zaterdag 8 augustus 2026

Verjaren

 

Naar Werkendam en weer terug. Tussendoor Dort. Het nuttige met het aangename. De terugweg was ruim tien kilometer korter dan de heenweg. Ergens miste ik een knooppunt dat me op de heenweg over veenkades voerde. Ook toen zag ik het bordje maar net, dat verscholen achter het groen zat. De prachtige knotwilgen wachten maar op een foto.

Een flink deel ging gedeeltelijk door de bijbel belt. Het onvermijdelijke Rust Roest op een woning. Alsof rust niet juist goed is en alsof je veel kan bereiken zonder rust. Het is eerder calvinistische disciplinering en zelfs niet bijbels. Je hoeft alleen Genesis maar te lezen.

De meest wegen en paden waren mooi. Maar er waren er ook die recht met grof asfalt uitnodigden tot het geven van gas bij bestuurders van motoren en auto's. Maar daar zitten dan in het ene veld acht ooievaars netjes op een rij en aan de andere kant van de weg hoor en zie ik een paar kieviten. Ik trap er rustig langs.

In de haven ligt weer een wit flatgebouw om toeristen op de meest klimaatvernielende manier te vervoeren. En ach het was langszij lekker koel met 29,3 ºC. Overmorgen zijn de mensen die het nooit zullen snappen al weer in Skagen, Denemarken. Vrijwel thuis zie ik de flamingo op de pijler van een brug over het Noordzeekanaal. De echte vogels moeten nog even wachter voordat ik ze fietsend bezoek.

Het was twee maal een prachtige waterrijke en landelijke tocht. Met de Vlist, mooie stadjes, dorpjes en twee maal een pont plus een naar Dordrecht.



donderdag 6 augustus 2026

At night all blood is black

 


At night all blood is black van David Diop begint met de twijfel en het afwijzen van het eigen handelen door protagonist Alfa Ndiaye. Zijn sterke vriendschap, zo sterk dat Mademba Diop wel een broer leek, liep mis toen Alfa het verzoek door Mademba om hem te doden negeerde. Mademba lag te sterven op het slagveld buiten de loopgraaf, zijn darmen lagen uit zijn buikholte. Alfa weigerde zelfs na herhaald verzoek een einde aan het leven, eigenlijk het lijden, van zijn 'broer' te maken. Vastgestelde regels gingen boven vriendschap. Zo eindigde die in nodeloze narigheid. Zo zwart kan bloed, zo donker, kan een verhaal zijn. We zijn met de twee Tirailleurs meteen in de waanzin van de Eerste Wereldoorlog beland.

Beide kwamen uit Gandiol, een Senegalese plaats aan de kust, iets zuidelijk van de stad Saint Louis. De een sterft meteen een vreselijke dood. De ander verliest zichzelf in de ellende. De tekst is bezwerend door de herhalingen van zinnen en gedachten. Zo glijdt de lezer mee de geest in van Alfa. Zo kruipt hij mee naar een wraakactie, een volgende, en dan weer een, en nog een. Als er vier mannen met blauwe ogen in de tegenoverliggende loopgraaf zo het leven en een hand hebben verloren en uit de ellende verlost zijn, worden ook de maten in de eigen stelling bang van Alfa. Hij gaat zichzelf zien als een dëmm, een begrip uit het Wolof voor
een bloeddorstige heks, tovenaar of verslinder van zielen.* Het gaat flink mis met hem.

Er zit niets anders op dan Alfa weg van het front naar een kliniek te sturen om daar weer bij zinnen te komen. Hij blijft zichzelf echtere verliezen in zelfbegoocheling, Zijn wanen plaatsen zijn persoon daar waar hij niet is of juist daar waar hij wenst te zijn. Hij beeldt zich liefde in. Hij staat ver van de realiteit. Wat waar is en wat niet wordt hem volstrekt onduidelijk.

De psychiater laat hem tekenen. Allereerst schets hij een portret van zijn moeder en vertelt over haar. Hoe ze uitgehuwelijkt werd aan zijn vader, maar vertrok om opzoek te gaan naar de nomadische stam van haar vader. En nooit terugkwam. Hij tekende Mademba en vertelt over zijn vriendschap en zijn vrijpartij voor vertrek met een meisje uit hun beider dorp en daarbij over “
de zachte zoetheid in een vrouw.” Hij beschrijft ook landbouwbeleid dat niet de mensen voedt, maar de zakken van enkelen vult. Je leert over zijn geschiedenis die hem naar de oorlog dreef, in de verwachting er beter uit te komen. Dat liep anders, want de mens bepaalt niet de omstandigheden, maar de omstandigheden leiden hier de mens. Hij tekende tenslotte tot in detail de zeven handen die hij afsneed (en die daarmee hun greep op hem verloren) en raakte de sympathie van Dr. François kwijt toen die de tekeningen zag.

