vrijdag 27 februari 2026

Hertog van Egypte


Met
Hertog van Egypte (1996) schreef Margriet de Moor een boek over een paardenfokkerij in de achterlanden van Twente, een liefdesaffaire tussen een roodharige boerendochter en roma Joseph Plato. Plus de omzwervingen van Balkan tot Nederland door die laatste.
    De roman beschrijft ook het leven van de roma; van de eersten die in 1422 in Deventer aankwamen; via de zestien vrouwen en veertien mannen 
die terugkwamen in 1945 en die eerder door de Nazi's werden opgepakt (geen kind had het overleefd); naar een van hen die op het laatste moment aan de deportatie onsnapte en die tot het eind van de eeuw leefde en als Joseph centraal staat in het boek.

Een jaar voordat de roman in 1996 verscheen zat ik in Nijmegen tijdens een feest aan tafel met een Indiase onderzoekster die de taal van de roma bestudeerde die meegenomen werd uit haar moederland en die zij nog kon verstaan. De herinnering komt boven als in de roman de vraag wordt gesteld en beantwoord: “Zijn wij van oorsprong Syriërs?Kanaänieten? Mijne waarde heren uit de feiten vol hiaten kan ik u die over Indië niet onthouden, omdat langs de bovenloop van de Indus tot op heden onze taal wordt verstaan, verstaan en gesproken.” Zoals ook die onderzoekster destijds vertelde.

Ook deze roman is een studie. Een studie naar het leven van de mensen die als scharenslijpers, muzikanten, landbouwkrachten, dakdekkers en handelaars door Europa trokken; niet als vertegenwoordigers van de wereldcultuur, maar als “experts in de dialectiek van logica en zinsvervoering.” Wat opvalt is dat ze in de roman gewaardeerd worden, maar dat ze eveneens getreiterd worden, opgespoord, achtervolgd en weggejaagd door het zogenaamde gezag. Politie en Marechaussee schenen er plezier in te hebben; het is treiteren in het kwadraat en onvergelijkelijk met het gewone pesten. Eeuwenlange politiecontroles gaan immers onder de huid van het individu, en onder de huid van de groep zitten.
     In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog wordt binnen het Nederlandse bestuur naar een 'oplossing voor het zigeuner probleem' gezocht. Samenbrengen in een paar kampen, zo wordt bedacht. De Duitsers doen het drastischer met hulp van de Nederlandse arm der wet en een in de roman zeer knap beschreven verraadster. Er klonken: 
Harde stemmen, geen Duitse, gewoon Nederlandse stemmen, gewoon de stemmen van de Nederlandse politi. Gedreun  op de woonwagendeuren. Na de oorlog werden de centrale kampen voor roma en sinti in Nederland voorzien van voldoende fasciliteiten en begeleiding, weer beschaafd gemaaktd, maar met als doel de bewoners te disciplineren.

In de jaren zestig van de vorige eeuw begint het verhaal van de boerendochter Lucie samen te komen met dat van Joseph. Hij kwam aan de bar zitten van café De Kraan in het fictieve Benckelo “en rondjes geven met het air van iemand die wel gunsten bewijst, maar geen dank aanvaardt.” Hij is de man waar de vrouw met de koperen krullen meteen van houdt, mee zal trouwen, en kinderen mee krijgt. Samen zetten ze een succesvolle paardenfokkerij op voor het luxepaard. Ze anticiperen daarmee op een ontwikkeling. De boerenpaarden verdwijnen langzaam uit het landschap en rij-, draf- en springpaarden komen op. Van een volgende stap: sierlijke paarden voor een span, is pas aan het einde van de roman sprake. Joseph is de zoon van vader Jannosch, die het verraad van een illegale vergadering op de boerderij van Lucies vader tijdens de Tweede Wereldoorlog niet overleefde. Zijn stem verhaalt met een soort galgenopgewektheid hoe hij aan zijn einde is gekomen. Boer Gerard is er nog steeds woedend over. Wie eigenlijk niet?!

