Islands in the Stream*
is een postuum uitgegeven roman van Ernest Hemingway (†2
juli '61). Het eerste deel speelt op een eiland van de
Bahama's, waar de kunstschilder Thomas Hudson zijn zoons uit twee
eerder geëindigde huwelijken ontvangt. Zijn huis staat aan het
strand van een eiland waar toeristen komen. Er zijn een haven en een
bar. Er wordt stevig gevochten, gedronken en gevist.
Het is
gevaarlijk om er met snorkel en speer gewapend te vissen bij eb; het
vissenbloed dat de zee in trekt kan haaien lokken. Er is ook een uitputtende manier om vanuit een stoel op een schip een zwaardvis binnen te
hengelen door hem te vermoeien. Er is altijd vermaak. Zo niet dan kan je gewoon een bootjesman
met te grote mond in elkaar meppen alsof het een pinata is.
Hiermee is het eerste deel Bimini van
het boek samengevat. Hoewel er zijn nog wel de klein vertelde grote
zaken van het leven, die een belangrijke rol spelen in de roman, maar
die hier niet verklapt worden, hoewel ze het boek diepte en glans
geven. En er zijn de gedachten en observaties van Hudson, zoals dat
zijn vriend Eddy gelukkig wordt van iets dagelijks goed doen (zoals
schrijven) of dat hij zelf beseft dat verdriet om groot verlies niet
verdwijnt en als het dat wel doet dat het dan geen echt verdriet is.
Het boek verscheen in 1970, maar de delen ervan werden
geschreven in de jaren 1950-51. De strijd tussen mens en vis (mens en natuur) kwamen
we al tegen in het laatste nog door de schrijver zelf uitgegeven werk
uit 1952. Hoewel in The old men and the sea (in
juli 2022 besprak ik het) ging het om een broodvisser in een
kleine boot. Hier gaat het om een motorschip met koelkast in de
kajuit die bedoeld is voor pleziervangst. Ook in Islands in the
stream wordt de uitputtende gevecht met een tegenstander van
onderwater uitgesponnen (meer dan dertig pagina's van de 450), maar
is bedoeld als initiatierite om van een jongen een man te maken en dat gaat gepaard met
pijn en spierballen. Mannenkracht speelt een belangrijke rol in het
verhaal. Hier is de vis daarvan het slachtoffer. Al ziet de zoon van
Hudson, die hem aan de haak sloeg, hem met een verwrongen visie als een vriend. Ook dat
fenomeen kenden we al. De oude visser zag zijn marlijn ook zo. Dat het me daar niet stoorde onderstreept het verschil in de situatie van beide door Hemmingway geportretteerde vissers.
Overigens is het boek ingekort bij het gereedmaken voor
uitgave vermeldt Mary Hemingway (de vrouw van de schrijver) in een
opmerking vooraf. Er is niets aan de woorden van haar man toegevoegd. Het is geheel het boek van Ernest, schrijft ze met juridische
precisie. Literair valt daar wel wat bij op te merken. Het is niet alleen ingekort, maar ook samengesteld uit
verschillende delen van het nagelaten werk. De schrijver werkte aan
een trilogie over de zee (The sea book) verdeeld in: 'De zee
op jonge leeftijd' (hier hernoemd als Bimini); 'De zee bij
afwezigheid' (speelt in/rond Havana en werd Cuba); en 'De zee
in 't zijn' (At sea herdoopt). Hemingway schreef ook nog het
verhaal Jacht op zee dat zijn vrouw en redacteur Charles
Scribner Jr. aan de drie delen toevoegden. Het boek werd na zijn dood kortom uit teksten gebouwd en uitgebreid en het zo aangepaste The sea
book kreeg als titel Islands
in the Stream.
Het tweede deel Cuba is geschreven zonder
hoofdstuk indeling. Het is wel in drie bedrijven te verdelen. Het
speelt tijdens de Tweede Wereldoorlog en opent met het van zee
terugkeren door Hudson naar zijn huis op Cuba. Hij geniet er
tientallen pagina's lang vooral van zijn katten Boise en Goats.
Daarna vertrekt hij om zijn bevindingen op zee te rapporteren aan de marine attaché. Onderweg naar de stad – je zou de rit een entr'acte kunnen noemen – zegt zijn chauffeur dat hij thuis slecht eet.
“Je moet een hond nemen,” reageert Thomas Hudson daarop.
De chauffeur zegt dat hij al een hond heeft en dat zijn baas niet
beseft en waardeert dat hij alles heeft en voor de Cubaan de oorlog
gebrek betekent. Als
vervolgens in Havana zijn contact niet aanwezig is, belandt Hudson in
een bar waar hij de ene na de andere cocktail achteroverslaat om verdriet te verdrinken. De kleur van die drankjes wordt beschreven
analoog aan de kleuren van rivieren. “Iets meer whisky erbij dan
krijg je de kleur van een stroom die uit een ceder moeras komt om in
de Bear River uit te komen op een plaats die Wab-Me-Me wordt
genoemd.” Hij weet niet meer wat die naam betekent, alleen
dat het komt vanuit de wereld van de oorspronkelijke bewoners. Een
leuke klank om drank te beschrijven. Verder niets?** Overigens is de
drank die hij er drinkt (dubbelgevroren daiquiri) licht geel van
kleur. Hij vertelt over de vondst van wolfraam in Nam Yung (of
Namyung, nu Nanxiong) in aanloop naar een prettig verhaal over
liefdes om zijn stemming te verbeteren. Hij heeft drank en verhalen
nodig om het verdriet te verdrijven. Het slot van dit deel start als zijn eerste
elegante ex-vrouw de bar binnen zweeft. Samen gaan ze vervolgens naar
zijn huis. Met hun samenzijn eindigt het deel op Cuba geheel
in de stijl van het begin met de spinnende Boise.
