vrijdag 17 april 2026

Afrit Akersloot

Carola Houtekamer en Freek Schravesande, een duo NRC-Handelsblad journalisten, schreef Afrit Akersloot met de lange ondertitel: 'Een reis langs plaatsen waar niemand de baas is. Het titelverhaal gaat over het van der Valk Hotel net boven Uitgeest en onder het dorp Akersloot, 'n dorp dat naar een pontje klinkt.

Van der Valk hotel
Het hotel wordt bestiert door Steve en Sanne. Niet met zoveel buitensporige ziel en zaligheid als zijn ouders er in stopten, maar met zo'n zestig uur per week nog steeds fors. Het verhaal beschrijft een van de loten aan de familie-Van-der-Valk-hotelketenboom (nu al in zijn zesde generatie) en vat in snelle streken het begin en wat daar tussenin lag. Ook de broers en zus van Steve hebben zo'n hotel. In die zin gaat het juist over een familiestamboom vol bazen. Maar het gaat ook over de gasten: de vertegenwoordiger die zijn relaties warm houdt, de directeur die zijn secretaresse warm houdt, het Marokkaanse stelletje dat de vorsende blik van de ouders ontvlucht, de leisuregasten op e-motorfiets, opa en oma met kleinkinderen, leiderschapstrainers etc. Die gasten lijken redelijk vrij in hun doen en laten, ook al wordt niet alles gewaardeerd. Je belandt met de schrijvers tussen hen, het personeel, en daarmee in kringen die je niet kent.
     De opdracht aan journalisten zoals verwoord in de inleiding en die eerder gebruikt werd door Gerard van Westerloo en Elma Verhey, was zoek een plek waar niks aan de hand is, ga zonder plan, spreek met iedereen (niet over ze) en stop pas als je verhaal af is. Hier gebeurt dat.
     Deze eerste reportage is de op een na langste van het boek en belooft veel voor de rest.
Plaats delict
Het volgende korte hoofdstuk speelt in Hardinxveld-Giesendam. Het beschrijft het moeilijke leven van een man die dood en verzwaard in het kanaal eindigde en vergeten had moeten worden. Maar een visser haalde hem boven. Er wordt in en rond het dorp gesproken met mensen die de moord toejuichen, het slachtoffer zagen als iemand die expres kindertjes op de dijk probeerde aan te rijden, en een
ander die juist de mooie kanten van Johan zag en er op wees dat hij cadeautjes voor zijn kinderen meenam. Het gaat over ruzie, de kop en het maaiveld, nieuwkomers in een gesloten gemeenschap en over dat iedereen zijn verhaaltje klaar heeft en dat de kroeg als tamtam werkt.
Industrieterrein
In Nederland zijn overal industrie-terreinen vol prefab loodsen, kantoren, magazijnen e.d. Het zijn plekken waar je nog niet dood gevonden wilt worden. In totaal waren er (in de tijd dat boek geschreven werd) 4.148 met een totale oppervlakte 841 km‘. Er werkten 7.000 mensen bij 265 bedrijven op het hier besproken terrein: de Liesbosch bij Nieuwegein. Samen drinken die dagelijks zo'n 3.500 liter koffie (of wat er op lijkt). Feiten zijn inderdaad deel van het verhaal.
     Veel van de infrastructuur is niet eens van de gemeente; het onderhoud laat dan ook te wensen over. Je ziet op zo'n plek heel veel, maar dus ook
het belang van een overheid.
     Er is van alles van bouwmarkt, hengelsportverzendhuis, tot bordeel en Portugese kerk. Of alle vier duizend terreinen zo kleurrijk zijn? Geen idee, maar een verhaal als dit verandert en verruimt je kijk op dergelijke terreinen.
Schiphol

'Een zomer rondhangen op Schiphol,' heet het volgende hoofdstuk. Het is verdeeld in negen sub-hoofdstukjes. Het linkt passief: rondhangen. Hoewel het werk van de journalist nauwelijks wordt genoemd – en eigenlijk alleen als stoorzender bij het werk – begrijp je als lezer dat je niet vanzelf mee kan kijken in de ruimte van de luchtverkeersleiders; dat spreken met de observant in burger pas kan na herhaalde verzoeken; en in de bagageafhandeling zien ze liever geen vreemden. Toch wordt ook vanuit die krochten over Schiphol gesproken.
     Maar ook daklozen – Iris:
“Ik dacht al wanneer komt ze bij mij” – en schoonmaker Ali komen aan het woord. Schiphol is geen Nederland. Dat zie je meteen. Het is een vluchtige stad met gladgeboende straten en glazen wanden, winkels met drank, peperdure diamanten en IT-consumententech. Zoals Schiphol zijn er nog honderden anderen plekken, veel maar op een paar uur afstand. Maar Stad? 
     Is Schiphol niet vooral een lawaaierig 'logistiek proces' om tientallen miljoenen mensen, hun bagage en vracht snel en vervuilend van A naar B te brengen? Ik denk het vooringenomen wel. Bij schrijfster Tokarczuk kwam ik al eens 'de topografische reispsychoanalyse' tegen om het snelle reizen door de lucht te kunnen begrijpen en om aan die duiding geld te verdienen. Het beeld van het vliegveld als een stad, blijft wankelend overeind, maar wel als net niet kloppende metafoor.

Camping
Daarna naar Brabant, een camping met vaste bewoners in stacaravans. Zo'n camping waar je uitgerust met een klein tentje meteen ziet dat je er niet past, en vaak ook niet wilt passen. Hier loopt het flink mis. De eerste inleidende alinea sluit af met de zin: “Ze heeft zojuist een moord gepleegd.” Ze is Lenie H. Ze schoot met een Heckler & Koch pistool de campingbaas in zijn gezicht om vrijwel niets: een akkefietje, onvrede met alles en bijna iedereen, en uit een soort melige verveling. Schiet jij of schiet ik, overlegde ze met haar vriend vlak voordat zij het deed. Richten en een kleine knik met de wijsvinger en de partner van de campingbaas blijft achter met haar twee zoons. Een week werk, met als resultaat schrijnend portret in negen pagina's. 

Haagse volksbuurt

In de Haagse Spoorwijk is armoede troef (het gemiddelde maandinkomen lag er met €1.500 p.m. bijna en kwart onder het Nederlandse gemiddelde van €1.933), er is een afkeer van gezag (in volgorde van aversie: de gemeente, het Binnenhof, de EU, woningbouwvereniging Vestia en de politie). Maar er is ook boven gemiddeld veel saamhorigheid (wat elders in het land noaberschap is gaan heten, alsof het alleen op het platteland voorkomt).
     Een moeder van zes zonen had haar huis altijd openstaan voor hen en hun vrienden. Uit die huiskamer zou de Quote 500 bende geboren worden. Een groep die inbrak bij de extreem rijken en gepakt zou worden. Het heette een slag voor de georganiseerde criminaliteit. Er wordt om gelachen in Spoorwijk. Niets is hier georganiseerd, zegt de wijkfilosoof:
“Misdaad niet, relaties niet, kinderen niet. Het komt op je pad.” Moeder, de Haagse versie van Ma Baker, moet vertrekken van Vestia, maar de bewoners startten een handtekeningenactie voor haar. “Op de lijst staan namen van alle nationaliteiten. Er is niemand die haar iets verwijt. 'Het is een hele lieve vrouw'.” Het zijn woorden uit een andere wereld met eigen mores. Intussen wordt het aangelegde parkje zo deugdzaam bewaakt dat vrijwel niemand er komt. Regels en normen van buitenaf kunnen de plank flink misslaan.
     Er is meer. Er zijn Centraal Aziaten en Oost-Europeanen die 's morgens heel vroeg met busjes gehaald worden om voor een grijpstuiver te werken. Iets later worden de inpakkers en plukkers voor in de kassen opgehaald en nog weer later de mensen met een net wat beter baantje, heftrucchauffeur wordt in dit verband genoemd. In het algemeen geldt hoe later op de ochtend je vertrekt, hoe beter je positie. Maar uurlonen zijn voor die hele klasse van arbeiders zonder (normale) status extreem laag.
     Weer dompelen de schrijvers de lezer onder in een onbekende wereld, de wereld van het dorp in de stad. Daar waar een Arubaanse ex-marinier zich niet liet wegpesten door de buurtschoffies, waar moeders het bindmiddel zijn, omdat de vaders vaak vertrokken. Waar pas bij een weerbaarheidstraining wordt geleerd dat je ook 'nee' tegen je kinderen kunt zeggen.
     Je weet zeker dat er veel meer van dit soort stukken geschreven kunnen worden en dat ze er toe doen.

Borssele
Afslag Akersloot sluit af met een verhaal om een dagje rond te gaan hangen bij de kerncentrale in Borssele. Het werd maar een moment. De schrijvers kwamen er per lift en de liftgever vond dat de journalisten beter met hem mee konden gaan. Zo werd het hoofdstuk een verhaal over een Italiaan die in Zeeland terecht was gekomen. Dit voorbeeld van gastvrijheid die het plan wegvaagde, was wel de kortste en minst interessante van de zeven rapportages.

