vrijdag 6 maart 2026

Samarkand

 


De eerste helft van Samarkand speelt in de 11e eeuw. Het is geschreven door Amin Maalouf*, een schrijver van Jordaanse origine, in Parijs woonachtig.
     In het zog van de dichter en wetenschapper Omar Khayyam reist de lezer van Samarkand naar Isfahan. Omar verblijft als een gast aan hoven en betaalt die gastvrijheid met zijn eruditie. Als man van de wetenschap in tijden dat dogmatisch religieus denken alom was, houdt hij houdt er voor velen omstreden standpunten op na. Als de grond door gestook tegen zijn persoon te heet wordt onder zijn voeten dan vlucht hij. Zo komt hij terecht in Bagdad en allerlei andere steden. Hoe ouder hij wordt, des te vaker wordt hij uit fatsoen ontvangen, maar is dan toch niet echt welkom.
     Zijn geboorte plaats Nishapur wordt uiteindelijk zijn laatste vluchtoord en de plaats waar hij begraven wordt “daar waar de noordenwind de bloemen iedere lente uiteen blaast.”

Omar Khayyam is schrijver van het met miniaturen versierde (Samarkand) Manuscript met roebaijjat (kwartrijnen) van zijn hand. Na zijn dood werd in de kantlijn zijn levensloop geschreven. Dit fictieve boek speelt in Samarkand de hoofdrol, waar de vertelling omheen is gevlochten. Dat betekent niet dat de roman een stoffig bibliofiel verhaal vertelt. Nee ze barst juist van het avontuur en ontwikkelingen. De Seltsjoeken stichten in de 11 eeuw een een enorm Islamitisch rijk dat liep van de Middellandse Zee tot voorbij Tibet. De lezer wordt mee genomen naar die tijd en dat gebied.**

Avontuur
Het boek is geschreven als een historisch avontuur. De Teljuks bestreden de ismaïlitische stroming van de Islam en worden op hun beurt dan weer geterroriseerd door de ismaïlieten. Die vonden volgens de roman, anders dan andere shi'íten, dat ze hun hun plaats moesten bevechten. Door de knoet die de Soenitische Seltsjoeken op hen loslieten, moesten zij zich terugtrekken en kwamen zo in een onneembare burcht in Alamut terecht. Van daaruit begonnen ze met zelfmoordaanslagen. Dit wordt beschreven in het tweede deel van het (uit vier delen bestaande) boek: Paradise of the Assassins.
     Op zijn tocht van Samarkand naar Isfahan komt Omar de eveneens onderweg zijnde Hassan Sabbah tegen en introduceert hem kort daarop bij de sultan Alp Arslan voor een functie als spion voor het hof. Zo hoeft Omar dit niet zelf te doen en creëert hij toch geen afstand tot de heerser door zijn afwijzing. De geleerde weet dan nog niet dat Sabbah ismaïliet is. De volgende intriges aan het hof zorgen ervoor dat Sabbah het aflegt tegen de vizier Nizam al-Mulk en uiteindelijk moet verdwijnen en in Alamut zijn positie gaat opbouwen.
    Terken Khatun, de vrouw van Malikshah (zoon en opvolger van Arslan) heeft haar man onder controle en gebruikt die macht om haar eigen positie en die van haar kinderen te versterken. Daarbij passeert ze de kinderen van andere vrouwen van de sultan. Dat leidt tot comflict en een forse gewapende strijd.
     Sabbah neemt ondertussen 6 september 1090 het fort Alamut op brutale wijze in. Zonder listigheid is een vrijwel onneembaar fort immers niet te veroveren. Het conflict tussen hem en al-Mulk blijft bestaan. De tweede wordt uiteindelijk gedood bij een aanslag op instigatie van Sabbah.
     De band van Omar met Sabbah, gecombineerd met zijn sceptische en onderzoekende houding, wordt uitgelegd als ongelovigheid en hem nagedragen en ingezet om zijn positie als wetenschapper aan te tasten.
     In grote lijnen zijn dit historische ontwikkelingen die de bedding voor de eerste helft van het verhaal vormen.
Nizam of Machiavelli
Nizam speelt er een belanrijke rol in. Ergens wordt een werk (Siyasset-Nameh/Siyasatnama) van hem vergeleken met De Vorst van Machiavelli. Als we de aandachdt voor beide boeken afmeten aan het aantal talen waarin wikipedia pagina's er aandacht aan geven (16:76) dan is dit in het voordeel van De Vorst. Maalouf denkt daar anders over en tekent in zijn roman op: “De Vorst is het werk van man teleurgesteld in de politiek en verhinderd om macht te hebben, terwijl de Siyasset-Nameh de vrucht is van de onvervangbare ervaring van de bouwer van een rijk.”
     Los van een romantisering, brengt het boek een geschiedenis dichterbij die voor veel Europeanen op grote afstand staat. De historie zo meenemen in de roman zou tot een stroperig verhaal kunnen leiden, waarin de feiten als een brei over de lezer worden uitgestort. Maalouf vertelt in het ruim 300 pagina's omvangrijke boek echter een krachtig verhaal over macht, intriges, en met nu-en-dan een veldtocht. Maar er worden ook prachtige kleuren geschilderd van steegjes in de steden, de paleizen en tuinen. Het landschap blijft wat onderbelicht en komt als het een functie heeft voor in het verhaal, zoals de rivier die zo woest is dat hij niet doorwaadbaar is en daarmee veiligheid biedt tegen oprukkende legers.
Uiteindelijk wordt Alamut dat er achter ligt halverwege de 13e eeuw toch vernietigd door de De Mongolen en de bibliotheek wordt in brand gestoken. Het manuscript van Khayyam is dan al meegenomen en zo ontsnapt aan de vlammen.

ɸ ɸ ɸ ɸ

In de volgende twee delen gaat verteller Bejamin O. Lesage naar Iran op zoek naar het boek van de schrijver waaraan hij de O. in zijn naam te danken heeft. Daarbij krijgt hij hulp van revolutionair Jamaladin. Jamaladin was in Iran door de sjah een invloedrijke positie aangeboden. Hij had geantwoord dit alleen te willen doen als: er een grondwet zou komen, verkiezingen zouden worden gehouden, gelijkheid in de wet vastgelegd, en buitensporige gunsten aan buitenlandse machten ingetrokken zouden worden. Na zoveel brutaliteit kon hij vertrekken. Daarna leefde hij gedwongen in Istanboel in een riante woning van de Sultan; een huis waar hij gasten ontving, maar dat hij niet mocht verlaten. Deze democraat geeft Lesage aanbevelingsbrieven mee die zijn gericht aan de geradicaliseerde Mirza Reza en de rijke Iraanse zakenman Fazel, die beide in Iran leven.
     Benjamin vertrekt naar het land en ontmoet er na een lange reis beide. Mirza vermoord vervolgens de sjah met een pistoolschot. Hij wordt gearresteerd en heeft de brief van Jamaladin met daarin Lesage naam in zijn zak. Die moet om zijn hachie te redden het land verlaten en krijgt daarbij hulp van prinses Shireen (een fictieve kleindochter van de Sjah). De prinses had hij al gezien toen hij de woning van Jamaladin in Istanboel bezocht en hij was meteen voor haar uiterlijk gevallen. Zo zit er weer een vleug liefdesgeschiedenis in Samarkand. De vorige amoureuze handelingen speelden tussen Omar en dichteres Jahan, zowel in Samarkand als Isfahan. Jahan zag het manuscript in het begin van hun relatie als rivale binnen hun liefdesaffaire, al waren voor hen de gedichten stof voor gesprek. (Jahan verbaasde zich wel over de versvorm, de rubaiyaat was een volkse versvorm. Paste dit Omar wel?)
    Ook de relatie tussen Prinses Shireen en Lesage draaide om het boek van Omar Khayyan. Dat boek zou samen met hen Iran verlaten. En vervolgens met de Titanic verdwijnen naar de boden van de Atlantische Oceaan. Die laatste rustplaats van het manuscript staat al in de eerste zin van het boek. Hoe het daar terecht komt beschrijft het laatste deel van de roman, A Poet at Sea.

Constitutionele Revolutie

Benjamin gaat tussen de twee bezoeken door weer terug naar Annapolis, nabij Washington. Hij en Shireen gaan corresponderen. De prinses schrijft droogjes dat ze het manuscript gevonden heeft tussen de bezittingen van Mirza Reza en ze vraagt wanneer Benjamin terug naar Perzië komt. Het zal nog jaren duren. Als hij gaat, komt hij weer in onstuimige omstandigheden terecht; Iran’s Constitutionele Revolutie (1905-11) is begonnen.
     Op instigatie van het buurland Rusland wordt de democratische oppositie in het huidige Iran bestreden. Op 23 juni 1908 vernietigen de Russen het Parlementsgebouw. De oppositie wint toch de strijd. Die draaide niet alleen om het beëindigen van de heerschappij van de Sjah, maar vooral om vrijheid en democratie. Het vernietigde Parlementsgebouw werd later weer opgebouwd.
     Om de financiële staatshuishouding op orde te krijgen – en niet iedereen zal deze positieve noot waarderen, zeker gezien de illegale militaire interventie in de lente van 2026 – wordt Morgan Shuster uit de Verenigde Staten binnengehaald. Die doet zijn werk goed en buigt niet voor machten zonder democratische bevoegdheden, zoals die van Rusland en Engeland. Dat gaat niet goed. De Russen zorgen er met steun van de Britten voor dat Shuster het land moet verlaten en plaatsen de Iraanse politiek onder hun toezicht. De Iraanse bestuurlijke en sociaal economische ontwikkelingen komen vervolgens terecht in een metaforische tornado. Buitenlandse machten en Iran, ze gaan slecht samen en leiden binnenlands tot meer narigheid dan geluk.
     Het boek verscheen nog geen tien jaar na de Iraanse revolutie van 1979 en moet zeker in dat licht gelezen worden. Opvallend is bijvoorbeeld de opmerking van prinses Shireen: “Als de revolutie slaagt dan moeten de mullahs zich omscholen tot democraten; als het faalt dan moeten de democraten zich veranderen in mullahs.” Het gaat hier om de situatie eind 19e eeuw, maar de het roept toch parallellen met ruim tachtig jaar later op. 

ɸ ɸ ɸ ɸ

Samarkand is een meeslepend verhaal waarin feit (tot op de dagen van de week nauwkeurig) en fictie vermengd worden. Zo nu en dan bekruipt je het gevoel dat je de wondere wereld van het Oosten wordt voorgeschoteld en nog net de olielampen, waarover gewreven moet worden, ontbreken. Dat de schrijver zelf uit het nabije Oosten komt, neemt al iets van het schurende weg. Dat een groot deel van het boek verteld wordt door een man die genoemd is naar de dichter, omdat in de jaren rondom zijn geboorte een boek over Omar Khayyam furore maakte, juist vanwege het modieuze oriëntalisme van eind 19e eeuw maakt de beschrijvingen van intriges aan prachtige hoven, de 1001-nachtsfeer en citaten als: “De geheimen van de prinses interesseren me niet. Die branden de oren van hen die er naar luisteren,” steekhoudend en geeft er vooral een stilistische en inhoudelijke reden voor.
    Maar meer dan dit onbehagen blijkt dat ik veel van de passerende zaken voor het eerst lees en blijkbaar slecht op de hoogte ben, ook van de recente geschiedenis van een land dat regelmatig en dan volop in de belangstelling staat binnen de Westerse politiek.
    Ongemakkelijk werd ik ook van de beschrijving hoe O. Lesage zoon werd gemaakt van een vrouw in een huis waar hij tijdens zijn vlucht na de aanslag op de sjah bescherming zocht. De vrouw des huizes liet hem daartoe in het bijzijn van haar twee dochters aan haar ontblote tepels zuigen. In de daarop volgende tekst wordt opgemerkt: “De ceremonie leek me destijds zowel ontroerend als grotesk”. Blijkbaar twijfelde de schrijver zelf ook aan dit door hem opgediste tafereel, waardoor Lesage toegang kreeg tot de ongesluierde vrouwen in hun onderkomen. Het belet hem niet om deze mannenfantasie te laten staan. En weerhoudt hem er ook niet van om de opname in het vrouwenverblijf te beschrijven als een ervaring die inzicht heeft gegeven in de Oriënt. Dat lijkt alleen op het eerste gehoor mooi,** maar je hebt wel een erg ruime beugel nodig om dit te laten passeren. Niettemin heb ik het boek toch overwegend met plezier gelezen.

Noot:
* Bij de naam van de schrijver moest ik meteen aan trompestist Ibrahim Maalouf denken. En inderdaad stuitte ik er bij een laatste redactie op dat de schrijver de oom is van de blazer op het koperen instrument met de vier kleppen, die jazz speelt voor een breed publiek.
** 
Om de avontuurlijkheid te onderstrepen, tijdperk en locatie werden ook deel van de verhaallijn van de game Assasin Creed.
*** In een interessant en naast het boek aan te raden academisch werkstuk (“(En)gendering Orientalism: The Representation of Women in Amin Maalouf’s Samarkand”) gaat de Engelse literatuur student Hussan Helmy dieper in op deze kwestie en de rol die het oriëntalisme en vrouwen in het boek spelen. Hij beschrijft de positieve kanten eraan, maar ook de negatieve typeringen en de gebrekkige invloed op het verhaal dat de vrouwen hebben en dat hun rol toch vaak bedoeld is om de mannelijke heteroseksuele lezer te bekoren. De 'ceremonie' staat ook hem tegen en hij werkt uit waarom deze een irreële fantasie is.

vrijdag 27 februari 2026

Hertog van Egypte


Met
Hertog van Egypte (1996) schreef Margriet de Moor een boek over een paardenfokkerij in de achterlanden van Twente, een liefdesaffaire tussen een roodharige boerendochter en roma Joseph Plato. Plus de omzwervingen van Balkan tot Nederland door die laatste.
    De roman beschrijft ook het leven van de roma; van de eersten die in 1422 in Deventer aankwamen; via de zestien vrouwen en veertien mannen 
die terugkwamen in 1945 en die eerder door de Nazi's werden opgepakt (geen kind had het overleefd); naar een van hen die op het laatste moment aan de deportatie onsnapte en die tot het eind van de eeuw leefde en als Joseph centraal staat in het boek.

Een jaar voordat de roman in 1996 verscheen zat ik in Nijmegen tijdens een feest aan tafel met een Indiase onderzoekster die de taal van de roma bestudeerde die meegenomen werd uit haar moederland en die zij nog kon verstaan. De herinnering komt boven als in de roman de vraag wordt gesteld en beantwoord: “Zijn wij van oorsprong Syriërs?Kanaänieten? Mijne waarde heren uit de feiten vol hiaten kan ik u die over Indië niet onthouden, omdat langs de bovenloop van de Indus tot op heden onze taal wordt verstaan, verstaan en gesproken.” Zoals ook die onderzoekster destijds vertelde.

Ook deze roman is een studie. Een studie naar het leven van de mensen die als scharenslijpers, muzikanten, landbouwkrachten, dakdekkers en handelaars door Europa trokken; niet als vertegenwoordigers van de wereldcultuur, maar als “experts in de dialectiek van logica en zinsvervoering.” Wat opvalt is dat ze in de roman gewaardeerd worden, maar dat ze eveneens getreiterd worden, opgespoord, achtervolgd en weggejaagd door het zogenaamde gezag. Politie en Marechaussee schenen er plezier in te hebben; het is treiteren in het kwadraat en onvergelijkelijk met het gewone pesten. Eeuwenlange politiecontroles gaan immers onder de huid van het individu, en onder de huid van de groep zitten.
     In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog wordt binnen het Nederlandse bestuur naar een 'oplossing voor het zigeuner probleem' gezocht. Samenbrengen in een paar kampen, zo wordt bedacht. De Duitsers doen het drastischer met hulp van de Nederlandse arm der wet en een in de roman zeer knap beschreven verraadster. Er klonken: 
Harde stemmen, geen Duitse, gewoon Nederlandse stemmen, gewoon de stemmen van de Nederlandse politi. Gedreun  op de woonwagendeuren. Na de oorlog werden de centrale kampen voor roma en sinti in Nederland voorzien van voldoende fasciliteiten en begeleiding, weer beschaafd gemaaktd, maar met als doel de bewoners te disciplineren.

In de jaren zestig van de vorige eeuw begint het verhaal van de boerendochter Lucie samen te komen met dat van Joseph. Hij kwam aan de bar zitten van café De Kraan in het fictieve Benckelo “en rondjes geven met het air van iemand die wel gunsten bewijst, maar geen dank aanvaardt.” Hij is de man waar de vrouw met de koperen krullen meteen van houdt, mee zal trouwen, en kinderen mee krijgt. Samen zetten ze een succesvolle paardenfokkerij op voor het luxepaard. Ze anticiperen daarmee op een ontwikkeling. De boerenpaarden verdwijnen langzaam uit het landschap en rij-, draf- en springpaarden komen op. Van een volgende stap: sierlijke paarden voor een span, is pas aan het einde van de roman sprake. Joseph is de zoon van vader Jannosch, die het verraad van een illegale vergadering op de boerderij van Lucies vader tijdens de Tweede Wereldoorlog niet overleefde. Zijn stem verhaalt met een soort galgenopgewektheid hoe hij aan zijn einde is gekomen. Boer Gerard is er nog steeds woedend over. Wie eigenlijk niet?!

Het boek staat bol van de vertelstemmen om ons door de geschiedenis en half Europa te loodsen. De vertellers zijn een deel van de verhaalconstructie die het boek, schijnbaar contradictoir, tot meer dan een vertelling maakt.

In de Tweede Wereldoorlog oorlog komen we als lezers ook in Kroatië en Servië terecht. Waar cetniks en oestasja's zich schuldig maken aan het sadistisch vermoorden van roma. Vooral een voorval in Kroatië nabij het concentratiekamp Jasenovac wordt uitgebreid beschreven: “de kinderen werden haastig neergestoken,” de volwassenen kwamen beroerder aan hun einde. Opmerkelijk is dat de stad waar dit enige niet door Duitsers geleidde (maar door het Kroatische oestasja regime) zeer grote concentratiekamp in Europa genoemd wordt in een boek dat uitkomt als de burgeroorlog tussen Servië en Kroatië nog gaande is. Hertog van Egypte geeft zo een historische vingerwijzing bij de extreme politieke ideologieën die er hebben rondgewaard.

De Moor stapt in haar roman ook nog verder terug in de tijd, om met een brede blik naar de geschiedenis te kijken on het gewelddag in de hoek drijven, inclisief de brrandstapel, context te geven: 

“Die dingen gaan altijd sluipend. Er is een beetje overlast, een beetje antipathie, maar ineens gaan ze overal aanplakken dat alle bedriegers die bekend staan als Bohemers en Egyptiërs het land uit moeten: we zijn dan in de zestiende eeuw. Humanistisch Europa bouwt, legt droog, ontgint. Het kijkt geïrriteerd naar een bepaald soort mensen dat daar helemaal niet ondersteboven van is en roept om meer politie. (…) Vanaf nu wordt er gebrandmerkt, gegeseld, het rechteroor afgesneden en tevens het linker van wie zich opnieuw vertoont. Vanaf nu, en in de eeuwen die volgen, hebben ze het over een zigeunervraagstuk.”
Elders wordt gesteld: “Een mensenjacht krijg je nooit zomaar van de grond. Voor een grootscheepse opruiming zijn theorieën of op zijn minst hogere motieven nodig.” Zo worden de verre voorouders van Joseph in 1726 bij Eerbeek opgepakt tijdens de bestrijding van de zogenaamde heidenplaag, waarbij het toegestaan was over grenzen heen mensen na te jagen, te vangen, te ondervragen en op te knopen. En dat alles in de zogenaamde “kosmopolitische republiek, waar buitenlandse schrijvers en filosofen zeer hartelijk werden begroet, waar boeken die in Spanje, Italië en Frankrijk verboden waren rustig konden verschijnen, de tolerante republiek van nog altijd zeer rijke kooplieden begon een oorlog tegen een groep vagebonden die in een sfeer van meedogenloze vervolging inderdaad erg lastig was geworden.”
     Hier wordt bladgoud afgekrapd van de lijst om de trotse Nederlandse liberale geschiedenis en juist de voorbereiding alhier van de vernieiting door de Nazi's in de verf gezet.

Het boek trok nationaal en internationaal de aandacht: Door haar verteltechniek kan de schrijfster over de levens van haar personages vertellen, maar ook schandelijke periodes onthullen uit de Nederlandse geschiedenis,” werd in Magyar Nemzet (Hongaars Dagblad) gesteld. Verrukt legde ik het weg, merkt een recensent in L’Express op. Verrukt? Eerder voelde ik me weer op mijn plaats gezet als inwoner van een land en continent dat vooral in naam moreel hoogstaand is, maar feitelijk het laagste van het laagste accepteerde, faciliteerde en vergat als dat beter uitkwam.
     Toch is Hertog van Egypte geen pamflet, maar een knap gecomponeerde roman, met een verhaal waarin een onderdrukte minderheid in Nederland het in de hoek drijven op de koop toe neemt, maar niet tegen de grofste zaken is opgewassen.
     In het boek wordt ook gezocht naar een verklaring voor het venijnige en destructieve dat over sommige mensen hangt en vindt die gedeeltelijk ook; niet om dat gedrag goed te praten, juist niet (er is niet altijd een verklaring vanuit de rede), maar om het te begrijpen.

“Geen verhaal wordt ooit verteld omwille van de afloop. Niemands leven valt samen met het einde,” dat zijn woorden die de met tragiek gevulde heftige bladzijden van het boek onderstrepen en duidelijk maken dat mensen als mens gezien moeten worden en beschouwd op wat ze doen en op wie ze zijn. Daarom vertelt de schrijfster verhalen. Het is een vroege roman van De Moor, maar het wel waard herlezen te worden, al is het maar als waarschuwing dat je niet mee moet gaan met de wende naar rechts zoals die nu weer wordt ingezet in de internationale, maar ook Nederlandse, politieke arena. Sterker nog verzet daartegen is nodig. Er zullen ook mensen zijn die dit boek eenvoudigweg verlaten “zoals het paard in een woeste galop: verrukt.” Die merken dan het pamflet - dat er toch ook wel in verborgen zit - en de uitermate pijnlijke geschiedenis blijkbaar nog steeds niet op.



vrijdag 20 februari 2026

Hoe ik per ongelukt een boek schreef



Hoe ik per ongelukt een boek schreef is een verhaal door Annet Huizing. In de versie die ik uit een weggeefkast haalde, zit een uitgebreide opdracht – of eigenlijk twee – aan 'Wie dit leest' door ♥juf Nanette. De woorden komen erop neer dat ze hoopt dat de ontvanger door het lezen nog meer gaat genieten van het schrijven, en “moeder een heel dikke knuffel geeft.” Beide wensen volgen uit de inhoud van het boek.

Om te beginnen het eerste deel van de opdracht. Katinka is 13 jaar en wil beter leren schrijven. Aan de overkant van de straat woont een zestig jaar oude schrijfster, Lidwien. Die geeft schrijfles. Als de tiener vraagt of ze mee mag doen aan de cursus, dan zegt Lidwien dat het niets voor haar is tussen al die middelbare vrouwen. Ze mag wel op vrijdagmiddag komen. 'Ha privéles', denkt Katinka. In ruil daarvoor kan ze helpen in de tuin. Ze gaat trouw en krijgt commentaar, tips en kritiek.

Zo wordt ook de lezer langs verschillende elementen van het schrijven gevoerd, zoals de volgorde van het verhaal (begin met wat spannend is), show don't tell, over cliffhangers, laat zien wat niet gezegd wordt, geef feiten, speel met volgordes binnen zinnen, verdiep je in mensen, kijk zo nodig uit hun perspectief en zo nog een hele trits andere aanwijzingen. Lidwien geeft daar vaak heldere voorbeelden bij. Woorden 
zoals wolkbreuk worden geproefd. Dat is immers een vreemd woord. Kan zo'n zachte wolk wel breken? Intussen groeit er ook een stevige vriendschap tussen de twee.

Katinka gaat oefenen met schrijven en doet dat door te laten zien hoe Dirkje bij hun thuis terecht kwam. Ze ontmoetten haar op de veerboot van Terschelling naar het vaste land. Papa Hein, broer Kalle en zij moesten van Harlingen terug naar Hilversum en Dirkje naar Utrecht. Ze kon dus een flink stuk meerijden. Het gevolg: voorlopig zou ze niet meer uit het leven van het gezin verdwijnen. Moeder Louise van  Katinka en Kalle, was tien jaar eerder overleden. Dirkje was niet de eerste vriendin daarna, maar vader leefde met haar wel weer op. Tussen Katinka en Dirkje gaat het fantastisch. Totdat het klapt. Het is een dramatic turning point dat ook als schrijfelement door Lidwien wordt genoemd. 

Als je het boek uit hebt, heeft Katinka terloops haar eerste boek geschreven en heeft haar dode moeder een plaats gekregen. En daarmee is het ook een middel om rouw te verwerken. In het verhaal is een opdracht verwerkt die Lidwien schreef voorin Het geheim van de schrijver, van Renate Dorrestein. Ze deed Katinka het boek, inclusief opdracht kado:
Voor Katinka. Pagina 229, zesde regel van onderen. Doorgaan dus. Lidwien.
(Daar staat: maar bovenal is talent het vermogen je niet door twijfel uit het veld te laten slaan.)
Het boek heeft de NUR-code 283. Dat betekent dat het fictie is voor kinderen van 10 tot 12 jaar. Voor jongeren en jong volwassenen is het mogelijk te kinderlijk, maar pak het gerust op als je een jaar of vijftig of nog ouder bent, want een boek over: schrijven, verlies, betrokkenheid, empathie, opleven en dat bovendien prettig is geschreven doet vrijwel niemand kwaad.

vrijdag 13 februari 2026

Feest van het begin

 



Feest van het begin, door Joke van Leeuwen, won de AKO-literatuurprijs 2013. Dat is prettig. Het las als een goed jeugdboek,waarin het verhaal helder is, maar ook wat dun. Mogelijk liet het juryrapport zien waarom het 't beste is dat in dat jaar verscheen. Helaas is dat rapport onvindbaar.*

Nu zijn er destijds wel berichten geweest waarbij de jury uitgebreid is geciteerd, zoals hier: “Het winnende boek stelt universele vragen over schoonheid en waarheid; het leven fris aanvaarden met inbegrip van alle malheur. Deze auteur schrijft als een meesterlijk pianist die de toetsen lichtjes beroert.” Er zijn inderdaad zinnen die prachtig zijn en metaforen die klinken als een klok, er valt wat te overdenken, maar de universele vragen over schoonheid en waarheid? Het lijkt mij wat overtrokken. Af en toe hoor ik op de pagina's ook wel eens noten zonder kraak en zonder smaak.

Maar als een boek wint dan worden alle registers opengetrokken. 
Met een groot oog voor het miniemste detail weet Joke van Leeuwen een overweldigende achttiende-eeuwse wereld op te roepen, zo luidt de tekst. “Als een moderne Tsjechov tekent zij in enkele zinnen een compleet karakter. Een van haar hoofdpersonen is het naar taal hunkerende weeskind [vondelinge, MB] Catho, dat les krijgt van de uit haar familie verstoten non Berthe.” Toe maar haal er een Russische meester bij. Maar het is nog niet genoeg:
“(...) hoe kun je de toekomst overzien als je meegevoerd wordt door de stroom van gebeurtenissen die geschiedenis blijkt? Wat is wijsheid, wat schuld? De woorden waarin Van Leeuwen dit verhaal giet, roepen de associatie op met dauw die glanst in een web in de ochtendzon. Haar taal is ingetogen en fonkelt tegelijk. Dat contrast verraadt achter iedere zin een vulkaan aan betekenis. Feest van het begin toont ons, met immense verfijning, de morele vraagstukken van de geschiedenis.”
Op de site van de schrijfster zelf is het boek zeer kort aangeprezen als: “Een revolutie, een vondelinge, een pianofortebouwer en een beul.” Zo fijn kaal, een verademing naast de barokke prijsteksten.

In besprekingen ervan duikt het woord hoop regelmatig op. Die zit dan niet in de revolutie, maar in de relaties tussen mensen, met name in die – hoewel plots beëindigd – tussen Catho en Berthe.
     Anderzijds is de harde werkelijkheid heel duidelijk aanwezig, waar mensen nemen van anderen, hun goederen, hun huis en zonder liefde hun lijf, of zelfs hun hoofd. Er hangt een grimmige sfeer in de hoofdstad waar de rivier
“als een kromme ruggengraat doorheen loopt”.

Bijzonder is dat het boek de sfeer ademt van de revolutie in Parijs, want je waant je je als lezer in Frankrijk, zonder dat dit land of de stad genoemd wordt. Het speelt in een katholiek Europees land enige eeuwen geleden, waar de koning het onderspit delft en sprake is van een Nationale Vergadering. En inderdaad het schriftelijke LoI HAVO-geschiedenisonderwijs dat ik deed, begon met de Franse revolutie in 1789 en dat feest stuitte al snel op zijn grenzen. Als de guillotine dan ook opduikt dan doemen de verhalen over Robespierre onvermijdelijk op.

Om de doodstraf politiek correct te maken en voor allen hetzelfde, wordt besloten iedereen die tot de dood wordt veroordeeld om het leven te brengen door onthoofding. De beul zet de pianofortebouwer aan tot ontwerp en bouw van een valbijl om een snelle efficiënte dood mogelijk te maken. Die beul** vindt het naar werk, maar hij neemt zijn verantwoordelijkheid en vervult zijn plicht voor het vaderland. Die inzet behelst niet alleen de uitvoering, maar kennelijk ook de vormgeving van het beulswerk en de productie van de benodigde apparatuur. Inderdaad waar kennen we dit van.

Toch blijft het lezen als een jeugdboek. Is dat niet goed? Het is geweldig in zijn soort. Het is meeslepend, met ideeën en voorvallen die het leven verrijken. Met daarin de waarde van toenadering – ook als je beledigd bent – en de realiteit dat het niet altijd goed komt als je zelf goed doet. Een boek waarin levens bovendien met elkaar worden verbonden.
     Zover ik weet, kunnen de boeken van Van Leeuwen voor kinderen en jongeren vaak evengoed door volwassenen gelezen worden. Ook Feest... is een fijn boek om op de weg van een lezend leven tegen te komen, als jongere en ook later. 