Op
zee begint met een onderzoek naar een moord op een kleine
vissersnederzetting en draait vervolgens om de zoektocht naar de
daders, de bemanning van een gezonken Duitse onderzeeër. De lezer
vaart mee tussen de kleine eilanden bij Cuba, de zogenaamde keys.
Het geeft een kleurrijk beeld van de omgeving en hier en daar wordt
ingezoomd op de vogels die landen op de droogvallende platen, zoals
de flamingo's: “Het is niet alleen hun kleur, dacht hij. Het is
niet alleen het zwart op dat roze. Het is hun grootte en dat ze in
detail lelijk zijn en toch pervers mooi. Het moet een heel oude vogel
zijn uit de vroegste tijden.”*** Vogels kleuren hier het
verhaal en naast de pelikanen zijn er ook lepelaars, plevieren en
ibissen. Hun al dan niet opvliegen is ook een signaal voor
aanwezigheid van mensen. Hudson is ondertussen gestopt met
drinken. Hij is overgestapt op thee. De bemanning van zijn schip
vindt het verkeerd en smeekt hem weer te gaan drinken en hij geeft
toe. Ze verzoeken hem door verdriet gedreven niet roekeloos te
worden, maar de veiligheid van het schip in het oog te houden. Naast
de drank is de plicht iets wat hem overeind hield. Hij had kunnen
schilderen of iets nuttigs kunnen doen, maar misschien is plicht wel
simpeler, bedacht hij zich. Die inzet duwt zelfs het verdriet naar de
achtergrond. Naast het eerder genoemde werk als remedie is dit een andere
oplossing in de zoektocht naar hoe te kunnen leven en functioneren.
Tot een paar kogels ook dat tweede onmogelijk maken en misschien
beide wel.
Het is een 'meer voor mannen'-boek, met mooie
vrouwen, bruin verbrande koppen, machismo, vechtpartijen, met
veel, heel veel drank, verstopt en oneindig verdriet, en af en toe
wat gevoeligheid. Het is zeer vlot en beeldend geschreven en
daarom toch plezierig om te lezen. Noot: *
De volledige tekst is hier
te vinden. ** Wab-Me-Me was de naam van Witte Duif een Winnebago. Zie voor een foto van hem hier.
Op de illustratie is het de oude man op de meest linkse foto. Als schrijver uit de VS kon je een inheemse naam gewoon gebruiken om je verhaal op te fleuren, blijkbaar, zonder enig gevoel met de mens er achter; hij wordt zelfs als persoon ontkent en teruggebracht tot een geografische locatie. ***
Dat laatste is nog steeds niet duidelijk, maar vermoedelijk bestaat
de soort inderdaad al ruim
30 miljoen jaar.
Hotel
World
van Ali Smith
kreeg ik cadeau voor mijn verjaardag. Het was gekocht omdat de gever
me de laatste roman van Smith wilde schenken, maar die niet kon
vinden. Dat boek heb ik inmiddels ook in huis, van mijn moeder
gekregen (komt later hier nog aan bod). Fijn om met Hotel World weer
een boek met een opdracht te krijgen. Dit keer:
Maar
we moeten. Optimisme is een plicht. Geschiedenis is een
kronkelrivier. Overal stroomt water, vindt nieuwe wegen door
ze zelf te maken. Geloof wat je weet.
Het is de laatste strofe van Wat
je weet
door Justus van Oel. Mooi.
Is er een verband tussen deze
opdracht en het boek over leven in het hotel waar vrouwen rondhangen,
werken of sterven? Hotel World is geschreven in 2001 door een
schrijfster die graag aanhaakt bij de wereld van vandaag.
Eenentwintig jaar lijkt een eeuwigheid geleden. Het was een tijd dat
ik me kon verdiepen (naast de aandacht voor de oorlog in Atjeh)
zonder dat er alles verdringende zaken speelden. De woorden uit de
opdracht sluiten een poëtische overdenking van 12 weken oorlog in de
Oekraïne af. Een oorlog met wel een alles opzij zettende kracht. Het hoofdstuk voor Hotel World uit 2022 zou nog
geschreven moeten worden. Er is vast een verhaal te bedenken over een
jonge Oekraïense vrouw die verzeild raakt in het hotel waar haar
tijd verstrijkt. Ze is er gekomen, omdat …. nee laat ik dat niet
doen, aan de hand van mijn fantasie op de loop gaan met het boek.
Als
ik opzoek waar ik voor het slapen
gaan in het boek ook al weer over las, dan kom ik een zin tegen die blijft
hangen: “Hotel World is a postmodern novel,
influenced by modernist novels.” Smith schrijft zelf in de
roman dat het speelt in de postmoderne
Britse maatschappij. Een van de personages draagt “kleren
die gezegend zijn met de geur van geld, niet te koop in dit deel van
het land, zelfs nu niet in het nieuw postmoderne Groot-Brittannië.”
Die woorden alleen maken van de
roman nog geen postmoderne fictie (of juist niet). In
de aangehaalde wiki zin worden postmodern en modernisme naast elkaar
gebruikt. Wat betekenen ze?
Postmodern is in de filosofie
(volgens
wiki): “een door twijfel en relativering gekenmerkte
wereldbeschouwing die het bestaan van een absolute waarheid ter
discussie stelt.” Modernisme
zoekt dan weer op grond van kennis of waarnemingen juist naar
gefundeerde beweringen over de werkelijkheid.