De stukken zouden zomaar voorstudies voor (delen van) een roman kunnen zijn. Ze lezen ook in deze rapportage stijl al fijn weg. Het aanrommelen zonder deadlines, zonder voortgangsrapportages, en zonder outlines vooraf, leveren een kijk op de wereld naast je, die je misschien niet ziet, maar door dergelijke stukken wel meer gaat zien. Achter een krantenbericht, zoals 'Vrouw vermoord campingbaas om onbekende reden,' blijkt een verhaal schuil te gaan met meer kanten dan gedacht. Georganiseerde misdaad blijkt een enorme overdrijving en raakt kant noch wal en daarmee komt de verkeerde oplossing.
     Niet de Staat-maar-de-Straatjournalistiek slaat vaak door naar rapportages waarin een microfoon onder de neus wordt geduwd van iemand die 'Weet ik veel,' zou kunnen zeggen, maar uit zelfrespect of teveel eigendunk toch liever met een mening komt, ongefundeerd of niet. Hier is ook de samenleving aan het woord, maar wel in vorm die het waarde geeft en de lezer inzicht en context. Ik heb het boek gelezen zoals ik ook romans lees. Meer van dit.


vrijdag 10 april 2026

Fair Play

Fair play (1989) is een boekje geschreven door Tove Jansson. Het speelt grotendeels op een eiland van de Finse Scherenkust, een van de mooiste gebieden van West-Europa. Jonna en Mari wonen er elk aan een kant van een appartementencomplex. Via de zoldergang kunnen ze elkaar bereiken. Beide zijn kunstzinnig, de een graficus de ander schrijft en tekent.

Het boek bevat foto's van de schrijfster die vooral bekend is van de verhalen over de Moemins en anderen wezens in hun bijzondere leefwereld. Fair Play is geen fantasieverhaal, maar gaat over de twee vrouwen, hun relatie en wat ze beleven. Marja Pruis beschreef voor de Groene Amsterdammer onder meer de overlap tussen fictie en werkelijkheid. Is het een verhaal, een roman, of zijn het losse verhalen? Of zijn het losse verhalen die samen een op de werekelijkheid gebouwde roman vormen? Dat laatste lijkt me.

Een groot deel speelt in Finland: in het atelier van Jonna, het huis van Mari, in een bootje of achter de TV waar ze een film bekijken. Maar er wordt ook gereisd, zoals naar de grote stad Phoenix waar ze in hotel Majestic verblijven. Het is een hotel met een kleine,
oude portier, een heel oude liftbediende (het hele hotel is op leeftijd), en het levendige kamermeisje Verity; dat los van die functiebenaming toch groot is, met rode wangen, en een bos zwart haar. Ze vat haar taak om de kamer in orde te brengen nogal ruim en met speelsheid op. Als de twee zeggen dat Phoenix een doodse stad is dan neemt zij ze mee naar Annie's bar waar de hit 'A horse with no name' uit de jukebox komt.
     Net als in alle andere hoofdstukken loopt alles net wat anders dan je verwacht dat het zou moeten lopen, verschillen de gesprekken van de gesprekken die je kent, en wordt gefilmd wat niet geflimd kan worden, maar slagen sommige beelden niettemin goed. 



Op de voorkant staat een tekst van schrijfster Ester Freud: “Een boek over liefde – teder, excentriek en uiterst onafhankelijk van geest. Het voelt als een voorrecht het te mogen lezen.” Het is een een tekst die het boek past als een schipperstrui, met daarin wat gaten. Ik zou schrijven “liefde, frictie en vriendschap – teder, soms ook wat direct, bot, exentriek, en uiterst...”. Het is een prettig boekje, waarin valse opsmuk is verdwenen en dat grotendeels speelt in een beperkte ruimte, maar waar toch heel veel gebeurt.