Zaken gaan door elkaar lopen. In zijn geest en in zijn gevoelens. Bijna als terloops verkracht en vermoord hij de dochter van de arts. Wie hij is? Zijn naam? Hij is het kwijt. De laatste regels van het indrukwekkende boek – “ik denk dat ik het nooit zal vergeten,” merkt Ali Smith op de kaft op –, zijn de woorden:
“… wanneer ik aan ons denk, dan is hij mij en ben ik hem.” De vervreemding, de verwarring is compleet, de pijn te groot. De oorlog komt hier in zijn gruwelen benauwend dichtbij.

Intussen komt ook het over de kling jagen van soldaten de orde. De commandant van Alfa zegt dat Frankrijk van de Chocolaatjes van zwart Afrika houdt, vanwege hun dapperheid, dit terwijl de kranten het alleen maar hebben over hoe ze uitgebuit worden. Intussen blaast diezelfde commandant hard op zijn fluit om ze uit de loopgraaf te jagen naar de overkant. De vijand is door het aanvalssignaal gewaarschuwd en maait zoveel mogelijk van hen neer. Het schijnt er niet toe te doen. Alfa zelf hamert ook op dapperheid. Hij spoorde Mademba aan, terwijl het beter was geweest als beide terug hadden kunnen gaan naar Gandiol. Die georganiseerde ellende zou je bijna vergeten als je zo diep in het hoofd van een enkeling duikt en naar het handelen van een getormenteerd slachtoffers kijkt. Maar die blikvernauwing staat Diop niet toe.

Intussen kom je dan ook nog de mooie frase tegen dat een glimlach tot een glimlach leidt. Dit boek laat zien hoe de verschrikking van de oorlog tot verschrikkelijke mensen kan leiden. Het toont eveneens dat het anders moet kunnen. Bijvoorbeeld door besmettelijke te glunderen.

Noot
* Los van opmerkingen gerelateerd aan deze roman heb ik er nauwelijks iets over de figuur van de dëmm, ook wel demm of dem, kunnen vinden.

 

zaterdag 1 augustus 2026

Commentaar

 

Zag ik dat nu goed? Er rende iets bruins over het fietspad. Een ree? Toch? De wielrenner die me inhaalde keek ook nadrukkelijk tussen de bomen. Die had het dier blijkbaar ook gezien.

Wat was het mooiste wat je hebt gezien, werd me thuis gevraagd. Dat zijn toch vaak dezelfde beelden. De meeuw op de wind, de rollende golven, de spelende mens op het strand, de bloem aan de kant, de fladderende vlinder, de gele en groene korstmos op de stam. Toch zie je meer mooie details als je stopt met trappen, afstapt, al is het voor een plas.

Afstappen deed ik ook om te lezen wat er stond op de sticker met de Nederlandse vlag. Drie keer op een middag zelfs. Eén in Den Haag, twee bij Vijfhuizen. Tegen vluchtelingenopvang, alle drie. Ze maken dit stukje wereld een stuk lelijker. Daarover ging dan maar een sticker met een boodschap waar alle mensen beter van worden. Niet alleen 'wij,' niet alleen 'ons' soort. Mooier.


vrijdag 31 juli 2026

De man van veel

De man van veel door Karin Amatmoekrim beschrijft het leven van Anton de Kom rondom zijn drie maanden durende opname (1939-40) in een kliniek vanwege zware overspannenheid.
     Hij was agressief in de huiselijke situatie en werd op advies van zijn vrouw opgehaald. Hij leed aan achtervolgingswaanzin en dat zorgde ervoor dat de remedie gebaseerd op vertrouwen niet gemakkelijk van de grond kwam.
      Hier wordt een grootheid uit de Nederlandse geschiedenis pardoes neergezet als een kwetsbaar en nietig mens in een gesticht tussen andere nietige mannen. De schrijver van Wij slaven van Suriname is een patiënt.

Zijn opname was geen geheim. Maar juist daaromheen een verhaal over Adek vertellen dat is een aanpak die lef vereist. De man die de slavernij beschreef zoals ze was, hoe deze praktijk vervolgens werd voortgezet in zogenaamde contractarbeid, die een aanspreekpunt werd in Paramaribo voor wie getroffen werd door onrechtvaardigheid, die drie maanden vast werd gezet – zonder enige aanklacht – in Fort Zeelandia (waar kennen we die plek nog meer van) en werd daarna verbannen naar Nederland waar hij in de gaten werd gehouden en waar hem het leven zoveel mogelijk zuur werd gemaakt. Deze antikoloniaal, een held voor velen, zakt door het ijs en moet overeind geholpen worden. Dat laatste, maar ook andere aspecten zijn door de tekst gevlochten. 