Ali Smith laat – merk ik op na
het lezen van haar serie rond de seizoenen en op grond van dit boek –
veel stemmen aan het woord om de alledaagse werkelijkheid te
onderzoeken, beschrijven, en er een positie in te nemen. Ze zoekt
naar 'waarheden' zelfs in het boek dat speelt in het postmoderne
Groot Brittannië van Tony Blair. Geld is dik of dun, waardeloos of
waardevol, meer een herinnering dan een betaalmiddel, of zelfs een
schroevendraaier. Maar zeker minder waard dan liefde en genegenheid.
In de neoliberale maatschappij van begin deze eeuw was dat al een
betekenisvolle boodschap. In Hotel World keren vrouwen, geld en tijd
steeds terug. Denk aan die eindige tijd en mis de
liefde niet, lijkt het overkoepelende motto. Gehuld in flitsende
kleren, met de nieuwste snufjes kan dit je ontgaan en compassie verdwijnen achter dure hebbedingen waaraan je vast zit. In
haar latere boeken zit meer uitdrukkelijke aandacht voor
maatschappelijke onderwerpen (verdeling van rijkdom, klimaat, Brexit,
vluchtelingen en zelfs voor vredeactivisten). Die boeken kwamen dan
ook nadat de schrale luwte verdween.
Het boek is beïnvloed
door modernistische romans, staat in de aangehaalde wiki-zin. Dat betekent
dus dat je een postmodern boek aldus de lemmamakers kan schrijven met modernistische technieken.
Hier gaat het dus om het gebruik in literaire stromingen en niet over
alledaagse filosofie. Wat betekenen ze in die context? De definitie
van modernisme haal ik uit een
scriptie van Dewi Beulen over het karakter van twee boeken van
Smith, waaronder Hotel World.
Modernisme “verwijst in eerste plaats naar de ontwikkelingen
binnen de experimentele literatuur van de vroeg twintigste eeuw die bedoeld zijn om
los te komen van traditionele versvormen en verteltechnieken om nieuwe methoden te vinden die passen bij het leven in
een stedelijke, industriële omgeving en tijdperk van de massa.”
Voor een beschrijving van postmoderne
literatuur vlucht ik maar weer naar wiki. Deze “stelt ironie centraal omdat
het nastreven van orde en zin onwaarschijnlijk wordt geacht. (…) De gebeurtenissen
volgen niet uit elkaar, maar vinden simultaan plaats, of als ze na
elkaar plaatsvinden, is er geen direct verband te leggen. Het maakt
niet uit waar iets begint en hoe het begint, hoe de gebeurtenissen
met elkaar verbonden zijn, waar en hoe het eindigt.”
Beulen komt in haar scriptie tot de
conclusie dat de bestudeerde boeken van Smith een voorbeeld zijn van
metamodernisme, een vorm van literatuur die pendelt tussen modernisme
en postmodernisme, en een “structuur van gevoel” bevat. Is
dat het gevoel dat je beleeft als je vanuit het donker een verlichte
kamer binnen kijkt en beseft dat men jou vanuit het licht niet kan
zien en jij de mensen in de verlichte huiskamer wel? Dat een klik van
de lichtschakelaar dat plotsklaps kan veranderen? Dat is wel het gevoel
dat boeken op kunnen roepen. Ook dit boek. Dat je meekijkt naar wat mensen doen als
ze rondlopen en binnenkijken, zoals de verwende Penny en de dakloze
Else, die eigenlijk Elspeth heet. Tijdens die tocht in de donkere buurt vraagt de dakloze Else aan Penny naar de betekenis van het woord rebbigot. Het is een
woord uit een gedicht en verkeerd onthouden, eigenlijk
is het re-begot (wedergeboren). Influencer Penny had deze avond daarop een kans, maar ze laat hem schieten. Dat ze niet weet wat het woord betekent onderstreept dit en die streep is een keuze van de schrijfster tegen de liefdeloze maatschappelijke orde.
Ben ik geholpen met de
zoektocht naar de betekenis van de literaire begrippen? Wel en niet.
Wel omdat ik er iets nauwkeuriger naar heb gekeken en weet dat ook
deskundigen er geen gat in zien om het een in het ander over te laten
stromen tot een mengsel. Niet geholpen, omdat ik belandde in een
debat uit een verdwenen tijdperk en uiteindelijk terecht kwam in een
stroming die zo complex en wijd is als de delta van de Amazone;
vrijwel alles past er in, als het maar niet premodern is en
zelfs dat kan ironisch gebruikt toch ook. Ook niet, omdat het 't
boek niet dichterbij heeft gebracht. Ik las een modern boek, dat postmodern en metadodernistisch genoemd werd, met
verbanden tussen alle personages, die direct of indirect te maken
hebben met het dramatisch verongelukte kamermeisje van het hotel.
Ik lees tenslotte een zestiental woorden die het
leven samenvatten. Leef, hou van, en ga met een uithaal
Wooooo-hooooooo oo o. Ook daarin kan je geloven als je het weet.
Volgende bespreking onder foto.
Een week puzzelen en dan heb je 29 haaien voor je liggen. De vis die al 450 miljoen jaar geleden leefde.
Laatst gelezen boek boven.
The
old men and the sea van Ernest Hemingway kreeg ik
cadeau op het strand van IJmuiden van mijn oudste zoon voor mijn 51e
verjaardag. Onlangs herlas ik het vanwege een ander boek, Ontij
(zie hieronder) dat op de omslag naar de oude man verwees.