Er is een storm en de boot van Jonna, de Viktoria, ligt op het water aan vier touwen. Zal die boot het houden? Niet zinken? Zeker als het bij de stevige wind ook gaat stortregenen is die kans groot en dan kunnen de vrouwen hem niet meer bewaken. Hoe diep is het water op die plek, liggen er stenen waartegen ze kapot kan slaan, is het rustig daar beneden? Naast deze metaforische vragen vertellen beide vrouwen grotendeels langs elkaar heen over de mooie avonturen met en van hun vaders, die allebei Viktor heetten. De Viktoria zou de storm overleven. Het hoofdstuk, schijnbaar een miniverhaal, gaat over meer dan deze haasje-over-beeldspraak, zoals over oplossingen zoeken (en niet vinden), het niet nodeloos praten, maar ook over het vergeten zijn aan de vaders vragen te stellen om meer over ze te leren. Er waren andere bezigheden die de aandacht opeisten toen ze jonger waren, zoals werk en verliefd zijn:
“Maar we hadden het toch best kunnen vragen”.

Voor de heruitgave van het boek schreef de Schotse schrijfster Ali Smith een inleiding. In een tekst van acht pagina's pluist ze het boek uit en zet de schrijfster neer met haar eigen woorden:
“Werk is het belangrijkste voor me. En daarna liefde.” Het is een citaat dat Mari, maar ook Jonna typeert. Jansson schreef elf boeken specifiek voor volwassenen. Smith noemt de Janssonstraditie: over niets bijzonders gaan en toch over alles. Tegelijkertijd gaat Fair Play niet gering “over hoe je oude manieren van kijken kunt afschudden, dingen anders kunt zien, verlost kunt raken van wat 'hopeloos conventioneel' is en dat vervangen door iets hoopvollers,” zo stelt Smith. Bewonderend schrijft ze over hoe de relatie tussen de beide vrouwen wordt beschreven. Fair Play is een kunst.”

Tove Jansson’s met partner Tuulikki Pietilä bij hun
huisje op Klovharu. (Foto opgenomen in boek, hij is ook
in kleur op het internet te vinden.)


Op de voorpagina een tekening van Jansson. Achterop staat ze zwemmend met wat op het eerste gezicht een geweldige badmuts lijkt, maar een bloemenkrans is. Beide beelden en een aantal foto's in het binnenwerk krijgt de lezer erbij. En dan zit ook het karakter met een K, de lange Wadyslav nog in het boek. Hij is een poppenmaker en -speler van 92 jaar met schijnbaar eindeloze hoeveelheden energie die meent dat het enige dat van belang is: “niet moe worden, nooit ongeïnteresseerd of onverschillig raken of je kostbare nieuwsgierigheid verliezen – dan sta je jezelf toe te sterven. Zo simpel is het, nietwaar?” Amen.

vrijdag 3 april 2026

Brooklyn



Brooklyn
(2009) door Colm Tóibín is een deel van een serie. Het volgende deel Long Island stond in mijn lijstje te lezen boeken. Waarom? Geen idee meer. Maar Long Island (2024) was niet aanwezig in de bieb. Daardoor werd het – beter nog – 't eerste deel uit de serie.

Brooklyn is eenvoudig samen te vatten: begin jaren vijftig vertrekt Eilis Lacey vanuit het Ierse Enniscorthy naar het stadsdeel van New York, dat zuidoostelijk van Manhattan ligt, om daar meer kans te maken op een baan op haar niveau. Haar broers zijn al vertrokken naar Engeland om daar te werken. Eilis zet een nog grotere stap. Net als veel landgenoten, zowel voor als na haar deden. Het uitgewaaierde gezin legt hutje bij mutje om haar overtocht te bekostigen.

Haar landing in Brooklyn wordt geregeld door pater Flood, die er een Ierse parochie bestiert. Hij organiseert er kerstmaaltijden voor de Ieren van allerlei komaf. Er zijn vrijdagavonden met dansfeesten om geld binnen te brengen voor zijn kerk. Eilis helpt hem, zoals hij haar hielp. Ze heeft een baan in een groot warenhuis en leert boekhouden op een avondschool. Haar drukke bezigheden moeten de heimwee wegwerken. Als er ook een relatie bij komt, is vrijwel de hele week gevuld.

In het warenhuis wordt een soort dolle nylondag georganiseerd. Van te voren is niet bekend dat de koopjesjagers terecht kunnen voor de ladderende kousen, maar als het begint dan komen de koopsters er massaal op af. Een andere ontwikkeling is dat er aanbod is voor de gekleurde bevolking. In het huis waar Eilis woont, wordt van dit tweede schande gesproken, maar het zou wennen. Zo pik je terloops nog wat mee over de groei van het consumentisme in de jaren kort na de Tweede Wereldoorlog.

Naast heimwee zijn er na-ijver en roddel en achterklap die haar leven moeilijk maken. Langzaamaan vindt Eilis ver van huis echter een nieuw bestaan met nieuwe contacten, met werk dat weinig boeiend is, maar dat wel loopt, met vriendje Tony, lessen en boeken. Met een cheffin die niet genoeg van haar kan zien. Tony geeft Eilis aandacht en is grappig en onderhoudend. Alles zit mee. Dat moet wel fout gaan.

Dat doet het ook. Het moment dat misloopt wordt meteen gevolgd door een stevige vrijpartij die ik in dit boek niet zag aankomen. Wordt dat een oorzaak van het verder mislopen of is er al genoeg dat het leven compliceert? In ieder geval wordt onderstreept dat wat in Ierland gebeurt ver weg is als ze in New York is. Het is alsof de twee werelden verbonden zijn maar nog meer los van elkaar staan.

In Ierland kan ze niet denken aan Tony anders dan iemand waar ze mee verbonden is of ze dit nu leuk vond of niet. Hij was iemand die haar niet zou toestaan hem te vergeten en die haar terugkeer naar New York wenste. Tony en de toekomst van Eilis? Het antwoord op die vraag kan niet onverdeeld positief zijn. Hij wortelt in een andere migranten gemeenschap, met eigen mores en kijk op hoe het hoort.

Haar moeder is zielig en speelt daarmee. Wat haar dochter wenst, is voor haar van gering belang tot niet aanwezig. Die heeft het idee dat ze door haar moeder gemanipuleerd wordt. De knellende normen en waarden zorgen er voor dat ze veel niet vertelt, waardoor het leven niet makkelijker wordt. Als je zaken verzwijgt, wanneer ga je ze dan wel vertellen? Er zijn zaken die je niet kunt blijven verzwijgen. Zorgen de 
dorpse, benauwende en sturende omstandigheden ervoor dat Eilis zwicht voor de pogingen haar permanent terug te halen naar Ierland.

Dorps is hier verkeerd gekozen. Ook in Brooklyn is de kans groot dat men je afrekent als je uit de pas loopt en ook in dat grote stadsdeel van een metropool is de kans aanwezig dat men via via hoort wat je doet en daarop reageert. Dwingend conservatisme is misschien een betere omschrijving, los van stad of , dorp. Het is zelfs mogelijk dat via de vele Ierse trans-Atlantische relaties bekend wordt wat je aan de overkant van de oceaan deed. In de stad is de kans wel groter dat je uit de opgedrongen groep stapt.

Overigens is van totaal roze geluk en geheel donkere tegenslag in Brooklyn geen sprake; in alle situaties duiken ook de tegenoverliggende emoties, voorvallen en ontwikkelingen op. Om te weten wat er aan de overkant van de Atlantische Oceaan zal gebeuren kan ik Long Island lezen. Ik kijk er naar uit.

Daarna is er nog
Nora Webster (2014), waarin de moeder van van Eilis voorkomt en dat gaat “over een andere strijd van een vrouw uit Enniscorthy voor zelfstandigheid,” zoals A.O. Scott het in de New Yorks Times schreef (13 mei 2024). Dat boek speelt in de jaren zestig en zeventig.  

Het komt zelden voor dat je het gevoel hebt in een roman zo dicht op de ontwikkelingen en het hoofdpersonage te zitten. Het is met lichte en eenvoudige, maar overtuigende pennestreken geschreven. Dat het naast een persoonlijk verhaal gaat over een belangrijk deel van de Europese geschiedenis – de Ierse migratie naar de Verenigde Staten – is meegenomen. Die migratie stromen mogen dan over hun hoogtepunt heen zijn als Eilis gaat, ze zijn aan beide zijden van de Atlantische Oceaan duidelijk zichtbaar. 
     Door de relatie met een Italiaan komt ook een andere belangrijke groep in beeld en de leraar op de avondschool is in de oorlog zijn familie verloren. Hij is van Joodse afkomst. Maar het is vooral het verhaal over een jonge vrouw in een nieuwe wereld.
 Waarom weet ik dus niet meer, maar het was niet verkeerd een boek van succesauteur Tóibín op mijn lijstje te zetten.

vrijdag 27 maart 2026

Dichter op de Zeedijk

Dichter op de Zeedijk door Kees van Beijnum vertelt het verhaal van Constance. Hij is een tiener die door zijn grootmoeder met harde hand, en ook verhuld liefdevol, wordt opgevoed. Oma is kroegbaas en een stevige tante die haar positie op de Dijk en in haar café de Rode Laars weet te verdedigen; als het kan met haar grote bek, als het nodig is met spierkracht. Er hangen allerlei types aan de bar. Een vaste klant die vanuit het café naar zijn werk gaat, ligt er op een moment 's morgens zelfs dood met zijn pet op. Bijna alsof hij slaapt.

