Posts tonen met het label boekbespreking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boekbespreking. Alle posts tonen

maandag 31 augustus 2026

Het leven is vurrukkulluk

Het leven is vurrukkulluk (1961) van Remco Campert is een klassieker uit de Nederlandse literatuur. De feestelijke titel is vast een deel van de verklaring voor het succes. Het is daarbij eigenzinnig en kraaiend van plezier geschreven.

In de korte roman worden meer woorden dan alleen vurrukkulluk door de taalvervormer van de Leidsepleinvrijheid gehaald. Zoals 'seksjuwelen verkeer,' 'nijslollie,' 'giegullen' en 'Marie-Johanna roken'. Het is een melig trucje dat net niet gaat vervelen.

Dat Amsterdamse plein duikt in mijn brein op aangezien ik de schrijver meteen zie zitten in café Reynders (met Bert Schierbeek en Lucebert) als Clare Lennart de zogenaamde experimentelen komt interviewen voor het
boekenweekgeschenk van 1955. Dat interview ademt de sfeer die ook het vurrukkullukke leven een paar jaar later zal oproepen.

Het zijn drie jonge mensen die de belangrijkste stemmen zijn in het boek: Mees, Boelie en Panda. Ze plukken de dag en doen niet moeilijk. Het leven is er om rijk te zijn en van drank en seks te genieten; al het andere is franje. Het is geschreven in een eigen taal, die vloeiend en vlot van de pagina's rolt.

De pretentie is om goed te leven, verder moet je alles niet te zwaar nemen en de moraliteit moet niet in de weg staan van een goed feest, als het nodig is mep je darvoor zelfs een oude haveloze man neer. Aan een oudere vrouw met een jongen man in een bed op een zolderkamertje wordt voorbij gegaan alsof het niets is. Ze liggen er, maar doen er verder niet toe. Als het raam maar open kan om er hangende aan een paraplu uit te springen om in de tuin te landen. Zo luchtig is het leven.

In de
Nederland leest (2011) uitgave die ik lees mag Ronald Giphart als het kind dat van ballonnen houdt opschrijven dat het een van de beste boeken is die hij kent. Is dat lege reclamepraat of meent hij dit werkelijk? (Dit wordt de derde keer dat ik schrijver Giphart betwijfel op dit blog.) Wat frisse lucht was goed in het muffe Nederland. Maar beste? Wel plezierig leesbaar. Dat is wat waard.

vrijdag 28 augustus 2026

Atlas van in nevelen gehulde continenten

 



Atlas van in nevelen gehulde continenten is een boek geschreven door de Turkse succesauteur Ihsan Oktay Anar. Het was zijn debuut dat werd gepubliceerd in 1995. Dertig jaar later verscheen de 85e druk. Het is vertaald in vele talen, waaronder het Arabisch, Azerbeidzjaans, Bulgaars, Duits, Frans, Hongaars, Koreaans en Zweeds, maar opmerkelijk, maar onduidelijk waarom, niet in het Engels. De roman is een hit. Sinds eind vorig jaar is er ook een Nederlandse vertaling.

Vertaalster Veronica Divendal heeft zich uitgeleefd op de Atlas
van.... Haar aanpak zet ze uiteen in een zestien pagina's lang nawoord dat ook informatief is met betrekking tot schrijver en roman. Deze tekst wordt gevolgd door 13 pagina's aantekeningen bij in de tekst genoemde liedjes, boeken, personen e.d.; een soort voetnoten als verstopt toetje, een verrassing tot slot. Toch hadden ze beter in de tekst aangegeven kunnen worden.
    Zowel nawoord als lijst zijn – zeker samen – een mooie aanvulling op een fantastisch verhaal. Bij de vraag of ik het nawoord liever vooraf had willen lezen als informatie bij de tekst, of dat ik tevreden ben dat ik eerst mijn eigen mening heb kunnen vormen, neig ik toch naar het tweede.

Je stapt meteen het 17e-eeuwse Istanboel binnen, destijds nog Konstantiniye genoemd. In de voor- en achterkaft binnen staat een kaart van die stad.* Konstantiniye is de naam die in het boek gebruikt wordt. Door de straten van die oude stad aan de Gouden Hoorn lopen opvallende personages. Kort door de bocht zijn ze te vatten onder de categorieën: stads- en zeeschuimers, excentrieke wetenschappers, overheids beambten, ondernemers, tragische pechvogels en dromers. Dat dromen levert in nevelen gehulde verhalen op. De wetenschap een atlas of een anatomisch handboek. Als die twee samen komen ontstaat de op dromen gebouwde atlas die weergeeft wat de geest ziet op zijn reis over de wereld en aanwijzingen geeft om verder te komen.

Ook enkele personages vallen onder verschillende noemers. Er is bijvoorbeeld het hoofd van de Rijksinlichtingendienst, de ongenaakbare Ebrehe. Hij is tweede man onder de sultan, alchemist, uitvinder, homoseksueel, inhalig en keihard; hij martelt en vernederd. Ebrehe haalt de hoofdpersoon, dat is de jonge Bünyamin, zijn invloedssfeer binnen om hem beter te kunnen volgen en wordt, getroffen door zijn ongegeneerde meningen, verliefd op hem. De jongen blijkt echter voor het meisje Aglaya te vallen.

De belangrijke rol die de Geheime dienst speelt in het boek meende ik te moeten begrijpen als een verhulde literaire kritiek op het repressie apparaat van de Turkse Staat. De dienst is in de
Atlas van... vooral uit op het verwerven van macht en invloed en vernielt het leven van derden, soms zelfs willekeurig, omdat het kan. Een van de doelwitten is Lange Ihsan: filosoof, maker van de atlas van in nevelen gehulde continenten, de vader van Bünyamin en een personage dat grote overeenkomsten met de schrijver vertoont. Lange Ihsan heeft zich echter niet laten slopen en stoppen door het uitsteken van zijn ogen, en het afsnijden van zijn oren.
     De Dienst grondt zijn inzet op een soort bijgeloof en mechanische abacadabra waarover Erbrehe bovendien ook nog eens quasidiepzinnig kakelt met een soort jeugdige fascinatie voor techniek. Dat dit bijgeloof gedeeltelijk aangewakkerd werd door een buitenlandse mogendheid door middel van een ingenieus mechaniek, doet er dan niet eens toe. Hybride oorlgosvoering avant la lettre.
      Maar voor de heimelijke kritiek heb ik geen feitelijke aanleiding in het boek gevonden en ook geen externe bronnen.

Het boek leest als een sprookje, als een boek vol knap aan elkaar geknoopte verhalen. Een kinderboek? De hardheid erin mag kinderen bespaard worden. Is het een boek dat de ideeën van René Descartes (hier Rendèkâr) onder de loep neemt: ik denk dus ik ben? Ook. Wat het zeker is, is een boek dat je voor zou willen lezen, zoals aan jongeren in de onderbouw van de middelbare school. Het is bovendien een vertelling waarin vele verhalen geknoopt zijn, een verhaalvorm die meer voorkomt in het Nabije Oosten.

Lange Ihsan is duidelijk in zijn visie op geloof en wetenschap. Het idee van Rendèkâr vond hij onvoldoende. Op grond van de aanname 'Ik denk dus ik ben' kan een mens alleen zijn eigen bestaan vaststellen. Hij besluit de betekenis ervan verder uit te zoeken in een droom. Daar komt hij op de gedachte: 'Ik droom dus ik ben. Ik ben, maar wie ben ik?' Het is het begin van een hele nieuwe visie op de wereld, zijn rol erin, en op wat er nog meer is. De anderen bestaan immers ook, omdat Ihsan hen bedenkt en eveneens de wereld waarin ze leven is er met dank aan zijn verbeelding. Ze bestaan bij gratie van zijn gedachten.
     De vertaalster wijst erop dat de visie van de schrijver en Lange Ihsan overeenkomen als Anar in een zeldzaam interview stelt: “(...) Ik zelf verkies wetenschap, kennis, boven geloven.” Over de botsing van wetenschap versus geloof gaat ook het boek, naast dat het over het wezen van de mens gaat, over inhaligheid, en autoriteit versus vrije keuze. Deze thema's zijn volgens de vertaalster verpakt “in een concreet menselijk, avontuurlijk en sprookjesachtig verhaal.”


