Posts tonen met het label boekenweekgeschenk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boekenweekgeschenk. Alle posts tonen

zaterdag 30 augustus 2025

Snikken en smartlapjes

Snikken en smartlapjes* is het eerste van een tweetal op elkaar lijkende boekenweekgeschenken, zowel qua formaat, uitbundige vormgeving als drukwerk,** en misschien ook wel door de aandacht voor de populaire cultuur. In 1976 ging dat om de smartlap, een jaar later over de genoegens die de televisie al dan niet brengt.

Het werk is samengesteld en ingeleid door
Hermine Heijermans, de dochter van de bekende schrijver en toneelman Herman Heijermans. Wat is een smartlap? Dat kan niet helemaal waterdicht beschreven worden. Niet ieder droef lied is een smartlap. Wat voor de een smartelijk lied is, slechts op effect uit, is voor de ander “een droef lied met kunstzinnige achtergrond.” Om het nog ongrijpbaarder te maken is een lied in de hand van de een slechts 'n tranentrekker en met de intonatie van een ander, een lied dat tussen de regels door grotere vraagstukken aan de orde stelt. Ook de muzikale omlijsting kan de waardering veranderen.

De schrijfster noemt al snel J.H. Speenhoff.*** Was hij een schrijver van smartlappen? Heijermans vindt van niet.
“Speenhoff was zeer geëngageerd en gaf vooral aan door de wijze waarop hij zijn liedjes bracht, dat hij een zeer reële kijk op de werkelijkheid had. Hij had een spitsvondige manier van zing-zeggen, had buitendien een gezicht, dat doordrongen scheen van ironie en moed; sentimentaliteit was er bij hem niet bij.”
Om dit te onderstrepen haalt ze Moeders Brief aan. Daarin zit de tekst: 'Want als ik jou niet overdag mag zien,/Zie ik je in mijn droom vannacht misschien.' Het lijkt me niet vrij van opgeklopte teergevoeligheid. Maar: “Hij brengt de tekst met verborgen bitterheid om maatschappelijke toestanden,” zo pleit ze de dichter, schrijver en tekenaar vrij van de smartlapperij. Ach als iemand het woord kroten in plaats van rode bieten in zijn tekst gebruikt kan hij ook bij mij al niet meer stuk.

Ze schrijft dat ze zich ergert aan het opzettelijk een ziekelijke toestand creëren om tranen op te wekken. De mensen zijn sentimenteel en huilen graag om het droeve. Niets mis mee, maar het moet niet uitgebuit worden, zo merkt ze op. En de sentimentaliteit moet al helemaal geen misstanden onderstrepen. Droeve liederen over ouderen bevestigen het conservatieve idee dat zij overbodig en ongelukkig dienen te zijn. De dichter uit Den Haag staat boven die verdenking.

De Nederlanders komen er in de woorden van Heijermans af als barbarbaren (“Het Calvinisme beperkte de ontplooiing in Holland, het volk hoefde niet te veel te weten.”). De Fransen worden anderzijds opgehemeld. Door de aandacht voor straatzangers werd Edith Piaf ontdekt en kon op de grote podia beginnen.
     De schrijfster zelf begon haar leven in Berlijn, waar haar vader werkte. Ze zag uit haar raam een groep soldaten voorbij komen met op het affuit van een kanon een kist met een gestorven militair. Zij zongen een lied over de door een kogel gevallen kameraad. De schrijfster had het lied geleerd op school, maar pas nu drong het karakter van de smartlap door. Ze schrijft de liedtekst in het Duits met een Nederlandse vertaling:

Ik had een kameraad
die mijn beste vriend steeds was,
De trommel sloeg ten strijd
En hij ging aan mijn zijde
In gelijke tred en pas.

Door de lucht suist nu een kogel
Voor jou of toch voor mij?
Hem heeft hij toen verslonden,
hij ligt naarst mij, gewond en
bijna deel van mij.

Hij wil me een had toesteken
Nu ik 't geweer juist laad
Kan ik je geen hand geven
Blijf jij liever in 't eeuwige leven
Mijn trouwe kameraad.
Heijermans noteert dat het lied laat zien dat de oorlog door moet gaan ten koste van alles, zelfs van een stervende kameraad. Kortom een smartlap met een propagandistische boodschap. Elkaar weer zien in de hemel is de oplossing voor de vriendschap die het verliest van de oorlogsdaad. Ze schrijft in dit deel een van de krachtigste reflecties van haar opstel.
     Tussen de door haar verzamelde smartlappen zitten er twee over jonge mannen die naar de oorlog moeten:
Moeders eigen jongen, en Het soldaatje. (Zie onderstaande tabel.)

Heijermans neemt stelling tegen de vercommercialisering van de liedkunst. In dat licht laat ze terloops zien dat het meest bekende werk van haar vader
Op hoop van zegen, door zijn kracht een internationaal succesnummer is geworden en niet omdat het voor de verkoop, als kasstuk, geschreven is. Het was een aanklacht tegen het misbruik van de vissers.

De opkomst van radio en televisie maakten dat er veel programma vullend materiaal nodig was:
“De radio werd hierdoor tot een vretende betonmolen, zijn produkt werd een mélange van goed en slecht,” zo schrijft ze met afkeer. Alleen daardoor kon iemand als Louis Armstrong tot zanger gebombardeerd worden met zijn zang die voor het geoefend oor een beproeving was. “De met moeite voortgebrachte schorre tonen, de nauwelijks beheerste ademtechniek die zijn stem moest ondersteunen, zijn vermoeiend voor ieder die luistert.” De schrijfster, geboren in 1902, heeft zich kennelijk nooit die muziek en andere voordracht eigen weten te maken. Ik had haar graag een duet tussen de zingende trompettist uit New Orleans en de stem met een snik van Billie Holiday verplicht voorgezet.
     Het houdt haar toch niet tegen ook de koningin van het Nederlandse levenslied De zangeres zonder naam een viertal keer op te nemen, met liederen over zeehondenmoord, de bruid, Het slavenkoor en het al hierboven genoemde Het soldaatje. Een ander kassucces Pappie loop toch niet zo snel staat ook in de bundel.

Vreemd is wel dat ze zoekt naar de betekenis van het deel 'lap' in de smartlap. Was het om de ironie van de smart achter te verbergen of de lengte van het lied, 'een hele lap', zo vraagt ze zich af. Of was het de lap met afbeeldingen bij de tekst, een roldoek, zodat het publiek mee kon leven, zoals hier thuis meteen werd opgemerkt. Nee ook niet. Het was een badinerend bedoeld woord dat afkomstig was uit het Duits.


