How to
be both van Ali
Smithbegint met het doen en laten van de schilder Francesco
del Cossadie
bijna 600 jaar geleden leefde. Hij was volgens de roman vergeten,
maar doordat hij zijn opdrachtgever de regionale heerser Borso
d'Este, schriftelijk opslag vroeg en deze brief bewaard is gebleven, bleef zijn
naam bekend en konden ook andere werken aan hem worden toegeschreven. Zijn
grootste klus was beschilderen van een ruime in het Palazzo
Schifanoia
in Ferara.
Dat deed hij in de werkelijkheid samen met Cosmo
(Cosimo
Tura).
Die speelt in het boek een rol op de achtergrond, en wordt genoemd
als adviseur, leraar, hofschilder, en schilder van ander werk. In het
geval van het paleis kwam hij twee keer kort “als
een zwaan binnen gegleden en deed een kleinigheid,” zo vertelt Del Cossa in de roman. In het
paleis komen later in de geschiedenis de goed bewaarde fresco's tevoorschijn van achter
een laag verf die erover geschilderd was. Het
roman personage Del Cossa verwijst regelmatig naar het boekwerk over
schilderkunst van de grote Alberti (De
pictura
van Leon
Battista Alberti)
die leefde van 1404 tot 1472.
Veel is er niet bekend over Del
Cossa's leven, maar Smith put uitbundig uit wat voorhanden is. Die gegevens heeft ze aangepast en aangevuld met wat nodig was voor het verhaal. Het werd voorzien van franje, zoals bij een bordeelbezoek waar hij de
vrouw die voor hem gekozen was om seks mee te hebben – betaald door een
bemiddelde vriend – in plaats daarvan tekende en hij naast
haar in slaap viel. Het hele huis van plezier wilde vervolgens wel zo'n tekening
en het maakte hem er immens populair. De meer gebruikelijke
activiteiten in een dergelijke gelegenheid kwamen onvermijdelijk ook. Dat Del
Cossa zoon was van een vader die muren bouwde is dan weer aan de
bekende geschiedenis ontleend.
Vreemd
is dat twee moderne
jongeren naar het werk kijken en dat de schilder dit kon zien. Het
meisje hield een plaat vast waarop liefdesperikelen te zien waren
omgeven met muziekklanken en de afgebeelde personen dansende bewegingen
maakten. Nu herkennen we daar
meteen een mobieltje in met op het scherm een muziekclip. Del Cossa
kende dat niet. Die jongen, wie was hij? Haar vriend? Haar
broer? De schilder denkt het laatste. Veel meer dan sluimeren op de
achtergrond doet deze magisch realistische aanwezigheid van jongen en meisje niet. Het
draait vooral om de kunstenaar en zijn kunst. Het beschilderen van de
ruimte in het paleis wordt beschreven met aandacht voor het
werk en voor de details (waar het werk van Del Cossa en Tura inderdaad toe
uitnodigt). In het tweede deel blijkt dat de twee jongeren
samen met de moeder naar het paleis zijn afgereisd om het werk te
bekijken.
Magisch lijkt ook de beschrijving van de reële aanwezigheid van een verbeelde creatie of persoon:
“Schilder
een roos, een muntstuk, een eend of een baksteen en je zal het
met zekerheid voelen alsof de munt een mond had en je vertelde wat
het was om een geldstuk te zijn, alsof een roos je zelf verklaarde wat bloemblaadjes zijn, hun zacht- en vochtigheid als een vlies van
kleur dunner en gevoeliger dan een ooglid, alsof een eend je vertelde
over de natheid en de gelijktijdig droge onderliggende veren, of een
baksteen over de ruwe kus van zijn huid.”
Het is er niet echt, maar het schijnt wel zo. Die vermenging is ook aanwezig in de beschrijving van een geschilderde, aan de haak geslagen, en krachtige vis, waaraan de lijn
moest worden doorgesneden, zodat de hij aan de vangst kon ontsnappen.
“Juist
daardoor is het de beste vis die ik ving, de vis die ik niet ving,
omdat het de vis is die nu altijd bij me blijft en nooit gegeten zal
worden, hij zal nooit sterven, zal nooit op het land belanden,”
zei de schilder. De verbeelding werd tot werkelijkheid. Nog
een voorbeeld van zijn en niet zijn. Hier in de vorm van een
intellectueel spelletje. Wat was er eerst de ondergeschilderde fresco of de schildering daaroverheen? Volgens dochter George de onderste. Moeder
betwijfelt dit want het eerste wat we zien is wat aan de oppervlakte
ligt. Als we niet weten dat er iets onder is zou dat ook niet
kunnen bestaan. De gesprekken tussen moeder en dochter zijn regelmatig op het
scherpst van de spitsvondige snede en aangenaam om te volgen.
Allegory of May by Francesco del Cossa
Het opzoeken
van de in het boek genoemde beelden “vergroot
zeker het leesplezier, verrijkt de ervaring van het omgaan met de
tekst, voegt een dimensie toe aan het puur verbale materiaal van het
verhaal en zet op een andere manier de aandacht voor het zien voort
die in het hele boek aanwezig is,”
merkt Engelse literatuur wetenschapper Derek Attridge op (PDF,
p . 172). Deze beelden zijn er gewoon, of ze nu op de omslag staan of – als je
dat wilt – op te zoeken (voor werken van Cossa en
Tura zie bijvoorbeeld hier).
Daar is geen magisch realisme voor nodig.
______ ______
In het tweede deel
zal de moeder overlijden en verwerkt George haar verdriet.
Rouwverwerking is een gewild thema voor romans. Ook hier speelt het
schijnbaar toevallig, zonder opdringerig te zijn, een grote rol. Beetje bij beetje wordt verwerkt dat moeder er niet meer is. Na verloop van tijd verschijnt weer een lach op George's gezicht. De overleden moeder was een econome,
journaliste en Internet Guerilla Interventioniste. (Tegelijk met How
to be both
las ik een
boek over kunst-activisme
en soms liepen beide boeken samen op, zoals bijvoorbeeld als in het tweede wordt beschreven hoe actiegroep fierce pussy taal ziet als een constant geschapen en herschapen wezen, dat
lijkt te ademen. Door de moeder wordt taal in een
dispuut met haar dochter neergezet als een levend en groeiend organisme.) Moeder heeft wel meer van de activisten uit dat andere boek,
ze schreef ook LIAR (LEUGENAAR) op een ruit van een restaurant boven
het hoofd van een daar dinerende politicus of spindoctor; een van
beide, welke van de twee, dat is vergeten. Ze dacht ook
achtervolgt te worden. Of was de achtervolgster verliefd op haar en wilde die haar zien en ontmoeten. Is
liefde eigenlijk altijd te herkennen? Als de vrouw naar het buitenland verdwijnt vraagt de dochter zich af of ze een goede
vriendin of een geliefde van haar moeder ziet vertrekken?
Met
de eerder gebruikte woorden 'begint' en 'tweede' verraad ik welke
versie van de roman ik heb gelezen. De roman bestaat uit
twee delen, beide één genoemd. In het ene is Del Cossa aan het
woord en begint met een schets naar een fragment uit een
schilderij van hem. In het andere deel, eveneens één, speelt de
tiener de hoofdrol en daar staat de schets van een bewakingscamera
naast de nummering ervan. (Die tekening geeft ook meer dan een hint naar een antwoord op de eerdere vraag omtrent liefde of controle. De afgebeelde camera wijst immers op observatie en de moeder is niet paranoïde, maar terecht op haar
hoede voor de achtervolgster.) Twee maal een eerste deel, betekent dat de lezer zelf mag
beslissen waar het lezen begint; halverwege of voorin. De meeste
mensen zullen het laatste kiezen. Maar How
to be both
is – hoe treffend – ook nog eens uitgeven in twee versies. Daarin zijn de delen van plek verwisseld. “Dit
klinkt als een roman vol postmoderne gimmicks, maar Smith brengt het zowel fantastisch complex als ongelooflijk ontroerend,”
schreef recensent Ron
Charles met betrekking tot dit aspect.
Het roept onvermijdelijk de gedachte op hoe de roman beleefd wordt in de andere volgorde. In de schilder-eerst versie komen de
schimmen pas in het tweede deel uitgebreid tevoorschijn.
De schilder blijft iets geheimzinnigs houden, terwijl de moeder, zoon en vooral dochter uitgewerkt worden. Deze volgorde
lijkt me daarom het mooist. In 'de andere versie' krijgen George, haar moeder en broer 'gewoon' de overhand, omdat de lezer als eerste kennis maakte
met hen. Maar zeker weten zal die dat nooit. De kans op die eerste
indruk is immers verkeken. Hoewel muziek in de geest andere snaren
raakt dan tekst, is de indruk van een eerste volgorde toch enigszins te vergelijken met het voor
het eerst horen van een aansprekend muziekstuk, waardoor een uitvoering met andere musici daarna vaak minder klinkt dan wat eerst kwam. Het is door deze bijzondere contructie wel een boek om twee keer smaakvol je tanden in te zetten.
Ali
Smith
neemt in Companion Piece vandaag
en gisteren als onderwerp, net als in haar eerdere romans. In dit boek is de coronasamenleving in Engeland belangrijk, een land waar het politiek
bestuur zich er niet al te druk om maakt en al helemaal niet om de
achterblijvende gezondheidszorg. De schrijfster noemt juist de NHS, de
Britse gezondheidszorg, in haar dankwoord. Toch treedt de ziekte niet te brutaal op de voorgrond.
Er is
weinig afstand tussen wat beschreven wordt en het leven van de lezer.
Zelfs de reclames komen zoals ze op TV zijn met de
opgewekt kijkende families die hun groenten uit de geleverde dozen
halen. Wat er gisteren in het nieuws verteld werd, lees je nu al in een literaire roman. Dat
gaat bijvoorbeeld over repressieve maatregelen en verdronken vluchtelingen in het
Kanaal.
Smith kijkt ook naar kunst en beschrijft het in
haar boeken. In dit boek is dat onder andere een tiental pagina's
uitleg van een gedicht
van e.e. cummings waarin dood achterstevoren wordt gespeld (TH A
E D in het Engels, in het Nederlands zou het omkeren niemand
opvallen): “En nu glimlach je zelfs naar de dood, zie je wel hoe
krachtig een gedicht is,” zegt de hoofdpersoon, de schilderes
Sand.
Een roman kan afstand nemen van de dagelijkse
levensgang. Die beweging start hier met een vreemd telefoontje
van een voormalige klasgenote (haar werd dat gedicht uitgelegd) waarin een oud en vakkundig gesmeed slot wordt beschreven:enig in zijn soort en een metafoor voor leven dat gesloten is
(lock is ook in het Nederlands verbonden met covid in
lockdown). Het mechaniek is eeuwen geleden gemaakt. Het geeft
schrijfster de kans terug in de tijd te stappen op zoek naar een
antwoord op een vreemde vraag uit hetzelfde gesprek.
Curlew of curfew?
Moeilijk te vertalen 'wulp of avondklok' geeft alleen de
betekenis weer. Dat de woorden op elkaar lijken en toch niet met
elkaar te maken hebben is ook van belang. Die vertaling wordt nog
moeilijker, omdat het woord curfew in het boek ook een oude
betekenis volgt; het tijdstip dat de vuren op een werkplaats, zoals
een smidse, werden gedoofd.
De avondklok is een naoorlogs
fenomeen geworden. Het is een van de covid-verschijnselen, net als
mondmaskers en afstandhouden. Er zijn ook mensen die denken dat zij niet
ziek worden; dat zij geen rekening hoeven te houden met anderen en
hun levenswijze op kunnen leggen: 'Doe gewoon we kennen elkaar'. Die mensen duiken ook hier op. Er
zijn anderen die dat wel doen en letten op zieken en ouderen. Dat
zijn ook de mensen die kijken naar het balletje veren waarin een
snavel is verstopt om zonder anderen te beschadigen toch geestelijk gezond
te blijven.
In de boeken over de seizoenen werd uitgebreid geschreven over de
gierzwaluw. In Companion piece staan wetenswaardigheden over en
beschrijvingen van de wulp; de trekvogel die niet altijd echt
vertrekt. God heeft vermoedelijk gekeken hoe lang en dun hij een
snavel kan maken, zo lijkt het als je naar haar kijkt. Het is de
moeilijkst tam te maken vogel en toch lukt het hier. Het is ook de
vogel die waarschuwt bij onraad. Die verdwijnt en weer terugkomt en
dan weer verdwijnt. Het is het balletje op een bed. Ze geeft een teken dat het
leven weer doorgaat.
Er is nog een dier dat een hoofdrol
speelt en dat is de hond Shep van Sands vader. Die laat, net als de
wulp, het leven weer beginnen; haalt het van het slot.
Het is de eerst genoemde kameraad in het verhaal. Hondengezelschap is legendarisch: To
the rescue he came.
Een hello volstaat
ook om een herstart te maken het leven in. Dat woord komt van … (oh nee lees zelf maar, daar gaat
een kort hoofdstuk over). Op gepaste afstand blijven, betekent niet
dat er niets kan en moet. Zonder relaties tussen mensen wordt de wereld
immers armoedig.
Companion piece is een geslaagd en gelaagd
literair onderzoek in tijden van corona. Deze bespreking sluit af
met de meest luie opmerking die je als bespreker van een boek kan
maken: Ik zal dit boek zeker herlezen. Zo weet ik ook zeker dat ik
dan dingen zal lezen die ik nu gemist heb.
Een fijn boek.
Volgende bespreking onder foto.
Laatst gelezen boek boven.
Sánder Márai's roman De
meeuw pakte ik vanwege de titel van de stapel nog te lezen boeken.
Wat kan er mis zijn met een boek dat zich siert met de naam van deze
gewone, maar oh zo sierlijke, brute en inventieve vogel? De flaptekst was
genoeg om het bij mijn bed te leggen.
Het boek van de Hongaarse schrijver verscheen in 1943. Het speelt drie jaar eerder en op de achtergrond dreigt de oorlog ook dichtbij los te barsten: de oorlog die verder weg
al huizen vernielde en steden ontoegankelijk maakte. De hoofdpersoon is een vijfenveertigjarige ambtenaar. Die weet vrijwel als enige van de dreiging voor Hongarije; hij schreef er een nota over. Wanneer het verhaal precies speelt
is onduidelijk. Parijs is al ingenomen (dat was juni 1940) en waarschijnlijk is het kort daarna aan de vooravond van de Tweede Scheidsrechterlijke Uitspraak van Wenen in augustus van dat jaar. Dat betekent dat
Hongarije al deel uitmaakte van de Duits-Italiaanse fascistische
invloedssfeer en stukken van Tsjechië en Oekraïne had ingenomen.
Delen van Roemenië werden kort daarop ingelijfd. Hongarije is door
het bondgenootschap met de Asmogendheden zelf geen oorlogsgebied.
Deze context speelt als een buiten het boek staande schim en werpt er een donkere schaduw over. Of het mooi is dat de exacte gang van de lokale geschiedenis voor het overgrote deel weg blijft van de pagina's? Is het erg dat het leven van de schrijver mist, bijvoorbeeld dat hij een Joodse vrouw had en het antisemitisme geen rol speelt. Het geeft het boek een andere diepgang. Een terloopse opmerking over de Eerste Wereldoorlog (bij het begin moet de ambtenaar negentien jaar oud zijn geweest) laat voelen hoeveel er meespeelt; hoe anders je in een oorlog kan staan.