Verderop in het nawoord schrijft ze: 
“Met een mengeling van sprookjes en werkelijkheid schiep Anar in zijn Atlas van in nevelen gehulde continenten een universum waarin het voor de lezer goed toeven is. Herkenbare situaties, gevoelen en menselijke zaken zoals list en bedrog, liefde en geld, droom en voorspelling, wetenschap en kennis, macht en vrijheid, angst en dapperheid passeren de revue.”
Het valt niet zwaar er nog een aantal thema's aan toe te voegen, zoals lust tegenover liefde, vader en zoon, brallen versus bescheidenheid, zelfspot en bekrompenheid, orde en verzet, en de vraag of fantasie en werkelijkheid wel een tegenstelling zijn. Het nawoord door de vertaalster is een loflied op het boek door iemand die er blijkbaar vanaf de hoge duikplank ingedoken is en de sprookjes, de gedachten heeft opgepakt, bekeken, verteerd, vertaald en opgeschreven in het Nederlands. Het boek zelf wordt mooier als je ook haar toegevoegde teksten leest.

Noot:
* Helaas is in de bibliotheek versie de legende bij de kaart van de stad gebruikt om daarover de titelbeschrijving te plakken. Achterin sneuvelde een stuk Stambul onder een streepjescode. Administratief is het te begrijpen, maar het straalt weinig respect van de OBA uit voor hoe het boek door de bezorgd is.

donderdag 6 augustus 2026

At night all blood is black

 


At night all blood is black van David Diop begint met de twijfel en het afwijzen van het eigen handelen door protagonist Alfa Ndiaye. Zijn sterke vriendschap, zo sterk dat Mademba Diop wel een broer leek, liep mis toen Alfa het verzoek door Mademba om hem te doden negeerde. Mademba lag te sterven op het slagveld buiten de loopgraaf, zijn darmen lagen uit zijn buikholte. Alfa weigerde zelfs na herhaald verzoek een einde aan het leven, eigenlijk het lijden, van zijn 'broer' te maken. Vastgestelde regels gingen boven vriendschap. Zo eindigde die in nodeloze narigheid. Zo zwart kan bloed, zo donker, kan een verhaal zijn. We zijn met de twee Tirailleurs meteen in de waanzin van de Eerste Wereldoorlog beland.

Beide kwamen uit Gandiol, een Senegalese plaats aan de kust, iets zuidelijk van de stad Saint Louis. De een sterft meteen een vreselijke dood. De ander verliest zichzelf in de ellende. De tekst is bezwerend door de herhalingen van zinnen en gedachten. Zo glijdt de lezer mee de geest in van Alfa. Zo kruipt hij mee naar een wraakactie, een volgende, en dan weer een, en nog een. Als er vier mannen met blauwe ogen in de tegenoverliggende loopgraaf zo het leven en een hand hebben verloren en uit de ellende verlost zijn, worden ook de maten in de eigen stelling bang van Alfa. Hij gaat zichzelf zien als een dëmm, een begrip uit het Wolof voor
een bloeddorstige heks, tovenaar of verslinder van zielen.* Het gaat flink mis met hem.

Er zit niets anders op dan Alfa weg van het front naar een kliniek te sturen om daar weer bij zinnen te komen. Hij blijft zichzelf echtere verliezen in zelfbegoocheling, Zijn wanen plaatsen zijn persoon daar waar hij niet is of juist daar waar hij wenst te zijn. Hij beeldt zich liefde in. Hij staat ver van de realiteit. Wat waar is en wat niet wordt hem volstrekt onduidelijk.

De psychiater laat hem tekenen. Allereerst schets hij een portret van zijn moeder en vertelt over haar. Hoe ze uitgehuwelijkt werd aan zijn vader, maar vertrok om opzoek te gaan naar de nomadische stam van haar vader. En nooit terugkwam. Hij tekende Mademba en vertelt over zijn vriendschap en zijn vrijpartij voor vertrek met een meisje uit hun beider dorp en daarbij over “
de zachte zoetheid in een vrouw.” Hij beschrijft ook landbouwbeleid dat niet de mensen voedt, maar de zakken van enkelen vult. Je leert over zijn geschiedenis die hem naar de oorlog dreef, in de verwachting er beter uit te komen. Dat liep anders, want de mens bepaalt niet de omstandigheden, maar de omstandigheden leiden hier de mens. Hij tekende tenslotte tot in detail de zeven handen die hij afsneed (en die daarmee hun greep op hem verloren) en raakte de sympathie van Dr. François kwijt toen die de tekeningen zag.

Zaken gaan door elkaar lopen. In zijn geest en in zijn gevoelens. Bijna als terloops verkracht en vermoord hij de dochter van de arts. Wie hij is? Zijn naam? Hij is het kwijt. De laatste regels van het indrukwekkende boek – “ik denk dat ik het nooit zal vergeten,” merkt Ali Smith op de kaft op –, zijn de woorden:
“… wanneer ik aan ons denk, dan is hij mij en ben ik hem.” De vervreemding, de verwarring is compleet, de pijn te groot. De oorlog komt hier in zijn gruwelen benauwend dichtbij.

Intussen komt ook het over de kling jagen van soldaten de orde. De commandant van Alfa zegt dat Frankrijk van de Chocolaatjes van zwart Afrika houdt, vanwege hun dapperheid, dit terwijl de kranten het alleen maar hebben over hoe ze uitgebuit worden. Intussen blaast diezelfde commandant hard op zijn fluit om ze uit de loopgraaf te jagen naar de overkant. De vijand is door het aanvalssignaal gewaarschuwd en maait zoveel mogelijk van hen neer. Het schijnt er niet toe te doen. Alfa zelf hamert ook op dapperheid. Hij spoorde Mademba aan, terwijl het beter was geweest als beide terug hadden kunnen gaan naar Gandiol. Die georganiseerde ellende zou je bijna vergeten als je zo diep in het hoofd van een enkeling duikt en naar het handelen van een getormenteerd slachtoffers kijkt. Maar die blikvernauwing staat Diop niet toe.

Intussen kom je dan ook nog de mooie frase tegen dat een glimlach tot een glimlach leidt. Dit boek laat zien hoe de verschrikking van de oorlog tot verschrikkelijke mensen kan leiden. Het toont eveneens dat het anders moet kunnen. Bijvoorbeeld door besmettelijke te glunderen.

Noot
* Los van opmerkingen gerelateerd aan deze roman heb ik er nauwelijks iets over de figuur van de dëmm, ook wel demm of dem, kunnen vinden.

 

vrijdag 31 juli 2026

De man van veel

De man van veel door Karin Amatmoekrim beschrijft het leven van Anton de Kom rondom zijn drie maanden durende opname (1939-40) in een kliniek vanwege zware overspannenheid.
     Hij was agressief in de huiselijke situatie en werd op advies van zijn vrouw opgehaald. Hij leed aan achtervolgingswaanzin en dat zorgde ervoor dat de remedie gebaseerd op vertrouwen niet gemakkelijk van de grond kwam.
      Hier wordt een grootheid uit de Nederlandse geschiedenis pardoes neergezet als een kwetsbaar en nietig mens in een gesticht tussen andere nietige mannen. De schrijver van Wij slaven van Suriname is een patiënt.

Zijn opname was geen geheim. Maar juist daaromheen een verhaal over Adek vertellen dat is een aanpak die lef vereist. De man die de slavernij beschreef zoals ze was, hoe deze praktijk vervolgens werd voortgezet in zogenaamde contractarbeid, die een aanspreekpunt werd in Paramaribo voor wie getroffen werd door onrechtvaardigheid, die drie maanden vast werd gezet – zonder enige aanklacht – in Fort Zeelandia (waar kennen we die plek nog meer van) en werd daarna verbannen naar Nederland waar hij in de gaten werd gehouden en waar hem het leven zoveel mogelijk zuur werd gemaakt. Deze antikoloniaal, een held voor velen, zakt door het ijs en moet overeind geholpen worden. Dat laatste, maar ook andere aspecten zijn door de tekst gevlochten. 

Rond die drie maanden wordt een beeld geschetst van Anton als kind. Hoe hij leerde door de prachtige beelden van de Nederlandse helden heen te kijken en eigen voorbeelden kreeg. Hoe hij zocht naar een manier om de wereld beter te maken (hij ging er zelfs voor naar Haïti om daar de kunst af te kijken). Hoe hij observeerde, schreef en sprak om onrechtvaardigheid en uitbuiting aan de kaak te stellen. Hoe hij toegejuicht werd. Hoe hij stuitte op zaken die weinig hoopgevend waren. Hoe hij in de kliniek een band kreeg met personeel, collega patiënten en daar empathische gevoelens voor had. Hoe hij zijn fouten durfde toe te geven.
     Het boek is een monument voor een man met zijn zwakte, maar vooral voor de kracht die hij had. Niet iedereen heeft dat erin gelezen of willen lezen, blijkt uit de uitgebreide – soms vileine – polemiek die volgde op de publicatie.