Rijkelijk geïllustreerde 'smartlappen' (pagina's 22 - 77)

Titel

Uitvoerende

Tekst

Muziek

Na den storm

Georg Hofmann



Tabé Nonja!


Lou Bandy en Hans de Regt

Eugenie Bandy

Het hutje bij de zee


Mr. M.B. Le Jeune

J.R. Thomas

De armsten


Renati

Renati

Het droeve vissersbruidje


Kees Pruis

Joh. Davids

Moeders Brief

J.H. Speenhoff

J.H. Speenhoff

J.H. Speenhoff

Het loon van den Arbeid


Chef van Dijk

Georg Hofmann

Kinder Voeten

Kees Pruis


Louis Noiret

Moederweelde

Michel de Cock



Vrienden in den Nood


Georg Hofmann

Frans Bogaert

Moeders eigen jongen


Luciën

Willem Blokland

Zeehondenbabies

Zangeres Zonder Naam

Dick van der Valk

Johnny Hoes

Je moeder vergeet je toch nooit




De Bruid

Zangeres Zonder Naam

Johnny Hoes (bew.)

Johnny Hoes

Het fiere schooiershart


Otto Zeegers

Willy Derby

Het oudergraf


Hans de Regt en Hein Ruigrok

Willy Derby

Verborgen smarten




Slavenkoor

Zangeres Zonder Naam

Van Acker

H. Jansen (bew.)

De wereld der Blinden


Claudy

Willy Derby

Het soldaatje

Zangeres Zonder Naam

Van Acker (bew.)

Van Acker

Kerstlied


Ferry

Louis Noiret

Kindjes laatste wensch”


Kees Pruis

Willem Ciere

De vrachtwagen chauffeur

Johnny & Mary

J. Koeman

Johnny Hoes

Zielesmart


Kees Pruis

Willem Ciere

Pappie loop toch niet zo snel

Herman van Keeken

Petere Koelewijn (Ned. tekst)


Mammie zal komen

Luciën



Afscheid van 'n koloniaal

Lou bandy

Ferry

Michel de Cock

Noten:
*
Snikken en smartlapjes is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, txt, scan of als epub. De illustraties zijn van Frans Evenhuis.
** Ook hier is de leverancier van het karton vermeld net als in het geschenk van 1977. Dit keer is het Cartonfabriek Beukema & Co uit Hoogezand (doorgaans wordt Cartonfabriek met een K geschreven of niet genoemd N.V. Beukema & Co volstaat).
*** Speenhoff komt uitgebreid aan de orde in mooi kado, het geschenk voor 1979, door Simon Carmiggelt.

vrijdag 29 augustus 2025

Even geduld AUB


Even geduld AUB
behoort tot de meest uitbundige boekenweekgeschenken uit de bijna een eeuw lange geschiedenis van dit instituut voor de bevordering van de Nederlandse boekenverkoop. Het zet daarmee de luxe benadering van de afgelopen jaren voort. Het is zonder terughoudendheid geïllustreerd, voorzien van een harde kaft en gedrukt op luxe papier.

Zestig scribenten werden uitgenodigd om een bijdrage te leveren. Meer dan de helft gaf daaraan gehoor; van vierendertig schrijvers* werd een gedicht of tekst geplaatst. Ze kregen daarvoor een honorarium van ƒ 300. Bijdragen die ingeleverd werden en om inhoudelijke redenen niet opgenomen, werden beloond met ƒ 200. Al met al een kostenpost van ruim ƒ 10.000 (€ 4.500). Dat is een fors bedrag, maar anderzijds bij de oplage van 306.000 exemplaren nog geen stuiver per geschenk. Naast de schrijvers is er ook een dertiental illustratoren** (hoe die beloond werden vermeldt de tekst niet). Er waren twee drukkerijen betrokken, waaronder de kunstdrukkerij Mercurius-Wormerveer. In de uitgebreide colofon staat zelfs dat de kaft is gemaakt van karton van Kappa dat werd geleverd door Krijt Krommenie (ook al aan aan de Zaan).

Op het internet kom ik er een bespreking van tegen. Er wordt hier een daar wat uit een tekst geplukt en zo wordt het werkje samengevat. Op die manier kan je nog een legertje aan besprekingen schrijven. Zelf was ik het in eerste instantie ook zo van plan. Bij de bijdragen die ik daarvoor wilde gebruiken stopte ik een briefje. Die strookjes papier kwamen niet perse terecht bij de bekende namen, die zitten er zeker tussen, maar meer bij de voor mij – op het moment van lezen – meest opvallende bijdragen.
    De schrijvers mogen hun visie geven op het medium TV. De televisie van toen was anders dan de t.v. van nu. Er waren 2 Nederlandse zenders en waren regio's waar de Belg of de Duitse kanalen ook te zien waren. De programma's werden uitgezonden en daarna werden ze hooguit op band in een archief bewaard. Betaalbare videorecorders waren nog maar kort op de markt (Betamax van Sony (1975), VHS van JVC (1976) en de V2000 van Philips (1979). Je kon er niet meer naar kijken. Het tijdstip van kijken werd destijds nog bepaalt door de zendgemachtigde.

Renate Rubinstein merkte op dat 80% van het aanbod het aanzien niet waard was. Dat aandeel lijkt tegenwoordig hoger te liggen, maar wel bij een veel groter aanbod, zodat zekere zoveel wel waardevol is. Ze merkte ook op dat 90% van de boeken niet te pruimen was. Zo werd door haar het kleed van de elitaire anti-TV houding afgelegd door ook haar eigen medium op de korrel te nemen.

Jan Elemans schrijft over glas in lood ramen die een boodschap overbrachten en nog steeds brengen. Ongeletterden konden dit 500 jaar geleden al lezen en we zijn nog steeds niet uitgekeken op het samenspel van kleur, glas, lood en licht. De bijdrage is over twee donker gekleurde pagina's opvallend vormgegeven door Frans Schupp. Herman Pieter de Boer beschrijft hoe twee vrienden op een oud tv'tje naar het intieme leven van de Peruviaanse wesp kijken. Het kastje heeft klappen en stompen nodig om het te doen of om van zender te wisselen, maar dan kon je er zelfs Madrid mee krijgen. Toch gaat die televisie uit en werden de glazen weer volgeschonken. “Zal ik nog wat leuks voorlezen van Wittgenstein,” vraagt de eigenaar dan aan zijn bezoeker. Zo krijgt de beeldbuis niet alleen op zijn mieter maar wordt hij ook op zijn plek gezet.