Het boek staat bol van de vertelstemmen om ons door de geschiedenis en half Europa te loodsen. De vertellers zijn een deel van de verhaalconstructie die het boek, schijnbaar contradictoir, tot meer dan een vertelling maakt.

In de Tweede Wereldoorlog oorlog komen we als lezers ook in Kroatië en Servië terecht. Waar cetniks en oestasja's zich schuldig maken aan het sadistisch vermoorden van roma. Vooral een voorval in Kroatië nabij het concentratiekamp Jasenovac wordt uitgebreid beschreven: “de kinderen werden haastig neergestoken,” de volwassenen kwamen beroerder aan hun einde. Opmerkelijk is dat de stad waar dit enige niet door Duitsers geleidde (maar door het Kroatische oestasja regime) zeer grote concentratiekamp in Europa genoemd wordt in een boek dat uitkomt als de burgeroorlog tussen Servië en Kroatië nog gaande is. Hertog van Egypte geeft zo een historische vingerwijzing bij de extreme politieke ideologieën die er hebben rondgewaard.

De Moor stapt in haar roman ook nog verder terug in de tijd, om met een brede blik naar de geschiedenis te kijken on het gewelddag in de hoek drijven, inclisief de brrandstapel, context te geven: 

“Die dingen gaan altijd sluipend. Er is een beetje overlast, een beetje antipathie, maar ineens gaan ze overal aanplakken dat alle bedriegers die bekend staan als Bohemers en Egyptiërs het land uit moeten: we zijn dan in de zestiende eeuw. Humanistisch Europa bouwt, legt droog, ontgint. Het kijkt geïrriteerd naar een bepaald soort mensen dat daar helemaal niet ondersteboven van is en roept om meer politie. (…) Vanaf nu wordt er gebrandmerkt, gegeseld, het rechteroor afgesneden en tevens het linker van wie zich opnieuw vertoont. Vanaf nu, en in de eeuwen die volgen, hebben ze het over een zigeunervraagstuk.”
Elders wordt gesteld: “Een mensenjacht krijg je nooit zomaar van de grond. Voor een grootscheepse opruiming zijn theorieën of op zijn minst hogere motieven nodig.” Zo worden de verre voorouders van Joseph in 1726 bij Eerbeek opgepakt tijdens de bestrijding van de zogenaamde heidenplaag, waarbij het toegestaan was over grenzen heen mensen na te jagen, te vangen, te ondervragen en op te knopen. En dat alles in de zogenaamde “kosmopolitische republiek, waar buitenlandse schrijvers en filosofen zeer hartelijk werden begroet, waar boeken die in Spanje, Italië en Frankrijk verboden waren rustig konden verschijnen, de tolerante republiek van nog altijd zeer rijke kooplieden begon een oorlog tegen een groep vagebonden die in een sfeer van meedogenloze vervolging inderdaad erg lastig was geworden.”
     Hier wordt bladgoud afgekrapd van de lijst om de trotse Nederlandse liberale geschiedenis en juist de voorbereiding alhier van de vernieiting door de Nazi's in de verf gezet.

Het boek trok nationaal en internationaal de aandacht: Door haar verteltechniek kan de schrijfster over de levens van haar personages vertellen, maar ook schandelijke periodes onthullen uit de Nederlandse geschiedenis,” werd in Magyar Nemzet (Hongaars Dagblad) gesteld. Verrukt legde ik het weg, merkt een recensent in L’Express op. Verrukt? Eerder voelde ik me weer op mijn plaats gezet als inwoner van een land en continent dat vooral in naam moreel hoogstaand is, maar feitelijk het laagste van het laagste accepteerde, faciliteerde en vergat als dat beter uitkwam.
     Toch is Hertog van Egypte geen pamflet, maar een knap gecomponeerde roman, met een verhaal waarin een onderdrukte minderheid in Nederland het in de hoek drijven op de koop toe neemt, maar niet tegen de grofste zaken is opgewassen.
     In het boek wordt ook gezocht naar een verklaring voor het venijnige en destructieve dat over sommige mensen hangt en vindt die gedeeltelijk ook; niet om dat gedrag goed te praten, juist niet (er is niet altijd een verklaring vanuit de rede), maar om het te begrijpen.

“Geen verhaal wordt ooit verteld omwille van de afloop. Niemands leven valt samen met het einde,” dat zijn woorden die de met tragiek gevulde heftige bladzijden van het boek onderstrepen en duidelijk maken dat mensen als mens gezien moeten worden en beschouwd op wat ze doen en op wie ze zijn. Daarom vertelt de schrijfster verhalen. Het is een vroege roman van De Moor, maar het wel waard herlezen te worden, al is het maar als waarschuwing dat je niet mee moet gaan met de wende naar rechts zoals die nu weer wordt ingezet in de internationale, maar ook Nederlandse, politieke arena. Sterker nog verzet daartegen is nodig. Er zullen ook mensen zijn die dit boek eenvoudigweg verlaten “zoals het paard in een woeste galop: verrukt.” Die merken dan het pamflet - dat er toch ook wel in verborgen zit - en de uitermate pijnlijke geschiedenis blijkbaar nog steeds niet op.



vrijdag 20 februari 2026

Hoe ik per ongelukt een boek schreef



Hoe ik per ongelukt een boek schreef is een verhaal door Annet Huizing. In de versie die ik uit een weggeefkast haalde, zit een uitgebreide opdracht – of eigenlijk twee – aan 'Wie dit leest' door ♥juf Nanette. De woorden komen erop neer dat ze hoopt dat de ontvanger door het lezen nog meer gaat genieten van het schrijven, en “moeder een heel dikke knuffel geeft.” Beide wensen volgen uit de inhoud van het boek.

Om te beginnen het eerste deel van de opdracht. Katinka is 13 jaar en wil beter leren schrijven. Aan de overkant van de straat woont een zestig jaar oude schrijfster, Lidwien. Die geeft schrijfles. Als de tiener vraagt of ze mee mag doen aan de cursus, dan zegt Lidwien dat het niets voor haar is tussen al die middelbare vrouwen. Ze mag wel op vrijdagmiddag komen. 'Ha privéles', denkt Katinka. In ruil daarvoor kan ze helpen in de tuin. Ze gaat trouw en krijgt commentaar, tips en kritiek.

Zo wordt ook de lezer langs verschillende elementen van het schrijven gevoerd, zoals de volgorde van het verhaal (begin met wat spannend is), show don't tell, over cliffhangers, laat zien wat niet gezegd wordt, geef feiten, speel met volgordes binnen zinnen, verdiep je in mensen, kijk zo nodig uit hun perspectief en zo nog een hele trits andere aanwijzingen. Lidwien geeft daar vaak heldere voorbeelden bij. Woorden 
zoals wolkbreuk worden geproefd. Dat is immers een vreemd woord. Kan zo'n zachte wolk wel breken? Intussen groeit er ook een stevige vriendschap tussen de twee.

Katinka gaat oefenen met schrijven en doet dat door te laten zien hoe Dirkje bij hun thuis terecht kwam. Ze ontmoetten haar op de veerboot van Terschelling naar het vaste land. Papa Hein, broer Kalle en zij moesten van Harlingen terug naar Hilversum en Dirkje naar Utrecht. Ze kon dus een flink stuk meerijden. Het gevolg: voorlopig zou ze niet meer uit het leven van het gezin verdwijnen. Moeder Louise van  Katinka en Kalle, was tien jaar eerder overleden. Dirkje was niet de eerste vriendin daarna, maar vader leefde met haar wel weer op. Tussen Katinka en Dirkje gaat het fantastisch. Totdat het klapt. Het is een dramatic turning point dat ook als schrijfelement door Lidwien wordt genoemd. 