Er worden voorbeelden van gruwelen van de slavernij beschreven. Juffrouw Pierson, mevrouw Mauricius en Claas Badouw (de laatste in de roman niet bij name genoemd) spelen daarin een hoofdrol als sadistische 'slaveneigenaars' die menen zelf te mogen bepalen hoe gruwelijk ze kunnen handelen. De fictieve De Kom (en de werkelijke eveneens) schrijft erover in Wij slaven... Hij wordt kwaad en moet huilen. Wie niet?
     Een ander verhaal – van na de slavernij – is dat over Stampu. Een jongen die als daad van verzet de leuze WEG MET VAN HAAREN schilderde op een schutting bij het huis waar waarnemend gouverneur Van Haaren was ondergebracht. Deze wilde dit niet over zijn kant laten gaan. Stampu werd gearresteerd, opgesloten en toen er geen zware straf op stond krankzinnig verklaard en verplaatst naar de psychiatrische kliniek Wolfenbuttel (die geen fictie is en wel echt bestond en misbruikt werd door het keurige Nederlandse gezag). De Kom vertelt het verhaal tegen de directeur van de Scheveningse kliniek* waar hij zelf zit.
     Het verband tussen Stampu en De Kom is duidelijk. In werkelijkheid was de vertegenwoordiger van Nederland in Suriname de man die De Kom opsloot. Zowel Stampu als De Kom zaten volgens de roman tegelijkertijd vast. Stampu ging bovendien geïnspireerd door Adek en vol kinderlijke bravoure op pad met kwast en verf. Vervolgens werd zijn leven afgenomen door een bruut, onrechtvaardig en koloniaal systeem en dat een halve eeuw nadat de slavernij was afgeschaft. Weer verdriet, en pijn door verantwoordelijkheidsgevoel en kwaadheid over het onrecht een jongen aangedaan. Had De Kom geen witte Nederlandse vrouw uit de middenklasse gehad, hem zou mogelijk hetzelfde lot getroffen hebben, zo meent hij.

Zijn vrouw is het ook die hem over de streep trekt en uit de kliniek weer naar huis. David zijn maat onder de patiënten blijft. Pas op het laatst wordt duidelijk wat deze is overkomen en waarom hij vol littekens zit. Het doet in de verte denken aan de slaven van mevrouw Mauricius die ze niet rond wilde laten lopen met een gladde ongehavende huid. Hier is de verminking het gevolg van een amoreuze vorm van bezitswaan. De liefde van Adek voor David geeft hem nog meer menselijkheid op de botten.
     Een veelbetekenende opmerking is die van de geneesheer dat schaamte een teken van genezing is. Om je te schamen moet je beseffen fouten te hebben gemaakt. Maar schaamte is geen eindpunt. Het is wel een stap naar het rechtzetten van de zaken, en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Je zou hopen dat dit eenvoudige mechanisme waarlijk toegepast werd en het mechanisme heeft in die zin ook betekenis in het nationale debat over slavernij en wat daar op volgde. In het geval van het roman personage De kom is de schaamte een opening naar de weg terug; naar de man die hij was voordat hij overspannen raakte:
“De man die hij was, vóór de opstand in Paramaribo, zijn opsluiting, de doden die er vielen onder de mensen die voor hem opkwamen. De man voordat hij werd gevolgd door regenjassen van de geheime dienst, voordat hij gedwongen was steun te trekken, voordat zijn kinderen honger leden en zijn vrouw gedwongen werd lompen te dragen. Voordat het schrijven hem onmogelijk gemaakt was, voordat hij zijn dromen verloor.” (p 257)
Het lijkt onmogelijk, maar de arts ziet de opening wel, zonder de tegenslagen, tegenstand en onrecht weg te wuiven, meent hij dat een gezonde geest mee buigt en dat De Kom dat met zijn sterke en veerkrachtige karakter aan kan en daardoor weer verder kan komen. Dat zou ook blijken. De schrijfster laat die weerbare instelling van De Kom zien in de laatste tragische elf regels van haar boek dat wordt afgesloten met de mooie foto van een elegante Cornelia Gerhard Anton de Kom.**

In de felle pennenstrijd rond het boek werd gesteld dat veel zaken in de werkelijkheid net iets anders zaten dan beschreven. De schrijfster reageert met de opmerking dat een roman geen biografie is en ze hier en daar een vrijheid heeft genomen, zelfs personages heeft beschreven die nooit hebben bestaan. Een krantenbericht dat ze noemt over een racistische ruzie (Haagsche Courant, 20 januari 1938) is een fictief feit en niet werkelijk afgedrukt. Het had wel in die krant kunnen staan en voegt iets toe aan het verhaal.
     Mij bleef de beschrijving bij van hoe De Kom uit woede, frustratie en het er doorheen zitten, alle bladen van een manuscript over straat liet waaien. Later raapte hij de vellen weer op. Welk manuscript was dit? Het was jaren nadat Wij slaven... verscheen. Even doemt in mijn hoofd de vraag op of dit echt zo is gegaan. Fictie op grond van de realiteit leidt vrijwel altijd tot dergelijke vragen. Die vragen zijn niet onzinnig, ze zijn een stap in het denken, maar het lezen van roman hangt niet af van waar en onwaar, maar van de verbeelding. “Het boek bood in elk geval stof tot nadenken en aanleiding om de werkelijke gebeurtenissen - voor zover die al exact zijn te achterhalen - in een ander perspectief te plaatsen. En laten dat nou net een paar cruciale kenmerken van een roman zijn,” meende journalist en schrijver Diederik Samwel in een artikel tegen de vergezochte kritiek die Amatmoemkrim over zich heen kreeg.

De man van … treft in de ziel (wat dat ook moge zijn). De Kom zelf is een monument voor menselijkheid, verzet, antiracisme en antikolonialisme, en krijgt veel kleur en diepte door de roman. Astrid Roemer schreef erover: “Judith de Kom zal verbijsterd zijn geweest over de inspanning die een jonge Javaanse auteur met roots in Suriname heeft gepleegd om van haar vader Anton de Kom inderdaad Een Man Van Veel te maken.”
     Sandew Hira (historicus, econoom en publicist van Surinaamse afkomst) schreef treffend: “...wie de roman leest krijgt alleen maar meer respect en waardering voor de figuur van Anton de Kom.” Amatmoekrim beseft dat kritiek op haar werk voort komt uit goede bedoelingen, zo schrijft ze. Ze voegt daar wel aan toe: “Aan goede bedoelingen gaat de wereld echter vaak genoeg ten onder.”

Het is bovendien een boek over hoe de mens die zich niet neer wil leggen bij de gegeven situatie zich overeind kan houden en wat die inzet de directe omgeving kan kosten. Het is ook nog eens een boek over een veel algemener voorkomend verschijnsel van instorten en weer overeind komen (met hulp van anderen). Over de rede achter en de onvermijdelijkheid van kwaad worden bij onrecht, maar ook over welke destructieve krachten dit kan hebben. De zwakte die zo centraal lijkt in dit boek onderstreept juist het contrast, waardoor de kracht er uitspringt.

