vrijdag 4 april 2025

Ontmoetingen met schrijvers

Ontmoetingen met schrijvers is geschreven door dr. P.H. Ritter jr. (Pierre Henri, 16 augustus 1882 – 13 april 1962). Hij was een man van vele beroepen: Nederlandse letterkundige, literatuurcriticus, schrijver, journalist, ambtenaar en radiopresentator en al kort na de oprichting in 1905 lid van de Vereniging van Letterkundigen. Zo leerde hij heel wat schrijvers kennen, waaraan hij herinneringen op mocht halen in het boekenweekgeschenk voor 1956. Het heeft daardoor wel wat weg van Op schrijvers voeten uit het jaar ervoor. Maar dit is een veel serieuzer en ook een weinig levendig werkje.

Echter: “De uitgave was een aanzienlijk succes,” vermeldt de wiki over Ritter: “Na jaren waarin het geschenk steeds een novelle was geweest, bleek het publiek belang te stellen in verhalen over schrijvers, zeker als ze in de aansprekende stijl van de bekende popularisator waren geschreven.” Het geschenk heeft wel een andere vorm gekregen dan in de voorgaande jaren: vooral de harde kaft valt op het staat helaas niet op dnbl.org om het snel digitaal door te kunnen vlooien.

Ritter begint uitgebreid met het bespreken Van Deyssel in allerlei situaties. Deze schrijver was dan ook nauw betrokken bij de start van zijn schrijversloopbaan. Schuchter stond hij bij de tachtiger voor de deur om zijn eerste werk, een kleine novelle te bespreken (en ook later ook uitgebreidere schrijfsels). Van Deyssel had in de novelle een zeldzame aanleg gelezen, zo schreef hij op een kaart. De vervolgens opgestuurde teksten publiceerde hij in tijdschrift De twintigste eeuw dat hij samen met Albert Verwey had opgezet. Een lange vriendschap tussen Ritter en Van Deyssel werd uit dit contact geboren. Van Deyssel richtte overigens ook de al eerder genoemde vereniging op. Hij speelt van begin tot einde een centrale rol in de
Ontmoetingen.

Op een kwart van het boekje schrijft Pierre Henri. dat hij vreest dat hij teveel aan het praten is over de oude generaties. Maar hij gaat er vervolgens, alsof hij zijn eigen opmerking negeert, onverstoord mee verder. Het boekje is bijna zeventig jaar oud en inmiddels zijn alle besproken schrijvers oud, dood, en sommigen grotendeels vergeten. Zo schrijft hij over Johan de Meester, die al een kwart eeuw voor publicatie overleden was, en net als hij schrijver en journalist. Hij noemt Geertje een roman van De Meesters' hand, maar vooral vraagt hij zich af wat hem dreef. Dat moet zijn betrokkenheid bij het leven geweest zijn, zo meent hij niet bijster opzienbarend.

Ritter werd geboren in Utrecht en overleed in Houten en zou lange tijd als hoofdredacteur werken bij
Utrechtsch Dagblad. Met hem komen we op veel meer plaatsen terecht waar hij schrijvers sprak. De vereniging vergaderde in 'een duffe cafézaal ergens op aan het Rembrandtsplein,' (ook toen al hoefden straten in Amsterdam niet met die plaatsnaam erbij aangeduid te worden). In verband met Amsterdam wordt ook Emmunuel Querido genoemd die met Het geslacht der Santeljano's een beeld te tevoorschijn toverde van Amsterdam, “dat onder de klassieke kenschetsingen van de hoofdstad kan worden gerangschikt.” Dan volgt J.C. Bloem. Als dichter is die het meest bekend door de slotregel van zijn stadsgedicht:  'Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.' Hier wordt hij opgevoerd in Zuid-Afrika waar tot zijn grote opluchting het Krügerpark gesloten is, zodat hij niet naar de wilde dieren hoeft, zoals hij vreesde. Ritter moet het hierbij van horen zeggen hebben.
        Elders kwam Slauerhoff in een hagelwit pak naar een bijeenkomst in een café en in zijn handen droeg hij een strooien panama en alsof het nog niet genoeg was: zijn zwierige lokken bewogen in de storm. Je ziet het voor je (zeker ook omdat op de papina ernaast een foto van de dichter en scheepsarts is opgenomen). Het boekje staat vol met dergelijke kleine wetenswaardigheden en illustraties uit een drietal archieven.

De jongeren komen uiteindelijk toch ook nog aan bod en dan later weer apart van de mannen, de vrouwen. Veel van de namen kennen we al uit eerdere geschenken. Ritter beschrijft een bezoek aan Anna Blaman in Rotterdam en aan Vasalis in haar woning bij de artesenpraktijk in Amsterdam-Zuid. (Mijn geschenk is in dat stadsdeel verkocht door Boek- en kantoorboekhandel Batavo 75 aan de Rijnstraat, zo staat er ingestempeld, maar dit terzijde.) Uit die eerdere geschenken kennen we ook Top Naeff al. Ritter noemt haar de Koningin onzer letteren. Uitgebreid beschrijft hij een viering waarbij ze tot ere-bugeres van Dordrecht werd benoemd. Ze stapte het bordes op en “vóór haar verscheen het juichende, de handen omhoog heffende Dordrecht.” Kort daarop zou ze overlijden. Op de een na laatste tekstpagina zou ze nog eens opduiken naast Victor van Vriesland en Van Deyssel, samen “de edellieden van onze literatuur.”
      De 'kleine, dappere Marie Smitz' wordt genoemd en net als Ritter was ik ook onder de indruk van haar, 'Wat een vrouw' schreef ik eerder. En dan is er nog de gestadig doorwerkende Vestdijk, zelfs tijdens de internering in kamp Vught, waar ook Ritter gevangen werd gehouden en verder noemt hij .....

..... de allerlaatste pagina geeft de namen van de besproken auteurs en waar je die kan vinden in het werkje: Aletrino, dr. A., 22; Beaufort, Henriëtte de, 65-67; Blaman, Anna, 62, 63; Bloem, mr. J. C , 45, 46; Boeken, Hein, 20; Boudier-Bakker, Ina, 55, 59; Boutens, dr. P. C 21, 22; Brandt, Willem, 51; Charivarius, 11, 12; Coenen, Frans, 32, 33, 61; Coolen, Antoon, 54; Coster, dr. Dirk, 46-49; Crone, C. C. S., 56, 58; Deyssel, Lodewijk van, 7-16, 19-21,24,26,33, 36; Duinkerken, Anton van, 70, 72-74; Engelman, prof, Jan, 56-58; Eysselstein, Ben van, 51; Genderen Stort, Reinier van, 33,34; Gerretson, prof. dr. C , 35-41; Graft, Dr. Catharina van der, 59; Greshoff, Jan, 37, 41-46; Haersolte, Amoene van, 65; Huken, G. van, 19; Kloos, dr. Willem, 26, 27; Lennart, Clare, 61, 62; Lokhorst, Emmy van, 59, 60; Looy, Jacobus van, 16, 1; Man, Herman de, 51-54; Marsman, Mr. H., 50; Meester, Johan de, 21-25; Mijnssen, Frans, 13-15, 19; Naeff, Top, 67-69; Prins, Ary, 18, 19; Querido, Emanuel, 28-30; Querido, Israël, 28-30; Reyneke van Stuwe, Jacqueline, 26; Reyneke van Stuwe, Jeanne, 26; Robbers, Herman, 16,17; Salomons, Annie, 58, 59; Schaik-Willing, Jeanne van, 60, 61; Schmitz, Marie, 60; Simons, dr. L. , 16; Slauerhoff, J. J. , 69, 70; Smit. Gabriël. 51, 73; Suchtelen, dr. Nico van, 30. 3i; Timmerman, dr. Aegidius, 7, 8; Vasalis, M., 63-65; Verwey, prof. dr. Albert, 26-28,38; Vestdijk, S., 70-72; Veth, Cornells, 18; Vriesland, dr. Victor E . van, 74,75; en Woestijne, prof. Karel van de, 58, 59.

dinsdag 1 april 2025

Lente

 



Aan bijna een maand eet ik een of twee bladeren van de daslook. Vorige week zag ik velden vol armbloemig look, en de vingerhelmbloem, en hoorde ik voor 't eerst weer een leeuwerik. In de duinen liep een pissebed. Elders kwam ik de Krullevaar tegen.

Deze week zag ik de eerste ganzenkuikens en al een paar pinksterbloemen. De bloesem is al weken overal en ik liep over het fietspad naar de duinovergang. Dat ik tot aan mijn kuiten door het water moest was vandaag niet erg. Op de weg terug naar mijn fiets nam ik het duinpad en gaf de man, die en paar jaar geleden al tachtig was, een hand voor een grote stap omhoog. Er liep een spin voor mijn voeten.





zaterdag 29 maart 2025

The spoils of war; power, profit and the American war machine

The spoils of war; power, profit and the American war machine, is een verzameling artikelen van Andrew Cockburn* geschreven tussen september 2013 en mei 2020. De hoofdstukken worden afgesloten met een korte tekst waarin recente ontwikkelingen zijn verwerkt. De inleiding is speciaal voor dit boek geschreven en het laatste hoofdstuk is toegevoegd aan de gebonden versie toen het als in 2023 als paperback verscheen. Het is verdeeld in vier delen: I, over oorlog; II, de nieuwe Koude Oorlog; III, de oorlog tegen het terrorisme; en IV het graaien naar miljarden.

Dat laatste deel is een buitenbeentje in het boek. Patrick Cockburn heeft veel over oorlog en de betrokkenheid van de Verenigde Staten daarbij geschreven,** maar hier gaat het grotendeels over de (aanloop naar) de financiële (banken) crisis van 2008, en de voortzetting ervan in de jaren daarna. De weigering van de overheid in Washington om afdoende maatregelen te nemen en volwaardige wetgeving aan te nemen en uit te voeren.
    Opmerkelijk genoeg worden de presidenten Clinton (1993-2001), Obama (2009-2017) en Trump (2017-2021) en de leden in hun regeringen die de belangen van de financiële sector behartigden in dit verband vermeld. De president in de periode tussen Clinton en Obama, George W. Bush, wordt niet genoemd. Wel een aantal direct betrokkenen in de Republikeinse en Democratische gelederen, waaronder Robert Rubin die weinig naliet om de banken te steunen en de problemen te vergroten.

Corruptieschandaal
Cockburn volgt de route van de financiële misstanden nog verder, Maleisië in. Daar was premier Najib Razak de spin in een corruptieschandaal van enorme proporties. Hollywood, Trump, Obama, Tony Blair, Jamal Kashoggi, Coldman Sachs, miljarden dollars, en bijvoorbeeld de moord op een potentiële klokkenluidster, speelden daarin een rol. Het was een kwestie van corruptie in de hoogste politieke en maatschappelijke kringen, in Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten, maar ook in de Westerse wereld. Woede welt op, al zit Razak inmiddels vast, als je leest wat de zogenaamde bestuurlijke elite meende te kunnen doen. Met bewondering noemt Cockburn – de nog steeds actieve – Sarawak Report. Dat is de website van Clare Rewcastle Brown (de schoonzus van de voormalige Britse premier Gordon Brown) die zoveel mogelijk heeft proberen te ontrafelen van de misstanden.
     Cockburn schrijft even lezenswaardig over deze zaken als over militaire kwesties en de militair industriële belangen.

Sanctiepolitiek***
Wapens en oorlog duiken op als een donderslag bij heldere hemel in het laatste hoofdstuk van het vierde deel. Dat hoofdstuk draait rond de oorlog in Oekraïne. Hij laat hierin zien dat de oorlog voor Poetin belangrijk is in zijn hang aan de macht; de Russische militaire industrie – net als elders – bol staat van de corruptie (zodat zelfs de hele financiering voor drone productie kon verdwijnen en in allerijl Israëlische exemplaren moesten worden aangeschaft); de Europese NAVO-bondgenoten voor de wapenindustrie van de VS een melkkoe zijn; dat Europa zich door het volgen van de VS-sanctiepolitiek vooral zelf in de vingers snijdt; sancties daarbij niet al te best werken; de militaire uitgaven enorm zijn; en de militaire capaciteiten die daarvoor terug komen daar schril tegen afsteken.
Het doel van het “militair industriële complex van de VS is niet de voorbereiding van oorlog,” zo stelt hij, maar “het gaande houden en vergroten van de stroom aan publiek geld die die kant opgaat, vooral door steeds duurdere en complexere wapens van een twijfelachtige noodzaak.”
En hoewel de uitgaven constant groeien zijn ze daarom nooit genoeg. Het zijn vooral de Amerikaanse wapenbedrijven die hun voordeel doen met de oorlogskoorts die op de Russische inval in Oekraïne volgt. Welke opties er wel zijn na de Russische inval in Oekraïne, om de oorlog te beëindigen of op zijn minst een halt toe te roepen, blijft helaas buiten beeld.

Drol
Technische problemen na evenveel mankementen bij de F-35 (“a piece of shit” volgens Christopher Miller, zelf ook allerminst een frisse jongen) konden niet voorkomen dat Europese landen in grote getale het Lockheed gevechtsvliegtuig gingen kopen – ten koste van de Europese militaire luchtvaart industrie.
     De inzet van de F-35 door VS-mariniers in het Midden-Oosten wordt beschreven. Dat was 17 jaar nadat het programma begon, maar allerminst een succes. Ze waren in staat tot één vlucht per drie dagen en bij tegenstand zouden ze niet de lucht in kunnen zonder bescherming van andere vliegtuigen.
    Cockburn stelt dat er bij de publieke opinie van de klanten voor de straaljager nauwelijks protest was,
“mogelijk door bijna volledige afwezigheid van geïnformeerd commentaar in de pers,” zo zoekt hij naar een reden. Dat het kopen van de producten van Lockheed niet in de eerste plaats militair materieelbeleid is, maar een versteviging van de trans-Atlantische band zou een zwaarder wegende verklaring kunnen zijn.
     Pas als Trump met zijn tweede ambtstermijn is gestart, begint men
die afhankelijkheid als probleem te zien, zoals zelfs Aviation Week constateert. Maar de afwijzende visie van Portgal blijkt bijvoorbeeld al snel weer uitgevlakt te worden.
     De F-35 wordt door Cockburn neergezet als een wapensysteem waarmee 133.000 banen gemoeid zijn en waarvoor productie over 45 Staten is verspreid. Is dat laatste efficiënt? Nee maar het levert wel steun voor het programma op. (Overigens tegen enorme kosten. Alleen de
onderhouds- enexploitatiekosten bedroegen $1,1 biljoen in 2018 en waren 5 jaar later gestegen tot $1,58 biljoen (een 44% groei) en de aanschafkosten bedragen naar schatting $ 442 miljard. Zie ook tabel hieronder.) Dat dergelijke uitgaven gepaard gaan met banen is niet bijzonder. Die zouden er ook komen als de uitgaven werden gedaan voor duurzame energie, gezondheidszorg en bijvoorbeeld verbetering van de vervoersinfrastructuur. Al steken investeringen in de wapenindustrie wel schril af tegenover andere sectoren (zie bijvoorbeeld tabel 3 in The Economic Impact of Arms Spending in Germany, Italy, and Spain).

Oostwaarts
De beweging oostwaarts van de NAVO, met de Verenigde Staten als leider, door Clinton was niet in eerste plaats bedoeld om vrede en veiligheid te versterken, maar een nieuw afzetgebied voor de wapenindustrie te creëren en zo kiezers aan te winnen in de Midwest van de VS waar veel wapenindustrie is gevestigd.
     Follow the money is ook hier een goed begin van een analyse, ook omdat anders veel van de militaire uitgaven van de VS niet te begrijpen zijn. Cockburn beschrijft de dat de inzet van bepaalde wapens niet gebeurt omdat deze het meest geschikt zijn, maar omdat ze zo hun aankoopwaarde moeten bewijzen, terwijl er ander militair materieel is dat geschikter is, maar vervangen moet worden om de financieringsstroom op gang te houden. Zo beschrijft hij de inzet van de nieuwe veel duurder ongeschiktere B-1 bommenwerper boven de A-10 bij inzet in Afghanistan met onbedoelde dodelijke slachtoffers als gevolg (zowel aan Afghaanse als eigen kant). Bij een ongeluk werd zwaar ingezet om de B-1 van alle blaam te zuiveren, zelfs toen dat ten koste ging van eigen militair personeel. De A-10 moest verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe wapens en daarmee nieuwe uitgaven.

Nucleaire kosten

Hoofdstuk 3 heet Hoe een nucleaire oorlog te beginnen. Het beschrijft de falende controle over de opdracht kernwapens af te vuren en hoe een rapport hierover werd weggemoffeld. Verder noemt Cockburn de enorme kosten van het nucleaire wapenarsenaal. Het verbaast hem dat de $ 1.200 miljard die Obama heeft vrijgemaakt om het kernarsenaal te moderniseren geen enorme verontwaardiging heeft opgeroepen. De protesten komen er pas met de eerste regeerperiode van Trump. Het draait dan vooral om de angst of de president een nucleaire oorlog kan starten. De wetgeving om die mogelijkheid te beperken is inmiddels ingebracht, maar nog niet door huis en senaat (er is allerminst daadkracht op dit gebied).
    
De plannen voor de productie van plutonium voor kernwapens gaan inmiddels door. De schrijver heeft het over 80 nieuwe plutonium pits (de nucleaire kern van een atoomwapen), terwijl er nog zo'n 14.000 bruikbare pits opgeslagen liggen (Pax Christi had het in 2019 over 15.000). Cockburn zegt dat dit programma mogelijk zo'n $ 42 miljard zal gaan kosten. Hij geeft daarmee weer een inefficiëntie argument, grote bedragen worden onnodig uitgegeven. De Bulletin of Atomics laat nog wel wat beren op de weg zien die gepasseerd moeten worden voordat die jaarlijkse productie op gang komt.
    Later komt de schrijver nog terug op de modernisering van het kernwapenprogramma en merkt dat op dat dit zo'n biljoen (1.000 miljard) dollar aan de staatskas zal onttrekken.

Organisme

Het militaire complex van de Verenigde Staten kan het best worden begrepen, niet als een organisatie, maar als een levend, onverzadigbaar, organisme, dat slechts gericht is op zijn eigen overleven, positie en macht. Met die visie begint hoofdstuk 4, waarin wordt stil gestaan bij hoe het monster zich voedt. De levendige beeldspraak komt ook terug in de woorden van Franklin Spinney, een analist van het Pentagon, die stelde dat dit levende systeem “een ingebouwde zelfverdediging kent die krachtig reageert als een bedreiging van zijn voedseltoevoer – ons geld – een bepaald omslagpunt raakt.” Of een dergelijke metafoor adequaat is, kan je betwisten.
     Van iedere door het Congres goedgekeurde dollar ging in 2019 53ct als – laat ik de beeldspraak nog even volgen – als voedsel naar het Pentagon (controle op die uitgaven was echter minimaal). Maar het hongerige wezen is niet alleen. Er zijn andere bedrijven rondom de militaire organisatie die ook gebruik maken van de enorme uitgaven. Zo wordt TransDigm beschreven, een bedrijf dat bedrijven die weinig gangbare maar essentiële militaire componenten maken
opkoopt. Vervolgens wordt in rap de tempo de prijs ervan verveelvoudigd. Het oogt lelijk, jaagt de overheid op kosten, maar is niet illegaal. Een machtig apparaat als het Pentagon kan of wil dit blijkbaar niet voorkomen. Dan zijn er nog de overbodige uitgaven die worden gedaan in de strijd tussen de verschillende krijgsmachtonderdelen, die elk belangrijk willen zijn en een flink deel van de begroting willen hebben om de eigen tak te versterken.
     Een voor de hand liggende vraag die Cockburn stelt is: waarom zouden wapens steeds duurder moeten worden? Kunnen ze alleen dan beter worden? Krachtige PC's zijn toch ook juist steeds beter en steeds goedkoper geworden. Er is en groot vertrouwen in de steeds geavanceerder technologie, bij politici en journalisten. Zo kon bijvoorbeeld gewerkt worden aan een laserwapen voor vliegtuigen. Maar wel onmogelijk. Geen enkel vliegtuig kan de benodigde energie meenemen de lucht in, maar de dollars bleven stromen.

Rijzende vloer
Het lijkt erop alsof er een steeds verder rijzende bodem ligt waar het militaire budget niet door kan zakken. De eerste regeerperiode onder Obama was een uitzondering, maar op zo 'n moment van afnemende budgetten komt een krachtige reactie op gang en het verwijzen naar enorme dreigingen. Als een oorlog afloopt worden onmiddellijk nieuwe bedreigingen gezocht en in de strijd om de dollar (of aan de andere kant van de oceaan, de euro) geworpen. “Dreigingen hoeven niet reëel te zijn om aan de geldboom te schudden,” en wapenprogramma's niet haalbaar. De staatssecretaris voor Defensie, Michael Griffin, reageerde enthousiast op de ontwikkeling van de hypersonische wapens: “Dit brengt ons terug naar de Koude Oorlog toen we op een zeker moment wel 30.000 nucleaire koppen en raketten om af te vuren hadden.” Zijn droom was niet de veiligheid, maar het in stand houden van de eigen organisatie en het veld daaromheen door zoveel mogelijk middelen te verwerven en te verdelen. Cockburn noemt een paar problemen met de hypersonische wapens: manoeuvreren, het grote voordeel van deze wapens boven raketten kost snelheid en de benodigde koelsystemen om bijvoorbeeld de besturingssystemen te laten werken bij de hoge snelheid zijn onmogelijk in de wapens te verwerken.

Als je de militaire organisatie als vraatzuchtig organisme beschouwt dan snap je makkelijker waarom het omgeven is door corrupte praktijken, mismanagement, werkt aan onmogelijke projecten en waarom het niet biedt waarvoor de krijgsmacht zegt te bestaan, landsverdediging.
     De schrijver merkt op dat dit ook in Rusland het geval is. Ook dat land deed allerlei militaire uitgaven die niet in eerste plaats de krijgsmacht ten goede kwamen, maar de elite rond de machthebbers. Dat “
de wapenlobby aan beide zijden uit eigenbelang financiële middelen en bureaucratische voordelen zoekt ,” komt goed uit zo kan de tegenstander worden ingezet “om de eigen ambitie te rechtvaardigen.” Overdrijving wordt daarbij niet geschuwd. Anderzijds kan je deze 'verspilling' misschien ook begrijpen door de visie dat de krijgsmacht een deel van de overheid is waarmee de heersende klasse zijn belangen verdedigt, zowel intern als extern, daar hoort het binnen harken van middelen dan bij. Dat geldt voor Poetin en zijn entourage, maar ook voor de elite in de Amerikaanse politieke en economische klasse, zowel rond de Democraten als Republikeinen. Je kan dat een organisme noemen, of wat saaier de reële organisatie van de macht.

Nieuwe markt
In het hoofdstuk Game On wordt aandacht besteed aan de uitbreiding van de invloed van de VS naar Oost-Europa. Het begint met de opmerking dat Roemeense ziekenhuizen geen stromend water hadden. Tegelijkertijd werd het land wel een potentiële klant voor nieuwe wapens door de uitbreiding van de NAVO oostwaarts.
     De uitbreiding werd verkocht als een middel om vrede te brengen in Europa. Niet iedereen was het daar mee eens. Georg F. Kennan wordt uitgebreid geciteerd, hij zag het in 1997 al als de grootste fout in de politiek van de VS. Geluisterd werd er naar de gigant in het Amerikaanse machtsdenken niet. Clinton stapte samen met Republikeinen in het bootje met die oostwaartse koers. Binnenlandse electorale overwegingen speelden daarbij voor Clinton een rol. Anderen steunden de politiek om de Russen een laatste schop te verkopen, zoals assistent Staatssecretaris voor Defensie Chas Freeman stelde. Binnen die ontwikkeling ging de militaire luchtvaart-industrie al snel op pad naar Polen, Tsjechië en Hongarije, markten voor de F-16. In 2014 hadden de twaalf nieuwe lidstaten al voor zo'n 17 miljard dollar aan wapens gekocht in de VS.
      Ondertussen werd in kringen van de Washingtonse politiek economische elite een lobby opgezet om tegenstand tegen de uitbreiding de wind uit de zeilen te halen. Cockburn beschrijft het met flair en in detail. Europa was weer een markt voor wapens uit de VS en de spanning met Rusland was weer terug.
Nuland
Victoria Nuland komt uitgebreid naar voren. Echtgenote van internationale betrekkingen havik Robert Kaplan (o.a. adviseur van Dick Cheney), en zelf VS-ambassadeur binnen de NAVO en met een enorm netwerk en status, stelde Bush voor om Georgië en Oekraïne als NAVO-lidstaten toe te laten. Bush ging niet om (Cheney zou het op een cruciaal moment wel voor elkaar krijgen, zoals
Jaap de Hoop Scheffer vermoedt). Veel later neemt Biden diezelfde Nuland overigens op in de top van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
     Cockburn gaat door op Nuland. Hij citeert uit een gelekt telefoontje van haar met de ambassadeur van de VS in Oekraïne. Het gaat over de favoriete kandidaat voor het presidentschap. Voor Europa was dat bokser Vitali Klitschko, voor de VS was het Aseniy Yatsenyuk. En om haar positie in dat telefoongesprek duidelijk te maken, stelde ze:
“fuck de EU.” Om de gewenste kandidaat boven te laten drijven moesten connecties gesmeed worden en zaken gedaan met de oligarchen. Ook de handelswijze in Oekraïne: de gemene zaakjes, politieke druk, zelfverijking, corruptie, intriges, private legertjes en uiteindelijke resultaten worden gedetailleerd beschreven met naam en toenaam. In de cursieve update bij het artikel uit 2015 wordt gesteld dat Volodymyr Zelensky als vertrouweling van oligarch Kolomoisky in 2019 president van de Oekraïne wordt. (Later maakt Elon Musk de achilles hiel van de samenwerking met corrupte oligarchen voor de president van de Oekraïne, zoals in 2019 al werd voorspelt).

F-35
Het is niet vreemd dat F-35 herhaaldelijk aan de orde komt. De schrijver merkt vooral op dat de kosten voor het gevechtsvliegtuig blijven stijgen en dat voor een vliegtuig dat eerder al een een drol genoemd werd. De kosten komen al neer op 1,5 biljoen dollar op moment van schrijven, 2016. Hoe zit dat later? De ontwikkeling van de kosten voor de F-35 of JSF blijkt uit de rapporten van de Rekenkamer van de VS (GAO). Het toont wat een prachtige melkkoe dit programma is, een rund dat als bij toverkracht vrijwel iedere vier jaar weer fors is gegroeid. Het onderstreept Cockburns betoog.

Jaar uitgave
incl. link rapport

GAO teksten: kosten aanschaf
(en onderhoud en gebruik, indien gegeven)                                                     
Tabel door Martin Broek

Mei 2000

As currently planned, the program will cost about $200 billion to develop and procure over 3,000 aircraft and related support equipment for the Air Force, the Marine Corps, the Navy, and Great Britain.
Specific details [production and operation and support costs ] cannot be provided due to the competitive nature of the Joint Strike Fighter program.

Mei 2004

it will cost an estimated $245 billion for DOD to develop and procure about 2,400 JSF aircraft and related support equipment by 2027

Maart 2008

DOD is expected to develop, procure, and maintain 2,443 aircraft at a cost of more than $950 billion.

Juni 2012

Total U.S. investment is now projected at nearly $400 billion to develop and acquire 2,457 aircraft through 2037 and will require a long-term, sustained funding commitment.
Projected annual acquisition funding needs average more than $12.5 billion through 2037 and life-cycle operating and support costs are estimated at $1.1 trillion.

Maart 2016

With estimated acquisition costs of nearly $400 billion, the F-35 Joint Strike Fighter—also known as the Lightning II — is DOD's most costly acquisition program.
DOD also estimates that the F-35 fleet will cost around $1 trillion to operate and support over its lifetime, which poses significant long-term affordability challenges for the department

Mei 2020

The total acquisition costs for the F-35 exceed $428 billion and include the procurement of 2,470 U.S. aircraft through fiscal year 2044.In addition to the acquisition costs above, the program estimates that the sustainment costs to operate and maintain the F-35 fleet for its planned 66-year life cycle are $1.2 trillion, bringing the total cost of the F-35 program to over $1.6 trillion.

Mei 2024

DOD estimates that these development efforts—as well as the costs to maintain and operate the 2,470 planned aircraft through 2088— will exceed $2 trillion.

Duidelijk is uit dit beknopte overzicht dat de kosten enorm oplopen. De in de kosten verwerkte aantallen en uitgaven kunnen niet een op een vergeleken worden. In 2000 wordt een aanschaf bedrag van $200 miljard genoemd, zonder operationele en onderhoudskosten te noemen (dat gebeurt ook in 2004 niet). In 2012 wordt al het dubbele aanschaf bedrag genoemd. De overige kosten blijven ook snel stijgen.

Afghanistan
Er is de opvallende houding van de VS met betrekking tot Afghanistan, waar ze hun eigen monster creëerden. Ook dit kan gezien worden als een inefficiënte inzet van middelen. In de VS werd in 1993 al een bomaanslag op het World Trade Center gepleegd door een Afghanistan veteraan gestationeerd bij MAK in Brooklyn, ook bekend als Afghan Service Bureau, gericht op werving van Jihad-strijders en gefinancierd door de CIA en Saoedi's. Op 9/11 werd die mislukte aanslag dan nog eens gruwelijk overgedaan door Saoedische terroristen. Cockburn zou zichzelf niet zijn als hij niet de onfrisse links hierbij bovenhaalt. Van het onthullen van de achtergronden zijn inmiddels meer voorbeelden. Het is vooral moeilijk betrouwbare en net niet helemaal betrouwbare informatie te schiften. Hij baseert zich in zijn beknopte weergave vooral op officiële informatie. Dus hoewel het soms lijkt op het zoeken naar complotten, is het vooral het ontrafelen van de verhulde machinaties. Het is een taak voor een journalist. Hoewel spannend, moet dit toch niet afleiden van de hoofdstelling van het boek, het door het militaire apparaat verkwisten van overheidsmiddelen.
Jemen
In het geval van Jemen komt Nederland positief aan de orde. Den Haag stelde in september 2015 binnen de Verenigde Naties voor om een onafhankelijk onderzoek te doen naar oorlogsmisdaden aan alle kanten van het conflict. Saoedi Arabië en de oude machthebbers in Jemen protesteerden. De VS koos de kant van die landen, dus tegen Nederland in. Cockburn vroeg een senior medewerker van het State Department waarom. “De Jemenieten willen het niet,” antwoordde die. Volgt de VS hen dan in hun beleid, was de vervolgvraag. “Als we het er mee eens zijn wel.” Goed onderzoek naar oorlogsmisdaden moesten blijkbaar wijken voor hogere belangen. Obama had de landen in de regio nodig om de Iran deal van de grond te krijgen, zo werd Cockburn verteld door William Luers, een VS-diplomaat. De bondgenoot in Den Haag moest maar even wijken. Evenals rechtvaardigheid en mensenrechten. Al-Qaeda was inmiddels een medestrijder tegen de Houti's en werd ontzien en Obama zorgde intussen voor enorme wapenleveranties aan Riyad, ter waarde van $ 111 miljard. De Jemenitische bevolking werd speelbal van de macht, met alle verschrikkingen van dien.

Onderzoeken

In de VS zelf werd onderzoek naar de betrokkenen bij 9/11 gedwarsboomd en uitkomsten onder de pet gehouden met een actieve rol van wederom President Obama. Bij een openbaarheidsverzoek was een zwart gemaakte pagina al winst, omdat dit aangaf dat er meer was dan eerder werd vrijgegeven. 
     In Afghanistan zelf werd met geld gestrooid om de oorlog vorm te geven. De schrijver merkt op dat het met een natte vinger benadering (guesstimate) minstens om zo'n $ 110 miljard ging voor reconstructie. Een enorm bedrag dat maar met moeite in het land besteed kon worden. Hoge overhead kosten, het leveren van producten die niet bruikbaar waren, het betalen van bouwwerken die nooit gebouwd werden, kortom de hele trukendoos werd ingezet. Een onderzoeker naar het programma voor het Congres, John Sopko, merkte tegelijkertijd op dat zijn veiligheid gevaar liep, en liet veelzeggend in het midden of dat binnen of buiten de VS-ambassade was. Uiteindelijk zouden zijn onderzoeken via de wet openbaarheid van bestuur (FOIA) vrij gegeven worden.
    Er gingen ook veel middelen naar de strijd tegen de verbouw van papaver en de laboratoria waar er heroïne van gemaakt werd. Zo zou de Taliban grote inkomsten kwijt raken. De hoeveelheid getroffen labs en de inkomsten werden zwaar overtrokken en ook verder was de aanpak verre van succesvol. Weer miljarden uitgeven zonder veel effect.

Oorlogseconomie
“Nu de wereldwijde economie en die van de VS afgaat op een recessie (gedeeltelijk veroorzaakt door de zelf veroorzaakte schade die werd veroorzaakt door sancties op Russische energie export), wordt de aantrekkingskracht van een oorlogseconomie, gestuurd door de privé passies van zoveel partijen, steeds aantrekkelijker, en beangstigender,”
met die woorden sluit Cockburn zijn boek af.
Je zou de Europeanen die denken dat de veiligheid met steeds meer militaire middelen wordt vergroot willen wijzen op dit boek vol teksten uit het recente verleden. Want dat is wat een boek als dit doet, het laat je kijken over de waan van de dag en langdurige trends zien die nopen tot een andere aanpak.
     In de VS zelf zorgen hogere uitgaven opvallend genoeg voor minder militaire macht, merkt de schrijver op. Efficiëntie ontbreekt – veel meer dan waar ik voor het lezen van
The spoils of War van uitging – blijkbaar ook in Washington, verblindt als men is door de lobby van wapenindustrie die verkiezingscampagnes financiert en stemmers over de streep kan trekken.
     In Europa worden uitgaven doorgeduwd waarvoor voorlopig weinig terug zal komen, omdat het gros van de aankopen in de Verenigde Staten gedaan wordt, een land dat zelf een groot deel van zijn Staatsbegroting inzet om het militaire varkentje te spekken en zich daarvoor diep in de schulden steekt en voor veel andere kosten geen gelden vrij maakt. Om in Europa de kosten van die wapenprogramma's te financieren wordt gesproken over bezuinigen op sociale uitgaven.
     Ook in Europa verschuift men naar het militaire
keynsianisme en wordt wapenproductie zelfs als een alternatief voor autoproductie neergezet. De argumentatie voor de opbouw van een oorlogsindustrie zijn de ongewisse politieke koers in de VS en de oorlog van Poetin in Oekraïne. Grote en moeilijk omkeerbare veranderingen worden doorgevoerd die van het Europa van diplomatie een Europa van de kanonnen dreigt te maken. Diplomatie is iets voor naïeve geitenwollen sokken en wapenbeheersing iets van vroeger tijden, zo lijkt. De vloer voor de krijgsmacht en wapenindustrie wordt ook in Europa hoger gelegd, veel meer dan voor de nu opgevoerde dreiging, het niet erg sterke Rusland, nodig is.
Bronnen
Veel van de informatie die Cockburn geeft in zijn boek is voor de ingevoerde lezer bekend. En zo niet dan kan je traceren door naar die informatie te zoeken. Het is wel een manco aan het boek dat alleen de gesprekken met personen – vaak bij naam – worden benoemd, maar niet de andere bronnen. Misschien is dat in een journalistieke tekst overbodig, een boek vraagt wel om die onderbouwing. Los daarvan laat de schrijver door zijn bundel artikelen vanuit verschillende gezichtspunten zien hoe verspillend de militaire sector opereert en het bij elkaar brengen van voorbeelden daarvan maakt dit boek interessant.

Noten:
*
Patrick Cockburn (geboren 5 maart 1950) is een journalist die sinds 1979 correspondent is voor het Midden-Oosten voor de Financial Times en sinds 1990 voor The Independent. Hij heeft ook gewerkt als correspondent in Moskou en Washington en is een regelmatige medewerker van de London Review of Books.
** In mijn boekkast staan bijvoorbeeld al
The Age over Jihad; Islamic State and the great war for the Middle East (Londen/New York: Verso, 2016); en War in the age of Trump; the defeat of ISIS, the fall of the Kurds, the conflict with Iran (Londen/New York: Verso, 2020). Bij het eerste schreef ik een korte noot en het tweede besprak ik uitvoeriger.
*** Hoofdstuk 14 'A Very Perfect Instrument,' is een artikel uit september 2013 dat de inzet van de econonomische sancties beschrijft. Ik schreef hier op grond van recentere boeken al over de sanctiepolitiek, zoals:
Agathe Demarais, Backfire; How sanctions Reshape the World Against U.S. Interests
Nicholas Mulder, The Economic Weapon: The Rise of Sanctions as a Tool of Modern War
    Een tweetal opmerkingen uit dit hoofdstuk wil ik nog wel in deze noot verwerken:
– Een ervaren advocaat uit Washington stelde:
“Eerst maken ze politiek beleid. Dan schrijven ze wettten. En dan handhaven ze die wetten. Stel je voor dat de politie zo op zou treden. Het werd een beangstigende wereld.”
– Het Congres begon met het uitvaardigen van sanctiewetten in de jaren negentig. Zo kan dat ook een buitenlands politiek beleid hebben.

vrijdag 28 maart 2025

Erfgoed

 



Miguel Bonnefoy schreef met Erfgoed en roman over een Franse migranten familie in Chili. Zowel de vader als moeder waren onderweg naar Californië, maar stapten door ziekte en handelsmogelijkheden van boord. Uit het huwelijk worden drie zoons geboren. Ze spreken thuis Frans en lezen ook de weken oude kranten uit het verlaten vaderland.

Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Franse mannen van de tweede en derde generatie gaan vechten voor een land dat ze alleen uit verhalen kennen. In een oorlog die niet alleen vreselijk is (in het niemandsland tussen de loopgraven liggen de lijken waar de maden in rond kruipen, zo wordt beschreven, en nog gruwelijker de soldaten kruipen daar op hun buik tussendoor), maar die hen die er in rondwaren ook voor onmogelijke dilemma's stelt. Van de drie zoons komt er maar een terug met het gewicht van zo'n onmogelijke keus als ballast. Rot op met je oorlog, schoot het in mijn hoofd. Waarom doen mensen dat toch? Soms is het
Nie Wieder gevoel sterker dan het verklarende denken. Waarom lees ik dit toch?

“Wie zich zijn verleden niet kan herinneren is gedoemd het te herhalen,” zijn woorden van de filosoof George Santayana uit The life of reason (1905). Bonnefoy gebruikt ze als motto voor zijn roman die veel waarschuwingen geeft, maar ook voorbeelden die het navolgen juist waard zijn.

Dan loop je als lezer door de verlaten delen van Chili in een boomgaard, waar de overgebleven, maar kapotte, zoon Lazare zich vol eet. Er duikt plotseling een roofvogel op zijn rug: een grijze arendbuizerd (in de tekst Andes-arend-buizerd genoemd).
Bij die vogel hoort een valkenierster, Thérèse, ook van Franse komaf. Een romance wordt onverwacht geboren. Ze zal hem voorzichtig baden in het familiebad op leeuwenpootjes. Zowel het badderen als de tedere liefde zal de man met PTTS (in de woorden van destijds shell shocked) goed doen. De door vader meegebrachte en bij het huis in Santiago geplante wijnrank is inmiddels aan het verpieteren. Het zijn de literaire verdichtsels over de mens en zijn leven, en zijn geschiedenis, die je steeds weer naar de romans trekken; ook als ze vreselijke beelden schetsen en die bovenstaande woorden van Santayana.

Vogels spelen in Erfgoed een grote rol. Het is niet alleen die arendbuizerd. Thér
èse is getroffen door de aanblik en de roep van de condor die ze in de bergen zag achter een rots. Zijn roep “was geen kreet, maar gesnurk van een grandioze lelijkheid, een vreemde muziek, en toen het geluid zich ten volle had ontwikkeld, stokte de stem in een korte, scherpe fluittoon en heerste er autoritaire stilte.” Het hele huis waar ze gaat wonen met Lazare wordt gevuld met vogels. De een bekender dan de ander. “De kamers raakten al snel vol met door het zout van de oceaan uitgebeten kooien waar een wild makende wervelwind doorheen waaide wanneer merels en zomertalingen, kneutjes en bonte kraaien, veldleeuweriken en blauwe reigers dronken van vrijheid chaotisch door elkaar fladderen.” Lazare kan het niet behappen en vertrekt naar zijn goedlopende hostiefabriek.

Het boek is opgezet als een stamboom die niet perse volgens de mannelijke lijnen verloopt. Margot is de derde generatie. Ze wil piloot worden en stort zich op het bouwen van een vliegtuigje. Het komt niet van de grond. Wel slaagt ze als piloot, ondanks de vrouw vijandige houding op de vliegeniers opleiding. En dan is het weer oorlog in Frankrijk.

Dat is geen verrassing. We kennen dat verhaal. Maar is dat waar 3½ miljard jaar ontwikkeling van leven toe heeft geleid dat we belangen nastreven, problemen oplossen, door te kijken wie de grootste heeft, wie de sterkste is, het meeste mag hebben, en door de ander als doelwit te zien? Margot wil ernaartoe, samen met haar steun en toeverlaat Ilario. Het wordt haar afgeraden. Zij wil niet laf zijn. Haar vader wil zijn dochter niet verliezen; liever laf dan weg. En verdomme daar kom ik weer Nederlands trots van weleer tegen aan de verkeerde kant van de geschiedenis:
“een [Duitse] Fokker die zijn machinepistolen richtte en begon te schieten.” De kleindochter van de Franse immigranten in Chili redt haar huid, maar verliest haar liefde tijdens het luchtgevecht.
    Over haar andere opa had ik het nog niet gehad. Hij kwam met 43 blaasinstrumenten met als bestemming
Valparaíso. Hij streek neer in een kleine plaats, gaf muziekles, voerde opera's uit, componeerde en werd geëerd met een koperen beeld van componist Bellini en na zijn dood van zichzelf.
Er gebeurt tussen '45 en '73 nog van alles: Schimmen uit het verleden duiken op en laten sporen na. Maar het intermezzo tussen de wereldoorlog en de sloop van een land en samenleving is kort.

Weer narigheid. De verzameling vogels wordt gewelddadig en bruut afgeslacht. Vogels die zo belangrijk zijn in de familie en zeker voor Thér
èse. Maar er is ook ander geweld, direct gericht tegen mensen: “Wijndomeinen veranderden in verhoorcentra waar men dichters, bakkers, vioolbouwers en marionettenspelers martelde.” Het wordt ook weer beeldend en plastisch beschreven. En, het cynisme ten top, de architect van de coup Henry Kissinger kreeg een paar jaar later de Nobelprijs voor de Vrede, zo wordt aangestipt. Op dezelfde dag als ik dit lees stuit ik in een non-fictie boek ook op de aanval op het presidentieel paleis in Santiago de Chile en wat daarop volgde, wie er bij betrokken was. Hier vooral met aandacht voor de rol van de Israël in het geweld. Zo naar als in Erfgoed was het ook in dat boek, maar de roman duikt dieper in de drek, beschrijft de gevolgen van de militaire dictatuur tot in de overvolle cellen en de martelkamers waar Ilario Da, de zoon van Thérèse en vader ontsnapt uit het magisch realisme belandt. Dit deel van het boek is nauwelijks te behappen. Inmiddels vraag ik me af wie schrijver Miguel Bonnefoy is? En waarom dit onderwerp?

Het boek is opgedragen aan zijn dochter Selva.
Zijn moeder was een Venezolaans diplomate uit de bevoorrechte klasse. Ze werkte in december 1986, ten tijde van zijn geboorte, als cultureel attaché aan de Venezolaanse ambassade in Parijs. Zijn vader is Michel Bonnefoy, een Chileense romancier, en activist die werd gemarteld tijdens de Pinochet dictatuur en politiek asiel aanvroeg in Frankrijk. Vader Michel schreef een boek over zijn ervaringen en die zijn verwerkt in Erfgoed.
    Miguel groeide op in Caracas en Lissabon waar hij Franstalige middelbare scholen bezocht. Hij keerde terug naar Frankrijk om literatuurwetenschap te studeren aan de Sorbonne. Hij heeft zowel de Venezolaanse als Franse nationaliteit en spreekt beide talen. Bij het overlijden van Hugo Chavez in 2013 nam hij afstand van de Venezolaanse revolutie. Een man, een schrijver, in meerdere werelden.

Er zijn oorlogen en een rechtse staatsgreep met enorm ellendige gevolgen, maar het boek begint het de wijnboer die het land verlaat als de Franse wijngaarden (en niet alleen die) zijn vernietigd door een klein beestje, de druifluis. Het dier werd driftig aangepakt. Wortels werden vernietigd “op brandstapels die herinnerden aan die van de Commune in Parijs.” In het boek lijken zowel de vernietigende kracht van de invasieve soort, als de fanatieke bestrijding ervan, metaforen voor die andere rampen die nog veel hoger op de ladder van menselijk leed staan.

Bonnefoy heeft met Erfgoed een prachtig en een met de recente geschiedenis confronterend boek geschreven. Het heeft een heldere stamboomstructuur waarin vier generaties worden beschreven. Het begon met een Franse wijnboer en de dochter van een parapluhandelaar die eind 19e eeuw besloten te emigreren.
    Hij zelf noemde in een interview het in de roman beschreven verhuizen als
omgekeerde migratie van een eeuw geleden. Migratie en de kijk daarop is aan mode onderhevig en de beweging ervan veranderd, aldus de schrijver. Pas maar op, waarschuwt hij dan ook.
     De personages worden met grote streken neergezet en bij het beschrijven van een hevige eeuw in 200 pagina's moet je je beperken. Maar wat je leest is een brevet van onvermogen voor de mens die korte termijn belangen nastreeft zonder oog voor het leven van anderen. Gelukkig zijn er ook mensen die wel zien. Veel personages hebben prettige eigenaardigheden.

Een inbreker een tweede kans geven, bleek geen verkeerde keuze: voor het bedrijf, de familie en de kans op verder leven. Die prettige boodschap is er mooi doorgevlochten. En er is nog meer. De personen in Erfgoed kunnen gepassioneerd raken voor een droom, een idee of een liefde. Die passies kunnen hun wonden niet genezen, maar er wel een draai aan geven en er een brug over leggen.