Harry Mulish vond de televisie maar niets. Uitzendingen verdwenen meteen. De Homerus van de Nederlandse letteren schreef niet voor de tijdelijkheid, maar om te blijven en zelfs voor wie nog geboren moest worden. Heere Heeresma serveert het kijkkastje af. Eerste zin van zijn bijdrage: “Ik kots van televisie.” Hij analyseert dat het in de wereld van de film om geld draait en in die van de televisie om de macht: “en dat is een stap verder in onze degeneratie.” Toenadering tot het gewone ervan zoekt Mies Bouwman. Als die de stap heeft gezet om naar André van Duin te gaan kijken in Carré (tot verbazing van vele vrienden en bekenden) dan merkt ze dat zijn publiek ook het hare is. De vrouw van de mijlpaal in de geschiedenis van de Nederlandse TeeVee, met Open Het Dorp, noemt de komiek nergens bij naam (niet zijn artiesten- en niet zijn geboorte naam), slechts titels van liedjes en zijn voorkomen. Ging het benoemen van de grappende en grollende bekkentrekker nog te ver?

Hans Dorrestijn leverde het lied
De dwangbuis uit de Statenmakeropzeeshow. Hierin wordt bezongen hoe ouders voor het minste of geringste de televisie als strafmiddel gebruiken: “heb je maar iets verkeerd gedaan,/dan mag de TV niet aan.” De twee pagina's werden geïllustreerd door Henk Vermolen met tekeningen van kinderen en de tekst van het lied met notenbalk en de vermelding dat die muziek van Harry Bannink is. Mensje van Keulen beschrijft in een bijna poëtische bijdrage het tegenovergestelde. Geen spelletjes doen, maar naar Ti-Ta-Tovenaar kijken. Geen zoen voor het slapen, maar Swiebertje en doctor Who kijken. Die tweede heb ik destijds gemist. Misschien omdat ze het bij ons thuis te eng vonden, zoals klagende ouders en leraren.

Na dit boekje zou het geschenk steeds gewoner worden totdat het zijn huidige vorm zou krijgen. De jaren zestig kwamen bij het CPNB laat op gang, en ze hielden na 1977 alweer op. Overigens stond dit geschenk onder redactie van Mies Bouhuys, Herman van Run en Nico Scheepmaker. Ze schreven er een wat melig voorwoord in. Mooi uitgevoerd betekent nog geen boeiend geschenk. Al is het aardig even terug in vroege jaren van van de televisie te worden gestort. Het boek heeft al een lange geschiedenis en zal de t.v. wel overleven; het medium heeft in 2025 zijn langste tijd gehad. Wel zijn beeldschermen wijder verspreid dan ooit tevoren, vooral van telefoons. Dat brengt de volgende uitdaging, de digitale aandachtslorpers weerstaan of er op zijn minst een plek naast blijven innemen.

Noten:
* D. Hillenius, Renate Rubinstein, Koot, Jan Elemans, Jacq Firmin Vogelaar, Cornelis Verhoeven, Henk Spaan, Tim Krabbé, Carel Swinkels, Herman Pieter de Boer, H.H. Polzer, Elly de Waard, Kees Holierhoek, Harry Mulish, Jerven, Heere Heeresma, Yvonne Keuls, Wim Hazeu, Leo Derksen, Mies Bouwman, Jan Mulder, C. Buddingh, Guus Luijters, Piet Grijs, Hans Dorrestijn, J. Waasdorp, Jan Willem Holsbergen, Mensje van Keulen, J.J. Buskes, J. Bernlef, Harriet Freezer, Michel van der Plas, Jan Jonker en Erik K. de Vries.
** Will Bakker, Rob van den Berg, Hans de Cocq, Theo Dijkslag, Hans van der Jagt, Frans Lasès, Hans Moolenaar, Frans Sdchupp, Dirck van Stralen, Arie Teunissen, Henk Vermolen, Monaa van Vlijmen en Johan Volkerijk.

donderdag 7 augustus 2025

De verdachte verheugt




De verdachte verheugt
* van Janwillem van de Wetering is een verhaal rondom het illustere duo Grijpstra en De Gier. Ze stuiten hier op Ketchup en Karate, agenten die zich van hun gewelddadige kant laten zien.

Het verhaal begint bij de brug over de Brouwersgracht naar de Keizersgracht bij café Bielema. Het café heeft nooit bestaan. Het is zelfs de vraag of er ooit een drinkgelegenheid op die plek heeft gezeten. Maar in dit prettige vermakelijke verhaal uit hartje Amsterdam speelt het een centrale rol.

Amsterdam zit bijvoorbeeld in mevrouw Rodekool-Flappers die samen met Grijpstra op een aan een boom geketende handkar zit te kijken hoe mijnheer Verheugt uit het water wordt gehaald. Ondertussen vertelt ze over de spraakmakende mensen in de buurt en hoe hun relaties zijn. Tussendoor flapt ze er nog even uit 'Dienders zijn fascisten,' en als ze merkt dat de in burger gestoken Grijpstra ook een 'smeris' is dan klinkt het: “Vuile verraaier.”

Dat er achter de drenkeling meer schuilgaat dan dronkenschap wordt al snel duidelijk. Een goede rechercheur offert er graag zijn vrij weekeinde aan op om te weten wat dat is. Grijpstra komt met redeneringen uit het ongerijmde en is niet zo onfeilbaar als Morse, Frost, Vera en de hunnen. Het is eerder zo dat de denkende arm der wet op de korrel wordt genomen. Zelfs zijn assistent De Gier doet dit regelmatig met subtiele kritiek.

Net gestopt met roken gaat hij door op een speurinzicht van Grijpstra. Die meent dat gewoontes van vroeger altijd terug zullen komen.
'Dus een mens is een slaaf, zei De Gier, 'de slaaf van zijn gewoontes; zijn die eenmaal gevormd dan kan hij nog maar één kant op. Hij leeft in een eindeloze herhaling.'
     Grijpstra knikte.
     'Ik rook niet,' zei De Gier.
Even heb ik gedacht heel pagina 52 toe te voegen om daarmee een indruk van het boekje te geven, maar ik laat het  ook hier weer bij (een nog uitgebreider) citaat. Het stoppen met roken gaat als running gag door het geschenk en ook het beeld van de mens als gewoonte dier komt weer terug:
'Wat is Frits Verheugt voor een man?' vroeg De Gier.
     'En wat is dat voor een vraag? Is dat wel een goede vraag? Wat ben jij voor een man? Wat ben ik voor een man? Soms ben ik zus en soms ben ik zo.'
     'Zus en zo zijn beperkt,' wierp Grijpstra tegen. 'De uitslag naar zus en de afslag naar zo worden tegengehouden door het gewoontepatroon van de verdachte. Wat hij vroeger deed doet hij nu ook en gaat hij later weer doen. Eens een komediant altijd een komediant. En zo door.'
     'Ik rookte, maar ook niet meer. Wat ben ik dan? Een niet-roker die rookte? Een ex-roker die niet meer rookt? Een niet rokende ex-roker die weer gaat roken? Eens opgehouden altijd opgehouden? Eens begonnen altijd doorgaand met beginnen?'
     'Je bent een nicotineur,' zei Grijpstra, 'en je hebt een slap karakter. Maar je bent geen verdachte en daarom interesseert het me niet wat voor een man je bent.'

Dat de draak met hem wordt gestoken lijkt de rechercheur niet eens te begrijpen. Hier en daar is de tekst flauw: het barmeisje met de mooie borsten heet bijvoorbeeld geen Marietje, maar Martietje.
    Het flauwst is het als de draak met mij als verzamelaar van boekenweekgeschenkjes wordt gestoken, boeken “verzamelen is ook maar een domme gewoonte,” zegt de verdachte Verheugt als hij wijst naar de lege muur waar zijn boeken stonden. Maar de detective die geen detective is, is wel een heerlijk licht verteerbaar boekje.


Noot:
In 1983 uitgebreid en verschenen als 'Moord zonder lijk, lijk zonder moord,' deel 8 in de Grijpstra en De Gier reeks.

vrijdag 25 juli 2025

de goden moeten hun getal hebben

Hubert Lampo schreef in 1969 het boekenweekgeschenk de goden moeten hun getal hebben. Aan het slot van de roman is een pagina lange uitleg en samenvatting opgenomen. Waarom kan je er Euridice en Orpheus in de onderwereld in herkennen, wordt daarin gevraagd, zoals ook anderen dedenI
    Gaat het over een andere werkelijkheid of is Kasper, het hoofdpersonage, een geesteszieke man? “De nuchtere lezer zal er vrede mee hebben, Kasper als een geestelijk gestoorde te beschouwen,” merkt wordt gesteld. Het nawoord sluit af met een opmerking over het stadje GeelII, waar psychiatrische patiënten in de samenleving zijn opgenomen, en geeft daarmee een duidelijke vingerwijzing. Maar ook voor wie wel wil dwalen van hier naar gene zijde en omgekeerd is het boek een traktatie.

Nog niet gelezen en wil je het nog lezen. Stop hier dan en lees de volgende opmerkingen pas nadat je het uit hebt. Een aantal clous heb ik buiten deze tekst gehouden, maar mogelijk worden toch zaken verklapt die de spanning uit het verhaal halen.
1 Magisch realisme
Om bij het begin te beginnen. Het is opvallend dat er uitleg bij het geschenk is opgnomen. Lampo kreeg nogal wat kritiek op zijn magisch-realisme. Die kritiek is “ieders goed recht, (…) maar het getuigt van grote hoogmoed de eigen afwijzende houding te vertalen in wrevel tegen de persoon van de auteur,” reageerde resencent G.J. Oevering op de aantijgingen, in een artikel over het genre en meer specifiek over de uitleg die Lampo er aan gaf. In relatie met Kasper in de goden moeten hun getal hebben merkte Oevering op:
“vanaf het begin rijst bij de lezer de twijfel aan de geestesgesteldheid van de hoofdfiguur. Er zijn tekenen die erop wijzen dat Kasper meer dan een geesteszieke is, dat hij een gedrevene, een zoeker naar zowel zichzelf is, als een zoeker naar een gebied waarvan hij in zijn door geheugenverlies gekwelde geest zo nu en dan weet heeft: die paradijselijke door hem vergeten wereld. Hij wacht op tekenen, op het sleutelwoord, het wachtwoord dat hem toegang zal verschaffen.”
2 Omslag
De prachtige omslag is van Mart Kempers en laat de man zien die zorgt dat bouwverkeer het juiste traject volgt en niet in de diepte stort. Je kan in de man in blauwe overall met plastic helm een Hades zien en in de graafmachines (waarvan er ook een getekend is) monsters die op ingenieus bedachte tuigen leken, zoals Kasper ze beoordeelde.
3 Titel
De titel spreekt tot de verbeelding. Ze is verbonden met de geestelijke situatie van Kasper. Het gezegde werd in Oost- en West-Vlaanderen gebruikt voor iemand die dement was. Kasper was zo iemand, zegt de schrijver. Hij heeft het vooral over zijn geheugenverlies in een interview door Henk Egbers (1 maart 1969).
    Lampo heeft zich bij het verhaal zelf laten inspireren door een man die hij kent. De Kasper uit het verhaal leidt aan aan een complex van stoornissen: hij heeft wanen, is paranoïde en heeft grote gaten in zijn geheugen.
4 Havenaanleg
Kasper Bentheim wandelt een gebied bij Antwerpen binnen waar de haven wordt uitgebreid. Net als hij aankomt breekt er een staking uit. Het werk wordt platgelegd en de haven wordt stilte gebied met hier en daar een café, club, begraafplaats of een vrijwel geheel vernield dorp (er werden er drie “volledig met bulldozers met de grond gelijk gemaakt”).
      Kasper wordt opgevangen door een kroegbaas en ondergebracht op een aftands, maar goed schoongehouden schip waar hij wordt verzorgd door dochter Heleen (ook wel Leentje genoemd).III Hij  hoort door de gaten in de wand het water van de Westerschelde bij eb verdwijnen en bij vloed de waterloop binnenstromen.
     De sfeer van het gebied is prachtig beschreven en behandelt terloops ook de havenuitbreiding uit de jaren zestig. Kasper komt er in een andere wereld en merkt dat de wereldvreemde sfeer in de afgelegen hoek bij de stroom zich volop meester van hem maakt.
5 Staking
De strijd van de havenwerkers veranderde de lotsbestemming van mensen, zo bedenkt hij. De Marechaussee in het gebied was bewapend en uitgerust om de stakers met geweerkolven “op de kop te timmeren.”
    De huidige stakers weten niet goed meer waarom ze het doen, meent Jonathan de kroegbaas echter. Dat was volgens hem vroeger wel anders:
“Op zekere dag had men er de buik van vol zich nog langer als beesten af te slaven voor een hongerloon. Of op een andere keer, nu ruim dertig jaar geleden, was men bezig een Panamese rotschuit met machine-onderdelen voor Argentinië vol te laden. Tot men, misschien wel opzettelijk, een kist liet vallen, en men ontdekte,dat het wapens waren voor de fascisten aan het front in Spanje. (..) Men legde er het blok op en daarmee uit.”IV
6 Muziek
Er zijn verschillende voorbeelden waar Kasper met zijn mondharmonica tovert. Hij trekt er de aandacht van een zeehond mee, krijgt een zieke circustijger stil, een verwaarloosde hond Loebas (verwijst naar CerberusV) rustig, en laat door de muziek eruit de stakers doorleefd de internationale zingen. Muziek speelt een belangrijke rol in zijn leven. Dat is al snel duidelijk. Niet gek dat hij door de gesjeesde pater wordt gevraagd te helpen bij het uit een geruïneerde kerk halen van het orgel.
6 Verfilming
de goden... werd verfilmd en de derde druk van het boek kreeg alvast de titel van de film, en daarmee een nieuwe titel: Kasper in de onderwereld. De verfilming kwam er na wat hobbels. Een Belgische filmploeg kwam er niet uit, meldde Henk Egbers in dagblad De Stem van 17 december 1974. Die ploeg werd vervangen door de regisseur Jef van der Meyden, schreef de journalist al eerder dat jaar. Verwacht werd dat de film in het najaar uit zou komen. Dat lukt niet, maar in 1979 zou hij uiteindelijk toch verschijnen
     Het boek zou het goed doen in Rusland, zo berichtte De Stem op 5 juli 1980. Het kost mij niet veel moeite dit boekenweekgeschenk in mijn hoofd te vertalen naar een Russische film, zoals een Tarkovsky of een product van Andrey Zvyagintsev.

Noten:

I Annie Verhaeghe pluist er in het artikel 'Kaspar Bentheim of Orpheus moet zijn navolgers hebben,' het hele boek op door. De naam Euridike/Euridice komt er vier maal in voor en met heldere verwijzingen naar de Griekse mythe op de pagina's 145 en 146. Op die pagina's wordt een deel van Kaspers identiteit benoemd. Opvallend is dat ze de afloop, kort daarna, hetzelfde leest als ik, terwijl recensent Oevering in zijn artikel tot een andere lezing komt. Een onacceptabele dood bij de een of  'gewoon' een arrestatie bij de ander. Het maakt nogal een verschil.

II Ook in Brandlucht door Eric Vlaminck kwam het stadje in de Kempen, met zijn geschiedenis van zachte psychiatrie door patiënten op te nemen in de samenleving, al aan de orde.

III De dochter van de schrijver heet Hélène. De Helena uit de goden.... wordt door recensent Oevering een puur, ongerept meisje genoemd; “een typische Lampovrouw: blond, slank, erudiet, rustig karakter, volmaakte aanvulling van de man die haar ontmoet (...)”.

IV Onlangs beschreef ik deze actievorm in recente situaties nog een korte bespreking en langere samenvatting van 'De wapens zijn monsterlijk gewelddadig. De wapenindustrie vernield de wereld. & Wat we er tegen kunnen doen.'. Nog recenter gingen Belgische organisaties het misbruik van de haven tegen en kregen gelijk van de rechter.

V Dat verband haal ik uit een boekverslag van een scholier uit 5 VWO. Het ontbreekt in het artikel van Verhaeghe.

dinsdag 15 juli 2025

Als ik bij voorbeeld, de geest van mijn moeder op de rand van mijn bed zag zitten

Als ik bij voorbeeld, de geest van mijn moeder op de rand van mijn bed zag zitten,
is de lange titel van het boekenweekgeschenk voor 1974. De titel is een citaat uit het werk van Louis Couperus. De naam van die schrijver siert de uitbundig opgemaakte kaft. Op het titelblad staat meer accuraat dat het geschenk 'okkulte knipsels uit Couperus [werk] verzameld door Karel Reijnders' bevat.

Zes jaar eerder had Reijnders een lijvig proefschrift geschreven:
'Couperus bij Van Deyssel. Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities.' Hij promoveerde er cum laude op. Nu de Haags Indische schrijver een halve eeuw eerder het aardse leven had verlaten was het tijd om de kennis van Reijnders in te zetten om een speciale boekenweekuitgave te schrijven. Het onderwerp werd zijn omgang met het para-normale. In Couperus tijd was het occultisme in de mode en dat raakte ook in de jaren zeventig weer in zwang. Couperus was gevoelig geweest voor die mode, maar was ook serieus geïnteresseerd en beïnvloed. Ondanks dat nam hij zichzelf ook weer op de hak. “Schaamt hij zich over wat hij gelooft,” vraagt Reijnders nadat Couperus zijn overpeinzingen over de mens en het getal met een weer op losse schroeven zet. De Haagse schrijver zelf overweegt (nadat hij tot de bij-god Amida heeft gebeden en dat niet durfde te zeggen): “Ik schaamde mij...Zoo zijn wij!”
 
Na het weergeven van een kindergebedje uit de kinderjeugd van Louis, dat afsluit met de regel: 'Heere, bewaar mij voor de Zwarte Kunst!' en een geheimzinnige genezing in de Italiaanse bergen komt de lezer al snel in de mandi (was) ruimte van de Nederlandse bestuursambtenaar Otto van Ouddijck en zijn“mooie en wispelturige echtgenote” Léonie terecht. De vrouw wordt in de badkamer onverklaarbaar bespuwd met rood sap, als dik bloed of als het rode sap dat wordt uitgespuugd bij het kauwen van de betel steenvrucht (sirih noten). Het zou een bekende en spraakmakende scene worden uit de televisie uitvoering die er in 1974 van op de Nederlandse televisie kwam met de Pleunie Touw als Léonie.

In
Oostwaarts beschrijft hij dat de inlandse bevolking van de Nederlandse kolonie in de Oost meer had met occulte krachten dan met het verwerven van kies- en andere rechten; “Zijn kinderlijkheid [van de plaatselijke bevolking] zal nauwelijks weten wat met deze rechten te doen.” Deze paternalistische tekst schuurt en redeneert naar de belangen van de eigen groep, maar tegelijkertijd zoekt Couperus vanuit zijn bevoorrechte positie als koloniaal ook naar wat de – in dit geval – Javaan zou bewegen. Het komt tegelijkertijd wel goed uit dat de olie wordt gewonnen met Westerse tovenarij waar de inlander geen kaas van heeft gegeten. Voor een fooi wijst die wel waar de minjak (olie) te vinden is.

Maar uit het boekje blijkt dat hij ook in Japan en Italië zo observeert en het volk ook daar zijn plaats geeft, tegelijkertijd zowel uit de hoogte als midden tussen hen in. In het Italië van begin zestiende eeuw beschrijft hij de dood van Paus Alexander VI – uit de Borgia familie – als zijn twaalfjarig pact met de duivel ten einde komt. Italië en de duistere mystiek komen meer aan de orde in het werk.
 
     In Nederland beschrijft hij onder andere over zijn arme vriend Herman die door zijn armoede gebrek leidt. Coupreus is op die plaats ook in staat tot zelfreflectie door te stellen dat je het sterven van armoede niet voor kan stellen als je leeft in welvaart, dat
“gebeurt niet in zekeren stand.” Maar het overkwam wel de vrouw en de zoon van Herman. Als een voorspelde brief met een erfenis iets eerder was gekomen dan had de vriend zijn gezin kunnen redden, zo is niettemin met of zonder opzet, de sociaal bewogen moraal van het verhaal, maar de oplossing ligt wel buiten de aardse werkelijkheid.
     In welk land
het behekste dorp ligt waar de gnomekikkers, polyp-achtige larven leven en fosforraampjes te vinden zijn, wordt niet bekend gemaakt. Maar zo langzamerhand snap je dat Couperus overal de Stille en minder stille Krachten tegenkomt.

In het artikel Het getal (Haagse Post 3 februari 1917*) – opgenomen in het geschenk, beschrijft hij waarom bij-geloof (voor hem) aantrekkelijker is dan het enkel-geloof:
“De Bijgeloovigheid is de mystieke poëzie voor onze tastende, dwalende zielen; de Bijgeloovigbeid is de wondere tuin der vreemde vreezingen en radingen en berekeningen, die ons verfijnen onze fijnste zintuigen: die zintuigen, die achter onze onzichtbare zintuigen schuilen. Laat vrij de enkel-geloovige smalen op den bijgeloovige; laat vrij hem zeker zijn van zijn geloof en ontkennen wat wij, nederiger dan hij, zoeken en door verre glanzen verblind, willen aantasten in de even oplichtende, vreemde dreven der bestaanbaarheden en gebeurlijkheden, die om ons heen schijnen te bloeien, te zweven, te schemeren, te dansen met schimmen en schijnsels, die wij niet kunnen verklaren, maar toch gevoelen, dat niet zonden wemelen zoo er niet iets van waarheid was aan hun wezen, dat de enkel-geloovige als leugenen lastert ... en wij zullen vermoedelijk, wij bij-geloovigen, wij arme, gesmade bijgeloovigen, làter, op éénmaal iets voelen, weten, zien, dat onzen smader verholen blijft.”

Je komt in het boekje heel wat vreemde woorden tegen, zoals zwapperden en marren. Het eerste doen de vleermuizen (met hun vleugels, vermoed ik) en het tweede betekent treuzelen (hier op de drempels naar de dood der sferen). Voor wie in onbruik geraakte woorden boven wil halen is dit geschenk, en het werk van Couperus in het algemeen, een rijke bron.
     Je kan de man nooit meer lezen, als voordat je deze verzameling van zijn zonderlinge ideeën kende. In die zin is het niet alleen een curieus boekje, maar zeker ook waardevol. Bovendien stond Couperus in het jaar dat het verscheen door De Stille Kracht volop in de belangstelling.

Noot:
* De tekst verscheen later
in de Deli Courant (juni 1917, voor de zekerheid heb ik hem nog een keer gecontroleerd, omdat ze zo haperend geschreven lijkt) en werd in 1920 weer opgehaald in de Tilburgse Courant met een ironische verwijzing naar het orakel Couperus




vrijdag 4 juli 2025

Herinneringen van een bramzijgertje

Herinneringen van een bramzijgertje* door Jan de Hartog is het boekenweekgeschenk voor 1967. Op de kaft staat een viertal botters, zoals je ze nog wel ziet op het water van de voormalige Zuiderzee en die gebouwd worden op daaraan gelegen werven.**

De herinneringen van een bramzijgertje is een boek over het verdwijnen van de Zuiderzee en van de haringvangst in dat water. Het afsluiten van deze binnenzee is een van de grote veranderingen van de vorige eeuw in het Nederlandse landschap. Het volgende lange citaat uit hoofdstuk 8 laat zien hoe ingrijpend dit werd ervaren en tekent bovendien de jongen in het vooronder:
“De mannen spraken over de armoede die hun te wachten stond zodra de Afsluitdijk klaar zou zijn. Ik had dikwijls over het sluiten van de dijk gehoord maar er nooit over nagedacht; het lag zo ver in de toekomst dat het even onwerkelijk had geschenen als de dood. Die avond hoorde ik dat de eerste stap gedaan was; de dijk tussen West-Friesland en Wieringen was een week geleden klaargekomen. Hij maakte nog niet veel verschil. De haringscholen waren nooit tussen het eiland en de vaste wal doorgezwommen omdat het er te ondiep was, maar toch, het was de eerste stap, één achtste van de afstand. Als de vissers van de Zuiderzee de rest van de dijk zouden laten doorgaan dan was het met hun broodwinning, hun schepen, hun dorpen en het zuivere geloof gedaan. Dan zouden de goddeloze filistijnen van Amsterdam, die hoer op de wateren, de overhand krijgen en de geest en de zeden van hun kinderen verderven. Er moest iets gedaan worden, zeiden de stemmen; wat er ook gebeurde, de vissers van de Zuiderzee moesten laten zien dat het hun ernst was, dat zij zich niet zouden laten knechten, dat zij hun levenswijze en het geloof hunner vaderen zouden verdedigen tot de laatste man, zoals de kinderen Israels dat hadden gedaan. Het ging niet om financiële compensatie, zoals de heidense regering in Den Haag dat noemde, het ging erom dat wanneer die dijk eenmaal gesloten was, de ziel en de zeden van kinderen, grootgebracht in godsvrucht, vergiftigd zouden worden door goddeloosheid, hebzucht, al de vleselijke lusten van die steden, haarden van zonde, geverfde lippen, schouwburgen en stoomtrawlers. Er stond hun maar één ding te doen: zodra een stuk van die dijk klaar was zouden zij er met zijn allen met ijsbommen op af moeten zeilen om met de hulp van de Heer der heirscharen het helse ding op te blazen dat de kluiten neer kwamen tuimelen op dat Babylon aan het IJ.
     (...)
    Het was geweldig opwindend en tegelijkertijd was er iets verdrietigs aan, want tot dusver waren voor mij de ergste vijanden de Roomse zeerovers van Volendam geweest, voor zó lang, dat ik aan ze gehecht was geraakt. Ik viel in slaap, terwijl achter het beschot de mannenstemmen gromden.”
Een bramzijgertje is overigens een jongen die jonger is dan veertien jaar en daarmee volgens de wet te jong is om opvarende te zijn. Het waren dus, zo jong ze waren, illegale opvarenden. Ze worden ook wel zeemuis, bijlopertje, slobbetje of lemmantje genoemd; ieder dorp had er een eigen naam voor. “Bramzijgertjes groeiden op tot zeuntjes of verdronken.”

