donderdag 20 augustus 2026

A sultan in Palermo

 


A Sultan in Palermo* (2005) is het vierde deel van de het Islam kwintet van Tariq Ali (al eerder besprak ik The book of Saladin uit dezelfde serie). Dit vierde deel speelt halverwege de 12e eeuw op Sicilië. Het eiland wordt in het boek consequent Siqilliya wordt genoemd. Sultan Rujari (van Noormannen komaf) is ziek en probeert door goede sier te maken richting de Christenen uit het Noorden, waarvan de invloed groeit, het overleven van de zijn familie als heersers op het eiland te bestendigen.
     Hij doet dit door zijn onvoorwaardelijke steun aan de Christelijke invloedssfeer te tonen door zijn belangrijkste onderdaan, de Islamitische admiraal en raadsheer Philip Al-Mahdia, te veroordelen tot de dood op de brandstapel. Het was een beleid dat haaks stond op zijn eerdere visie, waarin godsdienstvrijheid juist een voorname plaats innam. Hij is in die andere richting gestuurd door Christelijke fanatici, zoals de monnik Antonio uit Canterbury. Er is steun voor vanuit delen van de adel van Scandinavische oorsprong en de binnengehaalde Lombarden (Italianen uit het noorden).
     Het verhaal tekent de strijd door Christenen uit het noorden tegen de Islam in Zuid-Europa – op de route van de kruisvaarders naar het heilige land – en dit zorgt voor een afnemend vertrouwen bij de tweede groep in een gedeelde toekomst.

Tariq Ali is schrijver van 45 boeken over vooral wereld geschiedenis en politiek. Hij is geboren in Lahore en werd door zijn ouders begin jaren zestig in naar Engeland gestuurd, omdat hij gevaar zou lopen in Pakistan, waar hij zich verzette tegen de dictatuur. Inmiddels is hij vooral bekend vanwege zijn positie binnen de New Left Review en een bekende linkse stem in het Britse debat. In A Sultan... zie je de linkse, en atheïstische invloeden terug die zijn leven kleurden, zonder dat het er dik bovenop ligt. Opvallend is de aandacht voor structuren en schema's rond organisatie en macht. Het duurt door die aanpak wel even voordat de roman gaat leven.

De belangrijkste protagonist in het verhaal is de wetenschapper (cartograaf en botanist) Idrissi. Hij wordt materieel en politiek gesteund door Sultan Rujari ofwel Koning Rogier. Het gaat over zijn ontdekkingen, zijn familieleven (dat verre van soepel verloopt), relaties en amoureuze uitspattingen, zijn breken met de de sultan en zijn twijfel of hij net als zijn vrienden beter kan vertrekken op zoek naar een veiliger plaats om te leven. 

Het vertellen vanuit een wetenschapper geeft de mogelijkheid om de waarde van het verwerven van kennis los van of naast religie te benoemen. Dat gebeurt al op de eerste pagina als de moeder van Idrissi hem duidelijk maakt dat de kennis van voor de profeet ook waarde heeft. Het belang van kennis blijft als thema terugkeren in de roman.
     Idrissi is ook verheugd als hij een dochter krijgt en neemt daarmee afstand van de gedachte dat het bij nakomelingen slechts zou draaien om zoons. En als zijn dochter verliefd wordt op een fluitist is hij verheugd over haar vreugde en niet teleurgesteld dat ze een partner beneden haar stand vond. In hoeverre Idrissi bijna een millennium geleden dergelijke idealen had? Geen idee. Maar het komt aangenaam over. Zoals ook een debat tussen Idrissi en zijn buitenechtelijke liefde Balkis over de dichters Ibn Hamdis en Ibn Quzman prettig is om te lezen. Idrissi houdt meer van die tweede dan van de eerste, maar van de eerste worden woorden geciteerd in de roman:

I exhausted the energies of war
I carried on my shoulders the burdens of peace
*
Het ombrengen van Al-Mahdia leidt tot onrust en opstandigheid onder de moslims op het Sicilië. Opvallend is dat de gewenste terughoudendheid bij een militant antwoord herhaaldelijk wordt bepleit. Dat komt niet voort uit pacifisme, maar is een rationale en strategische keuze. Voor het reageren moet de situatie geschikt zijn, anders zou het de Christelijke troepen slechts aanleiding geven voor een slachting onder de Islamieten en hen ook daar waar ze nog sterk staan (Syracuse en Noto) verzwakken. Een militant antwoord moet worden voorbereid en dat kan jaren duren. Toch wordt wel een dorp aan de invloed van machthebbers ontrokken en er wordt stil gestaan bij de manier waarop dit dorp zich kan handhaven en hoe dergelijke overwinningen ook elders kans van slagen hebben.

De epiloog speelt in de periode 1250-1300 en niet meer op het eiland Sicilië, maar in het stadje Lucera in de spoor op de Italiaanse laars, waarheen de moslims van Sicilië verplaatst zijn. Ook dat gebied viel onder het rijk Siqilliya. Daar konden ze gecontroleerd en beheerst worden en afgeslacht als de machthebbers dat wensten. Door moorden, ze in slavernij te storten en vluchten komt een eind hun bewoning van Zuidelijk Italië.

Als ik het boek bijna uitgelezen heb hoor ik op de radio een stuk van het album Dialogos : Francis of Assisi meets Malik Al-Kamil waar Holland Baroque en het ensemble Constantinople samenwerken. Dat gaat over de ontmoeting tijdens de vijfde kruistocht in het jaar 1219; tussen de hoofdtekst en epiloog van de roman in. Deze muziek laat naast de door Ali verhaalde geschiedenis ook een mooier verhaal zien. Maar ondanks de donkerder werkelijkheid (waarvan de sporen nog bestaan in het dialect van Lucera waarin de taal van de Bourgondiërs doorklinkt, die de gewelddadig en grof leeg gemaakte ruimte vulden) is het goed om ook over die harde geschiedenis van de verdreven moslims te lezen. Die wordt niet weggepoetst met een glimmend historisch voorbeeld dat op zijn best laat zien dat een andere aanpak mogelijk was. Sultan Rujari was in beginsel ook de beroerdste niet, maar de onstandigheden lieten hem een andere kant op bewegen. 
     Het kwintet zou een Noord-Europese tegenhanger kunnen hebben waarin wordt beschreven om welke reden de kruistochten werden georganiseerd en welke tegenstand er tegen bestond. Maar dat kunnen we van de 82-jarige schrijver niet meer verwachten. Ali geeft een aanzet te lezen over de ontwikkelingen aan de randen van de Middellandse Zee en neemt je daarin mee.



Noten:
* De illustratie van de twee luipaarden op de kaft is een veel gebruikt en vercommercialiseerd beeld (o.a. verbonden met een zeepproduct van het eiland), het is een mozaïek uit het paleis in Palermo en volgens het blog Palermo Palace: Monday Mosaic een voorbeeld van interreligieuze samenwerking en deze tekst 'Palermo’s Medieval Mosaics Inspired by Sassanian Art' staat stil bij de invloed van de Sassaniden (een vroeg Perzisch rijk).  
** Elders wordt de ogenschijnlijk zelfde tekst net wat anders geciteerd: (The Kingdom of Sicily, 1100-1250; A Literary History, Karla Mallette, University of Pennsylvania Press, 2011).

vrijdag 14 augustus 2026

Specht en zoon

  

Als de titel Specht en zoon (2004) – dat is geschreven door Jan Willem Otten – de lading van het boek dekt dan gaat het over de puissant rijke vastgoedmakelaar Valéry Specht die een schilderij van zijn zogenaamde aangenomen zwarte zoon wil laten maken.

Het overgrote deel van het verhaal speelt echter in het atelier van de portretschilder Felix Vincent dat gevestigd is in het huis Nimmerdor,* gelegen in het gebied tussen Oud-Valkenveen en Huizen. Niet ver van Laren. Je kan er de lampjes van Almere aan de overkant van het Gooimeer zien flikkeren. Vincent is een gevierd schilder die pietje precies portreteert. Hij wordt vader van een zoon.

Kort nadat de schilder is geïnterviewd voor een glossy door journaliste Minke Dupuis  krijgt hij bezoek van Specht die een flink bedrag biedt voor het schilderen van zijn geadopteerde zoon Singer. Hij nam die mee uit een oorlogsgebied in West-Afrika. Nu is hij dood. Een portret zou hem weer leven inblazen, meent Specht.
    Felix staat niet te springen hij schildert het leven, maar het geboden honorarium maakt veel goed en brengt vooral de wens om Nimmerdor aan te kopen sneller dichterbij. Op grond van videobeelden, verhalen en een polaroid begint hij te schilderen.
     Singer is zwart, mist een duim en is geschapen met een dopje. Zo'n geslacht had ook Tijn, de jeugdvriend van Felix die hij uit het oog verloor. Terugdenken aan die vriend geeft hem de verbeelding die nodig is om van een dood model een levend portret te maken. Maar daardoor gaat ook Tijn voor hem weer leven. Het portret werd zo dubbelop een werk voor mensen die iemand verloren zijn.
     Minke blijkt meer dan een journaliste. Dat valt verrassend plotsklaps uit de lucht. Ook Specht vertelt in eerste instantie maar een deel van het verhaal. Het luxe schilderdoek waarop Singer wordt geschilderd is dan weer meer dan alleen een denkend en tegen zichzelf pratend Zeer Dicht Geweven Vier Maal Universeel Gepareerd stuk gesneden van een twee meter brede rol. Het doek gaat zich identificeren met de geportretteerde.
     Felix zijn vrouw bevalt in het ziekenhuis in een situatie waarin dit nauwelijks past. De schilder heeft naast zijn relatie met Lidewij Langebeen porno en buitenechtelijke seks nodig voor het bevredigen van zijn lust. Singer steekt een spaak in dit wiel. 
      Dat het niet goed zal aflopen, wordt al snel duidelijk in de roman. Dat de relaties tussen de personages meer om het lijf hebben dan in het begin geschetst (het in het begin weglaten daarvan komt zeker rond Dupuis wat verwrongen over) en de goedgelovigheid van de schilder maken pas later stap voor stap duidelijk hoe de verwikkelingen rond Singer op hert linnen uitpakken.

Er komt een scala aan beelddragers voorbij: de beeldbuis voor het bekijken van de video gemaakt van Singer en pornofilms, precies omschreven schilderdoek, polaroids, foto's en een een vluchtige beelden op de verweerde spiegel waarin het portret van Singer zichzelf kan zien.

Het boek is geschreven als een thriller, maar heeft de pretentie meer te zijn dan dat. Er komt een aantal zaken voorbij die de grotere thema's – leven, dood en verlies; angst en belofte; vrijheid en slaaf; liefde en bedrog; waan en waarheid; journalistiek en sensatie; kijken en zien – in de verf moeten zetten, maar het geheel doet gekunsteld aan. Zo brengt de naam van de vers geboren zoon die van Singer en Tijn samen, maar hij is in tegenstelling tot hen wel uitgerust met flinke ballen (de gangbare associatie hierbij past niet bij een net geboren baby). Een Nederlandse schilder Vincent noemen is ook niet te negeren om over Singer maar niet te beginnen.
     De jury van de Libris literatuurprijs was wel vol lof. Specht en zoon viel in de prijzen, want Otten schreef “met grote souplesse en brille...een roman die de glans, de diepte en het mysterie heeft van een scheppingsverhaal. Met Specht en zoon verrijkt Willem Jan Otten de lezer met iets wat hij nog niet kende en waarover hij voorlopig ook niet uitgedacht zal zijn.”