De epiloog laat zien dat vijf jaar nadat hij uit de kliniek is ontslagen De kom als verzetsstrijder en schrijver voor De Vonk alsnog zal sneuvelen onder fascisme en werd opgepakt door NSB-politie, omdat hij op een lijst van de geheime dienst stond als gevaarlijke communist. Zo trof de Nederlandse repressie hem vertraagd en indirect alsnog.***

Noten:
* Het is een van de kritiekpunten van documentaire maakster Ida Does op het boek. Het was een Loosdrechtse kliniek en geen Scheveningse. Alsof enigszins afwijken van de exacte feiten in een roman een probleem zou zijn. Karin Amatmoekrim meent van niet.
** De foto is een uitsnede uit een portret met een vriend. De datering varieert van 1921 (in het boek), via 1922, 1923 naar 1924. Er zijn sepia en ingekleurde versie van.
*** “In het najaar van 1944 wordt hij gearresteerd. De Haagse Inlichtingendienst (omgedoopt tot Documentatiedienst), die De Kom altijd heeft gevolgd, bestaat voor het grootste gedeelte uit NSB’ers. De bestanden van de Inlichtingendienst worden overgedragen aan de Duitse bezetter en later fuseert de Documentatiedienst met de Sicherheitsdienst. De Kom is als communist bekend bij diverse infiltranten in Den Haag en doet zoals gezegd ook verzetswerk. De precieze gang van zaken is onduidelijk, maar dat er een verband is tussen de verziekte ambtelijke collaboratie in Den Haag en zijn arrestatie is hoogstwaarschijnlijk,” schreven Alice Boots en Rob Woortman in 'Profiel: Anton de Kom, Voor een vrij Suriname,' De Groene Amsterdammer, 29 juli 2020.
      In een zelfde Scheveningse omgeving is er ook het boek over Sonny Boy. Net als De Kom is ook hij omgekomen aan het eind van de oorlog. Ook verraden door Nederlanders. In het boek van Annejet van der Zijl worden Sonny Boy en De Kom zelfs verward door een bron wat weer leidt tot meer werkelijke kennis over de eerste. Op Broekfoto een bespreking van dit boek.

vrijdag 24 juli 2026

The Light Fantastic


Bij het zoeken naar een afbeeldingsbestand van de The Light Fantastic kaft geeft Google AI Overview ongevraagd een samenvatting van het boek. (Dan kan dat samenvatten hier wel overgeslagen worden.)
     Neem die geautomatiseerde wijsheid wel met een korrel zout. Een dreiging zou tot sterke gekheid leiden volgens de energie slurpende automatische slimmert. Terry Pratchett schildert in zijn verhaal echter een massa-psychose die zich keert tegen een deel van de samenleving die leeft op de schijf in de ruimte waar het verhaal speelt. Dat is net iets meer dan zomaar een verdwazing.

Het verhaal zelf is eenvoudig. Er is een dreigende zon die afkomt op De Schijf en er is een stunteltovenaar, Rincewind, die een van de acht machtigste toverspreuken in zijn hoofd heeft en daarmee een cruciale rol kan spelen. Die spreuk, hindert, beperkt én beschermt hem. 
Dat klungel Rincewind uiteindelijk stopt met hannesen en successen boekt, is een troost voor wie de weg naar wat verwacht wordt – zodat daar wat rekening mee gehouden kan worden –nog niet helemaal gevonden heeft.
     Het verhaal maakt grappen die je herkent uit de dagelijkse wereld beschrijft en principes die je moet kennen om de realiteit te kunnen begrijpen. Prachett is een schrijver die fantasie de werkelijkheid laat ontmoeten en omarmen.

Daaronder kleinigheden. Waarom het betoverde bos op De Schijf in de lokale taal Skund heet, terwijl dat vertaald Je Vinger Jij Mafketel is? Dat komt door een fenomeen waaraan ook aardse namen te danken zijn. Ontdekkingsreizigers komen, kijken en horen dan woorden van de lokalo's die ze interpreteren als naam voor wat zij willen benoemen. Dat leidde tot namen die vertaald Gewoon Een Berg, Weet Ik Veel, Wat, en dus ook Je Vinger Jij Mafketel betekenen. Aan welk aards voorbeeld Pratchett hier moest denken, geen idee. Bij mij kwam als eerste
Canada op: een verbastering van het woord voor dorp uit een Irokese taal. Zo zit er op vrijwel iedere pagina een grap, idee of iets anders dat betekenis heeft los van het verhaal.
     Een paar pagina's verderop komt de tandenfee voorbij als Twoflower, toerist op De Schijf, spreekt over de iele schoonheid die in de nacht uitgevallen tanden onder kussens vandaan haalt. Wat deed ze met die tanden, vraag Rincewind hem verwonderd.
“Ze deed het gewoon,” is het antwoord op de vraag. Ik had het me ook nooit afgevraagd. Dat dubbeltje dat er voor in de plaats kwam, verdoofde blijkbaar die nieuwsgierigheid. Overigens wordt de toerist die alle verschijnselen even geweldig, authentiek en interessant vindt en wil vastleggen met zijn camera, aardig in de verf gezet.
     Als een groep tovenaars samenkomt, wordt de vergadering voorgezeten door de meest ambitieuze onder hen, Trymon. Alle deelnemers krijgen van hem een papier. Wat is dat, vragen ze. Een agenda, is het antwoord.
“Maar we hebben er nooit een nodig gehad,” zegt een tovenaar. Trymon flemend: “Misschien heb je hem wel nodig gehad, maar je hebt er nooit een gebruikt.” Het is het begin van het vergroten van zijn machtspositie. Dat mechanisme was nieuw (tovenaars hadden voorheen genoeg aan de eigen sores) en daarom was er weinig verweer tegen. Ook hier komt een onaangenaam randje dat ook aan de gewone wereld zit, binnen rollen.  

Gewone toverdingen zijn er ook, zoals een koffer met heel veel kleine voetjes die achter je aan komt (en dus niet kwijt kan raken) en je beschermt, de trollen die als ze slapen veranderen in keien (de oudste onder hen zelfs in een steen die deel is van de berg), of als het huisje waar de dood woont met zijn dochter. Je kan er naar binnen, rondkijken, maar bij het vertrek beter niet achterom kijken, zo wordt
een Grieks sprookje (uit wat mythologie is gaan heten) verwerkt.

De dreiging van de ster leidt tot massa-psychose. Tovenaars worden omgebracht, magie bestreden, om het gevaar af te wenden. Massa's mensen met een rode ster op hun voorhoofd geschilderd trekken daartoe door de straten. De pestlijders, de joden, rohingha's, de ander etc. zijn hier vervangen door de tovenaars. Zij krijgen de schuld in de schoenen geschoven van de kosmische ramp. En hun dood wordt geponeerd als de oplossing voor het probleem.
     Een man zegt dat hij de stad ontvlucht richting de bergen. “Dat zal helpen,” zegt Rincewind. “Nee, maar het zicht zal beter zijn,” reageert de man. Doet me ook al aan vandaag denken. Oorlogs- en klimaatgevaar, velen kijken ernaar van een afstandje en zien wel.
      Je hebt mensen die zelfs een luchtig verzinsel nog loodzwaar weten te maken. Nee luchtig blijft het, maar de serieuze ondertoon maakt het wel tot meer dan een verhaaltje.

vrijdag 17 juli 2026

De golven


De golven van Virgina Woolf is een boek over het leven van zes mensen die samen op een kostschool zaten. Ze blijven elkaar een leven lang ontmoeten. De lezer kruipt in hun hoofden en daarmee in de onderlinge relaties en gedachten over de ander. Zo simpel en tegelijk zo ingewikkeld is het boek. Doe het maar eens: zes levenslopen in 280 pagina's tekst.
     De golven is een voorbeeld van de
stream of consciousness literatuur die begin vorige eeuw ontstond en zijn naam kreeg toen May Sinclair het met een term van psycholoog William James in verband met literair voor 't eerst zo noemde. Die kennis haal ik bij Bernard Benstock die het nawoord schreef bij de versie die is uitgegeven door De Bezige Bij. Een uitgave die overigens opvalt door zijn prachtige kaft (bijna zo mooi als die van de Engelse.versie hieronder).

Eigenlijk staat in deze inleiding al het hele verhaal. Veel actie en plotwendingen zijn er niet. Tegelijkertijd gebeurt er heel veel. Het boek is strak gecomponeerd om te beschrijven hoe deze mensen met elkaar omgaan en zich tot elkaar verhouden in een gewone dagelijkse wereld.
     Ook vormvast is dat elk van de negen hoofdstukken begint met een cursief gezette tekst van een of meer pagina's die vooral gaat over de natuur, waarbij zee en golven en de zon een voorname rol spelen. Daarmee zijn zowel grootse aardse natuurverschijnselen als het heelal tot context voor het verhaal gemaakt. Dat komt ook terug in de daarop volgende tekst. In de stilte hoort Louis de aarde zelfs bewegen door de afgronden van de oneindige ruimte. Maar dit grootse is zeker niet het enige dat deze inleidende teksten vult. Er zijn tuinen met vogels en planten, weides, heuvels, zelfs keukendampen en door vogels geslachte slakken, schaduwen en bomen zo zwart als ijzer en kaal gewaaid staan ze overeind. Het leven wordt immers niet alleen gevormd door het enorme, maar ook door de directe omgeving. Deze poëtische preludes zijn meer dan natuurbeschrijvingen die de zee in woorden willen vatten. Ze zijn ook de bedding waarin het verhaal zich kan bewegen. 
“Langzamerhand terwijl de lucht verwitte vertoonde zich een donkere lijn aan de horizon die zee en zwerk van elkander scheidde en de grijze doek werd doorstreept met dikke zwarte halen die, een voor een, achter elkaar, onder het oppervlak bewogen, elkaar volgend, elkaar achtervolgend, in eindeloze gang.
Dit is de derde zin van de roman en komt uit zo'n inleidende tekst. In de eerste twee zinnen moet de zon nog opkomen, het beeld helder worden en de omgeving kleur krijgen. Dat gebeurt al enigszins in de geciteerde woorden. Sterker nog ze laten het verhaal, en de levens als golven beginnen en de zon verlicht als een lamp huizen, bomen en tuinen. Daarmee wordt ook de omgeving waarain de roman personages leven zichtbaar.
     Er is veel natuur in De Golven. Naast planten ook vogels. Over de torenuil struikel ik, omdat ik hem niet ken. Het blijkt de kerkuil te zijn, die nog meer regionale of minder gangbare namen kent (volgens
Zien is kennen!: krans-, lijk-, kat-, oranje-, slot-, en sluieruil). Het roept de vraag op welke naam er voor de barn owl in het origineel is gebruikt. Ook een streeknaam?* 

De golven begint in een tuin bij het huis Elvedon. Het is daar waar Louis, Neville, Bernard, Jinny. Rohda en Susan les krijgen. De zes komen zo'n beetje om de beurt aan het woord. Zo leer je ze allen kennen. Naast hen is er later op de vervolgopleiding nog de populaire Percival, waar medestudenten achter aan lopen, als de kinderen van Hamelen achter de fluitspeler. Hij blijft desondanks altijd op afstand. Hij zegt niets. Een mythische figuur.
     Percival vertrekt voor een functie in India. Hij verongelukt daar door een val van zijn paard (hoe anders sterf je met zo'n naam), maar blijft voor altijd als herinnering sterk aanwezig. Ook na zijn dood is hij iemand om zaken aan voor te leggen, om iets aan te vragen. Zoals Rhoda er na haar zelf verkozen dood nog is om een arm door de hare te kunnen steken en haar tegen onvoorzichtigheid te waarschuwen. Vriendschap is er tot over de dood heen.
     Percival, de stille zevende, is deel van de zes geworden. Zoals door het samen optrekken de zes deel van elkaar worden. Bernard stelt dat hij een ieder van hen is. Dat betekent niet dat ze een amorfe eenheid zijn. Nee door de verteltechniek wordt juist duidelijk gemaakt dat dit niet zo is. Levens overlappen én verschillen, blijkt als een zelfde situatie door verschillende van hen net anders worden beschreven. Maar het leven van de een wordt gekend door de ander. Bernard verwoord aan het slot van
De golven dat ervaringen in het leven ieder van hen anders heeft getekend: “Louis vond al het lijfelijke weerzinwekkend; Rhoda onze wreedheid; Susan kon niet met een ander delen; Neville wilde orde en netheid; Jinny liefde; enzovoorts.” Maar ze trekken wel een leven lang met elkaar op, zodat hun levens verstrengeld zijn geraakt en bijna niet uit elkaar konden worden gehaald: “Wij hebben vreselijk geleden toen wij afzonderlijke lichamen werden,” voegt hij aan deze observatie toe. Het doet denken aan de klimop strengen tegen een boomstam.
     Bernard zelf is voor buitensporigheden bewaard gebleven, zo meldt hij zelf. Maar ook uit emotionele reacties wordt duidelijk dat het binnen hun groep om individuen gaat. Terwijl Bernard zich het huilen van Susan aantrekt, laat het Neville onverschillig. De eerst leert daardoor dat hij iemand is en ook anders is dan Neville.
     
In het verhaal is dat een derde stap het leven in. De eerste twee zijn geboren worden en als persoon los van de moeder komen (als een soort tweede geboorte), maar ook daarna volgen fase na fase, waaraan geen einde lijkt te komen. Onderweg wordt kennis opgedaan door ervaringen, maar ook door bijvoorbeeld Horatius,
Tennyson, Keats en Mathew Arnold te lezen.

Er zijn veel metaforen gevormd rond golven. Sterker nog water is het meest dominant gebruikte begrip in de beeldspraak van het boek. Het leven start er immers mee. Het komt steeds terug. Niet alleen in de preludes, maar ook in de daarop volgende teksten. Sommige keuzes liggen voor de hand, zoals het golvende haar, maar er zijn ook de beschermende golven van het alledaagse, of Jinny die door het leven rijdt als een meeuw op een golf, de golf die verheft wat te zwaar is, en de golven die het schuim tot in de uiterste hoeken van de aarde werpen. Iets voor de golven uit zijn er de krabben die voort krabbelen over het zand, als vaste metgezellen die de afgunst, jaloezie, haat en venijn verbeelden. Voor wie van golven houdt, is het boek een eldorado, een paradijs (
elvedon/elf-eden) aan beschrijvingen ervan.
     Maar er zijn ook andere metaforen, zoals de ster in een ingeslagen ruit waarom alles en iedereen stil blijft staan (zoals rond Jinny en Percival), of het aansprekende beeld van de boomstam waarin de ringen staan voor nieuwe ervaringen in het leven. Of de bijl die een boom tot in de warme kern klooft, terwijl klanken vibreren in de schors. Mooi gevonden beelden, maar vaak schijnbaar gemakkelijk en terloops gebruikt.

De laatste cursieve opening begint met het zakken van de zon achter de kim. Zwerk en zee waren zoals in de vroege ochtend ook in de avond weer niet van elkaar te onderscheiden. Nu komt er niet steeds meer kleur, maar komt de nacht met schaduwen. Het einde van het verhaal wordt ingeleid. De boom laat de bladeren vallen en die zouden gaan ontbinden, waarmee het einde ook een nieuw begin inluidt.
     Met: 
“De golven braken op het strand,” eindigt de roman en daarmee komt een eind aan alles, zo lijkt het even. Toch al eerder stond er dat de golf zich terugtrekt de zee. De verwachting dat dit zelfde water weer komt aanrollen, eerst als een streep in de verte en die vervolgens met stuifwater op het strand valt, is onvermijdelijk. Deze cyclus past het boek, waarin natuur en leven zo centraal staan. Niets laat die herhaalde terugkeer zo helder zien als de aanrollende golven. Die zich alleen kunnen vormen door het weerkeren van het water in de zee. Water dat leven brengt en weer meeneemt. De kringloop van het leven is duidelijk aanwezig in de wegstervende vriendschap (eerst abstract bij Percival als idee van de onvermijdelijkheid, later concreet, zoals bij Rhoda) zoals vallende bladeren, opduikende paddenstoelen en de ontbinding in het algemeen die voeding creëert voor het leven daarna. 
     De golven lezen en herlezen is de aanbeveling, want dat is de dunne, en tegelijk volle roman waard. 

Noot:

Vanwege het precieze, fijnzinnige en genuanceerde taalgebruik heb ik juist voor een Nederlandse vertaling gekozen dat heeft dan op een minder voornaam punt als dit wel een overkoombaar nadeel. In de Engels talige versie in onze kast herdrukt in 1977 door Panther Books uit Londen (8e druk uit 1984) staat (p. 155): “What song do we here – the owl's, the nightingale's, the wren's?” Nachtegaal en winterkoninkje zijn in De golven goed vertaald. Van de uil is een specifieke soort gemaakt, zelfs met een streeknaam, door de vertaalster naar het Nederlands, Gerardine Franken.



maandag 13 juli 2026

De leeuw en zijn hemd



Het duurt maar even en dan weet ik dat het boekenweekessay De leeuw en zijn hemd (2013) door Nelleke Noordervliet al eens heb gelezen. De schrijfster gaat met een hink-stap-sprong op reis door de Nederlandse geschiedenis van de Gouden Eeuw tot jaar van uitgave. Ze spreekt onderweg op haar reis door de tijd vooraanstaande en gewone mensen, maakt belangrijke ontwikkelingen mee, en interviewt als een journalist mensen om een antwoord te krijgen op de overkoepelende vraag wie is de Nederlander. Voor het beschrijven met zevenmijlslaarzen van zo'n tijdsspanne in ruim zestig pagina's is een zorgvuldige greep uit de geschiedenis vereist.

Via de VOC en de Heren Zeventien, Rembrandt van Rijn, (gedesillusioneerde) Patriotten en Koningsgezinden lees ik toe naar de landing van Prins Willem Frederik op het Scheveningse strand in 1813. Het is een fragment in de uitgave dat me is bijgebleven. Het niet koninklijke landsbestuur is maar voor even geweest en gesmoord in Frans beleid in het veroverde Nederland. Dat optreden versterkte de steun voor de terugkeer van de vorst en daarmee voor een stap terug in de ontwikkeling van Nederland. De grondwet van 1798 (de zogenaamde Staatsregeling voor het Bataafsche Volk) verdween met terugkeer de terugkeer van Oranje, om pas decennia later, in 1848, plaats te maken voor die van Thorbecke die zich nestelde in het nationale bewustzijn. De eerste is grotendeels (opzettelijk)
vergeten, zozeer dat de tweede als eerste wordt gezien. Er lijkt geen haan naar te kraaien.

Tussen de gekozen onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis zit ook het kolonialisme. Ook critici van de krijgszuchtige variant ervan twijfelen niet aan
“het vanzelfsprekende recht van Nederland miljoenen mensen aan het andere eind van de wereld te besturen en uit te buiten,” aldus de schrijfster. Het is in hun eigen belang en goed voor de rust in de archipel. En zelfbeschikking is niet iets voor daar.: “De volken van Azië zijn kinderen.” Zelfs socialist Domela Nieuwenhuis doet mee aan het koloniale bal, en heeft geld in een koffieplantage gestoken, maar dat blijft beter geheim. Journaliste Noordervliet kan het niet laten om te wijzen op de positieve invloed van Indië op de Nederlandse staatsbegroting en op de paleisjes die oud Indisch-gasten bouwen. De handel wordt overgoten met de zogenaamde ethische politiek, maar dat is niet meer dan de vernis uit een hautain potje die zo moet spiegelen dat de grote nadelen van het gewelddadige kolonialisme niet te zien zijn. Het werkt.* 
     Misschien is dat wel een belangrijke Nederlandse kwaliteit, kritisch en keurig zijn daar waar dat batig is en niet de manco's zien die uit direct eigenbelang beter zo kunnen blijven. Wat gezichtspunten op Nederland komen zo naar voren, gekoppeld aan momenten uit de geschiedenis. Nederland is in ieder geval minder progressief dan het beeld dat velen erin menen te zien.

Voorouders in het Leidse van de schrijfster zien duidelijk een verschil waardering voor het land en het Koninkrijk waar ze leven. In het eerste zijn ze opgegroeid, ze spreken de taal, kennen de omgeving, de liedjes etc. Met de oranjes hebben ze niet veel op. Het is een duidelijk onderscheid, maar nuancering die niet vaak wordt gemaakt. Ze noemt daarbij ook dat het verschil tussen de kapitalist en de arbeider groter is dan de kloof tussen naties. En in een enigszins wankelende zin (waarvan de strekking echter duidelijk is) voegt ze daar aan toe:
“Ze weten waar oorlog wordt gevoerd, waar slachtoffers vallen, en slachtoffer is altijd Jan met de pet.”

Een korte samenvattende visie komt maar bescheiden naar voren. Het essay eindigt met een opmerking van een fictieve Johan Huizinga die in een paar trefwoorden de Nederland en zijn optreden typeert:
“nuchter, zindelijk (in denken en doen), burgerlijk (niet provinciaal), onheroïsch. Niet erg geneigd tot extremen. Met alle negatieve kanten die elke goede eigenschap met zich meedraagt.” Het zijn woorden die Nederland afbeelden in sepia. Tenminste op vrijwel alle termen valt wel wat af te dingen.
     De leeuw en...is een fijn bondig onderzoek. Ik las het toevallig een paar dagen nadat Nederland uit het WK was getrapt. Het grootste sport wash festijn ooit stelt al kanttekeningen bij de woorden van Huizinga. Wat zou hij gedacht hebben van volkswijken vol oranje vlaggetjes, van de hoog oplopende emoties en het inzetten van het verlies van het Nederlandse elftal voor politiek gewin en tegen een deel van de Nederlanders? Noordervliet spreekt haar twijfels ook uit.
     Volmondig neem ik de opmerking over dat een volksaard een besmet begrip is. Het is iets voor grote halen snel thuis. Het miskent de verschillende visies in de samenleving, zelfs binnen segmenten ervan. Nationale identiteit is een meer in zwang geraakt eufemisme voor hetzelfde begrip, maar dat ruimt het bezwaar niet op. Volgens Noordervliet worstelen we met die identiteit, zowel collectief als individueel.
     Anderzijds zie ik dat de tevredenheid over de Nederlandse positie zo goed is en de bijdrage aan de wereld zo sterk, dat velen vinden dat het zo wel genoeg is, of zelfs teveel, en dat het gezeur op moet houden. Problemen van elders, van de anderen, lossen ze daar maar op. Behalve – ja daar komt ie weer – als het in ons voordeel lijkt wel in te springen. Het ethische vernis is daarbij langzaam aan het verdwijnen en de oorlogszucht hangt inmiddels over dit niet heroïsche volk. 
'De Nederlander' heeft een ingebakken opportunisme en geen last van mededogen als dat niet uitkomt.

De fietsverhuurder in Gulpen waar ik zojuist was, liet een type Nederlander zien.
“Kunt u contant betalen...,” vroeg hij. Zo blijft het immers buiten de boeken en hoeft er geen belasting betaald te worden. Om het nog wat meer in de verf te zetten, voegde hij toe “...dan wordt mijn geld niet voor vluchtelingen gebruikt.”

Het essay sluit af met de woorden van een laconieke Huizinga die het medicijn om verder te komen als land en de bewoners ervan samenvat met de woorden:
“zelfbewuste bescheidenheid en soberheid, elegante soberheid. Hartstochtelijke nuchterheid, opportunistische zindelijkheid. En een vleug ironie, daarmee komt u er wel. Daarmee komen wij er wel.” Is dat genoeg? Luister nog eens goed naar die fietsverhuurder en zovelen anderen, ook in het Parlement (of lees bijvoorbeeld dit betoog over vormen van racisme en de achtergrond ervan). Een duidelijk tegengeluid is wenselijk om de groene zeep van de helling te krijgen en menselijkheid, zorgzaamheid voor de natuurlijke omgeving, verdeling van macht, inkomen en kennis, inclusie, inspanningen voor vrede en solidariteit weer op de agenda te krijgen. Er zijn genoeg ideeën op al deze gebieden. Ze moeten alleen met kracht en inderdaad mogelijk met een vleugje ironie of humor worden vormgegeven.

Het essay van Noordervliet is dertien jaar oud, en Nederland is flink veranderd in die periode, maar het zet nog steeds aan het denken en heeft een levendige vorm.

Noot:
Uiteindelijk zou Nederland met een koloniale oorlog de nieuwe republiek in handen van een militair regime sturen. Dit resultaat van de koloniale oorlog, wordt in Nederland maar weinig genoemd. Ik ontleende dit inzicht aan het gerenomeerede werk van Harold Crouch, The army and Politics in Indonesia, (Ithaca/Londen: Cornell University, 1978), en wel aan de tweede versie (1993) van de herziene editie uit 1988, p. 26-27. Crouch stelde dat nadat de Nederlanders de leiding van de regering van de Republiek arresteerden dit tot een vervreemding van de militairen van de politiek leidde en dit grondde binnen de krijgsmacht het idee dat ze tegelijkertijd zowel een militaire als politieke functie hadden. Het zou een opmaat zijn naar het latere invoeren van de Dwi Fungsi doctrine, waarvan zelfs de grondlegger (Maarschalk Haris Nasution) tenslotte zag dat ze politiek misbruik in de hand werkte. Hij zou deel worden van de oppositie tegen Suharto binnen Petitie 50.

vrijdag 26 juni 2026

Reluctant Fundamentalist




The Reluctant Fundamentalist door Mohsin Hamid valt meteen op door zijn vorm. Het boek is verfilmd, maar eigenlijk lees ik hier een toneelstuk; een éénakter grotendeels aan een tafeltje in de Pakistaans eet- en drinktentje en daarna een korte wandeling langs een brede stadsweg in Lahore.
     De hoofdpersoon wil een man helpen die vermoedelijk uit de Verenigde Staten komt. Zo komen ze samen aan die tafel en vertelt de Pakistaan, die Changez heet, over zijn studie aan de universiteit van Princeton, zijn werk in New York bij het bedrijf Underwood Samson, zijn terugkeer naar Pakistan en over zijn liefde.

De vorm geeft de schrijver gelegenheid niet alleen een deel uit een leven te beschrijven, maar ook grote en kleine moeilijkheden in de relatie van de Westerling tot de Vreemde weer te geven. Als er een bedelaar voorbij komt dan vraagt Changez de Amerikaan of hij iets wil geven.
“Nee? Heel verstandig, je moet bedelaars niet aanmoedigen en ja je hebt gelijk het is veel beter geld te doneren aan een goed doel dat de oorzaken van armoede aankaart dan aan hem, een schepsel dat slechts een symptoom is.” Er is angst bij de grote man uit de VS voor de man met baard die midden op straat stopt, maar ook die heeft zijn reden er te zijn. Zo is hij steeds opnieuw wantrouwig. Hij wordt ook steeds opnieuw op zijn gemak gesteld.
     Veel alledaags racisme of neerbuigende visies komen zo langs. Er wordt een beeld geschilderd van een Pakistaan die veel in zijn mars heeft en weet waarover hij praat. Ook over de Verenigde Staten. Maar er is dus ook het verhaal over zijn leven, veranderd door de gebeurtenissen.

Hij studeerde summa cum laude af aan de gerenommeerde universiteit in de Verenigde Staten (net als de schrijver Hamid zelf). Het valt hem overigens op dat de gebouwen van Princeton een gotisch uiterlijk hebben, maar jonger zijn dan de moskeeën in Lahore.
     Hij kwam bovendrijven bij de sollicitatie voor een functie waarmee zijn loopbaan – bij voldoende inzet – gegarandeerd zal zijn. Het bedrijf doet onderzoek naar bedrijfssituaties met oog voor het fundament daarvan, dat wil zeggen: de financiële positie. Efficiëntie gaat daarbij voor creativiteit. Het draait niet om de mensen die er werken, of de producten iets moois of goeds toevoegen, maar omzet, om winst en om groeimogelijkheden. Fundamentalisme inderdaad (op een ander vlak dan de gewone connotatie bij het woord), en doorgaans keurig volgens de regels, maar vaak vernielzuchtiger dan een fundamentalistische rel.

Na 9/11 is de positie van Changez opeens veranderd. Hij wordt als Pakistaan uitgescholden voor Arabier. Geweld tegen moslims wordt gewoon in de Verenigde Staten. Op het vliegveld wordt hij eruit gepikt en wordt bij de douane behandeld of hij niet in de VS woont en werkt, maar een verdachte bezoeker is. Zijn geloof in de morele verhevenheid van de Verenigde Staten krijgt sporen van sleet door hoe het land zich ontwikkelt; niet vooruit, maar nostalgisch naar retro waarden, als plicht en eer.* Hij laat zijn baard staan. Collega's kunnen dat niet waarderen. De afstand wordt groot. Te groot?

In het huis van Pablo Neruda in Valparaíso ziet hij een spiegel hangen. In een restaurantje in de stad wordt hij gewezen op zijn positie bij het Amerikaanse bedrijf als Janitsaar. De Janitsaren waren keurtroepen bestaande uit op de Balkan buitgemaakte jongens in dienst van de Ottomanen. Volgens de roman waren ze Christelijk, gewelddadig, en extreem loyaal. 
“Ze vochten om hun eigen beschaving weg te vagen,” zegt een Chileense uitgever die vreest dat zijn uitgeverij zal sneuvelen onder de financieel economische rationalisatie die zal volgen op de doorlichting door een klein team van Underwood Samson.
     In Pakistan loopt juist dan de spanning op na een aanval op het Indiase parlement in 2001 en de VS springt niet in de bres, maar stookt het vuurtje verder op. Changez neemt afstand van de 'focus op fundamenten', en de Verenigde Staten vallen van hun voetstuk. Via New York gaat hij terug naar zijn familie in Lahore. Daar komt hij de man in de bar tegen. 
     Het verhaal zit vol metaforen. Zo stelt hij de man uit de VS voor om na hun zit in de eettent en zijn lange monoloog, maar met de handen gaan eten, ze kennen elkaar nu immers lang genoeg. Vuile handen doen er niet meer toe.

De verhouding tussen Changez en Erica is een verhaallijn die op zichzelf kan staan, maar ook een enorme lading krijgt doordat ze is ingebed in het verhaal van de man die afstand neemt van een voorspoedige toekomst in de Verenigde Staten, omdat hij ziet dat waar hij in geloofde dood is. Zij houdt van haar overleden vriend Christof en ze beleeft dit als een volwaardige relatie. Er is geen plaats voor Changez; hoe vriendelijk, inlevend en bescheiden hij zich ook opstelt. De dode vriend staat een relatie tussen beide in de weg. Ze sluit hem uit van haar leven waaruit het leven al is verdwenen en, zo meent ze, dat is in zijn eigen belang. Hij kan die keuze om het leven weer in te gaan wel maken, zij niet. Het loopt af met een open einde over haar lot, al weet de lezer – net als Changez – eigenlijk wel beter.
     Een open einde zit ook aan het verhaal van Changez en zijn gast uit de Verenigde Staten, maar ook daar moeten we vrezen voor het ergste. Changez wordt …, dat ligt voorbij het boek. Nog verder over de horizon ligt de toekomst van het retro-land.

Fundamentalisme krijgt een andere betekenis in de roman. Het is het geloof in de waarheid van de markt en het daaraan opofferen van mens en waardevolle productie. Hamid heeft zelf ook in de financiële sector gewerkt, als management consultant bij
McKinsey & Company. Hij vond bedrijfsrecht saai en werd schrijver.** Dit knap, interessant en spannend vertelde verhaal is zijn tweede boek. Er zouden er tot nu nog drie volgen.

Noten:
* Het is een zelfde thema als in het verhaal van Fouad Laroui, De dag dat Saddam. Ook hier komen barsten. Dit keer in het geloof van een Rotterdamse IT-specialist als tot hem doordringt hoe het Westen met mensen als hij omspringt.
** Onderweg kreeg hij les van Toni Morisson en Joyce Carol Oates

zaterdag 20 juni 2026

De Verschrikkingen van het Noorden


Omslag illustratie door Gielijn Escher.






De Verschrikkingen van het Noorden* is een verhalenbundel van Andreas Burnier waarin citaten boven de hoofdstukken zijn gezet en voorin het boek staat een citaat ontleent aan Lucebert: 

en het paard slaat
radeloos
dit alles gade

Een van de thema's in de bundel is reizen. Dit wordt in het verhaal Onderzoeking op het teras verkettert als misplaatste ijdelheid van domoren, maar in het citaat boven de tekst onderstreept Ronald Firbank de zin van kijken juist, zelfs naar zaken zo gewoon als hooischoven op het land: “I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill.” 
     Reizen en rondkijken heeft wel degelijk zin. 
Dat waarnemen gebeurt in dit boek in het Noorden, het Zuiden, onderweg en hier.

Voor de hele bespreking zie ↓
Eerder besprak ik het jongensuur (https://broekfoto.blogspot.com/2026/06/het-jongensuur.html) van dezelfde schrijver.

De Verschrikkingen van het Noorden*
is een verhalenbundel van Andreas Burnier. Eerder besprak ik het jongensuur van dezelfde schrijver. In alle zes verhalen heeft de vrouwelijke hoofdfiguur een andere naam en een andere leeftijd. Toch zou je ze als één personage kunnen zien in verschillende levensfasen.
     Een thema waarop de verhalen samenhangen is reizen. Reizen naar Noord en vooral naar Zuid. De opmerking van de abt in het verhaal Onderzoekingen op het terras is dat reizen geen enkele zin heeft en er slechts is voor de domme massa die even rondkijkt en alleen de buitenkant van de dingen ziet, plaatst deze geestelijke dan ook meteen buiten het bestek van de bundel.

In datzelfde verhaal staat ook de opmerking dat een goed verhaal getekend wordt door het begin en eind. Opvallend is juist dat een paar verhalen in De verschrikkingen ... zo eindigen als ze begonnen. Betekent dit dan dat alles wat er tussenin gebeurde ketelmuziek was, ontwikkelingen zonder belang, of zaken van voorbijgaande aard? Maakt dit ze juist intrigerend (je voelt dat er meer gebeurde dan je las, maar waar de vinger niet helemaal op te leggen is)? 

“Ordenen.” Alleen dat woord is de allereerste zin van het allereerste verhaal Nu ga ik verdwijnen. Het eindigt met: “Kom, we gaan naar huis.” Dat zegt Ella tegen haar vriendin waarmee ze op vakantie is.
    Het is haar opgevallen dat de Griekse tempels vernield zijn door ze in gebruik te nemen als kerk. Die afkeer van het christelijke geloof komt vaker terug. Een mogelijke reden daarvoor is de bekeringsdrang op de onderduikadressen waar de schrijfster als joods meisje verbleef. De apostel Paulus wordt getypeerd als “een onsympathiek eruit ziende joodse man, een ultrarechtse conservatief, geborneerd jegens vrouwen en homoseksuelen, en jegens zijn eigen anti-christelijk verleden.”
     De klim naar de Akroplis vormt het slot van een verhaal dat kronkelt langs vervelende mannen, een magnetiseur, door kroeg en langs kermis. Maar met de woorden 'weer naar huis,' als uitgebreide punt daarachter, maar staat dit ook voor terug naar de gewenste veilige orde?

Het titelverhaal begint met: “Veel vroeger, ik spreek nu van voor de watersnood, lang voordat Griekenland, Italië, Joegoslavië, Sicilië en Malta door mij waren bereisd, was ik voor het noorden niet bang.” Het verhaal eindigt na een korte dialoog met een botte vlieger zo: “Veel vroeger, ik spreek nu van voor de watersnood, was ik voor het noorden niet bang.”
     De Verschrikkingen... speelt in Kopenhagen. Andrea gaat er opzoek naar een bar voor vrouwen. De taxichauffeur die haar er zal brengen, begrijpt haar verkeerd. Ze gaat naar binnen en het duurt even voordat het doordringt dat ze in een bar met prostituees terecht is gekomen. Via een advies van de garderobejongen van een jazzclub, waar ze vervolgens belandt, weet ze toch nog de gewenste gelegenheid te vinden. Niet mis, want Kapitän, Kapitän is de enige openbare bar voor vrouwelijke homo's – 'Lesbians in uitstekend school-Engels' – in heel Scandinavië
     In een Parijse bar komt ze dan weer terecht doordat zij en haar vriendin worden meegenomen door een groep die er tegen betaling de couleur locale verzorgt, zodat toeristen tevreden zijn iets echt authentiek Frans te hebben gevonden.
    Het verhaal Gesprek in de nacht begint met de absurditeit en naarheid van de oorlog. Met diezelfde oorlog eindigt het verhaal ook. Tussendoor zijn de vertelster en haar vriendin liftend op reis. Ook hier is homoseksualiteit weer duidelijk aanwezig (daar is alleen in Onderzoekingen … geen sprake van. Daar loopt de echtelijke relatie tussen man en vrouw spaak). Er worden door de bundel heen nogal wat vrouwen versierd of afgewezen (al is dat laatste lang niet altijd makkelijk, omdat naast irritatie ook de warmte veloren gaat).
     Hoewel niet het hoofdthema van Giovanni en de heksen wordt de strenge bekrompenheid van de samenleving in de verf gezet met de opmerking van een vriend van Connie, de hoofdpersone: “Ons hele sociale bestel is een valstrik, een manier van mensen om elkaar tijd en energie afhandig te maken.” Het goedbetaalde filosofische werk dat beiden doen, betekent volgens de man "geen pest". Anderzijds wordt een zinvolle academische carrière in de verhalen regelmatig als ideaal genoemd. Visies zijn niet gehouwen in marmer, maar zijn beweeglijk en veranderen, zo blijkt. 
    In het verhaal is voor de een het vrouwelijke lief een engel en voor een jongen, de Giovanni uit de titel, doen de vrijende vrouwen aan heksen denken. Daar tussenin komen toerisme en armoede bij het treinspoor op elkaars pad. Misschien wat verwrongen geconstrueerd, maar juist die niet voor iedereen zichtbare ongemakkelijkheid tussen de rijke toerist naast de lokale armoede is soms niet ver van de werkelijkheid.

De oorlog komt regelmatig voorbij. Die oorlog heeft Nicole in Volgend jaar in Jeruzalem vervormd. Ze moest wel dwars gaan doen en Calviniste worden, zoals ze leerde tijdens het onderduiken, om zich af te zetten tegen haar ouders. Als ze over die fase heen is, stapt ze over op het atheïsme, en daarna communisme, totdat ze het heeft gehad met de opstandigheid. Het afzetten tegen de joodse ouders leek noodzaak aangezien hun vrienden, uiterlijk en ideeën voor de puberende vrouw 'moffendreiging' betekende. Jood zijn betekent door blonde slijmreuzen vermoord te kunnen worden. De angst voor iedere schijn van permanentie (wie zich eenduidig vastlegt wordt gedood of affectief verraden), leidde tot een versnippering in de liefde. 

Het zou niet verbazen als in het jaar van uitgave (1967) nogal afwijzend op het boek zou zijn gereageerd. De thematiek van een jongen in het lichaam van een meisje werd benoemd en seks tussen vrouwen beschreven. Het lijkt erop dat door de debuutroman van Burnier Een tevreden lach, die twee jaar eerder verscheen, en waarin dit al werd benoemd, een gemaaid gazon achter was gelaten voor de opvolger. Hoewel. Kees Fens schreef weinig literair over “haar lesbische soortgenoten” en in de Telegraaf had recensent Ab Visser het over het aan “homofilie inherente narcisme.” Niet iedereen vond de bundel even sterk, maar van tumult was geen sprake. J(oke) E. Kool-Smit beschreef de spanningen in het boek en de vragen die nog op het boek losgelaten kunnen worden. In de Volkskrant werd het boek aldus getypeerd:

“Het zijn dus verhalen van een soort dat vroeger schrijnend zou zijn genoemd, maar het is veel gemener: het wringt, het is allemaal vals, het is de terreur van het geniep, die werkt tot in de biologische cellen van het menselijk bestaan.”
Fons Sarneel

Kool-Smit had het wel bij het rechte eind toen ze veronderstelde dat bij herlezen veel meer uit het boek boven zou komen drijven. Al is het maar een eerder gemiste mooie zin. In Onderzoekingen..., wordt gepreekt, gepraat en geblaat, maar uiteindelijk gaat dit voorbij met de woorden bij het vertrek van de moeder en haar kinderen uit de bedompte sfeer: “Aan de horizon achter ons verdwijnt iets.”
     Sommige lezers zoeken liever naar wat hen tegenstaat. Kees Fens vond het citaat boven het eerste verhaal te bekend. Het boek heeft er nogal wat. Citaten. Het begint al met een prachtig motto, geleend van Lucebert ** waarmee de toon voor het boek gezet is. Vijf verhalen beginnen met een citaat in het Engels, Frans (hieronder vertaald) of Nederlands: 

  • Nu ga ik verdwijnen: Het begint met woorden van citatenleverancer bij uitstek, Shakespeare: We are such stuff/As dreams are made on, and our little life/Is rounded with a sleep. (The Tempest) Dat is weer die afstand tot de realiteit die ook het paard van Lucebert al voelde.
  • Gesprek in de nacht begint met woorden boven de tekst van Brunier zelf. De regels passen het boek als gegoten. Ze rollen van de tong en zijn tegelijkertijd wrang en kil. Weer wordt het waardevolle elders gezocht:

De nacht vangt alle stemmen die
in lakens dronken rollebollen. (…)
nu gaan wij rusten:
wij glijden snel naar vreemde kusten
ontwaken aan de achterkant
.

  • Giovanni en de heksen kreeg een citaat uit A Movable Feast van Ernest Hemmingway: “The main thing is that the act male homosexuals commit is ugly and repugnant. In women it is the opposite. They do nothing that they are disgusted by and nothing that is repulsive and afterwards they are happy and they can lead happy lives together.” De ene homoseksualiteit wordt door de man der mannen afgewezen. De andere lijkt te mogen bestaan. 
  • Volgend jaar in Jeruzalem: “Wat men kan zeggen, is dat alles in ons leven verloopt alsof we erin kwamen met een last van verplichtingen, aangegaan in een vorig leven,” uit Marcel Proust, La Prisonnière (vertaald via het internet).  
  • Boven Onderzoeking op het teras onderstreept Ronald Firbank de zin van waarnemen, zelfs van zaken zo gewoon als hooischoven op het land: “I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill.” 
         Reizen en rondkijken heeft wel degelijk zin. Zelfs in die ongerijmde wereld waarin de schrijfster leeft.

Noten:
* De verschrikkingen van het noorden is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, txt of als scan.
** Het gedicht waaruit deze woorden komen en dat opgenomen was in de bundel De dieren der democratie werd besproken door Hans Andreus in Tijd en Mens jrg nr. 3 (1952), nr. 2: De roepende in de jungle