Hoe ik talent voor het leven kreeg is een roman van Rodaan Al Galidi uit 2007. Het laat het bestaan in een asielzoekerscentrum (AZC) zien vanuit het gezichtspunt van een van de zoekers, de fictieve vluchteling Semmier Kariem. Het schildert een beeld in donkere kleuren en van een bestaan is nauwelijks sprake. Het is ook een boek waarin van binnenbuitenuit naar Nederland wordt gekeken en dat de Nederlandse samenleving schildert.*
Het is geschreven met humor, vlotte pen, en een zoveel mogelijk positieve kijk op de toekomst en mogelijkheden: “Je manier van denken is in moeilijke situaties soms het enige gat waardoor je aan de realiteit kan ontsnappen,” zo beseft Semmier als hij in Bagdad een vader aan zijn zoontje ziet uitleggen dat de het geen bombardementen zijn, maar het vuurwerk is wat hij ziet. Dat geeft wat lucht.
In een voorwoord wordt uitgelegd dat Rodaan dit boek is gaan schrijven om ermee te antwoorden op de vraag die een man serieus stelde naar zijn leven in het asielzoekerscentrum. Hij stuurde de man iedere maand een stuk van het boek: vanaf 15 oktober 2012 tot 19 mei 2015. Zo werd in ruim 30 maanden een boek bij elkaar geschreven dat in 82 hoofdstukken mee reist met Semmier: van zijn vlucht totdat hij erkend wordt. Dat leven in Nederland begon opgewekt bij het landen. Hij bedacht zich voor het eerst in zijn leven een mens te kunnen zijn. Dat was buiten de Nederlander en meer in het bijzonder buiten de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) gedacht. Het zou al snel een stuk deprimerender uitpakken. Het voorwoord sluit af met de opmerking:
“Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die er voor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.”
In
deze bespreking geen poging om de beklemmende woorden uit de roman
neer te zetten of om de overlap tussen Rodaan en Semmier te
beschrijven. Het wordt een bespreking waarin enkele elementen van het
boek voorbij komen. De luchtige diep donkere sfeer kan immers nooit zo overtuigend
worden overgebracht als de schrijver dit doet. En inderdaad Semmier
en Rodaan hebben veel gemeen; dat is al bekend.
Als Semmier verplaatst wordt
van het Opvang Centrum in Haarlem naar een tijdelijke overloopopvang
bij boer Bouma nabij Assen verbaast hij zich er over dat er geen
militairen, roadblocks
en politieposten zijn die worden gepasseerd. Al snel beseft hij dat
de Nederlanders een andere manier hebben om te disciplineren die deze
afwezigheid verklaart. Een van die methodes is om personen zoals de
vluchteling tot zogenaamde dader te verklaren en bestraffend en
opvoedend toe te spreken en verder geen interesse te hebben in de
werkelijkheid achter het vergrijp. “Bij
elk probleem buiten het AZC waar de asielzoeker bij betrokken is, is
hij de schuldige. Altijd. Ongeacht het soort probleem of wie begon.
Altijd moet de asielzoeker zich aanpassen aan de buitenwereld,
gehoorzaam zijn en onderdanig, of liever nog onzichtbaar.”
Boer
Bouma begon overigens met goede moed met zijn opvang, maar zonder
kennis van zaken en inzicht in zijn gasten. De vluchtelingen gooiden
stenen naar zijn hond, vochten om afstandsbediening bij de
satellietontvanger die hij voor hen kocht, en aten zijn vijver leeg,
alleen de zwaan bleef in leven. De verklaring voor dat laatste: “Ach
hij is zo zielig. En heel eenzaam.”
Vluchteling Fettah is zo bang om iets verkeerd te doen dat
hij probeert er niet te zijn. Hij plakt zich tegen de muren bibberend
als een riet. In het AZC wordt dan ook gezegd: “De
Nederlanders zullen nooit tevreden zijn, zelfs niet als je een Fettah
bent.”
Wil de vluchteling niet gehoorzamen dan wordt hij als een basisschool
leerling in de hoek gezet. Als hij vervolgens het personeel als zijn
tegenstander gaat zien dan wordt de asielzoeker erop gewezen dat hij
in het veilige en sociale Nederland is en niet meer in het land van
herkomst.
Maar de frictie is er meteen.