In het verhaal is een sage verwerkt over een geliefde die haar man wil vinden en daarvoor haar ziel verkoopt en veranderd in een meermin. Uiteindelijk zwemt ze rond Emmeloord, de plaats die onder de golven zou verdwijnen, om hem terug te vinden. Het sprookje wordt verteld door de beste leugenaar van allemaal. Die leugenaars waren mannen die voor een kruik jenever verhalen vertelden.
    Als het nieuwe Emmeloord als stad in de polder wordt opgebouwd ziet het voormalige bramzijgertje dat het land dat eens water was ook goed is: er was niets verloren
“alleen was een kinderzee veranderd in een kinderland.”

Het duurde even voordat weer bovenkwam dat Jan de Hartog de schrijver van Hollands Glorie was dat in 1977 verfilmd werd met de sleepboot de Furie in de hoofdrol.
    Het geschenk sluit af met een vier pagina's lange biografie over de schrijver. Hij was de zoon van theoloog en hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam en Utrecht Arnold Hendrik. Zijn moeder, Lucretia Hartog-Meyes,*** was schrijfster van onder andere middeleeuwse mystiek werk. Op zijn tiende liep Jan weg van huis en werd als zeuntje actief op de Zuiderzeevloot, zo vermeld deze tekst (wiki wijdt er verder over uit en geeft meer achtergronden, onder andere dat hij vanuit een pleeggezin
in Huizen ging varen. Zijn moeder was in die tijd langdurig opgenomen in een sanatorium met tuberculoze en vader kon de opvoeding niet aan daarom was hij ondergebracht bij een vishandelaar in dit stadje aan de Zuiderzee.)
      Veel van zijn boeken gaan over het varen. Hij zou uiteindelijk in 2002 in Houston overlijden, een stad waar hij begin jaren zestig activist werd tegen misstanden in het Jefferson-Davis ziekenhuis.


Noot:
* 'Herinneringen van een bramzijgertje' is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, scan, txt of als epub.
** Ze zijn net als de overige illustraties van de hand van Mart Kempers.
*** A View of the Ocean, gaat over de dood van zijn moeder Lucretia, die in 1961 is overleden. Arjan Peters schreef er in de Volkskrant een pracht van een recensie over: Vogelkopje op een te groot kussen, 7 december 2007.

zondag 22 juni 2025

De Ortolaan


Forsythia, Enschede, 4 januari 2017.

Op de voorkant van de boekenweekuitgave voor 1984 De Ortolaan, door Maarten 't Hart staat een prachtige tekening van de vogel. Hij is van de hand van J. Keulemans.1 Elders in het geschenk wordt de vogel beschreven: “Gele oorring, roze snavel, gele keel, groene kop.”
      De natuur speelt ook op een andere manier meteen een hoofdrol. Tot diep in april is het koud en speenkruid nog niet te vinden. Evenmin het klein hoefblad en nog wat andere planten.2

Het boek begint met een citaat van Søren Kierkegaard:
“Verwonderlijk! Socrates sprak er steeds over dat hij het van een vrouw geleerd had. O, ik kan ook zeggen dat ik het beste wat hetgeen ik bezit, aan een meisje te danken heb. Ik heb het allen niet ván haar geleerd, maar dóór haar.”
Met deze woorden zitten we midden in het verhaal. Kierkegaard was filosoof en protestants theoloog en woorden van zijn hand (zowel van filosofische als theologische aard komen herhaaldelijk terug in het geschenk). Bovendien is de hoofdpersoon, de bioloog Maarten die zich bezig houdt met onderzoek van gedrag van dieren (een etholoog), verliefd op een Belgische studente, Alma. Zij woont tijdelijk bij hem en zijn vrouw in hun huis in de oudste universiteitsstad van Nederland. Hij fietst er dagelijk met haar naartoe. De liefde duurt het hele boekje lang en haar lach maakt blijvend een betoverende indruk op hem. Hij verbindt er een zin uit Gezang 451 aan “onverdiende zaligheên.” De liefde wordt door Maarten wel vaker naar een religieuze tekst vertaald, maar wordt nergens rechtstreeks geuit, niet in woorden, noch in lichamelijk contact. Daar waar sprake is van een 'functionele omhelzing' om Alma uit een benarde situatie op een rots te redden, leidt dit juist tot dagenlang negeren van Maarten door haar; dit tijdens een ethologen conferentie in Edinborough.


De ortolaan leeft niet in het westen van Nederland, maar alleen in de Achterhoek.3 Toch heeft Maarten er wel eens een gehoord op de begraafplaats in zijn woonplaats. Samen met zijn vrouw en Alma gaat hij zoeken naar de schuchtere vogel. Hij legt er zelfs Vrees en beven van Kierkegaard voor weg. Ze horen van alles, maar geen ortolaan. De vogel komt wel terug op de trouwkaart van Alma; die plechtigheid vond plaats aan de Avenue des Ortolans. Tenslotte laat hij haar in Berlijn een dood exemplaar zien van het vogeltje dat tegen de gevel van het hoge gebouw van de Adorno Universiteit is gevlogen. Het is de derde keer dat ze elkaar op een wetenschappelijk congres tegenkomen. Er zitten steeds jaren tussen. Je krijgt als lezer het gevoel dat hier in Berlijn die reeks ontmoetingen zal eindigen. Alma doet geen wetenschappelijk onderzoek meer en is er als invalster voor een professor die ziek is geworden (zoals Maarten de professor verving op het eerste congres, in Brightton, waar ze elkaar ontmoetten). Het verhaal is rond. De vogel dood en die wordt naar haar toegeschoven en door haar aangepakt.

