vrijdag 26 december 2025

Orropa

Orropa van Safae el Khannoussi kreeg ik voor mijn verjaardag. Gedeeltelijk speelt het hier om de hoek. Tapas eten in de Marnixstraat. Het moet dat zaakje zijn tegenover de kapper. Er zijn koffieshops door de stad, een kebab tentje op de wallen, een wasserette in de Van Hallstraat, een huis in de Rivierenbuurt en het nachtleven van het schuim van de stad. De schrijfster is net dertig en leeft in een andere stad, in een ander Europa, dan ik. Ze zoekt naar het 21e arrondissement dat overal en nergens bestaat. Ook in Amsterdam. Het is een ruimte waar mensen hun eigen leven in de marge leven.

Amsterdam ligt ruim 400 km van Parijs, maar ook daar is een drankhol en leven mensen op straat. Anderen komen van een continent verder, uit Casablanca, Tanger en Tunis. En al die werelden lopen in Europa door elkaar heen. Zo kan een man in dat naar de drank stinkende Parijse café vertellen hoe een keurige, gelovige Marokkaanse taxichauffeur ertussen werd genomen door zijn echtgenote en door de vrouw die hij juist wilde helpen. 

Tanger
De schrijfster zelf kwam op haar vierde vanuit Tanger naar de Amsterdamse Rivierenbuurt. Van een leven in een grote familie, die in verschillende huizen leefde, naar het leven in een gezin achter gesloten deuren. De Tangerse wijk waar ze vandaan komt wordt soms Essaada genoemd en soms Bni Makada (verklaarbaar, want het eerste is een deel van het tweede gebied). Zelf ging ik in die wijk (een paar honderd meter van Essaada vandaan) in 1986 mijn bovenbuurman opzoeken, waarvoor ik wel eens een administratief klusje deed. Ik was toch in de Marokkaanse havenstad. Ik vond hem niet, maar proefde wel de ongemakkelijkheid rond die misplaatste Europeaan aan de rand van de wijk.
     El Khannoussi ging naar het Amsterdamse Lyceum, Studeerde Filosofie en onderzoekt nu Marokkaanse gevangenissen onder het regime van koning Hassan II vanuit een koloniaal en post-koloniaal perspectief. 

Schilderen
Orropa beschrijft het macabere Marokko van de jaren zeventig en tachtig. De beul – die later in Amsterdam ging wonen – vraagt in Marokko aan een binnenkomende gevangene (studente geneeskunde) of ze het binnenste van een menselijke schedel kende. Hij wel. De man vroeg zich dan ook af hoe zich in die smurrie een gedachte kan vormen. Salomé Abergel is die studente. Ze zou na verloop van tijd door haar Joodse identiteit en Israëlische bemiddeling uit de gevangenis gehaald worden. Als dank vertrekt ze niet naar Israël, maar gaat naar Amsterdam.
     In de gevangenis tekende ze al portretten van haar medegevangenen. In Amsterdam zal ze een gevierd schilderes worden, die de pijn uit de kerkers verwerkt in verf. En plots zal ze ook weer verdwijnen. Ook haar schilderijen gaan op in rook. Een tentoonstelling ervan zal er door mislukken. Rond die verdwijning van werken en maakster draait de plot. Maar eigenlijk is die niet belangrijk.
     Het boek gaat om contacten tussen mensen en hoe die mensen zijn geworden wie ze zijn op de plaats waar ze verbleven. 