Het boek
kan opgedeeld worden in drie delen (hoewel van hoofdstukken geen
sprake is): een inleiding die speelt in het Cubaanse vissersdorp; het
vissen op de marlijn die de omslag siert; en een slot waarin de oude
man bijkomt in het dorp waar mensen naar elkaar
omkijken.
De man is oud maar tevens taai. Ooit was hij een krachtpatser, een kampioen in het handjedrukken in
de zeemanskroegen tot in Marokko aan toe. Hier vecht de lijnvisser,
in zijn eenvoudige bootje, zijn strijd met de natuur.
Hoewel
hij de haaien haat, houdt hij van de marlijn die hij ving, bijna als
van een vriend. Hij praat ertegen, maar dood hem toch. Het spijt hem.
Maar hij ziet het als een noodzakelijke zonde; nodig om de kost te
verdienen en anderen te voeden. Als het een zonde is dan is
alles een zonde, zo bedenkt hij. Die strijd van de visser is uiterst actueel, maar ook zo getypeerd, achterhaald. We zijn als zoogdier immers onmiskenbaar een deel van de natuur, we staan er niet naast of boven, maar strijden wel met onze mede natuurgenoten.
Hoewel het
leeuwendeel van het verhaal zich als eenakter op zee afspeelt, is
er aan de wal de jongen die de visser verzorgt, van hem houdt en de
visser van hem. Hij zegt op zee verschillende keren: “Ik wide
dat de jongen hier was.” Dat is om zijn hulp bij visserstaken, maar
ook om emotionele redenen; hij mist zijn maatje. Het maakt het boek
wezenlijk anders dan Ontij.
“Nu is het niet de tijd om
te bedenken wat je niet hebt. Bedenk wat je kan doen met wat je
hebt,” overweegt de visser. Voordat je zelfs maar kan bedenken
dat dit een platitude is, komt er: “Je geeft me veel goede raad.
Ik ben het beu.” Die
twee laatste zinnen geven wat een cliché was opnieuw kracht.
PS Al eens eerder postte ik de animatie
door Alexander Petrov naar het boek van Ernest Hemingway, The Old man
and the Sea. “Even tijd? Twaalf minuten? Kijk dan,” zette
ik erbij. Dat advies herhaal ik met plezier.
Volgende bespreking onder foto.
Laatst gelezen boek boven.
A.
Alberts
was een man van weinig woorden; ook in de laatste novelle die hij
schreef De vrouw met de parasol.
Die vrouw is de frivole Aafje, de vrouw van Pieter. Pieter is de
mislukte en dwalende zoon uit een kleinburgerlijke handelsfamilie.
Zijn broers kopen hem het bedrijf uit zodat hij hen niet meer voor de
voeten zal lopen.
In de Volkskrant omschreef Arnold
Heumakers
het boek als een impressionistisch schilderij. Van dichtbij zie je
vegen en vage vlakken, van veraf zie je het hele beeld. Dat is ook
hoe Alberts de taal gebruikt, hij schildert met dunne strepen. Hij
laat de lezer veel ruimte om zelf in te vullen. Het beeld van een
vrouw met een parasol brengt je direct bij Monet. Het beeld van het
schilderij wordt ook door Alberts genoemd: Aafje herinnert zich dat
Pieter haar zag als een vrouw die liep op een schilderij.
De
woorden vertellen niet alleen van veraf, maar ook met je neus op het
doek verhalen. Als de kleine Pieter – het zoontje van Aafje en
Pieter – eindelijk gestopt is met het opnieuw en opnieuw en opnieuw
zingen van een kinderliedje, vraagt hij: “Is
pa in de schuur?” Aafje
antwoord: “Waarom
ga je niet weer zingen?” De
toon is in elf woorden gezet.
In 2018 begon ik met het
schrijven van notities over de boeken om niet te vergeten wat ik las.
Sommige van die beschrijvingen werden opgepikt door anderen en ik
ging verder uitweiden om die lezers meer te bieden. Soms graaf ik
daarvoor naar informatie. Bij non-fictie meer dan bij fictie, maar
ook bij verhalen uit verbeelding zoek ik achtergrond over schrijver,
vertaler, situatie en lees ik boekbesprekingen van middelbare
scholieren (vaak informatief, maar in
dit geval veel fouten en een voorbeeld van klakkeloos overnemen).
Over De
vrouw met de parasol las ik bespiegelingen uit de dagbladen. Je kan zo'n recensie bijna
voorspellen. Het begint met: Alberts schrijft zuinig, inderdaad net
zoals ik begon, bijna alsof het een stilzwijgende afspraak is.
Mogelijk volgen dan wat verwijzingen naar het leven van de auteur,
maar zeker naar zijn filosofie. De personages worden gefileerd en het
verhaal wordt samengevat in een door de recensent gewenste context.
Het laat je zien hoe beroepslezers zijn mysterieuze schetsen duiden.
Meestal steek je er wat van op. Leo
Oomens van het AD had een mooie ontmoeting met de auteur rond dit boek. Het voegde informatie toe aan de
besprekingen.
Het hervertellen zou me mogelijkheden geven om nog meer te zeggen
over de rampzaligheid van personen als Pieter die alles om zich heen
uit domheid meesleuren de vernieling in. Het eerste de beste Duitse
kamermeisje of professor ziet het meteen “so
eine Dummheit”
en draait hem de rug toe, maar hijzelf weet het niet. Zelfs een
vrolijk stappende vrouw met een parasol is niet opgewassen tegen een
man die voor of achter je loopt, maar nooit naast je, met een leeg
hoofd en alleen kortstondig aandacht voor alles, zonder onderscheid.
Die niettemin toch alles verliest, ook zichzelf.
Maar zou ik dat breekbare verhaal beschrijven, dan zouden er scherven
van afbreken. Dat niet alleen, verrassingen in het verhaal zouden
verklapt worden. Daarom haal ik er wel voorvallen en gedachten uit,
maar zonder het verhaal neer te pennen. Een geheugensteuntje dat
mogelijk mensen prikkelt het boek te lezen.
Mis
hier geen zin, mis geen woord, en zie een schilderij opdoemen met
reisbestemmingen in Europa; een dramatische slot; en met meer of
minder subtiele gedachten en emoties die uit de tekst spreken of er
onder sluimeren. Dit was de laatste novelle van de schrijver van het
weggelaten woord. Nog net zo mooi als hij begon. De vrouw met de
parasol eindigt met de ultra korte zin: Stil.
Het boek
verscheen in 1991. Voorjaar 1995 zou Alberts
de P.C. Hooftprijs
krijgen: “En
dat alleen maar wegens het vertellen van een aantal verhalen, want
daar komt het toch in de grond op neer,” aldus
de schrijver zelf.
In december van dat jaar zou hij op 84 jarige leeftijd voor altijd
helemaal stil worden.
Het
is niet verwonderlijk dat Ontij
door Tomás González vergeleken wordt met de De
oude man en de zee, de novelle van Ernest
Hemingway. Het koppelen aan een succesnummer is niet alleen
verkooptechnisch handig, maar ook om de inhoud te duiden. Ook
hier speelt het verhaal in een vissersboot. Er wordt gevist op
dezelfde Caraïbische Zee; hoewel ver naar het Zuiden aan de kust van
Colombia. Het verhaal speelt ook in een kort tijdsbestek, niet drie dagen, maar slechts 26 uur.
Er
zijn ook grotere verschillen. Zo zijn er in Ontij drie vissers: een vader
en twee zoons, Mario en Javier. De strijd wordt niet gestreden met
een de verbeelding prikkelende vis – hoewel ook dat in een
vissersboot onvermijdelijk voorkomt –, maar tussen de zoons en de
oude lul. De vader ziet beide nakomelingen als een stelletje
lamzakken en schat ze slechts sporadisch voor even op waarde, al ziet
hij dat dan als gevolg van zijn goede invloed. De visser van Hemingway heeft meer waardering voor zijn jonge opvarende.
Aan de wal heeft de vrouw Nora als zijn vrouw en als moeder van die twee zoons. Ze heeft een
psychotische stoornis. Volgens het verhaal door zijn optreden. Soms
wordt ze vastgebonden op bed. Mario heeft het meest contact met haar
en begrijpt zijn moeder het best. De vader heeft ook een jonge vrouw en
bij haar een zoon om aan zijn echtgenote en zijn oudste zoons
te ontsnappen.
Javier leest veel. De boeken worden gekocht in
de stad of meegenomen door de gasten in het hotel van zijn vader.
González
refereert
aan de hand van Javier naar Shakespeare in zijn verhaal. Een
koningsdrama is het daar op zee. Het lijkt me te hoog
gegrepen.
De schrijver is geboren in Medellin. Hij was barman
in een nachtclub in Bogotá. Later fietsenmaker in Miami, en vrij
lang journalist in New York. Als Colombiaan uit het binnenland is de
zee in veel van zijn romans een centraal element. Hij heeft een
groot ontzag voor het golvende water: “hoogmoed,
de pretentie de zee te kennen, heeft al sinds bestaan van de zee en
het begin van de geschiedenis voor rampen gezorgd.”
In
Nederland heeft hij een
toegewijd vertaler, Jos den Bekker.
Die herschepper liet me struikelen over een terugkerend gebruik van
het woord 'heb' waar 'heeft' hoort te staan, zoals hij “heb
gelijk”. Er is een groot aantal personen uit verschillende delen
van Colombia die zo spreken. Voor een schrijver die niet van opsmuk
houdt, vond ik het te gekunsteld. Den Bekker is echter een ervaren vertaler die
dergelijke accenten in de taal niet zomaar aanbrengt. Het is sappig Noord- en Zuid-Hollands. Uitgeschreven was het echter ongemakkelijk.*
Dat González steeds opnieuw duidelijk maakt dat er
verstoorde relaties zijn tussen vader en zoons, vader en echtgenote,
werd me wel eens teveel. Een dag op zee had mooier kunnen zijn als wat
zuiniger was geschreven.
* Nadien merk ik dat ik steeds meer ben gaan letten op het verhaspelen van werkwoordvormen binnen dialecten. Dat hebben González en Den Bekker toch maar mooi voor elkaar.
Volgende bespreking onder foto. Laatst gelezen boek boven.
Satanstango
van Lászlo Kraznahorkai is geschreven in de kleur van een
nooit gewassen tafelkleedje in een oudbruin café, maar dan nog
smoezeliger; het is geschreven alsof je in een vervallen molen twee
meisjes aan een vuurtje de hoer ziet spelen, omdat er niets anders
mogelijk is; het is geschreven in een wereld waar mensen aan hun lot
worden overgelaten en hooguit hooghartig gecontroleerd worden door
het bestuur; en het is geschreven met zuigende teksten alsof je over
een Oost-Europese modderweg in de herfst gaat waar men wacht op de
vorst om de weg weer hard en begaanbaar te maken.
Hier
is dat wachten, het wachten op de verrijzenis van Irimiás, de
zwerver met dubbele agenda en het image van een verlosser. De mythe
rond zijn persoon is versterkt door het verhaal dat hij dood is wat
de jongen van het verlopen gezin Horgos rondbazuinde. De kroegbaas
gelooft echter niet dat doden weer levend kunnen worden. Hij wordt
geteisterd door satanische spinnen die overal hun webben weven. Hij
gelooft in de kracht van cijfers; voorraad en winstberekeningen. Die
cijfers hebben werkelijk kracht in het boek, want nergens is enige
alinea te bespeuren, de hoofdstukken zijn aaneengeregen zinnen.
Vrijwel uitsluitend waar gerekend wordt zijn de regels niet
uitgevuld. Of het is bij het Onze Vader of bij liedjes, zoals hier
een laatste stukje volkslied dat het verhaal uitstekend past en zo
typografische leven geeft aan de tekst:
't lot heeft ons niet
steeds behoed, Breng ons thans een blijde tijd! Hebben wij niet reeds geboet...
De
afgeschreven dokter houdt alles in de gaten. Hij heeft een ziekelijke
neiging alles te zien en alles te noteren (voor elk persoon in het
vervallen dorp een schrift). Zijn notities gaan over “de in
opbouw zijnde satanische orde.” Zijn leven is gedrenkt in drank
en gehuld in sigarettenrook. Hij ziet door een spleet in het gordijn
de – ondanks alles toch – kleurrijke dorpelingen langskomen,
zoals bijvoorbeeld Halics in zijn jas waaruit alle soepelheid
verdwenen is en die hem niet niet beschermt tegen “de kletsgrage
wateren van het noodweer, maar veeleer, zoals hij vaak zei, 'tegen
innerlijke regens die gauw fataal kunnen worden'.”
Als
de dorpelingen in slaap vallen wordt de lezer getrakteerd op een
potpourri met in elkaar grijpende dromen die zich allengs minder van
de regels aantrekken. De punten verdwijnen achter de zinnen en dan
gaan de woorden aan elkaar plakken erkwameenmannnekeaandatzei.
Langzaam loop je vast in de tekst, inderdaad, als op een modderweg.
Kraznahorkai speelt blijkbaar graag met dergelijke vormen. In
een ander boek gebruik hij geen hoofdletters en punten bij het
begin en einde van zinnen. Hier raast de tekst dus zonder alinea
indeling door en ontstaat er een wanorde waarin alles zich in het
vorige en volgende verstrikt. Het past de visie van de schrijver dat
de mens meestal niet veel betekent en door gebrek aan verbeelding en
kennis blijft zitten waar hij zit en slechts wordt gedreven door
primitieve behoeften.
Er is wel beweging achter op een
voortrazende vrachtwagen; in weer en wind over een uitgestorven weg
zonder weloverwogen plan. De tocht van de berooiden, hongerigen en
geradbraakten gaat doelloos en op goed geluk de wijde wereld in,
zonder ook maar een vermoeden te hebben wat er aan het einde wacht.
Zelf beschikken over het reisdoel was uitgesloten. Nee dat werd
bepaald door een rammelend, aftands en schokkend vehikel. Zo luiden
de gedachten van Futaki, de manke denker.
“Hij liep even om de hoek van het
gebouw en ging piesen bij de kale acacia, en toen hij tussendoor even
nar de hemel keek voelde hij zich verschrikkelijk klein en weerloos,
en terwijl de urine onophoudelijk met mannelijke kracht uit hem
stroomde, werd hij ineens weer door droefheid bevangen,” zo
wordt zelfs het urineren literatuur. En er zijn de woorden van
Petrina, de hulp van Irimiás: “zo-even heb ik begrepen dat er
tussen mij een kever, een kever en een rivier, een rivier en een
schreeuw over die rivier, geen enkel verschil is. Alles functioneert
in het luchtledige en zonder zin, opgehangen en dwangmatig slingerend
in een tijdloze beweging,” voor dergelijke zinnen lees je zelfs
een boek zonder alinea's; ook als je wel zin in het leven ziet.
In een app-bericht dat ik zelf
verstuurde merkte ik op: “Wat een leven. Gelukkig is in mijn
boek van het moment nog troostelozer.” Want dat is het. Het
boek beschrijft het leven van troostelozen. Het gaat over hen waarvan
zelfs de hoop dunner is dan het stoffige vlies over een plas. Al luiden ook in
de ellende ergens klokken – nauwelijks hoorbaar, nauwelijks
vindbaar, nauwelijks bereikbaar – “een reeds verloren
gewaande melodie van hoop.”
Ik lees met moeite, maar wel graag.
Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang
duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31
januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het
lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij
het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.
De trein naar
Pavlosk en Oostvoorne
is een verhalenbundel van Toon
Tellegen over
zijn opa. De verhalen zijn met zijn bekende vederlichte handen
geschreven. Hij verbindt waarheid en fantasie; in Oostvoorne is
immers in de verste verte geen trein te vinden. In Pavlovsk (bij St.
Petersburg) wel, maar daarvandaan zijn opa en oma gevlucht naar
Nederland en het zal geen reisdoel meer zijn.
Toon Tellegen, schrijver van Nederlandse pareltjes, is het kleinkind
van een vluchteling voor de revolutie van begin vorige eeuw. Die
komst verrijkt Nederland nu met verhalen uit St. Petersburg en met
petit histoire over de tsaar die in een van de verhalen in
zijn been wordt gebeten door een hond, waarop de tsaar alle honden
uit het hele land laat afmaken.
Tellegens verhalen in dit boek beschrijven een man die in zijn hoofd
leeft met daar waar hij vandaan komt en met wie en wat hij daar kende. Zo
schildert Tellegen een man die handelaar was in huiden en
levensmiddelen met een blik op het Rusland van voor de revolutie. Opa
vertelt verhalen over de dood. Vertel die jongen toch mooie verhalen
en niet zulke sombere, zegt zijn oma dan. Nederland was eerst zijn
markt en later zijn toevluchts- en verbanningsoord.
Zo
ontstaat ook een beeld van de jongen die luisterde, opschreef en uit
die verhalen een aangenaam leesbaar tijdsbeeld creëerde. Bovendien
maken ze duidelijk van wie de schrijver zijn rijke fantasie erfde.
Slot van het eerste en tevens titelhoofdstuk:
Zo
rijden wij door de nacht – mijn grootvader, mijn moeder
en
ik,
en
praten zachtjes met elkaar
over
dingen die we nauwelijks weten
en
wat wij wel en wat wij nooit moeten vrezen,
en
over later praten wij
en
over vroeger
en
de geur van oude boekenweekgeschenken over de zomer en de verte
en
het verschil tussen zachte en ruwe berken
en
over het geruis van de zee
en
het land om ons heen
tot
wij alleen de wielen nog horen,
de
wielen van de trein naar Pavlovsk en Oostvoorne.
***
Op
de kaft van de versie die ik lees zijn afgebeeld een bord witte bonen
in tomatensaus, een indianentooi, een vogel, de stars
and stripes,
poolbiljartballen en naast nog wat kleinigheden een reclame bordje
met Brown's
Beans Best By Test.
Al die attributen komen terug in het verhaal en Brown's eettentje
speelt er een centrale rol in. De locaties: spoorlijn, pompenfabriek, en bar achter een luik bovenop een hooizolder,
ontbreken op die cover van The
torrents of Spring
door Ernest
Hemingway.
Zoals er in het verhaal ook delen zijn weggelaten die wel gebeurd zijn.
Het boek is
gepubliceerd in 1926 en bedoeld als parodie op werk van tijdsgenoten
(met name het boek Dark Laughter van Sherwood
Anderson). Om te kunnen beoordelen wie en wat
precies op de hak genomen wordt, in de nogal typische stijl die
Hemingway hanteert en die kunstmatig gewicht geeft aan minder
gewichtige zaken, is kennis van de Amerikaanse literatuur uit begin
vorige eeuw nodig. Maar een goede parodie is meer dan alleen dat. Het
boek kan ook op zichzelf staan.
Er passeren belangrijke
thema's zoals het effect van de gevechten in de Eerste Wereldoorlog
op personen, de onhandigheid om te gaan met relaties, en de afstand
tussen wit en zwart (waarbij ook de 'indianen' horen). Het is een
hallucinant boek en om dat te smaken hoef je Hemingway's tijdgenoten
niet te kennen.
Een
passage waarin tijd en stijl een nadrukkelijke rol spelen.
“Obviously,
walking was not the solution of their problem. Walking was alright in
its way. Coxey's
army. A
horde of man, seeking work, pressing on towards Washington. Marching
man, Yogi [een van de hoofdpersonen uit het boek] thought. Marching
on and on and where were they getting? Nowhere. Yogi knew it only too
well. Nowhere. No damn where at all.” Op
het moment dat Yogi dit denkt, loopt hij op met twee 'indianen' die in
hetzelfde wrakke schuitje zitten als hij.
Als Hemingway niet zo'n groot schrijver zou zijn geworden dan was
de novelle vast vergeten. Nu is het een onderdeel van een groot
oeuvre. In het voorwoord staat dat, door zich af te zetten tegen
pretentieuze schrijvers uit zijn tijd, hij met het scheppen van die
afstand een weg voor zijn eigen schrijverschap open legde. Andere schrijvers
die wél vergeten zijn.
***
Weken
heb ik in het boek gelezen, iedere dag een of twee hoofdstukken. Blij
was ik dat ik er wat zinnige woorden over kon schrijven. Maar als ik
het document met besprekingen van in juli gelezen boeken weer open,
zie ik dat er niets van die wijze woorden over is: ze zijn niet
bewaard. In eerste instantie kan ik zelfs niet meer bedenken welk boek het
was. Het was al weer naar de bibliotheek. Een foto van de
cover had ik nog niet bewaard. Geen tekst, geen vouw in een pagina om me
te helpen. Ik wordt verplicht om te graven in mijn geheugen.
Dat
graven brengt boven dat het Er
is in Rome iets gebeurd van
Sándor
Márai was.
Een boek over gewone mensen (maar toch veelal uit de gegoede
kringen) op de dag dat Julius Ceasar is vermoord. Ieder uur zijn,
per hoofdstuk, anderen aan het woord die rondhangen of werken in de
badplaats Baiae bij Napels. Het begint met
slaven die het nauwelijks kunnen geloven dat de keizer verdwenen is
en bijna aan het slot bespreken een uitgever en een schrijver hoe ze
de brieven die Cicero aan de schrijver stuurde zo kunnen redigeren
dat niet de dictatuur, maar de dictator de reden is voor zijn kritiek
op Rome. Zo stelt die schrijver zich meteen al in dienst van de
nieuwe heerser. In datzelfde gesprek wordt ook de opzet voor Er is
in Rome iets gebeurd bedacht.
Een boek dat twee millennia later wordt geschreven. Veel van de
kritiek die Márai er in verwoord kan dan ook gelezen worden als
verwijzing naar recente misstanden, die van alle tijden zijn of die verwijzen naar zijn geboorteland Hongarije.
Op de achtergrond van het gesprek
tussen schrijver en uitgever is een bacchanaal gaande compleet met
dobbelpartij die uitmond in de dood van een van de twee spelers. Een
advocaat maakt een opmerking dat alles om geld draait dat naar pis
stinkt; een courtisane waterde inderdaad over de op de speeltafel
achtergebleven goudstukken. Cicero komt eraf als een ijdeltuit en op
de dag dat Ceasar
– die overigens nergens in het boek bij naam wordt genoemd –
vermoord wordt, zijn de meesten al weer bezig met hoe de dood van de
keizer hun leven kan beïnvloeden en zoeken naar mogelijkheden om
daar zo voordelig mogelijk uit te springen. Cynisme voert in het boek
de boventoon.
De
woorden van advocaat Gaius over de aard van de mens, de visie op de
burgeroorlog en de dictatuur van Sulla zijn me een beetje ontschoten,
maar het verbaast me hoeveel weer boven komt tijdens dit gespit onder
mijn hersenpan, terwijl er echt niets meer over was. Mijn verdwenen bespreking
eindigde met een opmerking over de doornappel herinner ik me weer. Die
plant wordt in het boek genoemd als ingrediënt voor een tegengif
dat de aanwezige medicus in zijn koffer heeft. De doornappel kwam ik
eerder al tegen als drug voor jongeren op Java in de roman Man
Tiger
van Eka
Kurniawan.
Hier thuis bloeide hij op het balkon. Tussen alle cynisme van de
wereld, kon de mooie lila bloem ervan me verheugen. Zo is deze
bespreking meer een zoektocht in mijn eigen brein dan in het boek van
Márai geworden. De vraag welt op wat de lezer van deze bespreking aan dat
graven heeft.
***
Kamiel Daoud gaat in Moussa of de dood van een Arabier
een pennenstrijd aan met De Vreemdeling van Albert Camus. De
vermoorde Arabier in het boek van de Franse schrijver is nauwelijks
een personage. “Het woord Arabier werd 25 keer gebruikt, in het
boek, maar nooit een naam.” Alsof hij er niet toe deed. Dat zet
Daoud recht door, Haroen, de broer van de in 1942 vermoorde twintig jaar later te laten vertellen: “mijn broer had beroemd
kunnen zijn als jouw schrijver zich alleen maar verwaardigd had om
hem een voornaam te geven.”
Het verhaal wordt verteld kort na de bevrijdingsoorlog die het land
in een slagveld had veranderd. Na die oorlog “vrat de rest van
het land de aarde en het restant van de hemel op, evenals de huizen,
de palen, de vogels en alle diersoorten die zich niet konden
verweren.”
Zijn moeder zoekt al jaren naar de moordenaar. Alle straten van
Algiers doorkruist ze, ook die waar de Franse vreemdelingen wonen.
Pas veel later komen Haroen en zijn moeder erachter dat er een boek
bestaat over de moordenaar van Moussa, ene Meursault. “De hele
wereld kende de moordenaar, zijn gezicht, zijn blik, zijn portret en
zelfs zijn kleren … behalve wij tweeën.” Het is de studente
Meriem, die een scriptie over De Vreemdeling wil schrijven en naar
zijn familie heeft gezocht. Zij geeft Haroen een versie van het boek.
Hij vindt het verhaal absurd. Zijn broer wordt niet alleen naamloos
maar ook leugenachtig weggezet omringt door mensen die niet in staat
zijn meer dan twee zinnen te formuleren en meer dan vier woorden
achter elkaar te zeggen. De in De Vreemdeling opgevoerde zus bestaat
niet en is een allegorie of een walgelijk in elkaar geflanst excuus.
Het strand waar zijn broer is vermoord bestaat ook al niet echt.
Haroen heeft Frans geleerd om een paar korte artikeltjes over de
moord op zijn broer te kunnen lezen. Het heeft hem ontwikkelt tot een
man die nergens bij hoort. Hij sloot zich niet aan bij het verzet en
zat als jongen in de klas als een van de twee zonder schoenen. Hij
gelooft niet in God. Wat is een Arabier, vraagt hij zich af. Waar is
het land waar ze wonen? Haroen voelt zich geen Arabier, “zoals
ook het negerdom alleen bestaat in de blik van de blanke.” In
zijn wijk was je moslim, verder niets. En zelfs dat is Haroen niet.
Zijn moeder houdt hem kort. Voor haar is hij niet meer dan een middel
in functie van het bestaan van zijn broer.
Haroen vermoordt op zijn beurt een Fransman, die ook niet erg gekleed
wordt neergezet. De man wordt bekneld tussen twee verhalen en door
Haroen neergeschoten met twee kogels uit een toevallig gevonden
revolver. Haroen zoekt meteen naar rechtvaardigingen. Het was geen
moord maar een teruggave. Dat de man geen moslim was, maakte dat hij
gedood mocht worden. Dat is een zwakte bod, begrijpt Haroen
onmiddellijk, want hij is zelf ook geen gelovige.
Door de
pennenstrijd komt Moussa niet echt tot leven, veel is er niet meer om
over hem te vertellen, maar wel Haroen wiens leven kapot werd
gemaakt door de moord op zijn broer en verbetenheid van zijn moeder
hem in te zetten om Moussa weer tot leven te wekken.
Ik
lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als
je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar
dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de
maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een
rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun
gebruiken.