Noten:
* De Boekenbon Literatuurprijs stond tot 2020 bekend als BookSpot Literatuurprijs, tot 2018 als ECI Literatuurprijs en tussen 2000 en 2014 als AKO Literatuurprijs, een naam die de prijs ook al had tussen 1986 en 1996. Daar tussendoor heette de prijs Generale Bank Literatuurprijs (1996-1999) en in 1999 de Fortis Literatuurprijs, maar onder die naam is de prijs nooit uitgereikt. De AKO-prijs website is verlaten en ook elders kan ik het juryrapport niet vinden.
** Geënt op Charles-Henry Sanson zoals weergegeven in Mémoires des Sanson, bezorgd door Henry Sanson in 1862.

vrijdag 6 februari 2026

How to be both



How to be both van Ali Smith begint met het doen en laten van de schilder Francesco del Cossa die bijna 600 jaar geleden leefde. Hij was volgens de roman vergeten, maar doordat hij zijn opdrachtgever de regionale heerser Borso d'Este, schriftelijk opslag vroeg en deze brief bewaard is gebleven, bleef zijn naam bekend en konden ook andere werken aan hem worden toegeschreven. Zijn grootste klus was beschilderen van een ruime in het Palazzo Schifanoia in Ferara.

Dat deed hij in de werkelijkheid samen met Cosmo (Cosimo Tura). Die speelt in het boek een rol op de achtergrond, en wordt genoemd als adviseur, leraar, hofschilder, en schilder van ander werk. In het geval van het paleis kwam hij twee keer kort “als een zwaan binnen gegleden en deed een kleinigheid,” zo vertelt Del Cossa in de roman.
       In het paleis komen later in de geschiedenis de goed bewaarde fresco's tevoorschijn van achter een laag verf die erover geschilderd was.
    Het roman personage Del Cossa verwijst regelmatig naar het boekwerk over schilderkunst van de grote Alberti (
De pictura van Leon Battista Alberti) die leefde van 1404 tot 1472.

Veel is er niet bekend over Del Cossa's leven, maar Smith put 
uitbundig uit wat voorhanden is. Die gegevens heeft ze aangepast en aangevuld met wat nodig was voor het verhaal. 
    Het werd voorzien van franje, zoals bij een bordeelbezoek waar hij de vrouw die voor hem gekozen was om 
seks mee te hebben – betaald door een bemiddelde vriend – in plaats daarvan tekende en hij naast haar in slaap viel. Het hele huis van plezier wilde vervolgens wel zo'n tekening en het maakte hem er immens populair. De meer gebruikelijke activiteiten in een dergelijke gelegenheid kwamen onvermijdelijk ook. 
     Dat Del Cossa zoon was van een vader die muren bouwde is dan weer aan de bekende geschiedenis ontleend. 

Vreemd is dat twee moderne jongeren naar het werk kijken en dat de schilder dit kon zien. Het meisje hield een plaat vast waarop liefdesperikelen te zien waren omgeven met muziekklanken en de afgebeelde personen dansende bewegingen maakten. Nu herkennen we daar meteen een mobieltje in met op het scherm een muziekclip. Del Cossa kende dat niet. Die jongen, wie was hij? Haar vriend? Haar broer? De schilder denkt het laatste.
     Veel meer dan sluimeren op de achtergrond doet deze magisch realistische aanwezigheid van jongen en meisje niet. Het draait vooral om de kunstenaar en zijn kunst. Het beschilderen van de ruimte in het paleis wordt beschreven met aandacht voor het werk en voor de details (waar het werk van Del Cossa en Tura inderdaad toe uitnodigt).
     In het tweede deel blijkt dat de twee jongeren samen met de moeder naar het paleis zijn afgereisd om het werk te bekijken.

Magisch lijkt ook de beschrijving van de reële aanwezigheid van een verbeelde creatie of persoon:
“Schilder een roos, een muntstuk, een eend of een baksteen en je zal het met zekerheid voelen alsof de munt een mond had en je vertelde wat het was om een geldstuk te zijn, alsof een roos je zelf verklaarde wat bloemblaadjes zijn, hun zacht- en vochtigheid als een vlies van kleur dunner en gevoeliger dan een ooglid, alsof een eend je vertelde over de natheid en de gelijktijdig droge onderliggende veren, of een baksteen over de ruwe kus van zijn huid.” Het is er niet echt, maar het schijnt wel zo.
     Die vermenging is ook aanwezig in de beschrijving van een geschilderde, aan de haak geslagen, en krachtige vis, waaraan de lijn moest worden doorgesneden, zodat de hij aan de vangst kon ontsnappen. “Juist daardoor is het de beste vis die ik ving, de vis die ik niet ving, omdat het de vis is die nu altijd bij me blijft en nooit gegeten zal worden, hij zal nooit sterven, zal nooit op het land belanden,” zei de schilder. De verbeelding werd tot werkelijkheid.
     Nog een voorbeeld van zijn en niet zijn. Hier in de vorm van een intellectueel spelletje. Wat was er eerst de ondergeschilderde fresco of de schildering daaroverheen? Volgens dochter George de onderste. Moeder betwijfelt dit want het eerste wat we zien is wat aan de oppervlakte ligt. Als we niet weten dat er iets onder is zou dat ook niet kunnen bestaan. De gesprekken tussen moeder en dochter zijn regelmatig op het scherpst van de spitsvondige snede en aangenaam om te volgen.

Allegory of May by Francesco del Cossa
Het opzoeken van de in het boek genoemde beelden “vergroot zeker het leesplezier, verrijkt de ervaring van het omgaan met de tekst, voegt een dimensie toe aan het puur verbale materiaal van het verhaal en zet op een andere manier de aandacht voor het zien voort die in het hele boek aanwezig is,” merkt Engelse literatuur wetenschapper Derek Attridge op (PDF, p . 172). Deze beelden zijn er gewoon, of ze nu op de omslag staan of – als je dat wilt – op te zoeken (voor werken van Cossa en Tura zie bijvoorbeeld hier). Daar is geen magisch realisme voor nodig. 

______
______

In het tweede deel zal de moeder overlijden en verwerkt George haar verdriet. Rouwverwerking is een gewild thema voor romans. Ook hier speelt het schijnbaar toevallig, zonder opdringerig te zijn, een grote rol. Beetje bij beetje wordt verwerkt dat moeder er niet meer is. Na verloop van tijd verschijnt weer een lach op George's gezicht.
      De overleden moeder was een econome, journaliste en Internet Guerilla Interventioniste. (Tegelijk met
How to be both las ik een boek over kunst-activisme en soms liepen beide boeken samen op, zoals bijvoorbeeld als in het tweede wordt beschreven hoe actiegroep fierce pussy taal ziet als een constant geschapen en herschapen wezen, dat lijkt te ademen. Door de moeder wordt taal in een dispuut met haar dochter neergezet als een levend en groeiend organisme.) 
      Moeder heeft wel meer van de activisten uit dat andere boek, ze schreef ook LIAR (LEUGENAAR) op een ruit van een restaurant boven het hoofd van een daar dinerende politicus of spindoctor; een van beide, welke van de twee, dat is vergeten.
      Ze dacht ook achtervolgt te worden. Of was de achtervolgster verliefd op haar en wilde die haar zien en ontmoeten. Is liefde eigenlijk altijd te herkennen? Als de vrouw 
naar het buitenland verdwijnt vraagt de dochter zich af of ze een goede vriendin of een geliefde van haar moeder ziet vertrekken?