Jimmy. Het
zoontje van Kristi pakt op het strand (waarnaast het AZC ligt)
speelgoed af en weigert het terug te geven. Als de moeder van het belaagde kind dan voor
haar bloedje opkomt, wordt haar door Kristi verweten dat ze racistisch
is. Ze doet dat zelfs zo overtuigend dat Semmier gaat twijfelen aan
wat hij gezien heeft op het zand aan zee. Jimmy gaat kort daarop naar
een Nederlandse school en wordt daar door juf Nanda zo goed begeleid
dat zijn gedrag vooruit gaat. Nee geen heilige boontjes, maar geef je
kansen en mogelijkheden dan is de kans groter zich te ontwikkelen.
Die macht hebben de Nederlandse instanties en ze weigeren die te
bieden.
Sterker nog als gewaarschuwd wordt voor de gekte van
een van de vluchtelingen die uit een gesloten centrum terug is gekomen, dan
zegt de Sociale Dienst van het AZC: je bent hier niet om voor anderen
te zorgen. Bovendien weten ze heus zelf wel hoe ze het centrum en de
500 mensen die er leven moeten runnen. (Uit Hoe
ik talent ...
blijkt dat ze minstens evenveel niet als wel zien.) Het duurt niet
lang of de man hangt met een touw rond zijn nek aan een boom. Het
gebrek aan empathie, moreel superioriteitsgevoel of zelfs racisme, kreeg dodelijke consequenties.
De asielzoekers staan meestal wel in
overlevingsstand. Ieder op een eigen manier.
Firaas heeft de
gave zijn verhaal overtuigende te brengen. In het centrum krijgt hij
een kamer voor zichzelf, omdat hij zegt homo te zijn. Terwijl alle
vluchtelingen van zijn uitspattingen met vrouwen weten. Hij bekeert
zich ook tot Jezus om zo geholpen te worden door de dominee bij het
verkrijgen van een status. Dit vanuit de visie: Nederlanders geloven
sneller Nederlanders dan vluchtelingen. Ook die opzet slaagt.
Zo komen er nog veel meer mensen voorbij. Dat zijn mensen van
Vluchtelingen Werk, burgers, medewerkers van het AZC, politieagenten,
maar voornamelijk vluchtelingen; van een Russische schone, tot een
onverschrokken Jemeniet, via de Syrische Fatima – die
voortreffelijk kon koken –, en nog tientallen anderen,
naar Milaad die geboren was op de dag dat Semmier in het AZC aan kwam
en waaraan hij de duur van zijn verblijf afmeet. (Dat werden overigens
negen jaar met 500 anderen in een gebouw. Zelden of nooit alleen.
Pfoehh!)
Lang niet iedereen was zo handig als Firaas, had een
bevoorrechte positie of geld om een goede advocaat te betalen en dan
was de kans groot dat je bleef zitten en dat was niet gezond.
“Het waren sterke mannen en vrouwen die arbeiders waren geweest, of
soldaten, rebellen, ingenieurs, artsen, wetenschappers en ga zo maar
door. Na het derde jaar begonnen ze op de een of andere manier de
controle over zichzelf te verliezen (...)”
De gekte drong zich dan op. Semmier constateert bij zichzelf dat hij
steeds meer op zijn hoede is voor de Nederlanders, allemaal: “De
nette, stille, schone straten, die beleefde mensen met hun eindeloze
regels.”
De
medewerkers van het AZC snapten het niet als vluchtelingen bang voor
hen werden: “Het
irriteerde ze, want zij waren toch ook mensen, waarom zou je bang
voor hen zijn?” Waarom
zou je toch bang zijn voor mensen die je zomaar naar een cel kunnen
sturen of je zakgeld inhouden als zij denken dat dit goed is.
Uiteindelijk is er een generaal pardon (een begrip dat wel tot
misverstanden moet leiden) en krijgt ook Semmier zijn
verblijfsstatus.
Als jij als lezer ooit nog eens iets over
vluchtelingen wilt zeggen: bijvoorbeeld dat ze niet welkom zijn. Lees
dan eerst dit boek. Het is bijna twee decennia geleden geschreven en
goed verkocht en moet voor
een paar euro gekocht kunnen worden
.
Huiver dan mee niet over de lenige waarheden van Firaas, of val niet
over een kleinigheid, maar over de zelfvoldane, botte Nederlander binnen en buiten het AZC. Rodaan schreef een boek dat werkt als een spiegel;
we zijn als Nederlanders niet Sneeuwwitje, maar als haar stiefmoeder in
dat glas. Soms zag ik er een glimp van mezelf.
Noot:
*
Later zou hij het boek Holland schrijven met dezelfde thematiek, en
ook met de hoofdpersoon Semmier, maar met veel meer ruimte om juist
dat aspect te benadrukken. Mijn bespreking hier.





_miljoenpoot.jpg)





