     “Zijn de Marokkanen zo onnadenkend en zulke kinderen geworden dat zij zich door de wind laten meevoeren als een veertje? (…) Zijn zij op zo'n dieptepunt beland? (…) Uitschot uit Nador, Al Hoceima, Tétouan, Ksar-el-Kebir. Uitschot dat nog altijd werkloos is en van smokkel en diefstal leeft.”
Deze woorden van de fictieve beul zijn een citaat uit een werkelijke toespraak Koning Hasan II uit 1982 om de brute aanpak van het 'linkse gespuis' te verantwoorden.
    Een aan lager wal geraakte en zieke man uit het martelapparaat van de Marokkaanse Staat loopt van de bakker op de Haarlemmerdijk (ik weiger er de daar gevestigde beroemdste en gelijk ook intiemste bakker van Mokum in te zien: Mediterrane), over het plein naar de boekhandel die daar volgestouwd met een brede collectie inderdaad tot kort geleden zat (nu zit er een makelaarskantoor). Zelfs het boek dat hij er koopt gaat over zijn oude smerige stiel: het uit mensen – en hier ook uit een hond – halen van informatie. Niet in het Koninkrijk Marokko, maar in Macabië, een denkbeeldige dictatuur. Hoe dat doet er niet toe, als het er maar uit komt. Dat boek, de schrijfster Eva Beet, en zelfs de vertaler kenden we al. Vertaler Levi Shotz vertelde er eerder al over aan snackbareigenaar (en vriend van de schilderes) Hbib Lebyad, omdat hij er tot zijn verrassing zelf in voorkomt. Al is dit door de hond, die dezelfde naam heeft als hij. Bovendien is de schrijfster een bekende van zowel hem als Hbib.
      Na zijn aankoop in de boekhandel loopt de smeerlap van voorheen door naar het Westerpark en zit er aan de Haarlemmertrekvaart. De angst uit de Jaren van Lood van de Marokkaanse geschiedenis (van de jaren zestig tot negentig)
die ik zonder het echt te beseffen tegenkwam in Tanger – , is hier verwerkt in een roman rond de plek waar ik begin jaren tachtig ging wonen. 

Keihard
Khannoussi's academisch werk is een verklaring voor de lijstjes van gevangenissen en martelcentra in Marokko die in het boek staan: Tagounite, Skoura, Rabat en elders de civiele gevangenis van Kenitra, Tanger, El Jadida, speciale gevangenissen voor de boeren in de Rif, het martelcentrum La ferme slovak in Oujda, Asilah, Khénifra, Kasbet Tadla, Béni-Mellal, Aïn Borja in Casablanca, het concentratiekamp in Tazmamart, het kamp van Ouarzazate, het complex van Anfa, de Kasbah van Agdz (“waar ze Sahrawis en linkse extremisten vasthielden”), het paleis van M'Gouma, Settat en Meknes, het detentiecentrum Derb Moulay Cherif, in Témara, Dar el Mokri, onder het Jama el Fna-plein in Marrakesh (wie kent het niet als bestemming voor een toeristisch uitstapje).
     De litanie vult een hele pagina (221) die begint met de vrijkomende gevangen
“die uitgemergeld en kauwend op hun wangen, na jarenlange gevangenschap vanuit de clandestiene en afgelegen plekken van het land kwamen gekropen (...)”. Tijdens het lezen komt dat binnen, maar ook het in een korte bespreking noemen misstaat niet; het kan en mag niet genegeerd worden. De folteraar die over zijn wandaden wil spreken is een zeldzaamheid en dus voert de schrijfster hem op. Dit is literatuur die niet mooi is, maar juist het lelijke keihard opdist; mensen die alles mooi maken kijken immers niet rond. 

Bevolken
Dat zware karakter blijft meewegen; ook tijdens het lezen van de luchtiger en grappige delen en bij wat Marja Pruis samenvat als: “En we zien en horen dus de gezichten en stemmen van relatieve nieuwkomers, afkomstig uit Algerije, Tunesië en Marokko. Mensen die je op de pont naar Amsterdam-Noord ziet staan, die schoonmaker zijn bij Shell, een wasserette hebben in Utrecht of een snackbar in Amsterdam-West. Ze zijn gevlucht, gestrand, op zoek, en ze hebben allemaal zo hun verhaal.”
    Amsterdam en Parijs worden ook bevolkt, zo haalt de recensente uit de roman, “door drinkers en dromers, excentriekelingen en getraumatiseerden, daklozen en semi-daklozen, vrouwen die er prat op gaan tot de klasse der ‘niet-assimileerbaren’ te behoren.” Zo komen al deze mensen de literatuur binnen zonder zich aan te passen; ze krijgen een plek.
Samenvatten
Je kan de roman los van dit pijnlijke deel vast in een tiental zinnen samenvatten en het dan hebben over: Boschiaanse schilderkunst, niet weg te duwen herinneringen, de wereld van de nacht, van hypocriete intellectuelen, en van personages die komen en gaan. Beter is het om het boek te lezen. Het is een verhaal over Europa en Nederland (waar niet iedereen geaccepteerd wordt, ook dat wordt terloops onderstreept) waar als spekveters door een konijn de narigheid uit de kerkers is geregen. Maar er is zoveel meer, wat het lood enigszins verzacht en de roman genietbaar maakt. De ontdekkingtocht is geschreven met vaart, plezier, en laat ik dat modewoord gebruiken, urgentie. 

Onverwacht

In Orropa schuift het ene verhaal in het andere en wat eerder gebeurde komt later met volle kracht terug. 'Onstuimig,' wordt het boek ook wel genoemd. Het is een roman waar je het verhaal los moet willen laten, om je mee te laten slepen naar de wereld naast wat de normale wordt genoemd. Een woord als 'okselhaarliefhebbers' blijft tussendoor even haken om zijn betekenis bloot te leggen.
    Dat deel 3 'de herrijzenis van salomé abergel' heet, is opvallend door zijn duidelijkheid. Je weet wat je te wachten staat. De verdwenen kunstenares zal weer opduiken en ze blijkt dan flink aan de drank en aan de nicotine. Ze woont in Tunis boven een moeder, dochtertje en zoon. Ze zal optrekken met die zoon, Azzedine Atta. Hij is een jurist zonder kruiwagen in de hogere kringen en werd daarom een overgekwalificeerde man die achter een glazen plaat de poortwachter is bij het Paleis van Justitie. Deze inwoner van Tunis valt op mannen. Het is inderdaad altijd anders dan wat je verwacht.
     De Arabische opstand mag dan wel in Tunis begonnen zijn, van Azzedine moet die het niet hebben; hij heeft met veel moeite zijn baantje gekregen en dat wil hij niet kwijt.
“Er zijn mensen die er leven en het niet boeit,” vertelt El Khannoussi op de radio over die houding. En zijn familie wil Salomé niet kwijt, want voor het onderbrengen van haar krijgen ze van Hbib onderdak in zijn Tunesische woning. Zo blijft de familie financieel enigszins overeind en kan de moeder zelfs geïllustreerde tijdschriften lezen. Krabben aan de verf van het oppervlakkige oordeel kan geen kwaad.

Wie en wat
Wie is deze schrijfster? Is de kritische visie iets dat met de paplepel werd gevoerd. Of is het haar eigen ontwikkeling waardoor het Komité Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN) in de roman voorkomt. Haar vader Esabi, Grootmoeder Rhimou en overgrootmoeder Zohra vertelden haar verhalen, schrijft Safae el Khannoussi in de verantwoording bij de roman (een tekst die overigens vol leestips zit). Haar vader was het ook die de middelbare school voor haar uitkoos. Ze zou het gymnasium volgen. Vader Esabi was een gewone Marokkaan die graag in Zuid woonde, omdat daar de Marokkaanse gemeenschap niet zo groot was dat ze zich met hem zou bemoeien. Hij vertelde over het bloed dat door de straten van Casablanca vloeide. Wanneer was dat? Waar ging dat om? El Khannoussi ging op zoek naar antwoorden.
    Dat de schrijfster als middelbare scholier en boekenwurm een punk in Berlijn wilde worden, hoeft de lezer niet te verbazen. Haar boek heeft die vrije geest die conventies opzij wil zetten, omdat er dan meer van het leven te maken is, ook als dat leven al naar de ratsmodee is geholpen, zelfs dan. Dat ze met plezier aan haar boek heeft gewerkt, maakt het niet licht, maar geeft er wel leven aan inclusief aan het terloopse verzet dat er in zit.
     El Kannoussi was verbaast dat ze de
Libris Literatuur Prijs voor Orropa kreeg. Misschien is ze later ook verbaast als ze blijkt niet het 21ste arrondissement, maar op een comfortabele plek te zijn beland in de gewone wereld. Daar niet eindigen zal moeilijker zijn dan wel voor iemand met zoveel talent, zo'n pen, een dergelijke blik en zoveel onverwacht succes.

Geen opmerkingen: