap je achter niet meer wat je vóór begon.”

Er is het schoffie op blote voeten dat zich een plek moet vechten in de groep. Het joch dat zich ontwikkelt tot de jonge man die naar de HBS gaat.***
    De liefde voor boeken van de schrijver blijkt alleen al uit het aantal verhalen waarin ze uitdrukkelijk worden genoemd. Een keer gaan ze overboord, omdat de vriendschap die ze herbergden verraden werd. De boeken werden daarmee een deel van het leven waarin die band geweld was aangedaan en zo werden ze waardeloos. Het voorval maakt ze ook tot meer dan levenloze objecten.
     Intussen krijg je nogal wat beelden mee van de omgeving, zoals een klein straatje. Dat straatje begon zonder naam en werd Gang Bantoe genoemd, niet meer dan een steeg aan een grotere weg met wat huizen eraan. De steeg ontwikkelt zich en wordt laan en vervolgens weg.
“Ikzelf groeide met het gangetje mee: toen het gang heette, heette ik 'Peng', of 'Koetjai' of ' Séh, jongén!'; toen de naam 'laan' werd heette ik Mahieu of 'Ouwe', en toen de naam 'weg' kwam, heette ik mijnheer Mahieu en was ik 'Weledelgeboren'.” Deze Gang komt vaker voor in het boek, maar er zijn ook de weg naar het strand, de straten waaraan de bomen staan om te klimmen. Je wordt het Nederlands Indië van Boon binnengevoerd. Hij observeerde wat hij zag en reflecteerde op zijn eigen jeugd.

Hoewel verhalen over jongeren de hoofdmoot vormen, zijn er ook over volwassenen. Toen Mahieu ze scheef was hij zelf ook al veertiger met ervaringen. Een verhaal als De Pagger (een gevlochten erfafscheiding) en de burenruzie die daarover ontstond is tegenwoordig bekend van De Rijdende Rechter. Hier is er een man in Batavia die in brieven aan zijn buurman zijn eigen gelijk beargumenteert en de ander die uit de hoogte afgemeten de onzin van de hele affaire onderstreept. Deze posities worden ook nog eens versterkt door het verschil in maatschappelijke status tussen beide heren. In het verhaal over drukkerij Quick en Co gaat deze ten onder aan hebzucht en verschillende idealen van de twee leidinggevende en hun echtgenotes. In De Maaltijd wint de hond het pleit en vult zijn buik. (In een eerder verhaal werd een hond opgehaald door de hondenvangers.) Deze hond meent dat de mens hem wel wat toe zal stoppen, omdat ze barmhartig is. De zwerver die het vindt bot waarover een ruzie ontstaat, ziet deze menselijke trek als een bespottelijke gedachte, want dan zou ook hij immers geen honger leiden.

Het zijn vaak de uitersten, die de verhalen kleuren en ze boeiend maken, ook als je barmhartigheid juist wenselijk vindt, of als je denkt dat een wapen niet leidt tot medeleven, maar de kans op ontsporing vergroot. Mahieu gaat niet alleen het gesprek met de lezer aan, maar ook met zichzelf en daarbij komen hardheid en inleving samen.

Noten :
* Die rivier wordt Tjiliwoeng (Indonesisch Ciliwung) genoemd en loopt nog steeds door hartje Jakarta, en destijds door Batavia.
** In de tijd dat ik het boek las, bekeek ik een uitzending van
Podium Dans over de uit Schotland afkomstige danseres en choreografe Courtney May Robertson die over een dergelijke spanning sprak en opmerkte dat ze: “altijd naar extreme ervaringen wordt getrokken. Als extremen naast elkaar bestaan dan creëert dit een soort dubbelzinnigheid en verdwijnt het binaire. Hier wordt het voor mij interessant, als de ogenschijnlijk tegenstrijdigheden zich vermengen.” Dit kan bijvoorbeeld extreme discipline samenbrengen met zorgzaamheid.
*** Boon doorliep zelf de H.B.S. en zou via een uitstapje naar de marine journalist en schrijver worden, zie: Kees Snoek, 'Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur: Tjalie Robinson,' februari 2013. Toen hij nog in Batavia woonde schreef hij als Tjalie Robinson de populaire columns de Piekerans van een straatslijper.