Tijd “En er is geen
menselijke kracht die nog kan veranderen wat eenmaal is begonnen,
omdat het onmogelijk is om anders te handelen, omdat oorzaken,
argumenten, meningen en feiten de mensen gedwongen hebben het te
laten beginnen,” lees ik al in de eerste pagina's van het boek
en ook: “Tijd beschikt over de eigenschap niet meer los te laten
wat zij eenmaal in handen heeft gekregen: als een waanzinnige houdt
zij alles wat zij eenmaal in haar netten heeft kunnen strikken in een
dodelijke omhelzing.” Dit is een stap verder dan 'gedane zaken
nemen geen keer', maar meer wat eenmaal in werking is gezet dat krijgt een
beweging van zichzelf. Dan al weet ik dat het boek mogelijk zal
botsen met mijn eigen ideeën. Immers je kan ook uitgaan van het gegeven dat de tijd onverbiddelijk voortschrijdt,
misschien niet lineair, maar voor stervelingen wel naar de rand, maar op die weg ruimte herbergt zaken om te buigen. Het lot geeft je misschien meer of
minder middelen, maar je staat niet met lege handen.
Meeuwen Hoe ben ik de
meeuw uit de titel tegengekomen? Bij een brug over de Donau zitten
ze. De man zijn de meeuwen nog nooit opgevallen. Hij ziet ze pas doordat zijn gast ze ziet. De
vogels vlogen om onbegrijpelijke ideeën of mededelingen op “alsof
iemand hen een boodschap heeft ingefluisterd.” Ze krijgen
menselijke eigenschappen en lijken zich omlaag te storten als
'zelfmoordenaars' (een terugkerend fenomeen in het boek en de schrijver
zou zichzelf op late leeftijd doden.) Net als het vrouwelijke bezoek
van de man, kwamen de witte vogels uit het Noorden; uit Noorwegen het land van mijn
moeder zegt Aino Laine, de Finse waarmee de ambtenaar het hele
boek optrekt. Hij vindt de meeuwen doelloos. Zij vindt dat ze leven met grote
kracht. De man vergelijkt haar met een meeuw, een vrouw met het
instinct van een trekvogel; ze komt als een meeuw uit het Noorden en
heeft bijna meedogenloze meeuwenogen, denkt hij. Zij ziet de tederheid
van hun bewegingen.
Wel vaker in de roman lopen hun visies uiteen, ondanks de 'Fins-Hongaarse verwantschap'. Zij meent dat het leven “uit meer bestaat dan alleen bestaan. Soms
bestaat het leven uit handeling.” Het verhaal speelt in zijn huis waar de meubels nog staan. Het huis waar zij opgroeide in Helsinki is platgeschoten (door de Russen in de Winteroorlog die eindigde in maart 1940). We hebben erover gelezen, zegt de man. Oorlog ken je pas als je het hebt meegemaakt, zegt zij.
Massa Als de man iets
nuttigt in een espressobar (die hij beschouwde als een van die
modieuze gelegenheden die als paddestoelen uit de grond schoten)
vergelijkt hij de aanwezigen met de vogels: “Hierover hebben de
wijsgeren van de nieuwe tijd hun alarmerende verhandelingen
geschreven, over deze massa, die geen zwijgende en sombere
volksverzameling binnen de poorten van de fabriek is, maar een massa
die overal te vinden en te ervaren is. (…) deze tierende,
woekerende onpersoonlijkheid die over alles een mening ten berde
brengt, maar praktisch nergens benul van heeft en opgeschrikt,
fladderend en flikkerend, doelloos en gedesoriënteerd een richting
voor haar bruidsvlucht zoekt.” Als je denkbeeldig even meeknikt met deze tirade, omdat je het bijvoorbeeld herkent van Twitter, dan is dit gelijk een teken dat je neigt
naar een elitaire positie en weer moet landen. Lezen –
ook van oudere belegen romans – vormt.
Avonturenromans De
ambtenaar die een nota rond de Hongaarse positie met betrekking tot
de oorlog schreef, spuit zijn woorden in een eindeloze stroom, alsof
hij zelf de logge rivier is die Boeda en Pest scheidt. Terwijl het
vatten van de hoofdzaken toch zijn werk was. Ergens meldt hij dat je hem
als obsessief kan zien en daar lijkt het inderdaad op. Zijn eindeloze exposés gaan bijvoorbeeld over
uit meer dan een persoon bestaan en terugkeren uit de dood. Márai
spot met deze gedachtenstroom als hij de ambtenaar laat afgeven op fantasierijke avonturenromans, waarin alles kan, ook het onmogelijke en
onwaarschijnlijke. Toch voegt hij daar meteen nog de vraag aan toe of
het misschien juist de literatuur is die wereldvreemd is; schrijven dat terugschrikt voor het onregelmatige leven.
Stroperig In de ellenlange
monologen wordt bijvoorbeeld stilgestaan bij de gedachte of mensen binnen het lot dat de
geschiedenis voorzet wel kunnen handelen. Op het niveau van contacten
tussen mensen mogelijk, maar in het grotere geheel is de mens
speelbal en zijn de ontwikkelingen te groot om invloed op te
hebben, zo is de visie. De mens plooit zich naar die omstandigheden. Het is een
overdenking die in de woestenij van de Europese oorlog - kort na de vorige Wereldoorlog - voor de hand
ligt, maar de tekst, het denken, gaat zo traag, zo stroperig dat het nog net niet ging vervelen.
Misschien gaat het tachtig jaar later te langzaam en te weinig doelgericht.
Enige Golf Op een dag komen de mensen elkaar
tegen, denkt de man, als verre troost in oorlogstijd, “maar nu is alles nog erg duister.” Ook Aino
Laine gaat als een meeuw zigzaggend weer die donkere wereld in, over brandende
steden en duistere landschappen. De vraag blijft wie de vrouw in de
witte bontjas met daaronder de elegante zwarte jurk zonder opsmuk is. Ze spreekt haar talen, kan uitermate goed observeren en
luisteren, weet van de hoed en de rand en bivakkeerde in kringen van
de hooggeplaatsten. Haar naam die vertaald Enige Golf betekent, gaf
haar al een speciale positie. Golven rollen immers eindeloos, zijn
nooit alleen, en komen de een na de ander tot ze verdwijnen. De vraag wie ze
was en of ze was dat intrigeert ook nog lang na het lezen van de laatste woorden.
Volgende bespreking onder foto.
Peper
Laatst gelezen boek boven.
Liefde
en puin
van Hans
Fallada heeft
een wat vreemde titel. Ja het laatste van de vijf verhalen gaat over
liefde en is deel van de Trümmerliteratur
(een begrip dat na een paar lessen Duits op de avondschool al op het
programma stond en dat de literatuur duidt die op de puinhopen van
het Duitsland van na de oorlog is gebouwd). Sterker nog het is er een
helder voorbeeld van met de pakkende zinnen:
“Natuurlijk
lachen ze allebei – te midden van afgunst, tussen het puin. Want ze
hebben allebei dit ene leven,. En je kunt niet vroeg genoeg beginnen
om het te vullen met liefde en geluk.”
Maar
de andere vier verhalen zijn geschreven voor de oorlog, in het
interbellum. Twee ervan gaan over het leven op landgoederen, met zijn machtsverhoudingen. De andere twee vertellen over de gevolgen van de economische malaise in de jaren
dertig.
Het boek is samengesteld om mensen kennis te laten
maken met de schrijver. De verhalen zijn interessant, maar wat vooral
opvalt is dat ze helder zijn, alsof ze geschreven zijn in de taal van
vandaag. Het eerste verhaal De trouwring speelt in een omgeving die
van heel vroeger is, een landerij van ooit, maar toch modern overkomt.
Liefde en
puin is mooi uitgegeven en uit te lezen in de tijd die een
voetbalwedstrijd duurt of een aflevering van een serie.
Gewoon die tijd nemen. Doen!
Volgende bespreking onder foto.
Laatst gelezen boek boven.
“Zo
was de loop der dingen: Omdat iedereen er niets aan kon doen, kon
niemand er iets aan doen.”
Ademschommel
van Herta
Müller
gaat over het overleven in een werkkamp in Rusland. In 1944 veroverde
Stalin het Roemenië van de fascistische dictator Antonescu. De
bondgenoot (zie ook toevalligerwijs mijn
vorige bespreking) van Berlijn zou de steven wenden en nazi-Duitsland de
oorlog verklaren. Het land zou bovendien instemmen met een bijdrage
aan de wederopbouw van Rusland door het sturen van mensen uit de
Duitssprekende Roemeense minderheid naar werkkampen. De moeder van
Müller zou er vijf jaar zitten. Dit had een grote invloed op de
jeugd van de schrijfster.