Met de eerder gebruikte woorden 'begint' en 'tweede' verraad ik welke versie van de roman ik heb gelezen.
     De roman bestaat uit twee delen, beide één genoemd. In het ene is Del Cossa aan het woord en begint met een schets naar een fragment uit een schilderij van hem. In het andere deel, eveneens één, speelt de tiener de hoofdrol en daar staat de schets van een bewakingscamera naast de nummering ervan. (Die tekening geeft ook meer dan een hint naar een antwoord op de eerdere vraag omtrent liefde of controle. De afgebeelde camera wijst immers op observatie en de moeder is niet paranoïde, maar terecht op haar hoede voor de achtervolgster.)
     Twee maal een eerste deel, betekent dat de lezer zelf mag beslissen waar het lezen begint; halverwege of voorin. De meeste mensen zullen het laatste kiezen. Maar
How to be both ishoe treffendook nog eens uitgeven in twee versies. Daarin zijn de delen van plek verwisseld. “Dit klinkt als een roman vol postmoderne gimmicks, maar Smith brengt het zowel fantastisch complex als ongelooflijk ontroerend,” schreef recensent Ron Charles met betrekking tot dit aspect.

Het roept onvermijdelijk de gedachte op hoe de roman beleefd wordt in de andere volgorde. In de schilder-eerst versie komen de schimmen pas in het tweede deel uitgebreid tevoorschijn. De schilder blijft iets geheimzinnigs houden, terwijl de moeder, zoon en vooral dochter uitgewerkt worden. Deze volgorde lijkt me daarom het mooist. 
 In 'de andere versie' krijgen George, haar moeder en broer 'gewoon' de overhand, omdat de lezer als eerste kennis maakte met hen. Maar zeker weten zal die dat nooit. De kans op die eerste indruk is immers verkeken.
     Hoewel muziek in de geest andere snaren raakt dan tekst, is de indruk van een eerste volgorde toch enigszins te vergelijken met het voor het eerst horen van een aansprekend muziekstuk, waardoor een uitvoering met andere musici daarna vaak minder klinkt dan wat eerst kwam. 
     Het is door deze bijzondere contructie wel een boek om twee keer smaakvol je tanden in te zetten. 

vrijdag 30 januari 2026

De bloei van het leven



De bloei van het leven is een vervolg op Een wel opgevoed meisje, het eerste deel van de autobiografie van Simone de Beauvoir. Hierna volgden nog een derde en vierde deel verschijnen: De druk der omstandigheden en Alles wel beschouwd.
      In het tweede deel beschrijft ze de jaren dertig, de oorlogsjaren en ze eindigt in 1944 als Parijs bevrijd wordt. Daarmee bestrijkt het boek haar 21e tot 34e levensjaar. Dat betekent dat het gaatvan individualistische moraal naar een beeld waarin ze zich niet los kon zien van de omstandigheden waarin ze opgroeide.

Het leven werd een compromis tussen haar en de wereld. Ze meende eerder dat de onrechtvaardigheden in dat leven verdragen en vermeden moesten worden; je ertegen verzetten had immers geen zin.
     De bloei... is het verslag van de zoektocht van en zelfreflectie door een jonge, en bekende Franse intellectuele die tot ze ging werken in onmin met zichzelf leefde.
     Achteraf verklaart ze dat ze in haar jonge jaren op een verschrikkelijke manier abstract dacht. 

Driehoeksverhouding

Het boek is verschenen in 1960. De Nederlandse vertaling door Jan Hardenberg kwam er pas in 1968. Aandacht ervoor in de pers spitste zich op de beschrijving van de afspraak die de basis vormde voor de relatie tussen De Beauvoir en Sartre en de driehoeksverhouding met daarin de jongere Olga, en haar babbelzucht waarin zij vertelt welke uitgevers ze bezoekt, in welke hotels ze verblijft en de cafés die ze frequenteert.
     Ze beschrijft in het boek ook over het existentialisme, de verhouding tot Rusland en reizen naar met name Zuid-Europa. Op een zeer groot deel van de pagina's wordt Sartre genoemd alsof ze zich in de open relatie zo vaster aan hem bindt. 'Wij' en 'onze' wordt veelvuldig gebruikt om hun samenzijn en gedeelde meningen en ervaringen te benadrukken.
    Het is een boek met zoveel feiten, geschiedenis, ideeën en visies, dat het onmogelijk is die in een korte bespreking recht te doen. Daarom wordt er hieronder een paar punten uitgehaald.

Dokwerker
Ze gaat samen met Sartre naar Italië, omdat het kan, ook met een krappe beurs. Het reizen is door Mussolini goedkoop gemaakt; wie in de Rome een 'fascistische tentoonstelling' bezoekt, kreeg een flinke reductie op de reiskosten. 
     Soms blijken de twee niet te begrijpen wat ze in het buitenland meemaken. Ze leren in Napels wel dat als het voedsel uitbundig uitgestald ligt dat misleid; vermoedelijk sterven er dan juist mensen van de honger. Ze zien in Spanje een arrestatie, maar horen pas later wie waarom gearresteerd werd.
    Feministe is De Beauvoir nog niet. Toch duiken al vroeg voorbeelden op waardoor de ontwikkeling die kant uit niet verbaast. 
    Tijdens een politieke bijeenkomst over abortus, waar vooral jonge vrouwen en meisjes aanwezig zijn, maakt een lid van de rechtse Camelots du Roi, met zwierig vlinderdasje, een onbeschofte opmerking. Een dokwerker van de ordedienst stapte eropaf en zegt:
“Ik heb dan wel niet uw opvoeding, mijnheer, maar in het bijzijn van dames sla ik dergelijke taal niet uit.” Het beschreven beeld van die scene voor je zien, doet nog steeds goed.

Antimilitarisme
Als Sartre voor zijn dienstlicht op moet komen, schrijft ze dat beiden antimilitaristen zijn. Sartre noemt die dienstplicht stompzinnig en zij vindt het uniform lijken op de uitrusting van een dwangarbeider. Op de kermis smeten ze met plezier de poppen omver met gezichten van bekende generaals. Half jaren dertig spraken de twee een Duitse veteraan uit de oorlog van 1914-18 die meende dat bij een volgende oorlog Duitsland zijn eer terug zou krijgen. Als Sartre zegt dat zo'n oorlog niet nodig is, komt als repliek “de eer gaat voor alles.” Het is een variant op de bekende dolkstootklacht, maar ze wordt hier gebruikt om de zin van het antimilitarisme te onderstrepen.

Spanje
De jaren dertig vormden de opmaat naar Tweede Wereldoorlog. Voor De Beauvoir is de oorlog in Spanje tussen Republiek en opstandelingen onder leiding van Generaal Franco wat op het vlak van internationale politiek het meest dichtbij komt. Het zou tweeënhalf jaar haar leven beheersen. Ze vond dat de Republiek bewapend moest worden, dat er kanonnen, mitrailleurs, geweren en vliegtuigen vanuit Frankrijk geleverd moesten worden. Pacifisme en antimilitarisme waren duidelijk geen synoniemen binnen haar denkkader. De Franse regering weigerde. Ook de Franse socialisten waren verdeeld. Er waren er ook die “banger waren voor het revolutionaire elan”dan voor het fascisme. Ze wilden daarom liever de vrede met Duitsland behouden. Er werd aldus de schrijfster Franco geen strobreed in de weg gelegd, waardoor de As-mogendheden meer moraal kregen. Italië en Duitsland steunden wel openlijk Franco en zijn troepen. 
     Het is verleidelijk hier een uitstapje naar 2022-heden in Oekraïne te maken, maar de situatie is alleen oppervlakkig vergelijkbaar, en het zou een korte bespreking te buitengaan om de verschillen, overeenkomsten, de toen en nu gewenste politiek en mogelijke gevolgen te beschrijven.
    De Beauvoir komt enige pagina's na haar verontwaardigde oproep met de opmerking:
“Het enige land dat in staat was de opmars van het fascisme te stuiten, en ook de oprechte wens had dat te doen, was de Sovjet Unie.” Maar een paar regels verderop verwoord ze haar twijfels over Moskou en noemt het verdriet dat er geen enkel hoekje in de wereld was waarop je je hoop richten kon. Weer later ziet ze de strijd tussen Stalinisten aan de ene kant en de Trotskisten van de P.O.U.M., de Socialisten van Negrín en anarchisten aan de andere. De tweede groep beschuldigde de eerste ervan zowel de volksbeweging als de republiek te vermoorden. Hoewel ze later twijfelt aan de rol van Moskou, neemt ze geen positie in en wijdt geen woord aan de politiek van Negrin om naar steun aan de Stalinisten te neigen, om zo de hulp vanuit Moskou te garanderen.
    