De ortolaan is een fijn leesbaar boekje met een mooi verhaal met een open einde en toch afgerond. 't Hart is niet mijn schrijver, merk ik weer. Dat komt allereerst door zijn strenge protestantse geloof uit het Maassluis van mijn jeugd. Maar ook door wat daarmee samenhangt. Hij is me, hoe aangenaam ook als schrijver, te conservatief. Een pleidooi voor de zondagsrust daar valt nog mee te leven. Hoewel waarom zou het die dag moeten zijn? De redenatie over hoe het gedrag bij dieren, zoals hier bijvoorbeeld de rat, wordt gevormd is wezenlijker. Zijn het de omstandigheden? Nee denkt Maarten alles is al aanwezig bij de geboorte. Er is hooguit sprake van verandering van gedragsfrequentie. Als je gaat straffen bij wat je niet wilt niet zien, en belonen wat je juist wel wilt zien, dan leert een dier niet, maar doet wat hij al kon meer of minder vaak. Is dat ook bij de mens zo, vraagt Alma. “O, vast en zeker,” zegt Maarten. De idee van invloed van de sociale omstandigheden wordt hier reactionair weggewerkt.

Een paar pagina's verderop gaat het over kernwapens. Niet zo vreemd halverwege de jaren tachtig. De massavernietigingswapens, waren destijds een hoofdonderwerp in de politiek en leidden zelfs tot theologische debatten (er waren gelovigen die het een duivels Godsgeschenk noemden). In Zuid-Engeland is een oude man bang voor de bommen en zo begint het gesprek erover tussen Alma en Maarten. Die tweede heeft zijn angst ervoor afgeleerd of beter gezegd bezworen. Ook hier komt het geloof weer naar voren. Maarten citeert Jezus die heeft gezegd: “Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. ”4 (Mattheüs 6: 24) Protesteren tegen kernwapens, zoals Alma en haar vriend willen? “Denk je echt dat dat iets uithaalt,” reageert Maarten zogenaamd met een beroep op realisme.

Op de conferentie in Berlijn wordt een inleiding gehouden over de drang van de genen zich zelfzuchtig voort te planten. Het lichaam van dieren en planten is niet meer dan omhulsel, zoals het blik van de auto met de genen als chauffeur. Het idee 'embêteert' Maarten. Hij kijkt gichtig bij de inleiding, Je kan wel zeven psalmen van je gezicht lezen, ziet Alma. Het hele idee spreekt hem niet aan, inspireert niet, het is geen idee waarvoor men sterven wil, vindt hij. Het is niet dat hij de evolutie theorie bestrijdt, hij wil hem half aannemen, maar omhelzen doet hij hem als bioloog zeker niet. Hij zoekt ook naar waar de idee niet klopt. Hij heeft meer met Kierkegaard die schreef: “Het komt erop aan mijn bestemming te begrijpen, het gaat erom een waarheid te vinden, die waarheid is voor mij, de idee vinden waarvoor ik leven en sterven wil.”

De UNI in Berlijn is genoemd naar Theodor Wiesengrund Adorno. Maarten beschrijft hem in het boek als een uiterst scherpzinnig filosoof en socioloog, calvinist zonder god, met een ijzig, star, rigide moralisme, die alle plezier verdacht vond, de levenslust de kop in wilde drukken en dat zijn volgelingen nog veel erger zijn. Adorno vond ook dat “de menselijke en niet-menselijke natuur, die niet rationeel zijn, worden door de kritiek van de formele ratio ontkend en uiteindelijk vernietigd, waarmee ook alle zingeving verdwijnt,” en dat sluit dan weer aan op de gedachtewisseling over evolutie en het reproduceren van de eigen genen waar de kraak en smaak uit is verdwenen.

Adorno heeft in zijn werk Minima Moralia (1971) beweerd dat het eenvoudigste psychologische conflict wordt genegeerd: “Dat is het fenomeen van het bezet zijn. Een geliefd mens weigert toenadering, niet vanwege innerlijke remmingen, maar omdat er een relatie bestaat die een nieuwe uitsluit,” zo vat Maarten tegen Alma dit idee samen en realiseert zich dan dat hij zijn verhouding tot haar hiermee verraadt als hij het zegt. Later beseft hij dat ze zijn verliefdheid al in het koude voorjaar van het begin zal hebben bemerkt. Maarten bedenkt zich dat juist haar al bezet zijn Alma voor hem aantrekkelijk had gemaakt en verder vooral haar lach. Ook die ging van begin tot eind mee van betoverend tot ontwapenend.5

Noten:
1) Er staat een keur aan tekeningen van Keulemans op het internet. De ortolaan (met beschrijving) komt uit deel 2 van Onze vogels in huis en tuin (1873).
2) Mijn vroegste foto van speenkruid is genomen op 15 februari 2013 en die van klein hoefblad op 19 februari 2016. Hij noemt ook tuinplanten als forsythia en winterakoniet die in de vermelde maand ontluiken en die ik respectievelijk fotografeerde op 4 januari 2017 en 15 februari 2013. Het geschenk is 40 jaar geleden geschreven, maar zelfs met het idee dat er sindsdien sprake zal zijn van opwarming, beschrijft dat een bitter koude periode. In 1984 was het inderdaad in april gemiddeld wat kouder dan andere jaren. Maar tijdens de bloei toch een paar graden warmer dan in de maanden dat ik ze waarnam.
3) Ook deze opmerking is niet helemaal naar de feiten. Sovon laat zien dat Noord-Limburg ook een kerngebied was. Inmiddels is hij vermoeelijk uit Nederland verdwenen.Er zijn in ieder geval niet genoeg waarnemingen meer.
4) Terwijl het gezang in de ouderwetse geloofstaal is opgenomen. Gebruikt hij hier de moderne bijbelvertaling en niet die uit de Statenbijbel, die het net iets anders verwoordde: “want de morgen zal voor het zijne zorgen;”
5) In Greek Lessons, van Han Kang, kwam ik juist een kritiek tegen op de wens dat de vrouw altijd lacht.
Winterakoniet, 15 februari 2013, Heemskerk