Dit boek van Müller is vooral gebaseerd op
gesprekken met de dichter Oskar Pastior, een man uit haar
geboortedorp. Ze sprak hem vanaf 2001 regelmatig over zijn
ervaringen. De wens groeide om er samen een boek over te schrijven.
Pastior stierf in 2006 en dat zette een streep door dit plan. De schijfster had al wel vier schriften met aantekeningen. Nadat ze afscheid had
genomen van het idee WIJ als schrijvers kon ze een jaar later ALLEEN
de roman Ademschommel schrijven. De details uit de gesprekken zijn er
een wezenlijk deel van. Het boek zou verschijnen in 2009; het jaar
dat Müller de Nobelprijs voor de literatuur won.
De hoofdpersoon Leo Auberg was opgelucht om na de Tweede Wereldoorlog
als zeventienjarige naar het Russische werkkamp in het Donetsbekken
te gaan om aan zijn geboortegrond te ontvluchten. Al snel, zelfs al
tijdens de dagenlange reis in de volgepakte goederenwagon, wordt die
opluchting ingeruild voor een overlevingsstand. Hij belandt in een
kamp waar de hongerengel de baas is. Pas als in het laatste, vijfde
jaar, betaald wordt voor de dwangarbeid kunnen de bewoners weer wat vlees
op de botten kweken. Dan zijn er al honderden van gebrek gestorven.
Lichte kost is het niet.
Het
overbrengen van zo'n berg narigheid vereist veel schrijverschap.
Zonder stilering, alleen de kille feiten, dat zou niet gaan. Waarom
zou een zin als deze te behappen zijn: “Wanneer
het vlees aan je lichaam is verdwenen, wordt het dragen van je botten
je tot last, het trekt je de grond in.”
Veel beeldender kan je uithongering niet beschrijven, compacter ook
niet. Leo zocht tijdens het eindeloze appel
naar een wolk met een haak om zijn botten aan te hangen en te
vergeten dat hij er was. De ellende wordt taal, zoals taal ook in het
kamp onderdeel van het overleven wordt.
Boetseren met woorden
en zinnen is continu aanwezig. Dat kan heel klein zijn, zoals de
uitweiding over melde, de plant die je jong kan eten om je magere
rantsoen aan te vullen maar die in de zomer bitter begint te worden.
Of door het zoeken van woorden die het negatieve ombuigen naar iets
wat prettiger is. De geuren in de fabriek worden voorzien van
woorden: eetwoorden en vluchtwoorden. Zelfs 'schoensmeer' kan zo'n
woord zijn en
“derivaat klonk troostrijk”.
Het
boek barst uit zijn voegen van de mooie zinnen. “We
waren allemaal anders dan we waren,”
blijft haken. De honger maakt blind net als het gedwongen samenzijn.
Kan het treuriger? Of deze zin: “Ik
weet niet waarom tot grijs verouderd roze zo strelend en betoverend
mooi is, niet meer mineraal maar droefvermoeid als mensen.”
Ze wordt gevolgd door de vraag of heimwee een kleur zou hebben. (Het
genoemde grijs is de kleur van slak die in de winter warmte gaf.)
De
honger is constant aanwezig. Als Leo besluit zo lang mogelijk te
genieten van een bord soep merkt hij dat de honger als een hond
achter de schotel zit en vreet. Het bord soep krijgt hij van een
vrouw waarmee hij een stuk steenkool wilde ruilen voor wat
aardappels. Ze nodigt hem binnen en het blijkt dat haar zoon na
verraad van de buren naar Siberië is gestuurd en Leo aan die zoon
herinnert. Hij voelde zich ongemakkelijk en kon het niet verdragen om
twee mensen te zijn, “twee
gedeporteerden, dat was mij teveel.”
Hij was zichzelf al een last te veel. De overdenking van de
kampbewoner maakt dat het over meer gaat dan mooie woorden.
Het
verhaal over een zwakzinnige vrouw doet hier nog een paar scheppen
bovenop. Kati-de-platon snapt niet wat straf is. Ze leeft in haar
eigen wereld. Haar disciplineren is onbegonnen werk. Ze vermurwt
hiermee uiteindelijk de kampcommandant. Hij laat haar doen waar ze
goed in is: de vloeren dweilen. Zelfs de honger heeft geen vat op
haar. Ze heeft het bedelen niet nodig. Ze steekt haar hand in een
mierenhoop en likt de zwarte handschoen als voedsel op. Zou er
manier zijn om het onmenselijke van de kampen beter neer te zetten
dan aan de hand van Kati?
Net
als Oskar Pastior zou ook Leo Auberg zestig jaar later zijn verhaal
vertellen. De vijf jaar in het werkkamp zouden Leo nooit meer
verlaten en zijn leven losslaan. De honger
maakte gek, steeg naar de hersens, drukte maag en borstkas samen. Ook
Pastior werd ten diepste geraakt en bleef kwetsbaar in Roemenië.
Vreemd was dat ik vele pagina's het gevoel had over een vrouw
als hoofdpersoon in plaats van over een man te lezen, hoewel die
mannelijkheid wel benoemd werd. Kappersbezoeken, veel aandacht voor
kleding (maken), inlevingsvermogen, aandacht voor anderen,
fijngevoelig, het zal allemaal wel meegespeeld hebben in mijn mislezen, maar
ik kan er de vinger niet op leggen hoe het precies kwam. Waren het de
tonen in de tekst die ik onbewust associeer met vrouwelijkheid? Het was al doorgedrongen bij de opmerking dat Leo
maar met moeite zijn drang kon bedwingen om een collega kampbewoner
te strelen in een zeldzaam moment van gelukzaligheid, liggend op geel
zand onder een blauwe hemel. Mogelijk zit daar een reden of is het de vrouwelijke auteur die stukjes vrouw in haar man schreef. Anderzijds verdween door het hongeren het
HIJ en ZIJ. Ze “zijn
niet mannelijk of vrouwelijk, maar objectief neutraal zoals objecten
– waarschijnlijk onzijdig.”
Het doet er – hier helaas door de omstandigheden – niet zoveel
toe als dat het verschil wel eens opgeklopt wordt. Mannelijk en
vrouwelijk blijken weer eens dicht bij elkaar te liggen.
Zonder Herta
Müller had ik dit verhaal niet gekend. Inmiddels woont de
schrijfster in Berlijn en maakt teksten door te schuiven met
uitgeknipte woorden. Er is een
prachtige documentaire
over haar schrijverschap, de Duit-Roemeense afkomst en de littekens
die ze opliep tijdens Ceausescu dictatuur. Hij zat onlangs in
Zomergasten. Die documentaire was ook de reden dat dit boek een paar
weken geleden geleend werd in de bibliotheek.
Het
lezen op die schommel was twee weken lang een heftig avontuur.
Volgende bespreking onder foto.
Laatst gelezen boek boven.
Oil,
the State and War
van Emma
Ashfordonderzoekt
welke rol olie speelt in de buitenlandse politiek van staten. Ze doet
dit op een heldere en ook voor geïnteresseerde leken goed te volgen
manier. Daar waar de draad dreigt te verdwijnen, komt een handige
herhaling of samenvatting.
Het is belangrijk niet alle
olielanden over een kam te scheren, maar ze per type te bekijken is
een centrale stelling in het boek. De olie exporterende landen worden gesplitst in een drietal typen, waarbij de derde groep een soort
bonus type krijgt*:
Typen oliestaten
► Olie afhankelijk
Olie-inkomsten meer dan 10% BBP.
► Grote producent
Jaarlijkse olie-inkomsten meer dan $ 1.000 per inwoner
► Super producent
Olieproductie groter dan 2 % van de wereldwijde oliewinning.
→ Super exporteur
Meer dan 2% wereldwijde oliewinning en een netto exporteur.
