maandag 4 maart 2024

Strijd en metamorfose van een vrouw



Strijd en metamorfose van een vrouw
leest als een roman, maar schrijver Éduard Louis meldt zelf dat hij de regels voor het schrijven daarvan aan zijn laars lapt. Hij schrijft over zijn eigen leven, en over zijn eigen moeder. Niet over fictieve personen.

Iemand kan dan wel de regel hebben bedacht dat literatuur de werkelijkheid niet mag uitleggen, hij doet dat toch. Of literatuur mag niet in herhaling vervallen, maar Louis wil het verhaal herhalen tot het zichtbaar is. De derde regel die hij negeert is dat literatuur gevoelens niet mag etaleren. Ook dat hek gaat om. Tenslotte mag literatuur niet lijken op een politiek manifest. Hij schrijft echter zinnen zoals je het lemmet van een mes slijpt. Als je de regels volgt dan is er geen plaats voor levens en lichamen zoals dat van zijn moeder, meent de schrijver. Hij gaat om daarover wél te schrijven dwars tegen de literaire wetten in.

Het boek begint met de beschrijving van een foto.
“Ze hield haar hoofd schuin en glimlachte licht (…) Het was alsof ze wilde verleiden.” Als ik door het boek blader meen ik die foto tegen te komen vlak voor het einde, op pagina 107. Inderdaad een bijzonder portret uit een tijdperk van voor de GSM-selfies. Na het maken van de foto zouden “twintig geruïneerde levensjaren” volgen. En hier komt de analytische Louis meteen naar voren. Hij ontkent niet zijn eigen bijdrage aan het neerhalen van haar positie. Hij vond zichzelf beter dan zijn moeder. Maar welke grotere factoren waren verantwoordelijk voor de ellende? Hij noemt de samenleving, mannelijkheid, en zijn vader. Het had ook anders kunnen lopen, maar de omstandigheden maakten het verhaal.

Het is de derde roman die ik van hem lees en de mensen in zijn omgeving worden al een beetje bekenden. Zijn moeder misschien wel het minst. Hij schrijft dan ook dat hij alles heeft gedaan om haar uit zijn leven te weren; als een zoon die geen zoon wilde worden. Tegelijkertijd groeide hij wel op in haar omgeving en die van zijn halfzus. Vader werkte voordat hij een ongeluk kreeg en ging uit drinken. Maar met die vader mocht hij vanwege zijn vrouwelijke trekjes niet mee naar het café. Hij werd daardoor nooit de man, zoals mannen moeten zijn. Als homo hoorde hij er niet bij (maar daarover ging Weg met Eddy Bellegueule dat ik vorig jaar besprak) en ik begon met het boek over de de vader Ze hebben mijn vader vermoord. Jeroen van Kan sprak over dat boek met de schrijver in VPRO boeken (zie uitzending gemist). Dit was mijn kennismaking met de mens met de krachtige pen. Zijn boeken gaven wat hij in dat programma beloofde. Het persoonlijke wordt steeds weer verklaard met vuur vanuit het algemene; het sociale, het politieke.

Hij wilde met dit boek schrijven over het verhaal van een vrouw. Maar dat maakte plaats voor een verhaal over een vrouw die streed voor het recht om vrouw te zijn; tegen het niet-bestaan dat werd opgedrongen door het leven en door het leven met haar man, de vader van de schrijver.

Hoe komt het toch dat er geen vreugde is bij wat toch een boek met een positief uitgangspunt is, een vrouw die door strijd zichzelf bevrijdt van een knellende sociale structuur, zo vraagt de schrijver zich af. Het is toch geen treurig verhaal? Maar als ze eens lachte dan had hij daar zelf afkeer van. Haar korte momenten van vrolijkheid werden niet gewaardeerd, maar gezien als een schandaal, als bedrog, een leugen die zo snel mogelijk moest worden rechtgezet. Hij schermde met zijn stadse kennis tegen haar eenvoudige leven dat vrijwel alleen bestond uit sleur. Die stadse wereld liet hem ook zien dat mannen hun vrouw niet hoefden te beledigen en geen gezwollen gezichten hoefden te bezorgen. Niet dat er in Amiens geen geweld tegen vrouwen was “maar niet hetzelfde geweld, en als het er was, niet zo systematisch.” Dit verschil zorgde ervoor dat hij achteraf oog begon te krijgen voor de wereld van zijn jeugd. Het kostte hem moeite te zien dat haar positie niet de keuze van zijn moeder zelf was, maar dat ze niet meer kon en niet meer mocht. Als ze een ruimer ontwikkelde vriendin heeft, leeft ze plots wel op. De vrouw van de foto zat nog in haar, zo bleek.