Als je het boek uit hebt, heeft Katinka terloops haar eerste boek geschreven en heeft haar dode moeder een plaats gekregen. En daarmee is het ook een middel om rouw te verwerken. In het verhaal is een opdracht verwerkt die Lidwien schreef voorin Het geheim van de schrijver, van Renate Dorrestein. Ze deed Katinka het boek, inclusief opdracht kado:
Voor Katinka. Pagina 229, zesde regel van onderen. Doorgaan dus. Lidwien.
(Daar staat: maar bovenal is talent het vermogen je niet door twijfel uit het veld te laten slaan.)
Het boek heeft de NUR-code 283. Dat betekent dat het fictie is voor kinderen van 10 tot 12 jaar. Voor jongeren en jong volwassenen is het mogelijk te kinderlijk, maar pak het gerust op als je een jaar of vijftig of nog ouder bent, want een boek over: schrijven, verlies, betrokkenheid, empathie, opleven en dat bovendien prettig is geschreven doet vrijwel niemand kwaad.

vrijdag 13 februari 2026

Feest van het begin

 



Feest van het begin, door Joke van Leeuwen, won de AKO-literatuurprijs 2013. Dat is prettig. Het las als een goed jeugdboek,waarin het verhaal helder is, maar ook wat dun. Mogelijk liet het juryrapport zien waarom het 't beste is dat in dat jaar verscheen. Helaas is dat rapport onvindbaar.*

Nu zijn er destijds wel berichten geweest waarbij de jury uitgebreid is geciteerd, zoals hier: “Het winnende boek stelt universele vragen over schoonheid en waarheid; het leven fris aanvaarden met inbegrip van alle malheur. Deze auteur schrijft als een meesterlijk pianist die de toetsen lichtjes beroert.” Er zijn inderdaad zinnen die prachtig zijn en metaforen die klinken als een klok, er valt wat te overdenken, maar de universele vragen over schoonheid en waarheid? Het lijkt mij wat overtrokken. Af en toe hoor ik op de pagina's ook wel eens noten zonder kraak en zonder smaak.

Maar als een boek wint dan worden alle registers opengetrokken. 
Met een groot oog voor het miniemste detail weet Joke van Leeuwen een overweldigende achttiende-eeuwse wereld op te roepen, zo luidt de tekst. “Als een moderne Tsjechov tekent zij in enkele zinnen een compleet karakter. Een van haar hoofdpersonen is het naar taal hunkerende weeskind [vondelinge, MB] Catho, dat les krijgt van de uit haar familie verstoten non Berthe.” Toe maar haal er een Russische meester bij. Maar het is nog niet genoeg:
“(...) hoe kun je de toekomst overzien als je meegevoerd wordt door de stroom van gebeurtenissen die geschiedenis blijkt? Wat is wijsheid, wat schuld? De woorden waarin Van Leeuwen dit verhaal giet, roepen de associatie op met dauw die glanst in een web in de ochtendzon. Haar taal is ingetogen en fonkelt tegelijk. Dat contrast verraadt achter iedere zin een vulkaan aan betekenis. Feest van het begin toont ons, met immense verfijning, de morele vraagstukken van de geschiedenis.”
Op de site van de schrijfster zelf is het boek zeer kort aangeprezen als: “Een revolutie, een vondelinge, een pianofortebouwer en een beul.” Zo fijn kaal, een verademing naast de barokke prijsteksten.

In besprekingen ervan duikt het woord hoop regelmatig op. Die zit dan niet in de revolutie, maar in de relaties tussen mensen, met name in die – hoewel plots beëindigd – tussen Catho en Berthe.
     Anderzijds is de harde werkelijkheid heel duidelijk aanwezig, waar mensen nemen van anderen, hun goederen, hun huis en zonder liefde hun lijf, of zelfs hun hoofd. Er hangt een grimmige sfeer in de hoofdstad waar de rivier
“als een kromme ruggengraat doorheen loopt”.

Bijzonder is dat het boek de sfeer ademt van de revolutie in Parijs, want je waant je je als lezer in Frankrijk, zonder dat dit land of de stad genoemd wordt. Het speelt in een katholiek Europees land enige eeuwen geleden, waar de koning het onderspit delft en sprake is van een Nationale Vergadering. En inderdaad het schriftelijke LoI HAVO-geschiedenisonderwijs dat ik deed, begon met de Franse revolutie in 1789 en dat feest stuitte al snel op zijn grenzen. Als de guillotine dan ook opduikt dan doemen de verhalen over Robespierre onvermijdelijk op.

Om de doodstraf politiek correct te maken en voor allen hetzelfde, wordt besloten iedereen die tot de dood wordt veroordeeld om het leven te brengen door onthoofding. De beul zet de pianofortebouwer aan tot ontwerp en bouw van een valbijl om een snelle efficiënte dood mogelijk te maken. Die beul** vindt het naar werk, maar hij neemt zijn verantwoordelijkheid en vervult zijn plicht voor het vaderland. Die inzet behelst niet alleen de uitvoering, maar kennelijk ook de vormgeving van het beulswerk en de productie van de benodigde apparatuur. Inderdaad waar kennen we dit van.

Toch blijft het lezen als een jeugdboek. Is dat niet goed? Het is geweldig in zijn soort. Het is meeslepend, met ideeën en voorvallen die het leven verrijken. Met daarin de waarde van toenadering – ook als je beledigd bent – en de realiteit dat het niet altijd goed komt als je zelf goed doet. Een boek waarin levens bovendien met elkaar worden verbonden.
     Zover ik weet, kunnen de boeken van Van Leeuwen voor kinderen en jongeren vaak evengoed door volwassenen gelezen worden. Ook Feest... is een fijn boek om op de weg van een lezend leven tegen te komen, als jongere en ook later. 

Noten:
* De Boekenbon Literatuurprijs stond tot 2020 bekend als BookSpot Literatuurprijs, tot 2018 als ECI Literatuurprijs en tussen 2000 en 2014 als AKO Literatuurprijs, een naam die de prijs ook al had tussen 1986 en 1996. Daar tussendoor heette de prijs Generale Bank Literatuurprijs (1996-1999) en in 1999 de Fortis Literatuurprijs, maar onder die naam is de prijs nooit uitgereikt. De AKO-prijs website is verlaten en ook elders kan ik het juryrapport niet vinden.
** Geënt op Charles-Henry Sanson zoals weergegeven in Mémoires des Sanson, bezorgd door Henry Sanson in 1862.

vrijdag 6 februari 2026

How to be both



How to be both van Ali Smith begint met het doen en laten van de schilder Francesco del Cossa die bijna 600 jaar geleden leefde. Hij was volgens de roman vergeten, maar doordat hij zijn opdrachtgever de regionale heerser Borso d'Este, schriftelijk opslag vroeg en deze brief bewaard is gebleven, bleef zijn naam bekend en konden ook andere werken aan hem worden toegeschreven. Zijn grootste klus was beschilderen van een ruime in het Palazzo Schifanoia in Ferara.

Dat deed hij in de werkelijkheid samen met Cosmo (Cosimo Tura). Die speelt in het boek een rol op de achtergrond, en wordt genoemd als adviseur, leraar, hofschilder, en schilder van ander werk. In het geval van het paleis kwam hij twee keer kort “als een zwaan binnen gegleden en deed een kleinigheid,” zo vertelt Del Cossa in de roman.
       In het paleis komen later in de geschiedenis de goed bewaarde fresco's tevoorschijn van achter een laag verf die erover geschilderd was.
    Het roman personage Del Cossa verwijst regelmatig naar het boekwerk over schilderkunst van de grote Alberti (
De pictura van Leon Battista Alberti) die leefde van 1404 tot 1472.

Veel is er niet bekend over Del Cossa's leven, maar Smith put 
uitbundig uit wat voorhanden is. Die gegevens heeft ze aangepast en aangevuld met wat nodig was voor het verhaal. 
    Het werd voorzien van franje, zoals bij een bordeelbezoek waar hij de vrouw die voor hem gekozen was om 
seks mee te hebben – betaald door een bemiddelde vriend – in plaats daarvan tekende en hij naast haar in slaap viel. Het hele huis van plezier wilde vervolgens wel zo'n tekening en het maakte hem er immens populair. De meer gebruikelijke activiteiten in een dergelijke gelegenheid kwamen onvermijdelijk ook. 
     Dat Del Cossa zoon was van een vader die muren bouwde is dan weer aan de bekende geschiedenis ontleend. 

Vreemd is dat twee moderne jongeren naar het werk kijken en dat de schilder dit kon zien. Het meisje hield een plaat vast waarop liefdesperikelen te zien waren omgeven met muziekklanken en de afgebeelde personen dansende bewegingen maakten. Nu herkennen we daar meteen een mobieltje in met op het scherm een muziekclip. Del Cossa kende dat niet. Die jongen, wie was hij? Haar vriend? Haar broer? De schilder denkt het laatste.
     Veel meer dan sluimeren op de achtergrond doet deze magisch realistische aanwezigheid van jongen en meisje niet. Het draait vooral om de kunstenaar en zijn kunst. Het beschilderen van de ruimte in het paleis wordt beschreven met aandacht voor het werk en voor de details (waar het werk van Del Cossa en Tura inderdaad toe uitnodigt).
     In het tweede deel blijkt dat de twee jongeren samen met de moeder naar het paleis zijn afgereisd om het werk te bekijken.

Magisch lijkt ook de beschrijving van de reële aanwezigheid van een verbeelde creatie of persoon:
“Schilder een roos, een muntstuk, een eend of een baksteen en je zal het met zekerheid voelen alsof de munt een mond had en je vertelde wat het was om een geldstuk te zijn, alsof een roos je zelf verklaarde wat bloemblaadjes zijn, hun zacht- en vochtigheid als een vlies van kleur dunner en gevoeliger dan een ooglid, alsof een eend je vertelde over de natheid en de gelijktijdig droge onderliggende veren, of een baksteen over de ruwe kus van zijn huid.” Het is er niet echt, maar het schijnt wel zo.
     Die vermenging is ook aanwezig in de beschrijving van een geschilderde, aan de haak geslagen, en krachtige vis, waaraan de lijn moest worden doorgesneden, zodat de hij aan de vangst kon ontsnappen. “Juist daardoor is het de beste vis die ik ving, de vis die ik niet ving, omdat het de vis is die nu altijd bij me blijft en nooit gegeten zal worden, hij zal nooit sterven, zal nooit op het land belanden,” zei de schilder. De verbeelding werd tot werkelijkheid.
     Nog een voorbeeld van zijn en niet zijn. Hier in de vorm van een intellectueel spelletje. Wat was er eerst de ondergeschilderde fresco of de schildering daaroverheen? Volgens dochter George de onderste. Moeder betwijfelt dit want het eerste wat we zien is wat aan de oppervlakte ligt. Als we niet weten dat er iets onder is zou dat ook niet kunnen bestaan. De gesprekken tussen moeder en dochter zijn regelmatig op het scherpst van de spitsvondige snede en aangenaam om te volgen.

Allegory of May by Francesco del Cossa
Het opzoeken van de in het boek genoemde beelden “vergroot zeker het leesplezier, verrijkt de ervaring van het omgaan met de tekst, voegt een dimensie toe aan het puur verbale materiaal van het verhaal en zet op een andere manier de aandacht voor het zien voort die in het hele boek aanwezig is,” merkt Engelse literatuur wetenschapper Derek Attridge op (PDF, p . 172). Deze beelden zijn er gewoon, of ze nu op de omslag staan of – als je dat wilt – op te zoeken (voor werken van Cossa en Tura zie bijvoorbeeld hier). Daar is geen magisch realisme voor nodig. 

______
______

In het tweede deel zal de moeder overlijden en verwerkt George haar verdriet. Rouwverwerking is een gewild thema voor romans. Ook hier speelt het schijnbaar toevallig, zonder opdringerig te zijn, een grote rol. Beetje bij beetje wordt verwerkt dat moeder er niet meer is. Na verloop van tijd verschijnt weer een lach op George's gezicht.
      De overleden moeder was een econome, journaliste en Internet Guerilla Interventioniste. (Tegelijk met
How to be both las ik een boek over kunst-activisme en soms liepen beide boeken samen op, zoals bijvoorbeeld als in het tweede wordt beschreven hoe actiegroep fierce pussy taal ziet als een constant geschapen en herschapen wezen, dat lijkt te ademen. Door de moeder wordt taal in een dispuut met haar dochter neergezet als een levend en groeiend organisme.) 
      Moeder heeft wel meer van de activisten uit dat andere boek, ze schreef ook LIAR (LEUGENAAR) op een ruit van een restaurant boven het hoofd van een daar dinerende politicus of spindoctor; een van beide, welke van de twee, dat is vergeten.
      Ze dacht ook achtervolgt te worden. Of was de achtervolgster verliefd op haar en wilde die haar zien en ontmoeten. Is liefde eigenlijk altijd te herkennen? Als de vrouw 
naar het buitenland verdwijnt vraagt de dochter zich af of ze een goede vriendin of een geliefde van haar moeder ziet vertrekken?

Met de eerder gebruikte woorden 'begint' en 'tweede' verraad ik welke versie van de roman ik heb gelezen.
     De roman bestaat uit twee delen, beide één genoemd. In het ene is Del Cossa aan het woord en begint met een schets naar een fragment uit een schilderij van hem. In het andere deel, eveneens één, speelt de tiener de hoofdrol en daar staat de schets van een bewakingscamera naast de nummering ervan. (Die tekening geeft ook meer dan een hint naar een antwoord op de eerdere vraag omtrent liefde of controle. De afgebeelde camera wijst immers op observatie en de moeder is niet paranoïde, maar terecht op haar hoede voor de achtervolgster.)
     Twee maal een eerste deel, betekent dat de lezer zelf mag beslissen waar het lezen begint; halverwege of voorin. De meeste mensen zullen het laatste kiezen. Maar
How to be both ishoe treffendook nog eens uitgeven in twee versies. Daarin zijn de delen van plek verwisseld. “Dit klinkt als een roman vol postmoderne gimmicks, maar Smith brengt het zowel fantastisch complex als ongelooflijk ontroerend,” schreef recensent Ron Charles met betrekking tot dit aspect.

Het roept onvermijdelijk de gedachte op hoe de roman beleefd wordt in de andere volgorde. In de schilder-eerst versie komen de schimmen pas in het tweede deel uitgebreid tevoorschijn. De schilder blijft iets geheimzinnigs houden, terwijl de moeder, zoon en vooral dochter uitgewerkt worden. Deze volgorde lijkt me daarom het mooist. 
 In 'de andere versie' krijgen George, haar moeder en broer 'gewoon' de overhand, omdat de lezer als eerste kennis maakte met hen. Maar zeker weten zal die dat nooit. De kans op die eerste indruk is immers verkeken.
     Hoewel muziek in de geest andere snaren raakt dan tekst, is de indruk van een eerste volgorde toch enigszins te vergelijken met het voor het eerst horen van een aansprekend muziekstuk, waardoor een uitvoering met andere musici daarna vaak minder klinkt dan wat eerst kwam. 
     Het is door deze bijzondere contructie wel een boek om twee keer smaakvol je tanden in te zetten.