zaterdag 30 augustus 2025

Snikken en smartlapjes

Snikken en smartlapjes* is het eerste van een tweetal op elkaar lijkende boekenweekgeschenken, zowel qua formaat, uitbundige vormgeving als drukwerk,** en misschien ook wel door de aandacht voor de populaire cultuur. In 1976 ging dat om de smartlap, een jaar later over de genoegens die de televisie al dan niet brengt.

Het werk is samengesteld en ingeleid door
Hermine Heijermans, de dochter van de bekende schrijver en toneelman Herman Heijermans. Wat is een smartlap? Dat kan niet helemaal waterdicht beschreven worden. Niet ieder droef lied is een smartlap. Wat voor de een smartelijk lied is, slechts op effect uit, is voor de ander “een droef lied met kunstzinnige achtergrond.” Om het nog ongrijpbaarder te maken is een lied in de hand van de een slechts 'n tranentrekker en met de intonatie van een ander, een lied dat tussen de regels door grotere vraagstukken aan de orde stelt. Ook de muzikale omlijsting kan de waardering veranderen.

De schrijfster noemt al snel J.H. Speenhoff.*** Was hij een schrijver van smartlappen? Heijermans vindt van niet.
“Speenhoff was zeer geëngageerd en gaf vooral aan door de wijze waarop hij zijn liedjes bracht, dat hij een zeer reële kijk op de werkelijkheid had. Hij had een spitsvondige manier van zing-zeggen, had buitendien een gezicht, dat doordrongen scheen van ironie en moed; sentimentaliteit was er bij hem niet bij.”
Om dit te onderstrepen haalt ze Moeders Brief aan. Daarin zit de tekst: 'Want als ik jou niet overdag mag zien,/Zie ik je in mijn droom vannacht misschien.' Het lijkt me niet vrij van opgeklopte teergevoeligheid. Maar: “Hij brengt de tekst met verborgen bitterheid om maatschappelijke toestanden,” zo pleit ze de dichter, schrijver en tekenaar vrij van de smartlapperij. Ach als iemand het woord kroten in plaats van rode bieten in zijn tekst gebruikt kan hij ook bij mij al niet meer stuk.

Ze schrijft dat ze zich ergert aan het opzettelijk een ziekelijke toestand creëren om tranen op te wekken. De mensen zijn sentimenteel en huilen graag om het droeve. Niets mis mee, maar het moet niet uitgebuit worden, zo merkt ze op. En de sentimentaliteit moet al helemaal geen misstanden onderstrepen. Droeve liederen over ouderen bevestigen het conservatieve idee dat zij overbodig en ongelukkig dienen te zijn. De dichter uit Den Haag staat boven die verdenking.

De Nederlanders komen er in de woorden van Heijermans af als barbarbaren (“Het Calvinisme beperkte de ontplooiing in Holland, het volk hoefde niet te veel te weten.”). De Fransen worden anderzijds opgehemeld. Door de aandacht voor straatzangers werd Edith Piaf ontdekt en kon op de grote podia beginnen.
     De schrijfster zelf begon haar leven in Berlijn, waar haar vader werkte. Ze zag uit haar raam een groep soldaten voorbij komen met op het affuit van een kanon een kist met een gestorven militair. Zij zongen een lied over de door een kogel gevallen kameraad. De schrijfster had het lied geleerd op school, maar pas nu drong het karakter van de smartlap door. Ze schrijft de liedtekst in het Duits met een Nederlandse vertaling:

Ik had een kameraad
die mijn beste vriend steeds was,
De trommel sloeg ten strijd
En hij ging aan mijn zijde
In gelijke tred en pas.

Door de lucht suist nu een kogel
Voor jou of toch voor mij?
Hem heeft hij toen verslonden,
hij ligt naarst mij, gewond en
bijna deel van mij.

Hij wil me een had toesteken
Nu ik 't geweer juist laad
Kan ik je geen hand geven
Blijf jij liever in 't eeuwige leven
Mijn trouwe kameraad.
Heijermans noteert dat het lied laat zien dat de oorlog door moet gaan ten koste van alles, zelfs van een stervende kameraad. Kortom een smartlap met een propagandistische boodschap. Elkaar weer zien in de hemel is de oplossing voor de vriendschap die het verliest van de oorlogsdaad. Ze schrijft in dit deel een van de krachtigste reflecties van haar opstel.
     Tussen de door haar verzamelde smartlappen zitten er twee over jonge mannen die naar de oorlog moeten:
Moeders eigen jongen, en Het soldaatje. (Zie onderstaande tabel.)

Heijermans neemt stelling tegen de vercommercialisering van de liedkunst. In dat licht laat ze terloops zien dat het meest bekende werk van haar vader
Op hoop van zegen, door zijn kracht een internationaal succesnummer is geworden en niet omdat het voor de verkoop, als kasstuk, geschreven is. Het was een aanklacht tegen het misbruik van de vissers.

De opkomst van radio en televisie maakten dat er veel programma vullend materiaal nodig was:
“De radio werd hierdoor tot een vretende betonmolen, zijn produkt werd een mélange van goed en slecht,” zo schrijft ze met afkeer. Alleen daardoor kon iemand als Louis Armstrong tot zanger gebombardeerd worden met zijn zang die voor het geoefend oor een beproeving was. “De met moeite voortgebrachte schorre tonen, de nauwelijks beheerste ademtechniek die zijn stem moest ondersteunen, zijn vermoeiend voor ieder die luistert.” De schrijfster, geboren in 1902, heeft zich kennelijk nooit die muziek en andere voordracht eigen weten te maken. Ik had haar graag een duet tussen de zingende trompettist uit New Orleans en de stem met een snik van Billie Holiday verplicht voorgezet.
     Het houdt haar toch niet tegen ook de koningin van het Nederlandse levenslied De zangeres zonder naam een viertal keer op te nemen, met liederen over zeehondenmoord, de bruid, Het slavenkoor en het al hierboven genoemde Het soldaatje. Een ander kassucces Pappie loop toch niet zo snel staat ook in de bundel.

Vreemd is wel dat ze zoekt naar de betekenis van het deel 'lap' in de smartlap. Was het om de ironie van de smart achter te verbergen of de lengte van het lied, 'een hele lap', zo vraagt ze zich af. Of was het de lap met afbeeldingen bij de tekst, een roldoek, zodat het publiek mee kon leven, zoals hier thuis meteen werd opgemerkt. Nee ook niet. Het was een badinerend bedoeld woord dat afkomstig was uit het Duits.


Rijkelijk geïllustreerde 'smartlappen' (pagina's 22 - 77)

Titel

Uitvoerende

Tekst

Muziek

Na den storm

Georg Hofmann



Tabé Nonja!


Lou Bandy en Hans de Regt

Eugenie Bandy

Het hutje bij de zee


Mr. M.B. Le Jeune

J.R. Thomas

De armsten


Renati

Renati

Het droeve vissersbruidje


Kees Pruis

Joh. Davids

Moeders Brief

J.H. Speenhoff

J.H. Speenhoff

J.H. Speenhoff

Het loon van den Arbeid


Chef van Dijk

Georg Hofmann

Kinder Voeten

Kees Pruis


Louis Noiret

Moederweelde

Michel de Cock



Vrienden in den Nood


Georg Hofmann

Frans Bogaert

Moeders eigen jongen


Luciën

Willem Blokland

Zeehondenbabies

Zangeres Zonder Naam

Dick van der Valk

Johnny Hoes

Je moeder vergeet je toch nooit




De Bruid

Zangeres Zonder Naam

Johnny Hoes (bew.)

Johnny Hoes

Het fiere schooiershart


Otto Zeegers

Willy Derby

Het oudergraf


Hans de Regt en Hein Ruigrok

Willy Derby

Verborgen smarten




Slavenkoor

Zangeres Zonder Naam

Van Acker

H. Jansen (bew.)

De wereld der Blinden


Claudy

Willy Derby

Het soldaatje

Zangeres Zonder Naam

Van Acker (bew.)

Van Acker

Kerstlied


Ferry

Louis Noiret

Kindjes laatste wensch”


Kees Pruis

Willem Ciere

De vrachtwagen chauffeur

Johnny & Mary

J. Koeman

Johnny Hoes

Zielesmart


Kees Pruis

Willem Ciere

Pappie loop toch niet zo snel

Herman van Keeken

Petere Koelewijn (Ned. tekst)


Mammie zal komen

Luciën



Afscheid van 'n koloniaal

Lou bandy

Ferry

Michel de Cock

Noten:
*
Snikken en smartlapjes is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, txt, scan of als epub. De illustraties zijn van Frans Evenhuis.
** Ook hier is de leverancier van het karton vermeld net als in het geschenk van 1977. Dit keer is het Cartonfabriek Beukema & Co uit Hoogezand (doorgaans wordt Cartonfabriek met een K geschreven of niet genoemd N.V. Beukema & Co volstaat).
*** Speenhoff komt uitgebreid aan de orde in mooi kado, het geschenk voor 1979, door Simon Carmiggelt.

vrijdag 29 augustus 2025

Even geduld AUB


Even geduld AUB
behoort tot de meest uitbundige boekenweekgeschenken uit de bijna een eeuw lange geschiedenis van dit instituut voor de bevordering van de Nederlandse boekenverkoop. Het zet daarmee de luxe benadering van de afgelopen jaren voort. Het is zonder terughoudendheid geïllustreerd, voorzien van een harde kaft en gedrukt op luxe papier.

Zestig scribenten werden uitgenodigd om een bijdrage te leveren. Meer dan de helft gaf daaraan gehoor; van vierendertig schrijvers* werd een gedicht of tekst geplaatst. Ze kregen daarvoor een honorarium van ƒ 300. Bijdragen die ingeleverd werden en om inhoudelijke redenen niet opgenomen, werden beloond met ƒ 200. Al met al een kostenpost van ruim ƒ 10.000 (€ 4.500). Dat is een fors bedrag, maar anderzijds bij de oplage van 306.000 exemplaren nog geen stuiver per geschenk. Naast de schrijvers is er ook een dertiental illustratoren** (hoe die beloond werden vermeldt de tekst niet). Er waren twee drukkerijen betrokken, waaronder de kunstdrukkerij Mercurius-Wormerveer. In de uitgebreide colofon staat zelfs dat de kaft is gemaakt van karton van Kappa dat werd geleverd door Krijt Krommenie (ook al aan aan de Zaan).

Op het internet kom ik er een bespreking van tegen. Er wordt hier een daar wat uit een tekst geplukt en zo wordt het werkje samengevat. Op die manier kan je nog een legertje aan besprekingen schrijven. Zelf was ik het in eerste instantie ook zo van plan. Bij de bijdragen die ik daarvoor wilde gebruiken stopte ik een briefje. Die strookjes papier kwamen niet perse terecht bij de bekende namen, die zitten er zeker tussen, maar meer bij de voor mij – op het moment van lezen – meest opvallende bijdragen.
    De schrijvers mogen hun visie geven op het medium TV. De televisie van toen was anders dan de t.v. van nu. Er waren 2 Nederlandse zenders en waren regio's waar de Belg of de Duitse kanalen ook te zien waren. De programma's werden uitgezonden en daarna werden ze hooguit op band in een archief bewaard. Betaalbare videorecorders waren nog maar kort op de markt (Betamax van Sony (1975), VHS van JVC (1976) en de V2000 van Philips (1979). Je kon er niet meer naar kijken. Het tijdstip van kijken werd destijds nog bepaalt door de zendgemachtigde.

Renate Rubinstein merkte op dat 80% van het aanbod het aanzien niet waard was. Dat aandeel lijkt tegenwoordig hoger te liggen, maar wel bij een veel groter aanbod, zodat zekere zoveel wel waardevol is. Ze merkte ook op dat 90% van de boeken niet te pruimen was. Zo werd door haar het kleed van de elitaire anti-TV houding afgelegd door ook haar eigen medium op de korrel te nemen.

Jan Elemans schrijft over glas in lood ramen die een boodschap overbrachten en nog steeds brengen. Ongeletterden konden dit 500 jaar geleden al lezen en we zijn nog steeds niet uitgekeken op het samenspel van kleur, glas, lood en licht. De bijdrage is over twee donker gekleurde pagina's opvallend vormgegeven door Frans Schupp. Herman Pieter de Boer beschrijft hoe twee vrienden op een oud tv'tje naar het intieme leven van de Peruviaanse wesp kijken. Het kastje heeft klappen en stompen nodig om het te doen of om van zender te wisselen, maar dan kon je er zelfs Madrid mee krijgen. Toch gaat die televisie uit en werden de glazen weer volgeschonken. “Zal ik nog wat leuks voorlezen van Wittgenstein,” vraagt de eigenaar dan aan zijn bezoeker. Zo krijgt de beeldbuis niet alleen op zijn mieter maar wordt hij ook op zijn plek gezet.

Harry Mulish vond de televisie maar niets. Uitzendingen verdwenen meteen. De Homerus van de Nederlandse letteren schreef niet voor de tijdelijkheid, maar om te blijven en zelfs voor wie nog geboren moest worden. Heere Heeresma serveert het kijkkastje af. Eerste zin van zijn bijdrage: “Ik kots van televisie.” Hij analyseert dat het in de wereld van de film om geld draait en in die van de televisie om de macht: “en dat is een stap verder in onze degeneratie.” Toenadering tot het gewone ervan zoekt Mies Bouwman. Als die de stap heeft gezet om naar André van Duin te gaan kijken in Carré (tot verbazing van vele vrienden en bekenden) dan merkt ze dat zijn publiek ook het hare is. De vrouw van de mijlpaal in de geschiedenis van de Nederlandse TeeVee, met Open Het Dorp, noemt de komiek nergens bij naam (niet zijn artiesten- en niet zijn geboorte naam), slechts titels van liedjes en zijn voorkomen. Ging het benoemen van de grappende en grollende bekkentrekker nog te ver?

Hans Dorrestijn leverde het lied
De dwangbuis uit de Statenmakeropzeeshow. Hierin wordt bezongen hoe ouders voor het minste of geringste de televisie als strafmiddel gebruiken: “heb je maar iets verkeerd gedaan,/dan mag de TV niet aan.” De twee pagina's werden geïllustreerd door Henk Vermolen met tekeningen van kinderen en de tekst van het lied met notenbalk en de vermelding dat die muziek van Harry Bannink is. Mensje van Keulen beschrijft in een bijna poëtische bijdrage het tegenovergestelde. Geen spelletjes doen, maar naar Ti-Ta-Tovenaar kijken. Geen zoen voor het slapen, maar Swiebertje en doctor Who kijken. Die tweede heb ik destijds gemist. Misschien omdat ze het bij ons thuis te eng vonden, zoals klagende ouders en leraren.

Na dit boekje zou het geschenk steeds gewoner worden totdat het zijn huidige vorm zou krijgen. De jaren zestig kwamen bij het CPNB laat op gang, en ze hielden na 1977 alweer op. Overigens stond dit geschenk onder redactie van Mies Bouhuys, Herman van Run en Nico Scheepmaker. Ze schreven er een wat melig voorwoord in. Mooi uitgevoerd betekent nog geen boeiend geschenk. Al is het aardig even terug in vroege jaren van van de televisie te worden gestort. Het boek heeft al een lange geschiedenis en zal de t.v. wel overleven; het medium heeft in 2025 zijn langste tijd gehad. Wel zijn beeldschermen wijder verspreid dan ooit tevoren, vooral van telefoons. Dat brengt de volgende uitdaging, de digitale aandachtslorpers weerstaan of er op zijn minst een plek naast blijven innemen.

Noten:
* D. Hillenius, Renate Rubinstein, Koot, Jan Elemans, Jacq Firmin Vogelaar, Cornelis Verhoeven, Henk Spaan, Tim Krabbé, Carel Swinkels, Herman Pieter de Boer, H.H. Polzer, Elly de Waard, Kees Holierhoek, Harry Mulish, Jerven, Heere Heeresma, Yvonne Keuls, Wim Hazeu, Leo Derksen, Mies Bouwman, Jan Mulder, C. Buddingh, Guus Luijters, Piet Grijs, Hans Dorrestijn, J. Waasdorp, Jan Willem Holsbergen, Mensje van Keulen, J.J. Buskes, J. Bernlef, Harriet Freezer, Michel van der Plas, Jan Jonker en Erik K. de Vries.
** Will Bakker, Rob van den Berg, Hans de Cocq, Theo Dijkslag, Hans van der Jagt, Frans Lasès, Hans Moolenaar, Frans Sdchupp, Dirck van Stralen, Arie Teunissen, Henk Vermolen, Monaa van Vlijmen en Johan Volkerijk.

vrijdag 22 augustus 2025

Suikerspin


Toevallig stootte schrijver Erik Vlaminck in het archief van Diest op een kort krantenknipsel uit juli 1912, met daarin de tekst: “In het gasthuis in de Langestraat werd gisteren, ijlings en per stootkar, een zogenaamde Siamese tweeling binnengebracht waarvan één helft schielijk overleden was. De politie is met man en macht op zoek naar de kermiskramer die met het geval betrokken is.”

De knipseltekst 
was de aanzet voor een nieuwe roman, Suikerspin. Rond de toneelbewerking van dit boek vertelde de schrijver dat hij vervolgens onderzoek ging doen “naar deze 'fenomenen' van de kermis. Met deze gehandicapte mensen trokken de foorkramers tot WOI in Vlaanderen rond. Ze werden uitgebuit en behandeld als slaven. Dat is amper honderd jaar geleden. Schrijnend . Dat is een verloren stuk geschieden dat ik in het boek wilde integreren.” Het heeft een pijnlijk en verrassend verhaal opgeleverd over een van de uitwassen van het menselijk 'vermaak'.

De kermisklant uit het krantenbericht werd Jean-Baptist van Hooylandt. Jean-Baptist komt uit Dendermonde, daar waar de de rivier de Dender en de stroom de Schelde samenvloeien. Hij trekt al vroeg met zijn tent met menselijke fenomenen van kermis naar kermis. Zijn zwakbegaafde en onhandelbare broer speelt er voor watermonster. Wie niet luister moet maar voelen is zijn beleid tegenover broer Gust. Als die daardoor wegvalt komt er een vrouw met baard. Maar die gaat er van tussen. Vervolgens komt hij de Siamese tweeling Anastasia en Joséphine tegen als nieuwe publiekstrekker. Hij regelt de overdracht op papier en zo komen de twee met elkaar vergroeide vrouwen in zijn brute – juridisch gedekte – macht.
    Suikerspin bestrijkt ruim een eeuw, van 1893 in de proloog tot 2007 in de epiloog (en zelfs nog wat langer als de geboorte van Jean-Baptist in 1874 wordt meegenomen).

Zowel in het voor- als nawoord worden de feiten gegeven op een manier alsof ze uit de werkelijkheid zijn gehaald (er is zelfs een hoofdstuk getiteld Archiefwerk). Dat onderzoek is onmiskenbaar, maar hebben de ouders van de tweeling (Cathérine Verflachen en Cyrille Froidecoeur uit Cysoing) echt bestaan of zijn ze geboren in het brein van de schrijver? Dat de plaats waar ze woonden aan de route van de beroemde wielerklassieker Parijs-Roubaix ligt is een argument voor dat laatste. Vlaminck verwerkt de koers graag in zijn boeken.
    Dat spelen met en vermengen van fictie en werkelijkheid zit door het hele boek. Ga niet naar het bijvoegsel zoeken uitgesproken door arts en liberaal volksvertegenwoordiger Jan Persoons bij het aannemen van een parlementaire wetstekst rond de arbeidsduurvermindering in de mijnen (behandel op vrijdag 19 februari en aangenomen op 31 december 1909). Hij is onvindbaar, zo vermeldt de roman. De roman bevat niettemin een deel ervan:

“Het is een beschaafd volk onwaardig, het is voorwaar een smet op gans de natie, om de ongelukkigsten, de meest verlatenen, als koop- en handelswaar op een schouwtoneel, als schavotdansers, te laten exploiteren. Ik durf de geachte vergadering dan ook met aandrang te verzoeken zulks in de toekomst bij wet onmogelijk te maken....”
Deel toespraak (pp. 157-8) door Jan Persoons
Jean-Baptist staat aan het begin van een reeks forain – op de kermis (ook wel foor genoemd) geboren kermisklanten/foorkramer – en haalt ook een andere foor familie het boek binnen, die van vader Henri en dochter Anna Lambaerts. Albert, de zoon van Jean-Baptiste, is een gedreven forain die een mooie draaimolen maakt, de Kinderdroom. Zijn zoon Arthur is de spreekwoordelijke Henk, die door zijn Ingrid van overtollige rijkdom is afgeholpen. De 'Hollandse pothoer' Janna, de vriendin van zijn zoon Tony, maakte dit af door Arthur tot op het bot uit te kleden en vervolgens te verdwijnen.

Arthur neemt geen blad voor de mond met zijn platte wijsheden, geschreven in woorden die daar bij passen. Het begint al met zijn openingszin:
“Wijven zijn crapuleuze serpenten.” Hij ziet mensen die veel zoetigheid eten en die vervolgens naar het fitnesscentrum gaan om af te vallen door zich in het zweet te rijden op een stilstaande fiets. “Probeer het maar eens uit te leggen aan een armoelijder in de Congo.” Niemand wordt gespaard in zijn visies, vertrouw bijvoorbeeld nooit een jood, ook de ophef in de media over racisme wordt overdreven, en homo's deugen niet. Of hij merkt onschuldiger, maar wel met een verband uit het ongerijmde op, dat treinen vroeger op tijd reden en nu in de tijd van gsm's en computers de helft te laat komt. Hij is door zijn snelle meningen vlug klaar met een visie op de wereld.
    “Maar ook over de aanslag van 11 september, televisieprogramma's, computers, de gazetten, luchtvervuiling en wat al niet meer weet hij dergelijke hele en halve volkse waarheden te debiteren,”
zo vatte Ernst Bruinsma de rol van deze Vlaamse Archie Bunker in tijdschrift Ons Erfdeel samen. Bruinsma zet hem tegenover de schrijver die in Suikerspin opduikt en die schrijft over de Van Hooylandts: “een pierewaaier met een nagemaakte stoppelbaard waar meer scheerwerk aan is dan aan een volwassen beukenhaag’.” Dit contrast lijkt mij een goedkoop schrijverstrucje, maar het biedt wel mogelijkheden om de achtergronden bij de kermisfamilie uit de archieven op te diepen en dat is voor het verhaal een mooie vinding.

Het is een roman over kermisklanten, maar ook over een eeuw geschiedenis van de kermis zelf. Elektriciteit gaf de pretplek nieuwe mogelijkheden, maar de cinema werd dan weer een concurrent. Paarden werden vervangen door wagens met motoren. Het werd steeds moeilijker de kost te verdienen, zeker met eenvoudige attracties. Paardjes op de draaimolen moesten gaan bewegen. Er alleen opzitten en je dan zelf in te beelden een ridder of prinses te zijn, was niet meer genoeg. Laat staan dat de draaimolen van Anna, die door de klanten zelf op hun fietsen aangedreven werd, nog mee kon in de tijd.

Op de Kinderdroom van Albert stond ook een fiets. Hij was op de framebuis voorzien van de naam van Fausto Coppi. Later werd dat Merckx en dat werd weer gevolgd door Tom Boonen. (Ik ben benieuwd wie Vlaminck er nu denkbeeldig op zou schilderen.)
    Als de naam van een pizzakoerier valt, Marco, dan wijdt Arthur uit over een Italiaanse coureur. Die had zich verschrikkelijk gedrogeerd en moest in een kist het hotel uitgedragen worden. Dit en de naam Marco-oo, verder niets. Maar iedere liefhebber ziet de renner met of zonder zijn bandana tegen de bergen op rijden. Arthur is de stem des volks en in Vlaanderen hoort de koers daar bij. En de mythische Italiaan Pantani zeker.

Anna en Henri Lambaerts lijken een rol in de zijlijn te spelen. Maar ze geven door hun menselijkheid en medeleven lucht aan de roman op het moment waar de naarste zaken rond Anastasia en Joséphine voorbijkomen. De naarling Jean-Baptiste had als kind een slechte start en zorgde vervolgens voor zijn hachie en plezier, zonder oog voor het leven van anderen. Sterker nog, hij misbruikte dat. Ronduit een rotzak of er nu wel of niet sprake was van een geestesziekte. Anna kon zijn optreden niet stoppen, erger nog, ze werd er ook het slachtoffer van.
     Ze heeft geleerd om problemen te omzeilen door over de jodium in de zeelucht te praten of over bijvoorbeeld de 'franskiljons' die weigeren aan de kust in het Vlaams hun brood te kopen; spraak als verdovend midel. “Er wordt veel gesproken en niets gezegd,” constateert Albert bij haar woorden. Het is zo'n zinnetje dat samenvat wat veel voorkomt tussen mensen. Zelf hoorde hij zo nooit iets over zijn vader.
     Suikerspin is een triest verhaal, maar wel krachtig en met oog voor het leven en de mensen van toen geschreven, en met Arthur als
vox populi van deze eeuw.

donderdag 21 augustus 2025

Vakantie in 3 bedrijven. Epiloog: Oisterwijk-Amsterdam 19-8-25

Om 4:30 begon een boer te trekkeren en de ganzen te snateren. Buiten is het nog pikdonker en de maan is niet in staat het bospad naar de WC te verlichten. Daarna slaap ik nog een paar uur, pak de kapotte tent in, tank twee bidons vol water en ga op de fiets naar Amsterdam. De Bergse Maas, de Waal en de Lek over.

Het gaat door mooie gebieden en langs stille en razende wegen. De pont komt zelfs bij de aanleg plaats voor Slot Loevestein. In Woudrichem ligt een hele vloot vissersbootjes, zogenaamde zalmschouwen, zalmdrijvers of drijverschuiten.

Er werd vanaf gevist met netten, lijnen, fuiken en er was zelfs een horizontale katrol om de netten binnen te halen, vertelden twee mannen die bij de voorste (WKD-41) vandaan kwamen. Ze leggen me ook uit dat er drie opvarenden onder de huik konden slapen en dat de vaartuigen soms wel een week of twee weken weggingen. Ze lieten zich liefst slepen door een voorbijvarend schip. Zo wordt ik alvast voorbereid op het Sail spektakel dat in Amsterdam zal beginnen.
De steen die bij de pont in de muur is gemetseld is nauwelijks te lezen. Geen idee wat er op staat. Bij de volgende pont kom ik weer een kleine vuurvlinder tegen.

De tent weegt zwaar onderweg met de tegenwind. Nu maar hopen dat hij nog eens gebruikt kan worden, anders is het gezeul voor niets geweest.

Vakantie in 3 bedrijven. Deel 3: Oisterwijk 14/19-8-25

 



Ook vandaag fiets ik weer door het gebied waar mijn medeleerlingen op de koksopleiding vandaan kwamen. Mijn eindpunt is ongeveer de oostgrens geweest van de leerlingenvijver voor de school aan de Biesdonkweg in Breda.

Een paar dagen geleden zaten we aan een tafeltje op een terras in de Biesbosch waaraan ook een echtpaar zat.
“Niet dat ik er iets op tegen heb; veroordelen doe ik niet,” zei de man. Veroordelen doe ik zelf bijna als tweede natuur: auto's die te hard rijden, boeren die niet verder kijken dan de eigen opbrengst, razende vliegtuigen, onverdeelde rijkdom-kennis-macht en in het vervolg daarop mensen die zo rijk zijn dat ze armoede van een ander niet zien, etc etc. Tot vermoeienis aan toe. Dat de algemene wasplek, droogzitruimte e.d. schoon blijven is dan weer toe te juichen, net als dat het 's avonds als vanzelf stil lijkt te worden op de camping. Veroordelen is een vak, en dat weloverwogen en met kennis van zaken doen is in veel situaties een noodzaak. Aan dat tafeltje hield ik mijn mond. 

In de Kampina zie ik in het Belvers ven een visje zwemmen. Het lijkt wat op een baars, maar ik herken het ondanks de opvallende tekening niet. Het blijkt een zonnebaars, een Noord-Amrikaanse vis die al in 1910 gesignaleerd werd en vermoedelijk uitgezet door een vijver- of aquarium liefhebber, maar die de afgelopen jaren sterk in opmars is. De handel, het houden en kweken, vervoer en uitzetten zijn sinds 2019 in de Europese Unie verboden. De vis is een invasieve soort, en wat erger is een rover van de ergste soort waardoor heide kikkers, salamanders, vissoorten en libellen het loodje leggen. Zo veranderd het plezier in het zien van de vis in lichte droefenis bij grotere kennis.

Het lijkt wel kerst op de camping, zelfs op het fraaie natuurterreintje waar wij staan blinken de tenten in het donker. Er zijn geen sterren, geen kerstmannen en Rudolfs, maar veel tenten doen aan illuminatie. Sommigen zelfs zeer uitbundig met lampen die aan bouwverlichting doen denken. Sta je eens op een camping zonder verlichting en dan beginnen de gasten er zelf mee. Je daar druk over maken is onzinnig, maar jammer is deze kleine bijdrage aan de lichtvervuiling wel.

*** 

Een rondje op de fiets via Moergestel. Al snel bleek de achterband van mijn fietspartner steeds zachter te worden. Het ventiel lekte. Na de rit bij de HEMA een nieuwe gekocht. (Later bleek op in de band een miniem gaatje te zitten. Plakken maar.)

We komen langs een kapel – een van de velen – deze is gewijd aan O.L. vrouw van Vrede. Lof is er voor hen die in 1940-44 trouw hun plicht voor het vaderland deden. Alsof dat nog niet genoeg afbreuk doet aan het woord vrede is ook een tekst opgehangen die zo'n burgerlijke visie op het vrede beschrijft dat er van het hele idee weinig overblijft. Het epistel eindigt met “Vrede begint in ieder mens van binnen.”

Onderweg stond een vrouw langs het pad en het zag er uit alsof ze een fietsongelukje had gehad. Ze zoog aan haar hand. Vast een wond. “Wilt u een pleister,” vroeg ik. Die wilde ze wel. Ik heb ze al tijden bij me. Nu werden ze dan nog eens gebruikt, net als eerder mijn pompje en plakset.

Deze laatste dag wilde ik nog een foto van een blauwtje maken in de tuin van het huis bij de camping. De eerste dag had ik die zien vliegen. Nu kwam er nog wel eentje langs toen we terug naar de tent liepen, maar die had zo'n haast dat hij niet bij te benen was, laat staan dat hij ging zitten voor een foto. Op iedere camping wilde ik er een. Ach er zijn nachtvlinders uit het toitletgebouwtje, zoals het rozenblaadje en een oranje zandoogje in het gebied achter de camping.














Vakantie in 3 bedrijven. Deel 2: Alphen 11/14-8-25




Op maandag 11 weer vertrokken van de camping in de Biesbosch. Via het piepkleine pontje ging de tocht van de de Jacominaplaat over de Bergse Maas naar Lage Zwaluwe. Vlak voor me (en niet hoog) over het pad naar vloog een (jonge) zeearend. Hij stak de Nieuwe Merwede over van Brabantse richting Hollandse Biesbosch. Het was de tweede. De dag ervoor zagen we er ook een in een elektriciteitsmast. 

Bij het pontje zaten twee vrouwen en een man te wachten. Ze waren in gesprek en ik deed mee. De vrouwen woonden in Lekkerkerk aan de IJssel. Een ervan kende de man die in 1953 zijn boot dwars op de rivier heeft laten zinken om het oprukkende water tegen te houden (nu is er er op dit plek een opvallende sluis). Haar vader voer bij hem in dienst. De man heeft daarmee een nog grotere ramp voorkomen dan het al was, maar heeft nog lang op zijn geld moeten wachten, vertelde ze. Hij had wel een gezin met twee kinderen te onderhouden. Ik beloof op het monument te letten dat het gedwongen opofferen van zijn schip herdenkt.

De man die eveneens op de pont wacht heeft zijn leven lang basaltblokken in dijken en andere waterweringen en –keringen door heel Nederland gezet, “alleen niet in Drenthe en op de Veluwe,” zo vatte hij zijn werkterrein samen. Hij is nog steeds goed op de hoogte van de projecten die gaande zijn. Nu is hij 75 jaar en fietst gezond en met plezier. Het wachten en de tocht van 15 minuten waren zo voorbij.

Daarna tussen Oosterhout en Breda naar het Zuiden. Uit welk dorp mijn omvangrijke klasgenoot op de GTS in Breda (1978/79) kwam, weet ik niet meer, maar wel dat dit een van de dorpen was die ik passeerde, Made of Best. Hij was de zoon van de plaatselijke snackbareigenaar en hij pestte me vanwege mijn goede cijfers en misschien ook wel mijn iele voorkomen met flaporen. Het jaar later zou ik naar een andere klas gaan en hem kwijt zijn. Sowieso deed het me niet veel. Het ging goed op school en daar kon hij niet veel aan veranderen.

Op de camping is een zwemvijver met koud bronwater. Terwijl ik er zwem vangt een jongen aan de kant een karper. Hij waarschuwt me nog voor de lijn die alle kanten opschiet. Geen enkel probleem.

***




In de nacht hoor ik continue PLOK. Het duurt niet lang voordat ik beself dat het vallende eikels zijn. 's Morgens zie ik ze liggen op het pad. Ook hoor ik steeds het Chinook-heligeluid (je weet wel zo'n banaan met wieken voor en achter en te horen in het lied van Billy Joel Goodnight Saigon) en die symbool staat voor de interveniërende Verenigde Staten in Zuidoost Azië. Gelukkig zijn de Westerse krijgsmachten inmiddels als bij toverslag een instituut geworden dat instaat voor onze vrijheid, de democratie en dat de mensenrechten zal verdedigen en niet meer massaal mensen zal vermoorden, zoals destijds of vooral de belangen van de elite zal verdedigen. Wat ik 's nachts hoor is het gevolg van de wind en mogelijk van oogstende eekhoorns. Overdag hoor ik het geluid van de vrijheid.

Nog meer geluiden. Een boer oogst gras van 's middags tot de volgende ochtend met een paar uur rust in de nacht tussendoor. We hadden al gezien dat overal gesproeid werd van voortuinen tot grasland (de Buykse Kuil, de oorsprong van Leie/Donge stond droog). We zitten op een van de droogste plekken van het land. Meer koeien, meer gras, de watervoorziening moet op. Dat is wat je hoort, maar denk er maar niet aan; het bederft je humeur en blik in de toekomst. Wie dan leeft, wie dan zorgt.

Op de fiets kwam ik in Breda terecht en na wat een gebied met “mooi bloemrijk grasland, nat hooiland en moeras” wordt genoemd, bereikte ik de oevers van de Mark met daarlangs een fietspad. De Mark is de bovenloop van de Dintel die langs het oord stroomt dat daar naar genoemd werd en waar ik opgroeide. Hier leek de rivier meer op de Meulenkreek die destijds mijn viswater was.

Vakantie in 3 bedrijven. Deel 1: Werkendam 7/11-8-25




De gezamenlijke vakantie is begonnen. Niet ver van de plek waar ik wel vaker kom. Die gewoonlijke camping aan de andere kant van de Nieuwe Merwede was volgeboekt, daarom een kleine 10 kilometer, een pont, en een provincie verder geland. Van voor de tent kunnen we er zilverreigers en lepelaars zien. In het insectenhotel zitten er onder anderen prachtig gekleurde goudwespen (vermoedelijk Chrysura simplex).

De tocht er naartoe was ook echt anders. Gewoonlijk ga ik via het Amsterdamse Bos, Amstelveen en het Aarkanaal, en alsmaar langs het water en dan door of langs de Goudaas Verlaat. Nu ging ik via de Pijp en het Amstelpark de stad uit en via Oudekerk aan de Amstel, de Waver en door Linschoten naar het zuiden. Passeerde Goejanverwellesluis bekend van
de aanhouding van Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder Willem V. Voor mij was het al met al eenaangename start van de tocht.


De Biesbosch is een mooi gebied. We zien er in de verte een zeearend in elektriciteitsmast. Er zijn meer vogels en kikkers (wild) en steuren (in een binnenvijver) in het bezoekerscentrum.


Kamperen heeft veel te maken met materiaal. De bike packers zijn van een ander slag dan ik. Ze hebben nauwelijks bergruimte en toch een tentje en gas bij zich om koffie en thee te zetten. Aan mijn fiets bungelen twee overvolle Ortliebtassen en erop ligt een zak met de grootste tent die nog voor trekkerstent door kan gaan. Een kleine, warme slaapzak zoals depackers hebben, spreekt me wel aan. Zeker in het vroege voorjaar scheelt dat gegarandeerd veel ruimte.