De moeder verklaarde de pijn van de zoon (door een blindedarmontsteking) als uiting van zijn maniertjes. Een doktersbezoek was nergens goed voor, maar een methode om te laten zien hoe belangrijk je bent. Dat is iets voor de stadse types. De strijd tussen beide kostte de schrijver bijna zijn leven.

Bijna aan het slot van het boek kom ik een opmerking tegen die blijft haken. Hij gaat niet over de moeder, niet over de zoon, maar over het socialisme. Aan de hand van Roland Barthes* vraagt Louis zich af waarom de Totaliteit wil dat het burgerlijk leven en bloc veroordeeld wordt. Zou het niet mogelijk zijn om van de (vervormde) burgerlijke cultuur te genieten als van iets exotisch. Door die dogmatische en volledige veroordeling kiest het voor normen die onderdrukken, ook van wat fijn, goed en mooi kan zijn. Mechanismen die uitsluiten, die machtsongelijkheid vergroten, die moeten bestreden worden, maar geldt dat ook persoonlijke uitbundigheid? Links kan inderdaad dogmatisch zijn als een SGP-kamerlid op een zondag in Staphorst. Dat is duidelijk, maar inderdaad ook onwenselijk.

De achterflap stelt dat het boek handelt om de bevrijding van zijn moeder, de bevrijding van een vrouw. Dat is duidelijk, maar niet helemaal waar. Haar sociale achtergrond staat nog steeds contacten en vriendschappen in de weg, maar ze is overwegend gelukkig na haar ontsnapping uit de knellende banden van het dorp en die van haar tweede man.**

En Éduard Louis hoopt dat hij haar met dit verhaal in zekere zin een woning gaf waar ze zich veilig kan voelen. Hij had haar als jongetje van zes al een eigen kasteel willen geven, weg van zijn vader. Het boek beschrijft de hobbelige weg die ligt tussen die vorstelijke woning en een veilig huis tussen een kaft.

Noten:
* Roland Barthes par Roland Barthes (Roland Barthes door Roland Barthes, vert. Michel J. van Nieuwstadt & Henk Hoeks, SUN, 1991).
**
Op de dag dat ik dit boek uitlas keek ik naar de documentaire Mamacita, over een vrouw die geboren is in een wereld vol familiale onderdrukking en incestueuze relaties. Mamacita was tijdens de opnames 95 jaar oud. Ze werd opgevoed in het huis van haar grootvader, een Mexicaanse brigade generaal. Door een imperium van schoonheidssalons op te zetten, kon ze later een muur plamuren over de misstanden van haar jeugd. Haar omgeving en leven zijn opgemaakt met versiersels en maniertjes. Toch is het pas als – op haar verzoek – haar kleinzoon, José Pablo Estrada Torrescano, een film over dat leven komt maken dat ze zich voor het eerst begrepen en omarmt voelt. Hij staat open voor haar verhalen, heeft begrip voor haar eigenaardigheden, en benoemt wat benoemt moet worden. Intussen is haar verhaal, ook een deel van zijn verhaal.
Het is een andere omgeving dan waar
Strijd en metamorfose van een vrouw speelt. Hier gaat het over een kleinzoon en oma, het speelt in een andere klasse, op een ander continent, en het is meer persoonlijk dan sociologisch, maar beide gaan over wurgende relaties en het moeizame om daar aan te ontsnappen. Voor een gedaanteverwisseling, zoals bij de moeder van Louis, lijkt het in Mexico te laat. Maar ook daar ziet een vrouw door het graven uiteindelijk wat haar beknelde.

Geen opmerkingen: