vrijdag 6 februari 2026

How to be both



How to be both van Ali Smith begint met het doen en laten van de schilder Francesco del Cossa die bijna 600 jaar geleden leefde. Hij was volgens de roman vergeten, maar doordat hij zijn opdrachtgever de regionale heerser Borso d'Este, schriftelijk opslag vroeg en deze brief bewaard is gebleven, bleef zijn naam bekend en konden ook andere werken aan hem worden toegeschreven. Zijn grootste klus was beschilderen van een ruime in het Palazzo Schifanoia in Ferara.

Dat deed hij in de werkelijkheid samen met Cosmo (Cosimo Tura). Die speelt in het boek een rol op de achtergrond, en wordt genoemd als adviseur, leraar, hofschilder, en schilder van ander werk. In het geval van het paleis kwam hij twee keer kort “als een zwaan binnen gegleden en deed een kleinigheid,” zo vertelt Del Cossa in de roman.
       In het paleis komen later in de geschiedenis de goed bewaarde fresco's tevoorschijn van achter een laag verf die erover geschilderd was.
    Het roman personage Del Cossa verwijst regelmatig naar het boekwerk over schilderkunst van de grote Alberti (
De pictura van Leon Battista Alberti) die leefde van 1404 tot 1472.

Veel is er niet bekend over Del Cossa's leven, maar Smith put 
uitbundig uit wat voorhanden is. Die gegevens heeft ze aangepast en aangevuld met wat nodig was voor het verhaal. 
    Het werd voorzien van franje, zoals bij een bordeelbezoek waar hij de vrouw die voor hem gekozen was om 
seks mee te hebben – betaald door een bemiddelde vriend – in plaats daarvan tekende en hij naast haar in slaap viel. Het hele huis van plezier wilde vervolgens wel zo'n tekening en het maakte hem er immens populair. De meer gebruikelijke activiteiten in een dergelijke gelegenheid kwamen onvermijdelijk ook. 
     Dat Del Cossa zoon was van een vader die muren bouwde is dan weer aan de bekende geschiedenis ontleend. 

Vreemd is dat twee moderne jongeren naar het werk kijken en dat de schilder dit kon zien. Het meisje hield een plaat vast waarop liefdesperikelen te zien waren omgeven met muziekklanken en de afgebeelde personen dansende bewegingen maakten. Nu herkennen we daar meteen een mobieltje in met op het scherm een muziekclip. Del Cossa kende dat niet. Die jongen, wie was hij? Haar vriend? Haar broer? De schilder denkt het laatste.
     Veel meer dan sluimeren op de achtergrond doet deze magisch realistische aanwezigheid van jongen en meisje niet. Het draait vooral om de kunstenaar en zijn kunst. Het beschilderen van de ruimte in het paleis wordt beschreven met aandacht voor het werk en voor de details (waar het werk van Del Cossa en Tura inderdaad toe uitnodigt).
     In het tweede deel blijkt dat de twee jongeren samen met de moeder naar het paleis zijn afgereisd om het werk te bekijken.

Magisch lijkt ook de beschrijving van de reële aanwezigheid van een verbeelde creatie of persoon:
“Schilder een roos, een muntstuk, een eend of een baksteen en je zal het met zekerheid voelen alsof de munt een mond had en je vertelde wat het was om een geldstuk te zijn, alsof een roos je zelf verklaarde wat bloemblaadjes zijn, hun zacht- en vochtigheid als een vlies van kleur dunner en gevoeliger dan een ooglid, alsof een eend je vertelde over de natheid en de gelijktijdig droge onderliggende veren, of een baksteen over de ruwe kus van zijn huid.” Het is er niet echt, maar het schijnt wel zo.
     Die vermenging is ook aanwezig in de beschrijving van een geschilderde, aan de haak geslagen, en krachtige vis, waaraan de lijn moest worden doorgesneden, zodat de hij aan de vangst kon ontsnappen. “Juist daardoor is het de beste vis die ik ving, de vis die ik niet ving, omdat het de vis is die nu altijd bij me blijft en nooit gegeten zal worden, hij zal nooit sterven, zal nooit op het land belanden,” zei de schilder. De verbeelding werd tot werkelijkheid.
     Nog een voorbeeld van zijn en niet zijn. Hier in de vorm van een intellectueel spelletje. Wat was er eerst de ondergeschilderde fresco of de schildering daaroverheen? Volgens dochter George de onderste. Moeder betwijfelt dit want het eerste wat we zien is wat aan de oppervlakte ligt. Als we niet weten dat er iets onder is zou dat ook niet kunnen bestaan. De gesprekken tussen moeder en dochter zijn regelmatig op het scherpst van de spitsvondige snede en aangenaam om te volgen.

Allegory of May by Francesco del Cossa
Het opzoeken van de in het boek genoemde beelden “vergroot zeker het leesplezier, verrijkt de ervaring van het omgaan met de tekst, voegt een dimensie toe aan het puur verbale materiaal van het verhaal en zet op een andere manier de aandacht voor het zien voort die in het hele boek aanwezig is,” merkt Engelse literatuur wetenschapper Derek Attridge op (PDF, p . 172). Deze beelden zijn er gewoon, of ze nu op de omslag staan of – als je dat wilt – op te zoeken (voor werken van Cossa en Tura zie bijvoorbeeld hier). Daar is geen magisch realisme voor nodig. 

______
______

In het tweede deel zal de moeder overlijden en verwerkt George haar verdriet. Rouwverwerking is een gewild thema voor romans. Ook hier speelt het schijnbaar toevallig, zonder opdringerig te zijn, een grote rol. Beetje bij beetje wordt verwerkt dat moeder er niet meer is. Na verloop van tijd verschijnt weer een lach op George's gezicht.
      De overleden moeder was een econome, journaliste en Internet Guerilla Interventioniste. (Tegelijk met
How to be both las ik een boek over kunst-activisme en soms liepen beide boeken samen op, zoals bijvoorbeeld als in het tweede wordt beschreven hoe actiegroep fierce pussy taal ziet als een constant geschapen en herschapen wezen, dat lijkt te ademen. Door de moeder wordt taal in een dispuut met haar dochter neergezet als een levend en groeiend organisme.) 
      Moeder heeft wel meer van de activisten uit dat andere boek, ze schreef ook LIAR (LEUGENAAR) op een ruit van een restaurant boven het hoofd van een daar dinerende politicus of spindoctor; een van beide, welke van de twee, dat is vergeten.
      Ze dacht ook achtervolgt te worden. Of was de achtervolgster verliefd op haar en wilde die haar zien en ontmoeten. Is liefde eigenlijk altijd te herkennen? Als de vrouw 
naar het buitenland verdwijnt vraagt de dochter zich af of ze een goede vriendin of een geliefde van haar moeder ziet vertrekken?

Met de eerder gebruikte woorden 'begint' en 'tweede' verraad ik welke versie van de roman ik heb gelezen.
     De roman bestaat uit twee delen, beide één genoemd. In het ene is Del Cossa aan het woord en begint met een schets naar een fragment uit een schilderij van hem. In het andere deel, eveneens één, speelt de tiener de hoofdrol en daar staat de schets van een bewakingscamera naast de nummering ervan. (Die tekening geeft ook meer dan een hint naar een antwoord op de eerdere vraag omtrent liefde of controle. De afgebeelde camera wijst immers op observatie en de moeder is niet paranoïde, maar terecht op haar hoede voor de achtervolgster.)
     Twee maal een eerste deel, betekent dat de lezer zelf mag beslissen waar het lezen begint; halverwege of voorin. De meeste mensen zullen het laatste kiezen. Maar
How to be both ishoe treffendook nog eens uitgeven in twee versies. Daarin zijn de delen van plek verwisseld. “Dit klinkt als een roman vol postmoderne gimmicks, maar Smith brengt het zowel fantastisch complex als ongelooflijk ontroerend,” schreef recensent Ron Charles met betrekking tot dit aspect.

Het roept onvermijdelijk de gedachte op hoe de roman beleefd wordt in de andere volgorde. In de schilder-eerst versie komen de schimmen pas in het tweede deel uitgebreid tevoorschijn. De schilder blijft iets geheimzinnigs houden, terwijl de moeder, zoon en vooral dochter uitgewerkt worden. Deze volgorde lijkt me daarom het mooist. 
 In 'de andere versie' krijgen George, haar moeder en broer 'gewoon' de overhand, omdat de lezer als eerste kennis maakte met hen. Maar zeker weten zal die dat nooit. De kans op die eerste indruk is immers verkeken.
     Hoewel muziek in de geest andere snaren raakt dan tekst, is de indruk van een eerste volgorde toch enigszins te vergelijken met het voor het eerst horen van een aansprekend muziekstuk, waardoor een uitvoering met andere musici daarna vaak minder klinkt dan wat eerst kwam. 
     Het is door deze bijzondere contructie wel een boek om twee keer smaakvol je tanden in te zetten. 

vrijdag 30 januari 2026

De bloei van het leven



De bloei van het leven is een vervolg op Een wel opgevoed meisje, het eerste deel van de autobiografie van Simone de Beauvoir. Hierna volgden nog een derde en vierde deel verschijnen: De druk der omstandigheden en Alles wel beschouwd.
      In het tweede deel beschrijft ze de jaren dertig, de oorlogsjaren en ze eindigt in 1944 als Parijs bevrijd wordt. Daarmee bestrijkt het boek haar 21e tot 34e levensjaar. Dat betekent dat het gaatvan individualistische moraal naar een beeld waarin ze zich niet los kon zien van de omstandigheden waarin ze opgroeide.

Het leven werd een compromis tussen haar en de wereld. Ze meende eerder dat de onrechtvaardigheden in dat leven verdragen en vermeden moesten worden; je ertegen verzetten had immers geen zin.
     De bloei... is het verslag van de zoektocht van en zelfreflectie door een jonge, en bekende Franse intellectuele die tot ze ging werken in onmin met zichzelf leefde.
     Achteraf verklaart ze dat ze in haar jonge jaren op een verschrikkelijke manier abstract dacht. 

Driehoeksverhouding

Het boek is verschenen in 1960. De Nederlandse vertaling door Jan Hardenberg kwam er pas in 1968. Aandacht ervoor in de pers spitste zich op de beschrijving van de afspraak die de basis vormde voor de relatie tussen De Beauvoir en Sartre en de driehoeksverhouding met daarin de jongere Olga, en haar babbelzucht waarin zij vertelt welke uitgevers ze bezoekt, in welke hotels ze verblijft en de cafés die ze frequenteert.
     Ze beschrijft in het boek ook over het existentialisme, de verhouding tot Rusland en reizen naar met name Zuid-Europa. Op een zeer groot deel van de pagina's wordt Sartre genoemd alsof ze zich in de open relatie zo vaster aan hem bindt. 'Wij' en 'onze' wordt veelvuldig gebruikt om hun samenzijn en gedeelde meningen en ervaringen te benadrukken.
    Het is een boek met zoveel feiten, geschiedenis, ideeën en visies, dat het onmogelijk is die in een korte bespreking recht te doen. Daarom wordt er hieronder een paar punten uitgehaald.

Dokwerker
Ze gaat samen met Sartre naar Italië, omdat het kan, ook met een krappe beurs. Het reizen is door Mussolini goedkoop gemaakt; wie in de Rome een 'fascistische tentoonstelling' bezoekt, kreeg een flinke reductie op de reiskosten. 
     Soms blijken de twee niet te begrijpen wat ze in het buitenland meemaken. Ze leren in Napels wel dat als het voedsel uitbundig uitgestald ligt dat misleid; vermoedelijk sterven er dan juist mensen van de honger. Ze zien in Spanje een arrestatie, maar horen pas later wie waarom gearresteerd werd.
    Feministe is De Beauvoir nog niet. Toch duiken al vroeg voorbeelden op waardoor de ontwikkeling die kant uit niet verbaast. 
    Tijdens een politieke bijeenkomst over abortus, waar vooral jonge vrouwen en meisjes aanwezig zijn, maakt een lid van de rechtse Camelots du Roi, met zwierig vlinderdasje, een onbeschofte opmerking. Een dokwerker van de ordedienst stapte eropaf en zegt:
“Ik heb dan wel niet uw opvoeding, mijnheer, maar in het bijzijn van dames sla ik dergelijke taal niet uit.” Het beschreven beeld van die scene voor je zien, doet nog steeds goed.

Antimilitarisme
Als Sartre voor zijn dienstlicht op moet komen, schrijft ze dat beiden antimilitaristen zijn. Sartre noemt die dienstplicht stompzinnig en zij vindt het uniform lijken op de uitrusting van een dwangarbeider. Op de kermis smeten ze met plezier de poppen omver met gezichten van bekende generaals. Half jaren dertig spraken de twee een Duitse veteraan uit de oorlog van 1914-18 die meende dat bij een volgende oorlog Duitsland zijn eer terug zou krijgen. Als Sartre zegt dat zo'n oorlog niet nodig is, komt als repliek “de eer gaat voor alles.” Het is een variant op de bekende dolkstootklacht, maar ze wordt hier gebruikt om de zin van het antimilitarisme te onderstrepen.

Spanje
De jaren dertig vormden de opmaat naar Tweede Wereldoorlog. Voor De Beauvoir is de oorlog in Spanje tussen Republiek en opstandelingen onder leiding van Generaal Franco wat op het vlak van internationale politiek het meest dichtbij komt. Het zou tweeënhalf jaar haar leven beheersen. Ze vond dat de Republiek bewapend moest worden, dat er kanonnen, mitrailleurs, geweren en vliegtuigen vanuit Frankrijk geleverd moesten worden. Pacifisme en antimilitarisme waren duidelijk geen synoniemen binnen haar denkkader. De Franse regering weigerde. Ook de Franse socialisten waren verdeeld. Er waren er ook die “banger waren voor het revolutionaire elan”dan voor het fascisme. Ze wilden daarom liever de vrede met Duitsland behouden. Er werd aldus de schrijfster Franco geen strobreed in de weg gelegd, waardoor de As-mogendheden meer moraal kregen. Italië en Duitsland steunden wel openlijk Franco en zijn troepen. 
     Het is verleidelijk hier een uitstapje naar 2022-heden in Oekraïne te maken, maar de situatie is alleen oppervlakkig vergelijkbaar, en het zou een korte bespreking te buitengaan om de verschillen, overeenkomsten, de toen en nu gewenste politiek en mogelijke gevolgen te beschrijven.
    De Beauvoir komt enige pagina's na haar verontwaardigde oproep met de opmerking:
“Het enige land dat in staat was de opmars van het fascisme te stuiten, en ook de oprechte wens had dat te doen, was de Sovjet Unie.” Maar een paar regels verderop verwoord ze haar twijfels over Moskou en noemt het verdriet dat er geen enkel hoekje in de wereld was waarop je je hoop richten kon. Weer later ziet ze de strijd tussen Stalinisten aan de ene kant en de Trotskisten van de P.O.U.M., de Socialisten van Negrín en anarchisten aan de andere. De tweede groep beschuldigde de eerste ervan zowel de volksbeweging als de republiek te vermoorden. Hoewel ze later twijfelt aan de rol van Moskou, neemt ze geen positie in en wijdt geen woord aan de politiek van Negrin om naar steun aan de Stalinisten te neigen, om zo de hulp vanuit Moskou te garanderen.
    
Pas als duidelijk wordt dat Rusland en Duitsland een verdrag hebben getekend dat Hitler de vrije hand gaf in de rest van Europa (het Molotov von Ribbentrop Pact (23 augustus 1939), dat door de schrijfster meer algemeen een verdrag tussen Rusland en Duitsland wordt genoemd) is er een grote schok en wordt de visie onderschreven dat Rusland een imperialistische mogendheid was geworden met geen enkel ander doel dan het nastreven van eigenbelang.

Wegkijken
Wat opvallend is in het boek is dat De Beauvoir zich vooral afzijdig houdt van de internationale ontwikkelingen; er haar ogen bewust voor sluit. Ze ziet dat de wereld op meer dan een strovuurtje afstevent, maar kijkt toch weg. Het begin van de Jodenvervolging wordt kalm opgenomen. De kranten worden lichtzinnig gelezen. De ontwikkelingen in Spanje, in de Franse binnenlandse politiek en alle ellende in de wereld gaven haar een gevoel van machteloosheid en ze wilde dit eigenlijk alleen maar vergeten. Ze doet dit door wandelingen en reizen als afleiding. In die houding volhard ze vrijwel tot aan de verovering door de Duitsers van Frankrijk.
     De strijdbare feministe van na de oorlog was een individualiste die vooral met haar persoonlijke ontwikkeling, werk, vriendschappen en schrijversloopbaan bezig was. Ze beschreef zichzelf begin jaren dertig als realiste, en verbeelde zich daarmee representatief te zijn voor de hele mensheid, achteraf zegt ze dat daaruit juist bleek dat ze behoorde tot de bevoorrechte klasse die ze meende af te wijzen. 

Feiten
De laatste twee hoofdstukken gaan over de oorlogsjaren. Ze verwerkt daarin integraal dagboekaantekeningen en beschrijft nauwkeurig wat ze in die jaren meemaakte (waar ongetwijfeld ook bronnen materiaal bij is gebruikt). Het maakt de oorlogsjaren in Parijs en Frankrijk in het algemeen voelbaar. Toch gaat het ook wel eens mis met ophalen van de geschiedenis. Op 10 juli 1944 werden 13.000 mensen “voor het merendeel vrouwen en kinderen” levend verbrand in hun huizen en de kerk waar ze heen waren gevlucht in het dorp Oradour-sur-Glane, schrijft ze. Bij het zoeken naar achtergronden, blijkt dat het dorp in 1939 1.574 inwoners kende en in 1946 1.145. Er werd door de Duitsers wel een slachting aangericht, maar het betrof 648 mensen – nog steeds enorm veel, gezien de omvang van de bevolking – en niet in juli, maar op 10 juni (vier dagen na de landing in Normandië). 
     Het getal 13.000 dat in ruim verband het meest opduikt als je zoekt op Frankrijk en Tweede Wereldoorlog kent ook een zeer wrange achtergrond, maar dat ging om het samendrijven van Joden op de wielerbaan van Hiver in Parijs door de Franse politie om ze vervolgens af te voeren naar een concentratiekamp. Mogelijk is het cijfer blijven hangen. (Enige maanden na het lezen van De bloei... kwam ik het cijfer tegen om de de jacht op migranten in de VS te illustreren met een zeer wrangcitaat.) 
     Twee gruwelen lijken door De Beauvoir elkaar gehaald te zijn. Feiten worden wel vaker losjes gebruikt, maar hier was het wel heel duidelijk fouttief. De lezer is gewaarschuwd, maar de sfeerbeschrijving blijft – al kan je dat laten meeleven ook als babbelzucht beleven. Mij beviel het.

Boeken

In De bloei van het leven bespreekt ze het schrijven van de boeken in de jaren tot aan 1945 en soms ook later werk, haar aanpak, overwegingen, maar ook wat ze anders had moeten doen. Uit die besprekingen haal ik een zin die ze licht gewijzigd vaker heeft gebruikt, vermoedelijk omdat ze hem mooi vond: “Hoe kun je het gewicht van een traan vergelijken met het gewicht van een druppel bloed.”
    Hij wordt door roman personage 
Jean Blomart uitgesproken om de keuze voor maatschappelijke afzijdigheid te verklaren; het is immers toch onmogelijk je zo te gedragen dat je aan alle mensen recht doet. Bijna Tien jaar later zal Anne Dubreuil in De Mandarijnen (een boek dat herhaaldelijk wordt genoemd in De bloei...) hem herhalen, maar dan zonder een oordelende betekenis. Maar de metafoor spreekt ook los van deze werken van De Beauvoir tot de verbeelding.
    Naast eigen werk komen ook boeken van anderen aan de orde die verschenen in de beschreven jaren. Daarmee is de biografie ook een overzicht van literatuur die de schrijfster het waard vond om te vermelden. Zo wordt Russische literatuur genoemd van Babel, Ehrenburg, Olecha, Pilnyak, Panferov, Shokolov en Leonide Leonov en Duitse romans van Wassermann en Döblin. Toch is het vooral de Amerikaanse literatuur die de meeste aandacht krijgt, met name Faulkner waarvan o.a.
As I lay dying wordt genoemd, “de epische, wrede schelmenroman” en Light in August.
     Celines Reis naar het einde van de nacht wordt lof toegezwaaid als tekst die onder meer de oorlog en het kolonialisme aanvalt. (
Dood op krediet zorgt voor zijn val in hun ogen – je krijgt ook bij haar beoordelingen van boeken Sartre er gratis bij – door de neerbuigendheid en de fascistische neiging die er uit spreekt. Inmiddels heeft dat boek voor velen ook de Reis naar... neergehaald).
     Kafka komt als iets nieuws in het boek naar voren. Zo nieuw dat hem in een rijtje met Proust en Joyce zetten, zoals wel gebeurde, niet serieus genomen kon worden. Sartre en De Beauvoir lachten om die naam:
“Als die Kafka werkelijk een groot schrijver was konden wij hem immers niet hebben gemist….” Al snel zouden ze de fout van hun beoordeling inzien en gaan ze hem intens bewonderen.
    Ook schilderkunst, theater en vooral films passseren, waardoor het boek een waardevolle staalkaart geeft van verschenen kunsten.

Haar schizofrene vervoering die jarenlang bedrieglijk haar wereld dienstbaar had gemaakt aan haar eigen plannen zou ze laten varen.
“Handelen, verbonden met alle mensen, strijden, de dood aanvaarden opdat het leven zijn waarde zou behouden: als ik me aan die voorschriften hield zou ik het duister, waaruit de klacht van de mensheid opsteeg, de baas kunnen worden,” zo schrijft ze gedragen aan het slot van de biografie. Het leven was daarmee geen spel meer, maar werd geleefd in een werkelijkheid met een zwaar gewicht, die soms afschuwelijk was en nog altijd is. Haar door de jaren verworven ernst is ook nu geen luxe artikel.

vrijdag 23 januari 2026

Bloesem tocht

Bloesem tocht (2014) is een boek van Rodaan Al Galidi. Al Galidi is een Nederlandse schrijver met een Iraakse achtergrond. Hij is hier als vluchteling gekomen. Hij schreef over vluchtelingen en hun gebrekkige opvang in de romans Holland (2020) en Hoe ik talent voor het leven kreeg.
     Bloesem tocht speelt in een dorp aan de rivier, de Mermeries, van een land dat ongenoemd blijft. Maar ook in dit verhaal komt 'de vreemdeling' voor. Dat is iemand die moet kruipen in plaats van lopen, glimlachten in plaats van schreeuwen en het gif van anderen moet slikken in plaats van het uit te spugen. Zo werden naast de wondere wereld van het dorp
en passant de Hollandse naarlingen ook op de korrel genomen, hoewel het verhaal niet in zijn nieuwe thuisland speelt.

Het boek begint met een tweeledige opdracht:

Voor de aarde, omdat je ons nog draagt
Voor mijn moeder, omdat je me ooit gedragen hebt

De roman beschrijft de zoektocht van een jongen naar wat er achter de jacht op appelbloesem verborgen zit. Zijn opa gaat ieder jaar als de bloemen aan de boom hangen op zijn ezel Miraan – die steun, klankbord en adviseur is – op die tocht en wordt daarbij geleid door de geur van een tak van de boom.
     De ezel staat centraal in het boek en dient om de mooie maan en de stille wereld te dragen. Ezel en opa (maar vooral die tweede) bereiden de kleinzoon voor op het leven. Onderdeel van die levenslessen zijn de mooie kanten, maar ook de Angst, Dood, Twijfel e.d. waarover opa vertelt. Deze verschijnselen komen als personen voorbij en soms praten ze met de jongen van achter de boom op de top van de heuvel. Je moet hierbij als vanzelf aan het vijftiende eeuwse Elckerlyc denken.

In het dorp waar zij, andere dieren, familieleden en dorpelingen leven, hebben de dieren namen en de mensen niet. Opa probeert alle nieuwlichterij buiten te houden en denkt dat dit daarbij helpt. Hij verbiedt de bewoners gewoonweg een naam te hebben. Hij vormt de wereld zoals hij denkt dat ze moet zijn. Dat is zeker niet altijd slechter dan ze is. Dieren hebben er bijvoorbeeld rechten net als mensen. Maar anderzijds wie zich niet houdt aan zijn regels bijt hij of bindt hij vast onder het bijennest. Zijn visies worden uitgewerkt in een vrijwel oneindige hoeveelheid verhalen. 

Van wiki pagina over de buulbuul.

Als zijn kleinzoon vraagt wat wordt bedoeld met de bloesem tocht, antwoord hij: “Kleine, dat zul je op een dag weten maar nu nog niet.” Maaar met die vraag zijn we vertrokken op het pad van het leven en wat die tocht met zich mee brengt. De geur van de bloesem, de boom die in de aarde steekt en tot aan de hemel reikt, en met op zijn takken de buulbuul (zo leer ik als lezer van het bestaan van dat vogeltje), wijst de weg die de ziel zelf wil gaan (anders dan het lichaam dat het pad van anderen wil volgen).
     Bomen spelen een hoofdrol in het boek. Alleen zo komt het bedankje aan de aarde uit de opdracht al terug. 


De verhalen die in het boek verteld worden, willen van de kleinzoon geen held maken. Heldendom wordt vergeleken met je vastbinden op een bootje met wat eten en je dan met de stroom mee van de rivier de zee op laten voeren. Dat is hersenloos. Die aversie tegen moed komt ook terug in de uitleg waarom opa zijn wijsvinger mist. Hij is afgehakt door de Engelsen toen hij nog een kind was, zodat hij de trekker niet over kon halen. Je hebt zo'n vinger alleen nodig als je domoor bent, meent hij op latere leeftijd. 
Het schieten lokt immers alleen maar narigheid uit. Hij bewaart hem als blijvende waarschuwing in een doosje. Oorlog, geweld en de afkeer daaraan komen meer terug. Al Galidi komt uit een land waar lange tijd oorlog woedde. Lafheid is het geheim om in leven te blijven. Het is belangrijker dan het getamboereer op de trommel van de dapperheid.
     Wat God in een van de vele verhalen het meest beangstigde was het
“woedende ijzer, harder dan de duivels, dat tussen hemel en aarde vloog om neer te vallen en op te stijgen.” In een ander verhaal is de Vrede een personage dat zegt: “Hoe spijtig dat de mensen niet meer het verschil kennen tussen mij en de oorlog. Daarom sturen ze soldaten naar mij en boze mannen, moordenaars, politici, mannen van God en mannen van de duivel.” Een personage in een vertelling, die zoekt naar de vrede wordt onnozel genoemd en uitgelachen. Toch gaat hij tegen die weerstand in eigenzinnig op zoek. Als hij de vrede vindt bevalt dit hem uitermate goed.

Onder aan een pagina staat de vraag van de kleinzoon aan zijn opa: “Hadji, wat is een gouden eeuw?” Weer komt Nederland terloops terug in het boek. Al Galidi draait niet om de hete brei heen als hij opa laat antwoorden: “Dat betekent dat je alles wat anderen hebben, mag stelen, en als ze niets hebben, steel je hun leven. Daarna breng je wat je gestolen hebt naar je land. (…) Daarna betaal je luiwammesen, zodat ze hele dagen schilderen, toneelspelen en dichten. Zo overtuig je volgende generaties ervan dat de gouden eeuw niet door dieven en moordenaars van goud was, maar door de kunst.” De Britten kregen er eerder ook al van langs.
     Overigens wordt opa Hadji genoemd, ook al heeft hij nooit de bedevaart naar Mekka gemaakt. Het verleent zijn visies en woorden meer kracht in het dorp zonder dat hij daar een God bij nodig heeft.


Er zijn serieuze gedachten over personen, emoties, vormen van geweld en macht, over vrede en zinneprikkeling. Dat de pers er is om de macht van de president te onderstrepen, wordt als algemeenheid door opa verteld, maar is in de Nederlandse context wat overdreven, hoewel ze over het algemeen binnen een aanvaarde bandbreedte blijft en alles daarbuiten negeert of afkeurt, maar ze staat niet in zijn geheel in dienst van Willem IV of de Premier. Opa hamert ook de politiek af. Ook daar zijn best nuances aan te brengen. Je moet de roman toch ook zien als afkomstig uit de koker van iemand die tot in het Irak van Saddam Hoesein opgroeide, en die in 1998 naar Nederland kwam en een enigszins anarchistische levensvisie heeft.  

Het boek zit vol kleine en grote wijsheden, zoals: “Als je de boom nog hebt, kleine, wees dan niet treurig als je een tak verliest.” Of in het verhaal over het uitvinden door God van het raam in het hart. Dat raam beslaat door het stof van geweld, haat, rancune, onrechtvaardigheid, samenzweringen, leugens en geslijm. Maar als het helder is, wijst het de weg. Je kan het beter niet gebruiken om de weg te vinden naar waar je wilt slapen, maar naar waar je wakker wilt worden na een lange slaap. Een bekend gezegde duikt op: Alleen liefde maakt het hart blind. Die gevleugelde woorden worden met dit verhaal weer afgestoft en glanzend gepoetst, zoals andere verhalen weer andere zaken uit het leven kleur geven. Opa's laatste les is: “Ren!” Een niet onbelangrijke en uit het leven van de schrijver gegrepen.

Het enige manco in Bloesem tocht is dat opa wel erg veel verhalen vertelt, teveel denk je op ¾ van het boek en dan wordt er verrassend toch weer nieuwe zuurstof over de pagina's geblazen; de jongen gaat zelf op verhalen jagen. Zo lees je boek toch weer met plezier uit. Want plezier dat zit er, ondanks de ernst en sombere zaken, volop in.

vrijdag 16 januari 2026

De blinde zonnebloemen



De blinde zonnebloemen* van Alberto Méndez heeft een uitgebreide opdracht over het verwerken van een tragedie. Die opdracht begint met de zin: “ALS JE IETS te boven wilt komen, zul je het eerst moeten aanvaarden, niet de bladzijde omslaan of verdringen.” Rouwen is zo'n situatie onontbeerlijk en Spanje heeft een dergelijk rouwproces niet gekend, zo wordt in die woorden gesteld. Rouw “is het aanvaarden van het bestaan van een leegte.”**
    Méndez zou in het jaar van verschijnen van het boek overlijden. “Op drieënzestigjarige leeftijd publiceerde hij in 2004 zijn eerste verhalenbundel, die in Spanje een groot succes werd. Literaire prijzen volgden, de één na de ander. Toen stierf Méndez, nog in datzelfde jaar, en vervloog voor de uitgever de droom van een nieuw ontdekt talent. Méndez bleef voor altijd de schrijver van één weergaloos boek,” zo merkte recensent Ger Groot bijna twee decennia geleden op. Dat, inderdaad indrukwekkende, boek is samengesteld uit vier licht samenhangende lange verhalen.

In het eerste verhaal
'Eerste nederlaag 1939 of Als het hart kon denken, zou het ophouden met kloppen' duikt een kapitein van het opstandelingen leger van Franco op. Hij heet Alegría. Hij beheert voorraden, verstrekt kleding en munitie en is als zoon van een grootgrondbezitter uit de buurt van Burgos en daarmee van de juiste komaf voor dit leger. Hij heeft ook gewoon een liefje. Kortom niets mis met hem dat het meedoen met de Franquisten zou beletten.
    Deze fascisten staan op het punt Madrid in te nemen als de genoemde droogstoppel overloopt naar de Republikeinen. Hij kijkt neer op hun burgerleger, maar wil geen deel uitmaken van de overwinnaars. Hij ziet dat de oorlog met woekerwinsten aan doden wordt betaald. Hij meent dat het leger er niet is om te willen winnen, maar om te doden.
“Hij had graag uitgelegd waarom hij de troepen die de oorlog zouden winnen de rug toekeerde, waarom hij zich overgaf aan een verslagen leger, waarom hij geen deel wilde uitmaken van de overwinning. Maar de ruwheid van deze mannen benam hem de moed, en hij besloot er opnieuw het zwijgen toe te doen.”
De afgestudeerde jurist meent het zo te doen dat hem geen blaam treft, maar toch wordt hij door de krijgsraad ter dood verdeeld vanwege zijn verraad. Hij had inmiddels al geleerd dat De Wet boven de wetten staat. Tijdens de executie voor de laatste overeind staande muur schampt de kogel langs zijn hoofd. Als hij levend uit het massagraf is gekropen (een gruwelijk beeld) dan krijgt hij eten en water van de bewoners die hem aantreffen: “dat alles, dacht hij, was een teken dat er toch iets menselijks de gruwelen van de oorlog had overleefd. Als hij niet zulke droge lippen had gehad, had Alegría geglimlacht.”
    Op de laatste pagina wordt de tekst overgenomen van een briefje dat uit zijn zak kwam, waarin onder meer de vraag wordt gesteld of de vermoeide soldaten de overwinnaars waren. Met daarop het antwoord: “Nee, zij willen gewoon terug naar huis, waar ze niet zullen aankomen als zegevierende militairen, maar als mensen die van het leven zijn vervreemd, die het eigene ontwend zijn, en langzaam maar zeker zullen ze in verliezers veranderen.” Amen, zou ik bijna toe willen voegen aan dit verhaal, waarin het absurde het verstandige is, en de hel beschrijft die onder ogen moet worden gezien om de rouw mogelijk te maken. 

***

Op de strozak in een berghut werden het skelet van een volwassen man en een zuigeling gevonden. Ze lagen dicht tegen elkaar aan en waren gewikkeld in een schone witte sprei. Daaromheen een wolfsvacht, wol van berggeiten, en het kadaver van een koe. Op een krukje onder een zware steen lag een helemaal volgeschreven ruitjesschrift. Er was verder nauwelijks huisraad. Aan de zoldering hing wel een eenvoudige zwarte jurk.
    In
'Tweede nederlaag: 1940 of Dagboekaantekeningen gevonden in vergetelheid' worden de dagboekaantekeningen pagina voor pagina overgenomen met regelmatig een inleidende opmerking. In de eerste zin krijgen jurk en kind meteen hun plek: “Elena is tijdens de bevalling overleden.” De geliefden zijn gevlucht. Ze wilden zich niet laten pakken door de fascisten. Of het verstandig was hoogzwanger te vertrekken? Nee, maar zij wilde perse mee.
    De man is de moed verloren. Hij wil niet verder zonder haar. Hij ziet geen toekomst voor het kind. Het is een bitterkoude winter. Rond de hut lopen wolven. De koe geeft melk, zolang er onder de sneeuw nog wat gras kan worden gevonden. We zien de twee maandenlang creperen op weg naar de dood.
   Hij is een boer en een schrijver (hij moet schrijven om te weten wat hem beweegt) die door een leraar de liefde voor poëzie heeft leren kennen. Maar nadat de Republiek verslagen was, werd de onderwijzer don Servando gedood, en ze verbrandden al zijn boeken en doodden alle gedichten die in zijn hoofd zaten. Nu zit de man in die ellendige situatie en ziet hij de baby zich mager bewegen, dat alles wordt dag voor dag, blad voor blad, opgeschreven in het schrift.

Het verhaal sluit af met een noot van de fictieve uitgever, waarin het relaas van de schrijver wordt gecontroleerd, zijn naam Eulalio Ceballas Suárez wordt gevonden en dat wordt afgesloten met:
“Als hij degene was die de dagboekaantekeningen in dit schrift heeft geschreven, dan was hij achttien toen hij dat deed, en naar mijn mening is dat geen leeftijd voor zoveel leed.” Het is vrijwel onmogelijk een dergelijk verhaal onder ogen te zien en binnen te laten komen, zonder een filter in te bouwen.

***
'Derde nederlaag: 1941 of De taal van de doden' speelt zich af in de gevangenis. Iedere dag wordt een groep namen afgeroepen om voor de krijgsraad te verschijnen om daar als aan de lopende band ter dood te worden veroordeeld. Ze gaan van de tweede naar de vierde verdieping en worden per groep de volgende ochtend weggebracht om gefusilleerd te worden.
    Celloleraar Juan Senra wordt opgeroepen voor de krijgsraad, maar blijkt de zoon te kennen van de kolonel die de krijgsraad lijdt.
“U heeft hem gekend?” vroeg kolonel Eymar.
    “Ja,” antwoordde Yuan “en redde daarmee zonder het te weten voorlopig zijn leven.” Tussen dat moment en voorlopig krijgen we kijkje in de gevangenis, waar Yuan merkt dat zijn handen die eerder Bach uit de snaren wisten te toveren, met moeite een collega gevangene kunnen vlooien. De leiding onder de gevangen is in handen van een politiek commissaris van de Communistische Partij die er nog steeds voor zorgt dat er niets gebeurt zonder dat hij het weet. Waarom eigenlijk? Wat is het belang van die kennis nog?
    In een brief aan zijn broer schrijft Juan:
“Ik wil niet verder leven met al deze treurigheid, ik geef het op. Ik heb ontdekt dat de taal waarvan ik droomde voor een mooiere wereld in weerkelijkheid de taal van de doden is. Vergeet me niet en zorg dat je gelukkig wordt.”
    Het verhaal kent zoveel subtiliteiten die het dragen dat het niet samen te vatten is zonder de spanning eruit te halen. Maar ook hier is de situatie, het dodelijke gevangenisregime, zo dat de levenslust verziekt wordt. Weer met een donker lichtpuntje: vriendschap blijkt sterker dan de wens te overleven.

***
De
'Vierde nederlaag 1942 of De blinde zonnebloemen'

maakt kwaad. Een katholieke godsdienstwaanzinnige geestelijke (van het soort dat we wel kennen in de fascistische traditie) die na zijn leven als soldaat van de nationalisten les geeft, zit te dicht op de huid van een jongen.
    Als hij moet zingen van de leraar “Zing!”, omdat het de hymne is van hen die hun leven willen geven voor het Vaderland dan duikt zijn moeder op: “Mijn zoon wil voor niemand sterven, hij wil leven voor mij,”zegt ze. Desondanks wordt de leraar verliefd op de moeder en vergrijpt zich aan haar. De in het huis ondergedoken vader reageert. Het brengt het gezin enorm veel leed toe.
    Ze waren hun dochter Elena al verloren die hoogzwanger samen met een dichter gevlucht was. En nu gaat er nog veel meer in het gezin naar de ratsmodee.

Het titelverhaal wordt verteld door drie stemmen. De Katholieke leraar die als biecht brieven schrijft, gezet in cursief schrift, een verteller die in gewoon schrift opgevoerd wordt en door de jongen die in dik gedrukte letters terug kijkt op zijn jeugd.

In de biecht schrijft de 'pater' dat hij zich zo gedesoriënteerd voelt als blinde zonnebloemen. Die mooie titel komt dus van hem. Dit verhaal zou in 2008 verfilmd worden door
José Luis Cuerda, die samen met Rafael Azcona het script schreef.

***

Méndez wordt in
El Pais (20/02/2004) geciteerd wanneer hij zegt dat alle verhalen echt zijn: “Het verhaal van de geëxecuteerde man die uit het graf opstond, is dat van een man genaamd Alegría, met wie ik jaren geleden in Grijalbo heb samengewerkt; Franco's kolonel die overliep naar de Republikeinse kant, enkele uren voor de overwinning bestond ook. Ik heb hem tot kapitein benoemd.” 
     De schrijver is in 1940 geboren en opgegroeid met het aan de macht komen van de fascisten in Spanje. In zijn werk maakte hij mee dat
Ciencia Nueva, een kleine uitgever waar hij bij betrokken was door de Minister voor Informatie en Toerisme Manuel Fraga verboden werd.

We lezen
De blinde zonnebloemen. We vinden het literair geweldig. Maar tegelijkertijd gaan we door op de weg van dagmarsen naar de volgende overwinning, alsof niet al lang duidelijk is dat oorlog meer van mensen vraagt dan goed voor hen is; van oud en jong, van direct betrokkene tot nakomeling. De roep om oorlog, zelfs als dat zou zijn om contradictoir oorlog te voorkomen, klinkt te gemakkelijk, dat maakt dit boek duidelijk.
    Het onderstreept ook dat het vinden van een verhouding met het verleden, ook als dat ongemakkelijk is, niet mag blijven liggen. Ook twintig jaar nadat het boek verschenen is, en een halve eeuw nadat de dictator stierf, is
die roep in Spanje nog steeds nodig. Maar de woorden uit de opdracht gelden niet alleen Spanje vanwege zijn lange dictatuur, maar ook een groot aantal landen waar grote politieke wandaden plaatsvonden. Het is daarmee een belangrijk boek. Nog steeds.

Noten:
* Het verscheen in 2004 als Los Girasoles en werd in 2006 vertaald naar het Nederlands door Eugenie Schoolderman. Méndez kreeg er de Premio Setenil 2004, en postuum de Premio Nacional de Narrativa en de Premio de la Crítica voor.
** Het komt uit het voorwoord geschreven door
Carlos Piera in En los ojos del día; antología poética van Tomás Segovia, de Mexicaanse dichter en schrijver van Spaans afkomst.