Pas als duidelijk wordt dat Rusland en Duitsland een verdrag hebben getekend dat Hitler de vrije hand gaf in de rest van Europa (het Molotov von Ribbentrop Pact (23 augustus 1939), dat door de schrijfster meer algemeen een verdrag tussen Rusland en Duitsland wordt genoemd) is er een grote schok en wordt de visie onderschreven dat Rusland een imperialistische mogendheid was geworden met geen enkel ander doel dan het nastreven van eigenbelang.

Wegkijken
Wat opvallend is in het boek is dat De Beauvoir zich vooral afzijdig houdt van de internationale ontwikkelingen; er haar ogen bewust voor sluit. Ze ziet dat de wereld op meer dan een strovuurtje afstevent, maar kijkt toch weg. Het begin van de Jodenvervolging wordt kalm opgenomen. De kranten worden lichtzinnig gelezen. De ontwikkelingen in Spanje, in de Franse binnenlandse politiek en alle ellende in de wereld gaven haar een gevoel van machteloosheid en ze wilde dit eigenlijk alleen maar vergeten. Ze doet dit door wandelingen en reizen als afleiding. In die houding volhard ze vrijwel tot aan de verovering door de Duitsers van Frankrijk.
     De strijdbare feministe van na de oorlog was een individualiste die vooral met haar persoonlijke ontwikkeling, werk, vriendschappen en schrijversloopbaan bezig was. Ze beschreef zichzelf begin jaren dertig als realiste, en verbeelde zich daarmee representatief te zijn voor de hele mensheid, achteraf zegt ze dat daaruit juist bleek dat ze behoorde tot de bevoorrechte klasse die ze meende af te wijzen. 

Feiten
De laatste twee hoofdstukken gaan over de oorlogsjaren. Ze verwerkt daarin integraal dagboekaantekeningen en beschrijft nauwkeurig wat ze in die jaren meemaakte (waar ongetwijfeld ook bronnen materiaal bij is gebruikt). Het maakt de oorlogsjaren in Parijs en Frankrijk in het algemeen voelbaar. Toch gaat het ook wel eens mis met ophalen van de geschiedenis. Op 10 juli 1944 werden 13.000 mensen “voor het merendeel vrouwen en kinderen” levend verbrand in hun huizen en de kerk waar ze heen waren gevlucht in het dorp Oradour-sur-Glane, schrijft ze. Bij het zoeken naar achtergronden, blijkt dat het dorp in 1939 1.574 inwoners kende en in 1946 1.145. Er werd door de Duitsers wel een slachting aangericht, maar het betrof 648 mensen – nog steeds enorm veel, gezien de omvang van de bevolking – en niet in juli, maar op 10 juni (vier dagen na de landing in Normandië). 
     Het getal 13.000 dat in ruim verband het meest opduikt als je zoekt op Frankrijk en Tweede Wereldoorlog kent ook een zeer wrange achtergrond, maar dat ging om het samendrijven van Joden op de wielerbaan van Hiver in Parijs door de Franse politie om ze vervolgens af te voeren naar een concentratiekamp. Mogelijk is het cijfer blijven hangen. (Enige maanden na het lezen van De bloei... kwam ik het cijfer tegen om de de jacht op migranten in de VS te illustreren met een zeer wrangcitaat.) 
     Twee gruwelen lijken door De Beauvoir elkaar gehaald te zijn. Feiten worden wel vaker losjes gebruikt, maar hier was het wel heel duidelijk fouttief. De lezer is gewaarschuwd, maar de sfeerbeschrijving blijft – al kan je dat laten meeleven ook als babbelzucht beleven. Mij beviel het.

Boeken

In De bloei van het leven bespreekt ze het schrijven van de boeken in de jaren tot aan 1945 en soms ook later werk, haar aanpak, overwegingen, maar ook wat ze anders had moeten doen. Uit die besprekingen haal ik een zin die ze licht gewijzigd vaker heeft gebruikt, vermoedelijk omdat ze hem mooi vond: “Hoe kun je het gewicht van een traan vergelijken met het gewicht van een druppel bloed.”
    Hij wordt door roman personage 
Jean Blomart uitgesproken om de keuze voor maatschappelijke afzijdigheid te verklaren; het is immers toch onmogelijk je zo te gedragen dat je aan alle mensen recht doet. Bijna Tien jaar later zal Anne Dubreuil in De Mandarijnen (een boek dat herhaaldelijk wordt genoemd in De bloei...) hem herhalen, maar dan zonder een oordelende betekenis. Maar de metafoor spreekt ook los van deze werken van De Beauvoir tot de verbeelding.
    Naast eigen werk komen ook boeken van anderen aan de orde die verschenen in de beschreven jaren. Daarmee is de biografie ook een overzicht van literatuur die de schrijfster het waard vond om te vermelden. Zo wordt Russische literatuur genoemd van Babel, Ehrenburg, Olecha, Pilnyak, Panferov, Shokolov en Leonide Leonov en Duitse romans van Wassermann en Döblin. Toch is het vooral de Amerikaanse literatuur die de meeste aandacht krijgt, met name Faulkner waarvan o.a.
As I lay dying wordt genoemd, “de epische, wrede schelmenroman” en Light in August.
     Celines Reis naar het einde van de nacht wordt lof toegezwaaid als tekst die onder meer de oorlog en het kolonialisme aanvalt. (
Dood op krediet zorgt voor zijn val in hun ogen – je krijgt ook bij haar beoordelingen van boeken Sartre er gratis bij – door de neerbuigendheid en de fascistische neiging die er uit spreekt. Inmiddels heeft dat boek voor velen ook de Reis naar... neergehaald).
     Kafka komt als iets nieuws in het boek naar voren. Zo nieuw dat hem in een rijtje met Proust en Joyce zetten, zoals wel gebeurde, niet serieus genomen kon worden. Sartre en De Beauvoir lachten om die naam:
“Als die Kafka werkelijk een groot schrijver was konden wij hem immers niet hebben gemist….” Al snel zouden ze de fout van hun beoordeling inzien en gaan ze hem intens bewonderen.
    Ook schilderkunst, theater en vooral films passseren, waardoor het boek een waardevolle staalkaart geeft van verschenen kunsten.

Haar schizofrene vervoering die jarenlang bedrieglijk haar wereld dienstbaar had gemaakt aan haar eigen plannen zou ze laten varen.
“Handelen, verbonden met alle mensen, strijden, de dood aanvaarden opdat het leven zijn waarde zou behouden: als ik me aan die voorschriften hield zou ik het duister, waaruit de klacht van de mensheid opsteeg, de baas kunnen worden,” zo schrijft ze gedragen aan het slot van de biografie. Het leven was daarmee geen spel meer, maar werd geleefd in een werkelijkheid met een zwaar gewicht, die soms afschuwelijk was en nog altijd is. Haar door de jaren verworven ernst is ook nu geen luxe artikel.

vrijdag 23 januari 2026

Bloesem tocht

Bloesem tocht (2014) is een boek van Rodaan Al Galidi. Al Galidi is een Nederlandse schrijver met een Iraakse achtergrond. Hij is hier als vluchteling gekomen. Hij schreef over vluchtelingen en hun gebrekkige opvang in de romans Holland (2020) en Hoe ik talent voor het leven kreeg.
     Bloesem tocht speelt in een dorp aan de rivier, de Mermeries, van een land dat ongenoemd blijft. Maar ook in dit verhaal komt 'de vreemdeling' voor. Dat is iemand die moet kruipen in plaats van lopen, glimlachten in plaats van schreeuwen en het gif van anderen moet slikken in plaats van het uit te spugen. Zo werden naast de wondere wereld van het dorp
en passant de Hollandse naarlingen ook op de korrel genomen, hoewel het verhaal niet in zijn nieuwe thuisland speelt.

Het boek begint met een tweeledige opdracht:

Voor de aarde, omdat je ons nog draagt
Voor mijn moeder, omdat je me ooit gedragen hebt

De roman beschrijft de zoektocht van een jongen naar wat er achter de jacht op appelbloesem verborgen zit. Zijn opa gaat ieder jaar als de bloemen aan de boom hangen op zijn ezel Miraan – die steun, klankbord en adviseur is – op die tocht en wordt daarbij geleid door de geur van een tak van de boom.
     De ezel staat centraal in het boek en dient om de mooie maan en de stille wereld te dragen. Ezel en opa (maar vooral die tweede) bereiden de kleinzoon voor op het leven. Onderdeel van die levenslessen zijn de mooie kanten, maar ook de Angst, Dood, Twijfel e.d. waarover opa vertelt. Deze verschijnselen komen als personen voorbij en soms praten ze met de jongen van achter de boom op de top van de heuvel. Je moet hierbij als vanzelf aan het vijftiende eeuwse Elckerlyc denken.

In het dorp waar zij, andere dieren, familieleden en dorpelingen leven, hebben de dieren namen en de mensen niet. Opa probeert alle nieuwlichterij buiten te houden en denkt dat dit daarbij helpt. Hij verbiedt de bewoners gewoonweg een naam te hebben. Hij vormt de wereld zoals hij denkt dat ze moet zijn. Dat is zeker niet altijd slechter dan ze is. Dieren hebben er bijvoorbeeld rechten net als mensen. Maar anderzijds wie zich niet houdt aan zijn regels bijt hij of bindt hij vast onder het bijennest. Zijn visies worden uitgewerkt in een vrijwel oneindige hoeveelheid verhalen. 

Van wiki pagina over de buulbuul.

Als zijn kleinzoon vraagt wat wordt bedoeld met de bloesem tocht, antwoord hij: “Kleine, dat zul je op een dag weten maar nu nog niet.” Maaar met die vraag zijn we vertrokken op het pad van het leven en wat die tocht met zich mee brengt. De geur van de bloesem, de boom die in de aarde steekt en tot aan de hemel reikt, en met op zijn takken de buulbuul (zo leer ik als lezer van het bestaan van dat vogeltje), wijst de weg die de ziel zelf wil gaan (anders dan het lichaam dat het pad van anderen wil volgen).
     Bomen spelen een hoofdrol in het boek. Alleen zo komt het bedankje aan de aarde uit de opdracht al terug. 


De verhalen die in het boek verteld worden, willen van de kleinzoon geen held maken. Heldendom wordt vergeleken met je vastbinden op een bootje met wat eten en je dan met de stroom mee van de rivier de zee op laten voeren. Dat is hersenloos. Die aversie tegen moed komt ook terug in de uitleg waarom opa zijn wijsvinger mist. Hij is afgehakt door de Engelsen toen hij nog een kind was, zodat hij de trekker niet over kon halen. Je hebt zo'n vinger alleen nodig als je domoor bent, meent hij op latere leeftijd. 
Het schieten lokt immers alleen maar narigheid uit. Hij bewaart hem als blijvende waarschuwing in een doosje. Oorlog, geweld en de afkeer daaraan komen meer terug. Al Galidi komt uit een land waar lange tijd oorlog woedde. Lafheid is het geheim om in leven te blijven. Het is belangrijker dan het getamboereer op de trommel van de dapperheid.
     Wat God in een van de vele verhalen het meest beangstigde was het
“woedende ijzer, harder dan de duivels, dat tussen hemel en aarde vloog om neer te vallen en op te stijgen.” In een ander verhaal is de Vrede een personage dat zegt: “Hoe spijtig dat de mensen niet meer het verschil kennen tussen mij en de oorlog. Daarom sturen ze soldaten naar mij en boze mannen, moordenaars, politici, mannen van God en mannen van de duivel.” Een personage in een vertelling, die zoekt naar de vrede wordt onnozel genoemd en uitgelachen. Toch gaat hij tegen die weerstand in eigenzinnig op zoek. Als hij de vrede vindt bevalt dit hem uitermate goed.

Onder aan een pagina staat de vraag van de kleinzoon aan zijn opa: “Hadji, wat is een gouden eeuw?” Weer komt Nederland terloops terug in het boek. Al Galidi draait niet om de hete brei heen als hij opa laat antwoorden: “Dat betekent dat je alles wat anderen hebben, mag stelen, en als ze niets hebben, steel je hun leven. Daarna breng je wat je gestolen hebt naar je land. (…) Daarna betaal je luiwammesen, zodat ze hele dagen schilderen, toneelspelen en dichten. Zo overtuig je volgende generaties ervan dat de gouden eeuw niet door dieven en moordenaars van goud was, maar door de kunst.” De Britten kregen er eerder ook al van langs.
     Overigens wordt opa Hadji genoemd, ook al heeft hij nooit de bedevaart naar Mekka gemaakt. Het verleent zijn visies en woorden meer kracht in het dorp zonder dat hij daar een God bij nodig heeft.


Er zijn serieuze gedachten over personen, emoties, vormen van geweld en macht, over vrede en zinneprikkeling. Dat de pers er is om de macht van de president te onderstrepen, wordt als algemeenheid door opa verteld, maar is in de Nederlandse context wat overdreven, hoewel ze over het algemeen binnen een aanvaarde bandbreedte blijft en alles daarbuiten negeert of afkeurt, maar ze staat niet in zijn geheel in dienst van Willem IV of de Premier. Opa hamert ook de politiek af. Ook daar zijn best nuances aan te brengen. Je moet de roman toch ook zien als afkomstig uit de koker van iemand die tot in het Irak van Saddam Hoesein opgroeide, en die in 1998 naar Nederland kwam en een enigszins anarchistische levensvisie heeft.  

Het boek zit vol kleine en grote wijsheden, zoals: “Als je de boom nog hebt, kleine, wees dan niet treurig als je een tak verliest.” Of in het verhaal over het uitvinden door God van het raam in het hart. Dat raam beslaat door het stof van geweld, haat, rancune, onrechtvaardigheid, samenzweringen, leugens en geslijm. Maar als het helder is, wijst het de weg. Je kan het beter niet gebruiken om de weg te vinden naar waar je wilt slapen, maar naar waar je wakker wilt worden na een lange slaap. Een bekend gezegde duikt op: Alleen liefde maakt het hart blind. Die gevleugelde woorden worden met dit verhaal weer afgestoft en glanzend gepoetst, zoals andere verhalen weer andere zaken uit het leven kleur geven. Opa's laatste les is: “Ren!” Een niet onbelangrijke en uit het leven van de schrijver gegrepen.

Het enige manco in Bloesem tocht is dat opa wel erg veel verhalen vertelt, teveel denk je op ¾ van het boek en dan wordt er verrassend toch weer nieuwe zuurstof over de pagina's geblazen; de jongen gaat zelf op verhalen jagen. Zo lees je boek toch weer met plezier uit. Want plezier dat zit er, ondanks de ernst en sombere zaken, volop in.