Rond die drie maanden wordt een beeld geschetst van Anton als kind. Hoe hij leerde door de prachtige beelden van de Nederlandse helden heen te kijken en eigen voorbeelden kreeg. Hoe hij zocht naar een manier om de wereld beter te maken (hij ging er zelfs voor naar Haïti om daar de kunst af te kijken). Hoe hij observeerde, schreef en sprak om onrechtvaardigheid en uitbuiting aan de kaak te stellen. Hoe hij toegejuicht werd. Hoe hij stuitte op zaken die weinig hoopgevend waren. Hoe hij in de kliniek een band kreeg met personeel, collega patiënten en daar empathische gevoelens voor had. Hoe hij zijn fouten durfde toe te geven.
     Het boek is een monument voor een man met zijn zwakte, maar vooral voor de kracht die hij had. Niet iedereen heeft dat erin gelezen of willen lezen, blijkt uit de uitgebreide – soms vileine – polemiek die volgde op de publicatie.

Er worden voorbeelden van gruwelen van de slavernij beschreven. Juffrouw Pierson, mevrouw Mauricius en Claas Badouw (de laatste in de roman niet bij name genoemd) spelen daarin een hoofdrol als sadistische 'slaveneigenaars' die menen zelf te mogen bepalen hoe gruwelijk ze kunnen handelen. De fictieve De Kom (en de werkelijke eveneens) schrijft erover in Wij slaven... Hij wordt kwaad en moet huilen. Wie niet?
     Een ander verhaal – van na de slavernij – is dat over Stampu. Een jongen die als daad van verzet de leuze WEG MET VAN HAAREN schilderde op een schutting bij het huis waar waarnemend gouverneur Van Haaren was ondergebracht. Deze wilde dit niet over zijn kant laten gaan. Stampu werd gearresteerd, opgesloten en toen er geen zware straf op stond krankzinnig verklaard en verplaatst naar de psychiatrische kliniek Wolfenbuttel (die geen fictie is en wel echt bestond en misbruikt werd door het keurige Nederlandse gezag). De Kom vertelt het verhaal tegen de directeur van de Scheveningse kliniek* waar hij zelf zit.
     Het verband tussen Stampu en De Kom is duidelijk. In werkelijkheid was de vertegenwoordiger van Nederland in Suriname de man die De Kom opsloot. Zowel Stampu als De Kom zaten volgens de roman tegelijkertijd vast. Stampu ging bovendien geïnspireerd door Adek en vol kinderlijke bravoure op pad met kwast en verf. Vervolgens werd zijn leven afgenomen door een bruut, onrechtvaardig en koloniaal systeem en dat een halve eeuw nadat de slavernij was afgeschaft. Weer verdriet, en pijn door verantwoordelijkheidsgevoel en kwaadheid over het onrecht een jongen aangedaan. Had De Kom geen witte Nederlandse vrouw uit de middenklasse gehad, hem zou mogelijk hetzelfde lot getroffen hebben, zo meent hij.

Zijn vrouw is het ook die hem over de streep trekt en uit de kliniek weer naar huis. David zijn maat onder de patiënten blijft. Pas op het laatst wordt duidelijk wat deze is overkomen en waarom hij vol littekens zit. Het doet in de verte denken aan de slaven van mevrouw Mauricius die ze niet rond wilde laten lopen met een gladde ongehavende huid. Hier is de verminking het gevolg van een amoreuze vorm van bezitswaan. De liefde van Adek voor David geeft hem nog meer menselijkheid op de botten.
     Een veelbetekenende opmerking is die van de geneesheer dat schaamte een teken van genezing is. Om je te schamen moet je beseffen fouten te hebben gemaakt. Maar schaamte is geen eindpunt. Het is wel een stap naar het rechtzetten van de zaken, en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Je zou hopen dat dit eenvoudige mechanisme waarlijk toegepast werd en het mechanisme heeft in die zin ook betekenis in het nationale debat over slavernij en wat daar op volgde. In het geval van het roman personage De kom is de schaamte een opening naar de weg terug; naar de man die hij was voordat hij overspannen raakte:
“De man die hij was, vóór de opstand in Paramaribo, zijn opsluiting, de doden die er vielen onder de mensen die voor hem opkwamen. De man voordat hij werd gevolgd door regenjassen van de geheime dienst, voordat hij gedwongen was steun te trekken, voordat zijn kinderen honger leden en zijn vrouw gedwongen werd lompen te dragen. Voordat het schrijven hem onmogelijk gemaakt was, voordat hij zijn dromen verloor.” (p 257)
Het lijkt onmogelijk, maar de arts ziet de opening wel, zonder de tegenslagen, tegenstand en onrecht weg te wuiven, meent hij dat een gezonde geest mee buigt en dat De Kom dat met zijn sterke en veerkrachtige karakter aan kan en daardoor weer verder kan komen. Dat zou ook blijken. De schrijfster laat die weerbare instelling van De Kom zien in de laatste tragische elf regels van haar boek dat wordt afgesloten met de mooie foto van een elegante Cornelia Gerhard Anton de Kom.**