Olie als wapen
De schrijfster ontkracht het idee dat olie
(of gas) als wapen wordt gebruikt tegen vijandelijke staten en dat
waar dit wel gepoogd wordt het vrijwel altijd mislukt. De diffuse
manier waarop de oliemarkt wereldwijd is opgezet maakt het moeilijk
om olie als wapen te gebruiken.
Het oliewapen definieert ze als
de inzet van grondstoffen als een middel bij onderhandelingen door
een exporteur, inclusief het gebruik van prijs manipulatie en
embargo's. Een handig overzicht (1941-2020) laat zien waar dit
gebeurde en of dit het gewenste resultaat opleverde of faalde. In
maar een paar kwesties was sprake van een succes, zoals gedeeltelijk
de olieboykot tegen Zuid-Afrika.
In alle andere gevallen gaat het
deze eeuw om gebruik door Rusland tegen landen voortgekomen uit de
Sovjet Unie (met een gezamenlijk leidingennetwerk) en een voormalige
bondgenoot Tsjechië. In 2006 zette Rusland het 'oliewapen' in tegen
Oekraïne. De kraan werd gesloten, “de eerste oorlog van de
21ste eeuw,” citeert Ashford Le Monde. Maar het zou niet langer
dan vier dagen duren en moet volgens de schrijfster, die wars blijkt
te zijn van sensatiezucht, op grond van beschikbare informatie niet
getypeerd worden als geopolitiek verhaal, maar meer als een
voortdurend meningsverschil over prijzen en schulden. Het was het
begin van een serie maatregelen, tegen Georgië, Moldavië,
Wit-Rusland en Tsjechië. In alle gevallen zou het gaan om
geopolitiek vermengd met economie. Ze constateert dat Rusland dan wel
agressief was met het gebruik van het energiewapen, maar er weinig
succes mee had. Een waarschuwing was het terugblikkend wel, zo erkent
ze (het boek verscheen in de zomer van 2022).
Oorlog om
olie Ook oorlog om olie komt maar zelden voor. De twee meest
genoemde voorbeelden: de invasie van Irak in Koeweit (1990, per abuis
wordt 1991 genoemd); en de Japanse inname van Nederlands Indië in
1942 draaien niet uitsluitend om olie, maar ook om de positie van het
regime en nationale veiligheid. “Er is weinig onderbouwing om
aan te nemen dat olierijke landen zijn aangevallen voor hun
grondstoffen,” stelt de schrijfster. “Staten moeten zich
zorgen maken om voldoende middelen voor komende militaire
mobilisaties, maar onderzoek suggereert dat methoden die uitgaan van
de markt of indirect van aard zijn vaak effectiever zijn dan oorlog.”
Kortom je kan olie ook zonder oorlog beheersen.
Gevoelig
voor oorlog Is er dan wel een verband tussen olie enerzijds en
buitenlandse en militaire politiek en oorlog aan de andere volgens
Ashford? Ja maar mogelijk niet zoals gedacht. Alle olielanden hebben
een ding gemeen, ze zijn sneller geneigd om oorlog te gaan voeren dan
landen zonder deze rijkdom. Daarvoor zijn verschillende redenen. Een
olie producerend land kan de staatskas vullen zonder een beroep te
doen op burgers (er hoeft dus niet te kiezen tussen brood of bommen);
het kan wapens kopen en er een hoge militaire begroting op na houden.
Bovendien valt er door de olie-inkomsten een grotere taart te
verdelen. Sterker nog ook als de olie-inkomsten weer teruglopen, dan
blijven deze uitgaven overeind en doen dan een excessief beroep op de
overheidsinkomsten. De olielanden besteden duidelijk meer dan hun
gelijken zonder olie. Verder lezen kan
hier
Volgende bespreking onder foto.
Laatst gelezen boek boven.
De
dood van Artemio Cruz door
Carlos
Fuenteswerd
in 1991
in literair tijdschrift De Gids
besproken als veronachtzaamde literatuur. Waarom werd de schrijver in
Nederland zo slecht gelezen? Dit terwijl hij toch met Gabriel García
Márquez, Mario Vargas Llosa en Julio Cortázar de boom van de Latijns-Amerikaanse literatuur
vormde, zo vroeg hoogleraar Spaanstalige literatuur Maarten Steenmeijer
zich af.
Kort daarop zou de aandacht gestaag groeien tot
ongeveer 2017 (zie grafiek). De Rainbow Pocket, uitgegeven in 1996, die ik las is
daar een uiting van. Zo'n boek is ideaal voor het genereren van aandacht en voor de kleine beurs, maar
minder geschikt voor de (oudere) lezer. Ruim 400 kleine dicht
bedrukte pagina's maken het opnemen van de hier en daar moeilijk te
volgen experimentele stijl van Fuentes niet gemakkelijk. Het
is de inspanningen wel waard.
In 2012 zou Cees
Zoon in de Groene Amsterdammer
schrijven dat het onmogelijk is Mexico zelfs maar beginnen te
begrijpen zonder Fuentes te lezen. Het boek over de lotgevallen van
Artemio Cruz was in zijn oeuvre zijn grootste meesterwerk, schreef
Zoon. Het boek beschrijft hoe Cruz zijn deelname aan de strijd tijdens
de Mexicaanse revolutie opklopte en verdraaide om zijn eigen status
op te poetsen. Hij was deel van “een
bende corrupte zakkenvullers en machtswellustelingen.” De
idealen van de revolutie werden gecorrumpeerd. Die visie is nu
gemeengoed. In 1962 nog niet.
Nexis: Boeken & Carlos Fuentes.
Het bedrog van de puissant
rijke krantenmagnaat was niet alleen voor het land slecht. Ook voor
zijn relatie met vrouw, dochter en zoon. Zelfs de relatie met de
liefde van zijn leven werd gebouwd op een idyllische mythe. De man is
een fuik van leugens ingezwommen. Maar als hij op zijn sterfbed de
ervaringen in zijn leven naloopt, dan merkt hij op dat als hij in de achteraf verdoezelde situaties oprecht had
gehandeld, hij minder ver was gekomen en sterker nog al vroeg de dood had
gevonden.
Een deel van het verhaal speelt in het
Spanje waar Franco net de Spaanse revolutie heeft verslagen. Fijn dat
we dezelfde taal spreken, is een opmerking gericht naar het Mexicaanse personage
dat meevocht (je komt hem vanzelf tegen als je het boek leest). Het
is een subtiele sneer naar de internationale brigades. Onomwonden
wordt ook kritiek geleverd op de krijgskundige inzichten en moraal van de
strijdkrachten van de republiek. De anarchisten worden eenvoudigweg
als een stelletje defaitisten afgeserveerd. (Al eerder in het verhaal leerden we dat
het bestuderen van Bakoenin en Kropotkin ons nergens brengt). In het
boek is het Spanje van de fascisten overigens niet veel meer dan een
podium voor de verwikkelingen binnen het verhaal.
Het is echter het sterfbed van Artemio,
zijn herinneren, zijn denken, zijn kijken, zijn voelen, en sterven dat centraal staat.
Een sterven dat een nieuw begin is en pas afgerond als alles ophoudt: het leven, de
aarde, en als het heelal verdwijnt. Het is magisch realisme met een
vleug medische wetenschap, biologie, en natuurkunde. Bovendien is Artemio's legaat een aanklacht tegen alles wat mis is in Mexico – “niet
één land, maar duizend landen met één naam” - met zijn
hebzuchtige leiders, onderworpen vakbonden, nieuwe
grootgrondbezitters, Noordamerkiaanse investeringen, gevangengezette
arbeiders etc etc. Artemio zou er vandaag de drugsbaronnen ook in
opnemen.
De dood van Artemio Cruz was weer een boek waar de
schrijver door zijn gebruik van de taal probeert het spreken en denken van mensen te vangen. Een gesprek vermengt zich
met flarden van zinnen elders uit dezelfde ruimte. Korte
of langere observaties blijven zich in het hoofd herhalen en zinnen
rijgen zich aaneen tot een brei waaruit een deel van het verhaal
ontspruit. Elders ontvouwt zich het leven en het sterven in korte zinnen afgesloten
met ...
Ik lees met moeite, maar wel graag.
Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang
duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31
januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het
lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij
het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.
Uit deze roosachtige komt een aardbei. Het is bijna poëzie die alleen nog opgeschreven moet worden.
Hotel
World
van Ali Smith
kreeg ik cadeau voor mijn verjaardag. Het was gekocht omdat de gever
me de laatste roman van Smith wilde schenken, maar die niet kon
vinden. Dat boek heb ik inmiddels ook in huis, van mijn moeder
gekregen (komt later hier nog aan bod). Fijn om met Hotel World weer
een boek met een opdracht te krijgen. Dit keer:
Maar
we moeten. Optimisme is een plicht. Geschiedenis is een
kronkelrivier. Overal stroomt water, vindt nieuwe wegen door
ze zelf te maken. Geloof wat je weet.
Het is de laatste strofe van Wat
je weet
door Justus van Oel. Mooi.
Is er een verband tussen deze
opdracht en het boek over leven in het hotel waar vrouwen rondhangen,
werken of sterven? Hotel World is geschreven in 2001 door een
schrijfster die graag aanhaakt bij de wereld van vandaag.
Eenentwintig jaar lijkt een eeuwigheid geleden. Het was een tijd dat
ik me kon verdiepen (naast de aandacht voor de oorlog in Atjeh)
zonder dat er alles verdringende zaken speelden. De woorden uit de
opdracht sluiten een poëtische overdenking van 12 weken oorlog in de
Oekraïne af. Een oorlog met wel een alles opzij zettende kracht. Het hoofdstuk voor Hotel World uit 2022 zou nog
geschreven moeten worden. Er is vast een verhaal te bedenken over een
jonge Oekraïense vrouw die verzeild raakt in het hotel waar haar
tijd verstrijkt. Ze is er gekomen, omdat …. nee laat ik dat niet
doen, aan de hand van mijn fantasie op de loop gaan met het boek.
Als
ik opzoek waar ik voor het slapen
gaan in het boek ook al weer over las, dan kom ik een zin tegen die blijft
hangen: “Hotel World is a postmodern novel,
influenced by modernist novels.” Smith schrijft zelf in de
roman dat het speelt in de postmoderne
Britse maatschappij. Een van de personages draagt “kleren
die gezegend zijn met de geur van geld, niet te koop in dit deel van
het land, zelfs nu niet in het nieuw postmoderne Groot-Brittannië.”
Die woorden alleen maken van de
roman nog geen postmoderne fictie (of juist niet). In
de aangehaalde wiki zin worden postmodern en modernisme naast elkaar
gebruikt. Wat betekenen ze?
Postmodern is in de filosofie
(volgens
wiki): “een door twijfel en relativering gekenmerkte
wereldbeschouwing die het bestaan van een absolute waarheid ter
discussie stelt.” Modernisme
zoekt dan weer op grond van kennis of waarnemingen juist naar
gefundeerde beweringen over de werkelijkheid.
Ali Smith laat – merk ik op na
het lezen van haar serie rond de seizoenen en op grond van dit boek –
veel stemmen aan het woord om de alledaagse werkelijkheid te
onderzoeken, beschrijven, en er een positie in te nemen. Ze zoekt
naar 'waarheden' zelfs in het boek dat speelt in het postmoderne
Groot Brittannië van Tony Blair. Geld is dik of dun, waardeloos of
waardevol, meer een herinnering dan een betaalmiddel, of zelfs een
schroevendraaier. Maar zeker minder waard dan liefde en genegenheid.
In de neoliberale maatschappij van begin deze eeuw was dat al een
betekenisvolle boodschap. In Hotel World keren vrouwen, geld en tijd
steeds terug. Denk aan die eindige tijd en mis de
liefde niet, lijkt het overkoepelende motto. Gehuld in flitsende
kleren, met de nieuwste snufjes kan dit je ontgaan en compassie verdwijnen achter dure hebbedingen waaraan je vast zit. In
haar latere boeken zit meer uitdrukkelijke aandacht voor
maatschappelijke onderwerpen (verdeling van rijkdom, klimaat, Brexit,
vluchtelingen en zelfs voor vredeactivisten). Die boeken kwamen dan
ook nadat de schrale luwte verdween.
Het boek is beïnvloed
door modernistische romans, staat in de aangehaalde wiki-zin. Dat betekent
dus dat je een postmodern boek aldus de lemmamakers kan schrijven met modernistische technieken.
Hier gaat het dus om het gebruik in literaire stromingen en niet over
alledaagse filosofie. Wat betekenen ze in die context? De definitie
van modernisme haal ik uit een
scriptie van Dewi Beulen over het karakter van twee boeken van
Smith, waaronder Hotel World.
Modernisme “verwijst in eerste plaats naar de ontwikkelingen
binnen de experimentele literatuur van de vroeg twintigste eeuw die bedoeld zijn om
los te komen van traditionele versvormen en verteltechnieken om nieuwe methoden te vinden die passen bij het leven in
een stedelijke, industriële omgeving en tijdperk van de massa.”
Voor een beschrijving van postmoderne
literatuur vlucht ik maar weer naar wiki. Deze “stelt ironie centraal omdat
het nastreven van orde en zin onwaarschijnlijk wordt geacht. (…) De gebeurtenissen
volgen niet uit elkaar, maar vinden simultaan plaats, of als ze na
elkaar plaatsvinden, is er geen direct verband te leggen. Het maakt
niet uit waar iets begint en hoe het begint, hoe de gebeurtenissen
met elkaar verbonden zijn, waar en hoe het eindigt.”
Beulen komt in haar scriptie tot de
conclusie dat de bestudeerde boeken van Smith een voorbeeld zijn van
metamodernisme, een vorm van literatuur die pendelt tussen modernisme
en postmodernisme, en een “structuur van gevoel” bevat. Is
dat het gevoel dat je beleeft als je vanuit het donker een verlichte
kamer binnen kijkt en beseft dat men jou vanuit het licht niet kan
zien en jij de mensen in de verlichte huiskamer wel? Dat een klik van
de lichtschakelaar dat plotsklaps kan veranderen? Dat is wel het gevoel
dat boeken op kunnen roepen. Ook dit boek. Dat je meekijkt naar wat mensen doen als
ze rondlopen en binnenkijken, zoals de verwende Penny en de dakloze
Else, die eigenlijk Elspeth heet. Tijdens die tocht in de donkere buurt vraagt de dakloze Else aan Penny naar de betekenis van het woord rebbigot. Het is een
woord uit een gedicht en verkeerd onthouden, eigenlijk
is het re-begot (wedergeboren). Influencer Penny had deze avond daarop een kans, maar ze laat hem schieten. Dat ze niet weet wat het woord betekent onderstreept dit en die streep is een keuze van de schrijfster tegen de liefdeloze maatschappelijke orde.
Ben ik geholpen met de
zoektocht naar de betekenis van de literaire begrippen? Wel en niet.
Wel omdat ik er iets nauwkeuriger naar heb gekeken en weet dat ook
deskundigen er geen gat in zien om het een in het ander over te laten
stromen tot een mengsel. Niet geholpen, omdat ik belandde in een
debat uit een verdwenen tijdperk en uiteindelijk terecht kwam in een
stroming die zo complex en wijd is als de delta van de Amazone;
vrijwel alles past er in, als het maar niet premodern is en
zelfs dat kan ironisch gebruikt toch ook. Ook niet, omdat het 't
boek niet dichterbij heeft gebracht. Ik las een modern boek, dat postmodern en metamodernistisch genoemd werd, met
verbanden tussen alle personages, die direct of indirect te maken
hebben met het dramatisch verongelukte kamermeisje van het hotel.
Ik lees tenslotte een zestiental woorden die het
leven samenvatten. Leef, hou van, en ga met een uithaal
Wooooo-hooooooo oo o. Ook daarin kan je geloven als je het weet.
Volgende bespreking onder foto.
Een week puzzelen en dan heb je 29 haaien voor je liggen. De vis die al 450 miljoen jaar geleden leefde.
Laatst gelezen boek boven.
The
old men and the sea van Ernest Hemingway kreeg ik
cadeau op het strand van IJmuiden van mijn oudste zoon voor mijn 51e
verjaardag. Onlangs herlas ik het vanwege een ander boek, Ontij
(zie hieronder) dat op de omslag naar de oude man verwees.
Het boek
kan opgedeeld worden in drie delen (hoewel van hoofdstukken geen
sprake is): een inleiding die speelt in het Cubaanse vissersdorp; het
vissen op de marlijn die de omslag siert; en een slot waarin de oude
man bijkomt in het dorp waar mensen naar elkaar
omkijken.
De man is oud maar tevens taai. Ooit was hij een krachtpatser, een kampioen in het handjedrukken in
de zeemanskroegen tot in Marokko aan toe. Hier vecht de lijnvisser,
in zijn eenvoudige bootje, zijn strijd met de natuur.
Hoewel
hij de haaien haat, houdt hij van de marlijn die hij ving, bijna als
van een vriend. Hij praat ertegen, maar dood hem toch. Het spijt hem.
Maar hij ziet het als een noodzakelijke zonde; nodig om de kost te
verdienen en anderen te voeden. Als het een zonde is dan is
alles een zonde, zo bedenkt hij. Die strijd van de visser is uiterst actueel, maar ook zo getypeerd, achterhaald. We zijn als zoogdier immers onmiskenbaar een deel van de natuur, we staan er niet naast of boven, maar strijden wel met onze mede natuurgenoten.
Hoewel het
leeuwendeel van het verhaal zich als eenakter op zee afspeelt, is
er aan de wal de jongen die de visser verzorgt, van hem houdt en de
visser van hem. Hij zegt op zee verschillende keren: “Ik wide
dat de jongen hier was.” Dat is om zijn hulp bij visserstaken, maar
ook om emotionele redenen; hij mist zijn maatje. Het maakt het boek
wezenlijk anders dan Ontij.
“Nu is het niet de tijd om
te bedenken wat je niet hebt. Bedenk wat je kan doen met wat je
hebt,” overweegt de visser. Voordat je zelfs maar kan bedenken
dat dit een platitude is, komt er: “Je geeft me veel goede raad.
Ik ben het beu.” Die
twee laatste zinnen geven wat een cliché was opnieuw kracht.
PS Al eens eerder postte ik de animatie
door Alexander Petrov naar het boek van Ernest Hemingway, The Old man
and the Sea. “Even tijd? Twaalf minuten? Kijk dan,” zette
ik erbij. Dat advies herhaal ik met plezier.
Volgende bespreking onder foto.
Laatst gelezen boek boven.
A.
Alberts
was een man van weinig woorden; ook in de laatste novelle die hij
schreef De vrouw met de parasol.
Die vrouw is de frivole Aafje, de vrouw van Pieter. Pieter is de
mislukte en dwalende zoon uit een kleinburgerlijke handelsfamilie.
Zijn broers kopen hem het bedrijf uit zodat hij hen niet meer voor de
voeten zal lopen.
In de Volkskrant omschreef Arnold
Heumakers
het boek als een impressionistisch schilderij. Van dichtbij zie je
vegen en vage vlakken, van veraf zie je het hele beeld. Dat is ook
hoe Alberts de taal gebruikt, hij schildert met dunne strepen. Hij
laat de lezer veel ruimte om zelf in te vullen. Het beeld van een
vrouw met een parasol brengt je direct bij Monet. Het beeld van het
schilderij wordt ook door Alberts genoemd: Aafje herinnert zich dat
Pieter haar zag als een vrouw die liep op een schilderij.
De
woorden vertellen niet alleen van veraf, maar ook met je neus op het
doek verhalen. Als de kleine Pieter – het zoontje van Aafje en
Pieter – eindelijk gestopt is met het opnieuw en opnieuw en opnieuw
zingen van een kinderliedje, vraagt hij: “Is
pa in de schuur?” Aafje
antwoord: “Waarom
ga je niet weer zingen?” De
toon is in elf woorden gezet.
In 2018 begon ik met het
schrijven van notities over de boeken om niet te vergeten wat ik las.
Sommige van die beschrijvingen werden opgepikt door anderen en ik
ging verder uitweiden om die lezers meer te bieden. Soms graaf ik
daarvoor naar informatie. Bij non-fictie meer dan bij fictie, maar
ook bij verhalen uit verbeelding zoek ik achtergrond over schrijver,
vertaler, situatie en lees ik boekbesprekingen van middelbare
scholieren (vaak informatief, maar in
dit geval veel fouten en een voorbeeld van klakkeloos overnemen).
Over De
vrouw met de parasol las ik bespiegelingen uit de dagbladen. Je kan zo'n recensie bijna
voorspellen. Het begint met: Alberts schrijft zuinig, inderdaad net
zoals ik begon, bijna alsof het een stilzwijgende afspraak is.
Mogelijk volgen dan wat verwijzingen naar het leven van de auteur,
maar zeker naar zijn filosofie. De personages worden gefileerd en het
verhaal wordt samengevat in een door de recensent gewenste context.
Het laat je zien hoe beroepslezers zijn mysterieuze schetsen duiden.
Meestal steek je er wat van op. Leo
Oomens van het AD had een mooie ontmoeting met de auteur rond dit boek. Het voegde informatie toe aan de
besprekingen.
Het hervertellen zou me mogelijkheden geven om nog meer te zeggen
over de rampzaligheid van personen als Pieter die alles om zich heen
uit domheid meesleuren de vernieling in. Het eerste de beste Duitse
kamermeisje of professor ziet het meteen “so
eine Dummheit”
en draait hem de rug toe, maar hijzelf weet het niet. Zelfs een
vrolijk stappende vrouw met een parasol is niet opgewassen tegen een
man die voor of achter je loopt, maar nooit naast je, met een leeg
hoofd en alleen kortstondig aandacht voor alles, zonder onderscheid.
Die niettemin toch alles verliest, ook zichzelf.
Maar zou ik dat breekbare verhaal beschrijven, dan zouden er scherven
van afbreken. Dat niet alleen, verrassingen in het verhaal zouden
verklapt worden. Daarom haal ik er wel voorvallen en gedachten uit,
maar zonder het verhaal neer te pennen. Een geheugensteuntje dat
mogelijk mensen prikkelt het boek te lezen.
Mis
hier geen zin, mis geen woord, en zie een schilderij opdoemen met
reisbestemmingen in Europa; een dramatische slot; en met meer of
minder subtiele gedachten en emoties die uit de tekst spreken of er
onder sluimeren. Dit was de laatste novelle van de schrijver van het
weggelaten woord. Nog net zo mooi als hij begon. De vrouw met de
parasol eindigt met de ultra korte zin: Stil.
Het boek
verscheen in 1991. Voorjaar 1995 zou Alberts
de P.C. Hooftprijs
krijgen: “En
dat alleen maar wegens het vertellen van een aantal verhalen, want
daar komt het toch in de grond op neer,” aldus
de schrijver zelf.
In december van dat jaar zou hij op 84 jarige leeftijd voor altijd
helemaal stil worden.
Het
is niet verwonderlijk dat Ontij
door Tomás González vergeleken wordt met de De
oude man en de zee, de novelle van Ernest
Hemingway. Het koppelen aan een succesnummer is niet alleen
verkooptechnisch handig, maar ook om de inhoud te duiden. Ook
hier speelt het verhaal in een vissersboot. Er wordt gevist op
dezelfde Caraïbische Zee; hoewel ver naar het Zuiden aan de kust van
Colombia. Het verhaal speelt ook in een kort tijdsbestek, niet drie dagen, maar slechts 26 uur.
Er
zijn ook grotere verschillen. Zo zijn er in Ontij drie vissers: een vader
en twee zoons, Mario en Javier. De strijd wordt niet gestreden met
een de verbeelding prikkelende vis – hoewel ook dat in een
vissersboot onvermijdelijk voorkomt –, maar tussen de zoons en de
oude lul. De vader ziet beide nakomelingen als een stelletje
lamzakken en schat ze slechts sporadisch voor even op waarde, al ziet
hij dat dan als gevolg van zijn goede invloed. De visser van Hemingway heeft meer waardering voor zijn jonge opvarende.
Aan de wal heeft de vrouw Nora als zijn vrouw en als moeder van die twee zoons. Ze heeft een
psychotische stoornis. Volgens het verhaal door zijn optreden. Soms
wordt ze vastgebonden op bed. Mario heeft het meest contact met haar
en begrijpt zijn moeder het best. De vader heeft ook een jonge vrouw en
bij haar een zoon om aan zijn echtgenote en zijn oudste zoons
te ontsnappen.
Javier leest veel. De boeken worden gekocht in
de stad of meegenomen door de gasten in het hotel van zijn vader.
González
refereert
aan de hand van Javier naar Shakespeare in zijn verhaal. Een
koningsdrama is het daar op zee. Het lijkt me te hoog
gegrepen.
De schrijver is geboren in Medellin. Hij was barman
in een nachtclub in Bogotá. Later fietsenmaker in Miami, en vrij
lang journalist in New York. Als Colombiaan uit het binnenland is de
zee in veel van zijn romans een centraal element. Hij heeft een
groot ontzag voor het golvende water: “hoogmoed,
de pretentie de zee te kennen, heeft al sinds bestaan van de zee en
het begin van de geschiedenis voor rampen gezorgd.”
In
Nederland heeft hij een
toegewijd vertaler, Jos den Bekker.
Die herschepper liet me struikelen over een terugkerend gebruik van
het woord 'heb' waar 'heeft' hoort te staan, zoals hij “heb
gelijk”. Er is een groot aantal personen uit verschillende delen
van Colombia die zo spreken. Voor een schrijver die niet van opsmuk
houdt, vond ik het te gekunsteld. Den Bekker is echter een ervaren vertaler die
dergelijke accenten in de taal niet zomaar aanbrengt. Het is sappig Noord- en Zuid-Hollands. Uitgeschreven was het echter ongemakkelijk.*
Dat González steeds opnieuw duidelijk maakt dat er
verstoorde relaties zijn tussen vader en zoons, vader en echtgenote,
werd me wel eens teveel. Een dag op zee had mooier kunnen zijn als wat
zuiniger was geschreven.
* Nadien merk ik dat ik steeds meer ben gaan letten op het verhaspelen van werkwoordvormen binnen dialecten. Dat hebben González en Den Bekker toch maar mooi voor elkaar.
Volgende bespreking onder foto. Laatst gelezen boek boven.
Satanstango
van Lászlo Krasznahorkai is geschreven in de kleur van een
nooit gewassen tafelkleedje in een oudbruin café, maar dan nog
smoezeliger; het is geschreven alsof je in een vervallen molen twee
meisjes aan een vuurtje de hoer ziet spelen, omdat er niets anders
mogelijk is; het is geschreven in een wereld waar mensen aan hun lot
worden overgelaten en hooguit hooghartig gecontroleerd worden door
het bestuur; en het is geschreven met zuigende teksten alsof je over
een Oost-Europese modderweg in de herfst gaat waar men wacht op de
vorst om de weg weer hard en begaanbaar te maken.
Hier
is dat wachten, het wachten op de verrijzenis van Irimiás, de
zwerver met dubbele agenda en het image van een verlosser. De mythe
rond zijn persoon is versterkt door het verhaal dat hij dood is wat
de jongen van het verlopen gezin Horgos rondbazuinde. De kroegbaas
gelooft echter niet dat doden weer levend kunnen worden. Hij wordt
geteisterd door satanische spinnen die overal hun webben weven. Hij
gelooft in de kracht van cijfers; voorraad en winstberekeningen. Die
cijfers hebben werkelijk kracht in het boek, want nergens is enige
alinea te bespeuren, de hoofdstukken zijn aaneengeregen zinnen.
Vrijwel uitsluitend waar gerekend wordt zijn de regels niet
uitgevuld. Of het is bij het Onze Vader of bij liedjes, zoals hier
een laatste stukje volkslied dat het verhaal uitstekend past en zo
typografische leven geeft aan de tekst:
't lot heeft ons niet
steeds behoed, Breng ons thans een blijde tijd! Hebben wij niet reeds geboet...
De
afgeschreven dokter houdt alles in de gaten. Hij heeft een ziekelijke
neiging alles te zien en alles te noteren (voor elk persoon in het
vervallen dorp een schrift). Zijn notities gaan over “de in
opbouw zijnde satanische orde.” Zijn leven is gedrenkt in drank
en gehuld in sigarettenrook. Hij ziet door een spleet in het gordijn
de – ondanks alles toch – kleurrijke dorpelingen langskomen,
zoals bijvoorbeeld Halics in zijn jas waaruit alle soepelheid
verdwenen is en die hem niet niet beschermt tegen “de kletsgrage
wateren van het noodweer, maar veeleer, zoals hij vaak zei, 'tegen
innerlijke regens die gauw fataal kunnen worden'.”
Als
de dorpelingen in slaap vallen wordt de lezer getrakteerd op een
potpourri met in elkaar grijpende dromen die zich allengs minder van
de regels aantrekken. De punten verdwijnen achter de zinnen en dan
gaan de woorden aan elkaar plakken erkwameenmannnekeaandatzei.
Langzaam loop je vast in de tekst, inderdaad, als op een modderweg.
Krasznahorkai speelt blijkbaar graag met dergelijke vormen. In
een ander boek gebruik hij geen hoofdletters en punten bij het
begin en einde van zinnen. Hier raast de tekst dus zonder alinea
indeling door en ontstaat er een wanorde waarin alles zich in het
vorige en volgende verstrikt. Het past de visie van de schrijver dat
de mens meestal niet veel betekent en door gebrek aan verbeelding en
kennis blijft zitten waar hij zit en slechts wordt gedreven door
primitieve behoeften.
Er is wel beweging achter op een
voortrazende vrachtwagen; in weer en wind over een uitgestorven weg
zonder weloverwogen plan. De tocht van de berooiden, hongerigen en
geradbraakten gaat doelloos en op goed geluk de wijde wereld in,
zonder ook maar een vermoeden te hebben wat er aan het einde wacht.
Zelf beschikken over het reisdoel was uitgesloten. Nee dat werd
bepaald door een rammelend, aftands en schokkend vehikel. Zo luiden
de gedachten van Futaki, de manke denker.
“Hij liep even om de hoek van het
gebouw en ging piesen bij de kale acacia, en toen hij tussendoor even
nar de hemel keek voelde hij zich verschrikkelijk klein en weerloos,
en terwijl de urine onophoudelijk met mannelijke kracht uit hem
stroomde, werd hij ineens weer door droefheid bevangen,” zo
wordt zelfs het urineren literatuur. En er zijn de woorden van
Petrina, de hulp van Irimiás: “zo-even heb ik begrepen dat er
tussen mij een kever, een kever en een rivier, een rivier en een
schreeuw over die rivier, geen enkel verschil is. Alles functioneert
in het luchtledige en zonder zin, opgehangen en dwangmatig slingerend
in een tijdloze beweging,” voor dergelijke zinnen lees je zelfs
een boek zonder alinea's; ook als je wel zin in het leven ziet.
In een app-bericht dat ik zelf
verstuurde merkte ik op: “Wat een leven. Gelukkig is in mijn
boek van het moment nog troostelozer.” Want dat is het. Het
boek beschrijft het leven van troostelozen. Het gaat over hen waarvan
zelfs de hoop dunner is dan het stoffige vlies over een plas. Al luiden ook in
de ellende ergens klokken – nauwelijks hoorbaar, nauwelijks
vindbaar, nauwelijks bereikbaar – “een reeds verloren
gewaande melodie van hoop.”
Ik lees met moeite, maar wel graag.
Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang
duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31
januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het
lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij
het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.