Wanneer speelt het? De Zeedijk werd in de jaren zeventig een hangplek voor heroïne verslaafden. Je ziet dat in dit boek al een beetje aankomen, maar het verhaal speelt eerder. In de jukebox zitten Bill Haley met See you later alligator (1956), Bye Bye Love van de Everly Brothers (1958) en Pim Maas die in 1959 de titel “de Elvis Presley van de Nieuwendijk (...)” kreeg. Tegen het einde van het boek komt niet alleen de irritant genoemde muziek van Hank Williams voorbij, maar ook Twenty Four Hours From Tulsa van Gene Pitney (1964). 

Tekst loopt door onder de muziek.


 

Uit een andere hoek komt voetballer Henk Groot, tenminste die het moet wel zijn als geschreven wordt:

“In zijn winkeltje stond hij de hele dag in zijn eentje, tussen wat voor hem en definitief achter hem lag. Op graaiafstand van pakjes sigaretten, rolletjes pepermunt en, onder de toonbank. 'naaktstudies'. Hij verkocht kaartjes voor de thuiswedstrijden van zijn oude club, terwijl zijn eigen heldenjaren verkruimeld waren tot enkele bleke vaantjes aan de muur en de ingelijste foto ('kampioenselftal 1959-1960') waarop hij gehurkt in het midden zat – een leren knikker onder zijn gespreide vingers (…).” 
     Die vingers zijn dan weer van
zijn broer Cees, ook voetballer, Henks winkel ging in 1962 open. Niet in Amsterdam, zoals in het boek, maar in Koog aan de Zaan. Henk Groot komt later nog eens voor. Nu als bijnaam voor Muis die tijdens het Rock en Roll dansen haar hoofd per ongeluk in het kruis van haar danspartner plaatste. Henk Groot “maak ze ook allemaal met 't koppie.” Vandaar. Het is duidelijk we zitten in de jaren zestig.

De dichter op de dijk is de schim van Vondel die eind 16e en in de 17e eeuw leefde. Joost praat met Constance over normen en waarden, wat de mensen rond de dijk doen en waarom, en hoe gedichten horen te zijn: met de juiste vorm, het goede metrum en rijm om de tekst vaart te geven. Constance weet dat de visies van de dichter met het karakteristieke smalle baardje gedateerd zijn. Hij zoekt naar zijn eigen stem bij het dichten, om zijn eigen gevoel te verwoorden:

Morgen rijd ik met bedwelmende
bloemen naar je toe
ik wil niet langer wachten einde
lijk weten hoe
je bent, de bloemen zullen je verraden
De gedachten worden hem teveel. Hij wankelt en valt. Overvallen door koorts en vooral door liefde. “Het was vreselijk. Het was heerlijk.”

Afbraak Haarlemmer Houttuinen door Otto Boudewijn de Kat.
(1974 ) Collectie Amsterdam Museum. Zie.

Voorbij het centraal station gaat Constance met zijn vriend Ben de Haarlemmerbuurt in om daar hout voor een bootje te kopen dat ze samen gaan maken. Daar liggen de 'houtsloperijen' (ik vind geen informatie rond dat woord, wel iets over een houthandel). De buurt waar ze heen gingen, stond destijds op de valreep van een grote verandering. In de jaren zeventig ging een groot deel plat.
     Het boek handelt in een herkenbaar stuk Amsterdam. Zelfs als Constance en Muis met de pont naar Noord oversteken, waar ze intiem teder in het gras gaan liggen, zie je meteen de dijk langs het Noord-Hollandslanaal opdoemen. O ja, Muis is het mooie barmeisje dat oma met kennersblik heeft aangenomen. Ze zou inderdaad veel klanten trekken.

Los van alle herkenbaarheid en feitjes leest
Dichter op de Zeedijk prettig weg. Het boek is sfeer-, liefdevol en hard. Constance is kind, puber en vroegwijs. Er is de fijne band tussen hem en Muis. Zijn vriendschap met de veel oudere Ben wordt prachtig in de verf gezet. Die intieme relaties romantiseren de situatie op de Dijk niet. Daarvoor wordt teveel in alcohol geweekt en onenigheid opgelost met kopstoten en vuisten. Toch is daar wonen en opgroeien niet iets om je voor te schamen, maar anderzijds ook niet voor iedereen weggelegd.