In de felle pennenstrijd rond het boek werd gesteld dat veel zaken in de werkelijkheid net iets anders zaten dan beschreven. De schrijfster reageert met de opmerking dat een roman geen biografie is en ze hier en daar een vrijheid heeft genomen, zelfs personages heeft beschreven die nooit hebben bestaan. Een krantenbericht dat ze noemt over een racistische ruzie (Haagsche Courant, 20 januari 1938) is een fictief feit en niet werkelijk afgedrukt. Het had wel in die krant kunnen staan en voegt iets toe aan het verhaal.
     Mij bleef de beschrijving bij van hoe De Kom uit woede, frustratie en het er doorheen zitten, alle bladen van een manuscript over straat liet waaien. Later raapte hij de vellen weer op. Welk manuscript was dit? Het was jaren nadat Wij slaven... verscheen. Even doemt in mijn hoofd de vraag op of dit echt zo is gegaan. Fictie op grond van de realiteit leidt vrijwel altijd tot dergelijke vragen. Die vragen zijn niet onzinnig, ze zijn een stap in het denken, maar het lezen van roman hangt niet af van waar en onwaar, maar van de verbeelding. “Het boek bood in elk geval stof tot nadenken en aanleiding om de werkelijke gebeurtenissen - voor zover die al exact zijn te achterhalen - in een ander perspectief te plaatsen. En laten dat nou net een paar cruciale kenmerken van een roman zijn,” meende journalist en schrijver Diederik Samwel in een artikel tegen de vergezochte kritiek die Amatmoemkrim over zich heen kreeg.

De man van … treft in de ziel (wat dat ook moge zijn). De Kom zelf is een monument voor menselijkheid, verzet, antiracisme en antikolonialisme, en krijgt veel kleur en diepte door de roman. Astrid Roemer schreef erover: “Judith de Kom zal verbijsterd zijn geweest over de inspanning die een jonge Javaanse auteur met roots in Suriname heeft gepleegd om van haar vader Anton de Kom inderdaad Een Man Van Veel te maken.”
     Sandew Hira (historicus, econoom en publicist van Surinaamse afkomst) schreef treffend: “...wie de roman leest krijgt alleen maar meer respect en waardering voor de figuur van Anton de Kom.” Amatmoekrim beseft dat kritiek op haar werk voort komt uit goede bedoelingen, zo schrijft ze. Ze voegt daar wel aan toe: “Aan goede bedoelingen gaat de wereld echter vaak genoeg ten onder.”

Het is bovendien een boek over hoe de mens die zich niet neer wil leggen bij de gegeven situatie zich overeind kan houden en wat die inzet de directe omgeving kan kosten. Het is ook nog eens een boek over een veel algemener voorkomend verschijnsel van instorten en weer overeind komen (met hulp van anderen). Over de rede achter en de onvermijdelijkheid van kwaad worden bij onrecht, maar ook over welke destructieve krachten dit kan hebben. De zwakte die zo centraal lijkt in dit boek onderstreept juist het contrast, waardoor de kracht er uitspringt.

De epiloog laat zien dat vijf jaar nadat hij uit de kliniek is ontslagen De kom als verzetsstrijder en schrijver voor De Vonk alsnog zal sneuvelen onder fascisme en werd opgepakt door NSB-politie, omdat hij op een lijst van de geheime dienst stond als gevaarlijke communist. Zo trof de Nederlandse repressie hem vertraagd en indirect alsnog.***

Noten:
* Het is een van de kritiekpunten van documentaire maakster Ida Does op het boek. Het was een Loosdrechtse kliniek en geen Scheveningse. Alsof enigszins afwijken van de exacte feiten in een roman een probleem zou zijn. Karin Amatmoekrim meent van niet.
** De foto is een uitsnede uit een portret met een vriend. De datering varieert van 1921 (in het boek), via 1922, 1923 naar 1924. Er zijn sepia en ingekleurde versie van.
*** “In het najaar van 1944 wordt hij gearresteerd. De Haagse Inlichtingendienst (omgedoopt tot Documentatiedienst), die De Kom altijd heeft gevolgd, bestaat voor het grootste gedeelte uit NSB’ers. De bestanden van de Inlichtingendienst worden overgedragen aan de Duitse bezetter en later fuseert de Documentatiedienst met de Sicherheitsdienst. De Kom is als communist bekend bij diverse infiltranten in Den Haag en doet zoals gezegd ook verzetswerk. De precieze gang van zaken is onduidelijk, maar dat er een verband is tussen de verziekte ambtelijke collaboratie in Den Haag en zijn arrestatie is hoogstwaarschijnlijk,” schreven Alice Boots en Rob Woortman in 'Profiel: Anton de Kom, Voor een vrij Suriname,' De Groene Amsterdammer, 29 juli 2020.
      In een zelfde Scheveningse omgeving is er ook het boek over Sonny Boy. Net als De Kom is ook hij omgekomen aan het eind van de oorlog. Ook verraden door Nederlanders. In het boek van Annejet van der Zijl worden Sonny Boy en De Kom zelfs verward door een bron wat weer leidt tot meer werkelijke kennis over de eerste. Op Broekfoto een bespreking van dit boek.

woensdag 29 juli 2026

Commercieel vertrouwelijk


Van twee mensen kreeg ik geld voor mijn verjaardag. Ik kocht er een boekje van (dat komt later nog wel terug als bespreking) en twee CD's. Een met cello muziek van Afred Schnittke e.a. De andere met het Cello Concerto van Witold Lutosławski. Er zijn nog meer cello wensen (Ernst Reseijsiger bijvoorbeeld (in de hele breedte van jazz, tot avantgarde en 'ethno' muziek) en tevens de muziek voor dit instrument gecomponeerd door Penderecki. Het laatste Elisabeth concours heeft me blijkbaar  aangestoken. 

Die tweede CD heet The essentitial Lutosławski. Een van de opgenomen stukken is
Les espaces du sommeil met als tekst die van het gelijknamige gedicht van Robert Desnos waarin belevenissen tijdens de slaap verband houden met het leven in ontwaakte staat en ook nog bedden in de gang van de wereld, zoals het water dat eindigt op het strand. Het werd gezongen door Dietrich Fischer Dieskau in Berlijn (november 1985). De bariton had Lutosławski om een compositie gevraagd. Dee werd het.
     Er is veel aan mijn muzikale smaak toegevoegd de afgelopen twintig jaar, maar in dit stukje staan wat constanten: van Dieskau kocht ik muziek (Kinder toten lieder) toen ik net in Amsterdam woonde, evenals van Penderecki (
Threnody for the Victims of Hiroshima).

Voor ik vertrek duikt ook een blog op als een van de best bezochte in de afgelopen zeven dagen met de titel ƒ 1000. Het draait hier niet om geld. Het gaat om om het strandduizendguldenkruid. De naam is bovendien een misverstand ontstaan bij de vertaling van centaur werd cent (100) en van aurum (goud) gemaakt en kennelijk werd er ook een inflatiecorrectie op los gelaten. De naam centaur verwijst naar Chiron, de centaur uit de Griekse mythologie die de geneeskrachtige eigenschappen ontdekte van een plant die uiteindelijk "centaury" werd genoemd (die naam wordt nog wel gebruikt voor een familie planten, waaronder de korenbloem valt).
     Vorige week zag ik fraaie exemplaren van het ƒ 1000 kruid staan. De foto werd niet scherp, maar dat zag ik pas thuis op het grote computerscherm. Toen ik er vanmiddag langs kwam heb ik weer gekiekt. Beter dit keer.

Ondertussen werk ik met een jaarlijks verschijnend document dat onder verwijzing naar 'commerciële vertrouwelijkheid' van een lading informatie is ontdaan die er voor die geheimzinnigheid wel instond. Van wapens mogen we niet weten hoe duur ze zijn, dat heet vertrouwelijk. Niet om militaire, maar om economische redenen wordt controle door Kamerleden beperkt tot het inzien achter de schermen. Ze mogen er dan niet over praten in 't debat en hun assistenten staan helemaal buitenspel.
     Er lijkt meer aan de hand. Mogen we niet weten hoe duur de wapens die onze overheid aanschaft eigenlijk wel zijn?
     Misschien gaan mensen dan toch twijfelen aan het verstand van de volksvertegenwoordigers van rechts, die overigens weinig tegenstand krijgen vanuit de partij die onder het motto PRO de afbraak niet wezenlijk bestrijd, maar slappe kanttekeningen plaatst en zachtjes mee jankt in het bos. En ach de partij ontstaan om de democratische waarden op te schudden heeft de meeste veren er inmiddels juist uitgeschud; D66 leest wel, maar komt al helemaal niet met kritiek. Straks hebben we wel voor miljarden – al dan niet – deugdelijke wapens en houden een bedrijf overeind dat corrupt is en weinig efficiënt. Fijn?
 
Onmiskenbaar  – ook los van het gele vaantje  –  wandelt de Strandzesdaagset voorbij. De zee die zingt door. Ze weet het: mijn tijd zal het wel duren. Ze zal nog drie tot vier miljard jaar ruisen. Dan houdt het op. Het water en leven zal verdwijen. De mens zal dat uiteindelijke sterven vermoedelijk niet meemaken. Het kruid in de duinen ook niet. Een schrale troost. Laat ik Penderecki nog eens opzetten.



zaterdag 25 juli 2026

krassende krijs


Bewolking aan de lucht. Lekkere temperatuur. Weinig wind. Ideaal fietsweer. Haast ga ik niet maken. Het werd een bekend rondje met wat extra's. Dat begon al met de zwaaiende vrouw in Amsterdam-Noord.

Maar eerst wat vooraf ging. Deze week werd binnen de familie een festivalkaartje aangeboden. Het ging om Huntenpop op 22 augustus in Ulft. Op die dag heb ik al wat anders. Mij viel op dat de Bintangs er spelen. Die had ik al eens gezien toen ik nog op school zat en bij mijn ouders woonde. Op de fiets ging ik met een vriend op 26 mei 1979 naar Nieuw Vossemeer om daar in een tent een heel aantal Nederlandse bands te zien. De op een koebel slaande Adje van de Berg (destijds gitarist van Teaser) en Livin' Blues zijn me het meest bijgebleven. Samen met Barrelhouse werd die tweede mijn favoriete Nederbluesband. De Bintangs spelen nog steeds rechttoe-rechtan bluesrock. (Barelhouse speelde tot in 2025.) 

Op het verste punt van de fietstocht was het een gekrijs van jewelste.
'Kariek' zo omschrijft de vogelsbescherming de klank van de roep van de stern. Anderen hebben het over scherp, luid en krijsend. Het is een combinatie van beide. Een fijne krassende krijs. Er zijn mensen die de geluiden van de verschillende sterns uit elkaar halen.
     Ik maak bij het geluid een praatje aan de kant van de plas waar ze momenteel wonen.

Kort na vertrek zie ik een man in een sloot met een lange stok plantjes vissen.
“Mijnheer mag ik U vragen wat U doet?” Hij was snavelrupia ((Ruppia maritima) aan het opvissen. Jelle van Dijk was leraar wiskunde, maar natuurvorserij was meer dan een hobby. Hij schreef verschillende boeken over dieren en planten in Zuid-Holland. Hij noemde me er een: van Aardaker tot Zwanenbloem; Flora van de Duin- en Bollenstreek.
     Als ik vertel nog even langs een sloot met blaasjeskruid te fietsen, reageert hij meteen: “Loos blaasjeskruid?” Ik zeg dat ik dat nog niet weet en vanmorgen eigenlijk het verschil met Groot blaasjeskruid had moeten opzoeken. Geen probleem: “Loos blaasjeskruid heeft een platte onderlip.” Hij kwam het zelf tegen nadat hij het boek over de planten rond zijn woonplaats af had, te laat om het op te nemen.

Kort daarna gaat de tocht door de Elzenlaan in Bergen aan Zee. Een paar maanden geleden reed ik daar mijn band nog stootlek op een afremstoepje in de straat dat ik niet zag. Ze waren nu op een na allemaal weg. Misschien was ik niet de enige die er op stuitte. Mogelijk zag men het voordeel van een fietsstrook. Of nog iets anders. Geen idee. Hoe dan ook: voor mij betekende die rand een les dat ik trager moest gaan en beter opletten.
      Zuidelijk van Bergen aan Zee gaat het weer de duinen in. Die waren tot vorig jaar kleddernat en een stuk van het fietspad stond onder water. Nu is het weer 't andere uiterste, zelfs het grote ven bij Het Woud staat bijna droog.

Via de mooiste strandopgang van Nederland en het loos blaasjeskruid gaat het terug naar huis. Op het strand zie ik grote waterafvoerwerken. (Vanwege decentie plaats ik de foto van hoog en ver met de daarop de werkers niet. Wel die van dichtbij met het werk zelf; als je goed kijkt zie je het water stromen.)
     Er waren enorm veel blauwtjes in de duinen, maar in een foto hadden ze weinig zin.

Het voorgenomen broodje kroket onderweg vergeet ik te halen. Zo kom ik toch niet eens hongerig en met een bak vol belevenissen en beelden weer thuis. 


P.S. De route begon met het idee om naar een andere plek te gaan waar ook parnassia stond. Daar waar ik er wekelijks langs kom, staat het dit jaar niet. Vandaar. Maar op die andere plek waar ik het vorig jaar het voor 't eerst zag ook niet.

P.S. 2 De ene grote wielerronde eindigt in chaos door oorlog en genocide, de volgende moet worden aangepast door het verknallen van onze leefwereld. Tja.

P.S. 3 Ik hoorde net een zanger zeggen dat we ondanks alles maar door moeten gaan: We never give up (21:16).

vrijdag 24 juli 2026

The Light Fantastic


Bij het zoeken naar een afbeeldingsbestand van de The Light Fantastic kaft geeft Google AI Overview ongevraagd een samenvatting van het boek. (Dan kan dat samenvatten hier wel overgeslagen worden.)
     Neem die geautomatiseerde wijsheid wel met een korrel zout. Een dreiging zou tot sterke gekheid leiden volgens de energie slurpende automatische slimmert. Terry Pratchett schildert in zijn verhaal echter een massa-psychose die zich keert tegen een deel van de samenleving die leeft op de schijf in de ruimte waar het verhaal speelt. Dat is net iets meer dan zomaar een verdwazing.

Het verhaal zelf is eenvoudig. Er is een dreigende zon die afkomt op De Schijf en er is een stunteltovenaar, Rincewind, die een van de acht machtigste toverspreuken in zijn hoofd heeft en daarmee een cruciale rol kan spelen. Die spreuk, hindert, beperkt én beschermt hem. 
Dat klungel Rincewind uiteindelijk stopt met hannesen en successen boekt, is een troost voor wie de weg naar wat verwacht wordt – zodat daar wat rekening mee gehouden kan worden –nog niet helemaal gevonden heeft.
     Het verhaal maakt grappen die je herkent uit de dagelijkse wereld beschrijft en principes die je moet kennen om de realiteit te kunnen begrijpen. Prachett is een schrijver die fantasie de werkelijkheid laat ontmoeten en omarmen.

Daaronder kleinigheden. Waarom het betoverde bos op De Schijf in de lokale taal Skund heet, terwijl dat vertaald Je Vinger Jij Mafketel is? Dat komt door een fenomeen waaraan ook aardse namen te danken zijn. Ontdekkingsreizigers komen, kijken en horen dan woorden van de lokalo's die ze interpreteren als naam voor wat zij willen benoemen. Dat leidde tot namen die vertaald Gewoon Een Berg, Weet Ik Veel, Wat, en dus ook Je Vinger Jij Mafketel betekenen. Aan welk aards voorbeeld Pratchett hier moest denken, geen idee. Bij mij kwam als eerste
Canada op: een verbastering van het woord voor dorp uit een Irokese taal. Zo zit er op vrijwel iedere pagina een grap, idee of iets anders dat betekenis heeft los van het verhaal.
     Een paar pagina's verderop komt de tandenfee voorbij als Twoflower, toerist op De Schijf, spreekt over de iele schoonheid die in de nacht uitgevallen tanden onder kussens vandaan haalt. Wat deed ze met die tanden, vraag Rincewind hem verwonderd.
“Ze deed het gewoon,” is het antwoord op de vraag. Ik had het me ook nooit afgevraagd. Dat dubbeltje dat er voor in de plaats kwam, verdoofde blijkbaar die nieuwsgierigheid. Overigens wordt de toerist die alle verschijnselen even geweldig, authentiek en interessant vindt en wil vastleggen met zijn camera, aardig in de verf gezet.
     Als een groep tovenaars samenkomt, wordt de vergadering voorgezeten door de meest ambitieuze onder hen, Trymon. Alle deelnemers krijgen van hem een papier. Wat is dat, vragen ze. Een agenda, is het antwoord.
“Maar we hebben er nooit een nodig gehad,” zegt een tovenaar. Trymon flemend: “Misschien heb je hem wel nodig gehad, maar je hebt er nooit een gebruikt.” Het is het begin van het vergroten van zijn machtspositie. Dat mechanisme was nieuw (tovenaars hadden voorheen genoeg aan de eigen sores) en daarom was er weinig verweer tegen. Ook hier komt een onaangenaam randje dat ook aan de gewone wereld zit, binnen rollen.  

Gewone toverdingen zijn er ook, zoals een koffer met heel veel kleine voetjes die achter je aan komt (en dus niet kwijt kan raken) en je beschermt, de trollen die als ze slapen veranderen in keien (de oudste onder hen zelfs in een steen die deel is van de berg), of als het huisje waar de dood woont met zijn dochter. Je kan er naar binnen, rondkijken, maar bij het vertrek beter niet achterom kijken, zo wordt
een Grieks sprookje (uit wat mythologie is gaan heten) verwerkt.

De dreiging van de ster leidt tot massa-psychose. Tovenaars worden omgebracht, magie bestreden, om het gevaar af te wenden. Massa's mensen met een rode ster op hun voorhoofd geschilderd trekken daartoe door de straten. De pestlijders, de joden, rohingha's, de ander etc. zijn hier vervangen door de tovenaars. Zij krijgen de schuld in de schoenen geschoven van de kosmische ramp. En hun dood wordt geponeerd als de oplossing voor het probleem.
     Een man zegt dat hij de stad ontvlucht richting de bergen. “Dat zal helpen,” zegt Rincewind. “Nee, maar het zicht zal beter zijn,” reageert de man. Doet me ook al aan vandaag denken. Oorlogs- en klimaatgevaar, velen kijken ernaar van een afstandje en zien wel.
      Je hebt mensen die zelfs een luchtig verzinsel nog loodzwaar weten te maken. Nee luchtig blijft het, maar de serieuze ondertoon maakt het wel tot meer dan een verhaaltje.

woensdag 22 juli 2026

Bladen en bloemen

 





Eind mei fietste ik voor het laatst mijn zogenaamde wekelijkse tocht naar het strand. Iedere week was er iets waardoor het niet door ging. Het ritme is er uit en daardoor was vertrek ook vandaag wat moeilijker.

De dag begon met een tijdschrift dat op tafel lag. Het Wageningse Uitwaaien. Het wordt twee maal per jaar uitgegeven. No. 7 moet eind 2026 komen.  Het zal als thema 'Geld' hebben
     In het lopende nummer een gedicht 'Genesis' (in het Nederlands, Engels en DNA-code). Het beschrijft de wereld waarin nog geen namen voor rivieren en eencelligen bestonden. Bij bewerkte en abstracte fotografie wordt de vraag gesteld hoe de landschappen uit het heden blijven als herinneringen voor komende generaties; als sporen naar wat vroeger was.
     De 66 pagina's over het verband tussen kunst en wetenschap staan vol kunstzinnige ideeën. 

Al eerder lag er een ander bijzonder tijdschrift in de woonkamer. Verschijnend onder dezelfde frequentie. Het is genoemd naar een bestaande vogel: De scharrelaar. Die vogel is in Nederland hooguit een zeldzame dwaalgast, maar op een groot deel van ons continent te vinden.
     Op de voorkant van nr. 2 van 2019 het winterkoninkje. Het begint met een tekst van Hans Warren over fabeldieren zoals de ooievaar waarin eerder nog geloofd werd. Het bevat ook een artikel door Marja Vuistje over 'De koolmezen van Rosa Luxemburg'. Ze fladderen op uit haar brieven. Mij was ook die aandacht van de erudiete revolutionaire voor de natuurlijke wereld van buiten haar cel bijgebleven, zichtbaar door het kleine raam. Vuistje kreeg ruimte erover te schrijven.
     Het blad wordt nog steeds uitgegeven. Mooi.

Mooi zijn ook de gele bloemen in de sloot, het vleesetende (loos of groot) blaasjeskruid. Aan de overkant zie ik de zwanenbloem, de mooiste wilde waterplant van Nederland, denk ik even. Maar dan roepen de waterlelie, watergentiaan, lis, lisdodde en zelfs van de oeverkant het bitterzoet hard in het binnenste van mijn brein dat zij niet vergeten mogen worden. Onderweg stop ik voor het kieken van de bessen van de Italiaanse aronskelk en van die van de heggenrank. Van die tweede had ik ze nog niet eerder gezien (wel zijn bij).

De lucht is nat. Regen kan je het niet noemen. Toch is het genoeg voor een verlaten strand in juli. Verlaten op een persoon met hond in de verte na. Dat is het voordeel van een spat. De donkere wolken maken duinen, strand en zee nog mooier ook.
     Moeilijk piegend loop ik over het strand. Graag zou ik iets beter willen zien. Fotograferen is ook steeds vaker gokken op een mooi beeld. De frustratie is snel verdwenen als ik in de golven loop, een stukje zwem, en kopje onder ga. Van balen naar genot in een paar minuten.

Maar het was niet in mei de laatste keer. Tussendoor, op 11 juli, fietste ik ook al naar het strand met het hele gezin. Wel een paar strandpalen verderop en ik kon niet zwemmen door een kleinigheid, maar voor mijn verjaardag aten we zelfs wat bij de bekende strandtent Parnassia bij Bloemendaal aan Zee. Hoe dat te vergeten.