Als het doek verdwenen is en de polaroid ervan overblijft dan zegt de daarop afgebeelde Singer in de zak van Vincent: “Het is krankzinnig, ik heb heel mijn raamwerk en mijn linnen moeten verliezen om zo dicht op iemands huid te zitten.” Het is een aansprekende en veel betekende metafoor. En zo zijn er wel meer. De mogelijkheden van een denkend portret worden flink uitgebuit. Het verbaast zich over de mensen: “(…) die iets willen maken wat ze niet begrijpen.”
     Het schilderij dat lang niet alles van het mensdom snapt en als personage het verhaal binnenstapt is mooi gevonden. Specht en zoon is knap geschreven, maar als verhaal weinig overtuigend. Je kan als schrijver een loopje nemen met de logica van je eigen verhaal. Mij irriteert het. Maar misschien is dat de grotere thematiek, het leven is niet logisch, redelijk of geordend zoals het zou moeten zijn (zelfs niet als het enorm voor de hand zou liggen), maar volgt het stramien van het ganzenbord, inclusief de put en de stappen terug. Zouden er nog mensen in 2026 zijn die om dat te weten een dergelijk boek moeten lezen? Maar ook bij deze positieve uitleg komt het hier buitengewoon verwrongen over. 

Noot:

* Er is daar wel een Nimmerdor, maar dat is de naam van een parkeerplaats in de Naarder-Eng, een startpunt voor een wandeling of het uitlaten van de hond.

Platanen voor BovenIJ ziekenhuis in de winter.

zaterdag 8 augustus 2026

Verjaren

 

Naar Werkendam en weer terug. Tussendoor Dort. Het nuttige met het aangename. De terugweg was ruim tien kilometer korter dan de heenweg. Ergens miste ik een knooppunt dat me op de heenweg over veenkades voerde. Ook toen zag ik het bordje maar net, dat verscholen achter het groen zat. De prachtige knotwilgen wachten maar op een foto.

Een flink deel ging gedeeltelijk door de bijbel belt. Het onvermijdelijke Rust Roest op een woning. Alsof rust niet juist goed is en alsof je veel kan bereiken zonder rust. Het is eerder calvinistische disciplinering en zelfs niet bijbels. Je hoeft alleen Genesis maar te lezen.

De meest wegen en paden waren mooi. Maar er waren er ook die recht met grof asfalt uitnodigden tot het geven van gas bij bestuurders van motoren en auto's. Maar daar zitten dan in het ene veld acht ooievaars netjes op een rij en aan de andere kant van de weg hoor en zie ik een paar kieviten. Ik trap er rustig langs.

In de haven ligt weer een wit flatgebouw om toeristen op de meest klimaatvernielende manier te vervoeren. En ach het was langszij lekker koel met 29,3 ºC. Overmorgen zijn de mensen die het nooit zullen snappen al weer in Skagen, Denemarken. Vrijwel thuis zie ik de flamingo op de pijler van een brug over het Noordzeekanaal. De echte vogels moeten nog even wachter voordat ik ze fietsend bezoek.

Het was twee maal een prachtige waterrijke en landelijke tocht. Met de Vlist, mooie stadjes, dorpjes en twee maal een pont plus een naar Dordrecht.



donderdag 6 augustus 2026

At night all blood is black

 


At night all blood is black van David Diop begint met de twijfel en het afwijzen van het eigen handelen door protagonist Alfa Ndiaye. Zijn sterke vriendschap, zo sterk dat Mademba Diop wel een broer leek, liep mis toen Alfa het verzoek door Mademba om hem te doden negeerde. Mademba lag te sterven op het slagveld buiten de loopgraaf, zijn darmen lagen uit zijn buikholte. Alfa weigerde zelfs na herhaald verzoek een einde aan het leven, eigenlijk het lijden, van zijn 'broer' te maken. Vastgestelde regels gingen boven vriendschap. Zo eindigde die in nodeloze narigheid. Zo zwart kan bloed, zo donker, kan een verhaal zijn. We zijn met de twee Tirailleurs meteen in de waanzin van de Eerste Wereldoorlog beland.

Beide kwamen uit Gandiol, een Senegalese plaats aan de kust, iets zuidelijk van de stad Saint Louis. De een sterft meteen een vreselijke dood. De ander verliest zichzelf in de ellende. De tekst is bezwerend door de herhalingen van zinnen en gedachten. Zo glijdt de lezer mee de geest in van Alfa. Zo kruipt hij mee naar een wraakactie, een volgende, en dan weer een, en nog een. Als er vier mannen met blauwe ogen in de tegenoverliggende loopgraaf zo het leven en een hand hebben verloren en uit de ellende verlost zijn, worden ook de maten in de eigen stelling bang van Alfa. Hij gaat zichzelf zien als een dëmm, een begrip uit het Wolof voor
een bloeddorstige heks, tovenaar of verslinder van zielen.* Het gaat flink mis met hem.

Er zit niets anders op dan Alfa weg van het front naar een kliniek te sturen om daar weer bij zinnen te komen. Hij blijft zichzelf echtere verliezen in zelfbegoocheling, Zijn wanen plaatsen zijn persoon daar waar hij niet is of juist daar waar hij wenst te zijn. Hij beeldt zich liefde in. Hij staat ver van de realiteit. Wat waar is en wat niet wordt hem volstrekt onduidelijk.

De psychiater laat hem tekenen. Allereerst schets hij een portret van zijn moeder en vertelt over haar. Hoe ze uitgehuwelijkt werd aan zijn vader, maar vertrok om opzoek te gaan naar de nomadische stam van haar vader. En nooit terugkwam. Hij tekende Mademba en vertelt over zijn vriendschap en zijn vrijpartij voor vertrek met een meisje uit hun beider dorp en daarbij over “
de zachte zoetheid in een vrouw.” Hij beschrijft ook landbouwbeleid dat niet de mensen voedt, maar de zakken van enkelen vult. Je leert over zijn geschiedenis die hem naar de oorlog dreef, in de verwachting er beter uit te komen. Dat liep anders, want de mens bepaalt niet de omstandigheden, maar de omstandigheden leiden hier de mens. Hij tekende tenslotte tot in detail de zeven handen die hij afsneed (en die daarmee hun greep op hem verloren) en raakte de sympathie van Dr. François kwijt toen die de tekeningen zag.

Zaken gaan door elkaar lopen. In zijn geest en in zijn gevoelens. Bijna als terloops verkracht en vermoord hij de dochter van de arts. Wie hij is? Zijn naam? Hij is het kwijt. De laatste regels van het indrukwekkende boek – “ik denk dat ik het nooit zal vergeten,” merkt Ali Smith op de kaft op –, zijn de woorden:
“… wanneer ik aan ons denk, dan is hij mij en ben ik hem.” De vervreemding, de verwarring is compleet, de pijn te groot. De oorlog komt hier in zijn gruwelen benauwend dichtbij.

Intussen komt ook het over de kling jagen van soldaten de orde. De commandant van Alfa zegt dat Frankrijk van de Chocolaatjes van zwart Afrika houdt, vanwege hun dapperheid, dit terwijl de kranten het alleen maar hebben over hoe ze uitgebuit worden. Intussen blaast diezelfde commandant hard op zijn fluit om ze uit de loopgraaf te jagen naar de overkant. De vijand is door het aanvalssignaal gewaarschuwd en maait zoveel mogelijk van hen neer. Het schijnt er niet toe te doen. Alfa zelf hamert ook op dapperheid. Hij spoorde Mademba aan, terwijl het beter was geweest als beide terug hadden kunnen gaan naar Gandiol. Die georganiseerde ellende zou je bijna vergeten als je zo diep in het hoofd van een enkeling duikt en naar het handelen van een getormenteerd slachtoffers kijkt. Maar die blikvernauwing staat Diop niet toe.

Intussen kom je dan ook nog de mooie frase tegen dat een glimlach tot een glimlach leidt. Dit boek laat zien hoe de verschrikking van de oorlog tot verschrikkelijke mensen kan leiden. Het toont eveneens dat het anders moet kunnen. Bijvoorbeeld door besmettelijke te glunderen.

Noot
* Los van opmerkingen gerelateerd aan deze roman heb ik er nauwelijks iets over de figuur van de dëmm, ook wel demm of dem, kunnen vinden.