vrijdag 20 maart 2026

Huizen zonder vaders



Huizen zonder vaders door Heinrich Böll is echte Trümerliteratuur, geschreven op de puinhopen van het Duitsland van na de oorlog. Snappen waar de vaders uit de titel zijn gebleven vergt geen denkkracht. Maar wat de naoorlogse situatie doet met de twee vrienden Martin en Heinrich wel. Beiden hebben een andere achtergrond. De vader van de een was dichter, die van de ander automonteur. Dit om maar een in het oog springend verschil te noemen. Hun denken en leefomgeving wordt door de schrijver op eenvoudige maar indringende wijze verwoord.

Zeven jongens in hun klas hadden in de oorlog een vader verloren, en konden daarom op clementie rekenen als ze iets niet wisten of verkeerd deden. Dat verloren klonk alsof ze hem hadden
“laten staan, als een paraplu.” Er zijn dus nog wel wat vaders, maar er zijn ook 'ooms' die een relatie met moeders krijgen en zich 'verenigen'. De ene oom is goed of net te doen, de andere oom is akelig en verteert de beperkte inkomsten, zodat de rest van 'het gezin' hongert.
     Er is een man die op Martin en Heinrich let, Albert. Hij is geen vader, maar ook meer dan een oom. Hij was de vriend van Martins vader. Die vader is de dood ingejaagd op een heikele missie door een officier die zich machtsbelust wilde laten gelden. Hij legde adviezen om de mannen niet te sturen naast zich neer.      Nella de moeder van Martin is economisch onafhankelijk. Ze wil niet meer trouwen. Haar liefde bleef in de oorlog: “(...) de een of andere kleine stommeling komt op het toneel en laat je man neerknallen – drie, vier miljoen van die plechtige gebeurtenissen worden door één oorlog teniet gedaan.” Minnares is daarna mooi genoeg. Ze wil niet weer weduwe worden. Want dat is wat ze vreest.
     Mooipraters strooien vergetelheid over de narigheid van de oorlog, zogenaamd in het belang van de kinderen, maar ook omdat de mannen er weer op uit moeten gaan,
“anders stagneert de weduwenfabriek.” Nu woont Nella in een verwaarloosd huis, maar wel een plek met een dak, koelkast en een ruimte waar ook anderen huizen, zoals haar moeder die de moordenaar van haar schoonzoon niet vergeet. Maar ook Glum. Glum heette eigenlijk Glumbich Choklokusteban. Dat betekende 'Zon die onze bessen doet rijpen'. Hij kwam van ver, helemaal uit het noorden van Siberië, aan de Poolzee bij een rivier, die Sjechtisjechna-sjechticho wordt genoemd, maar ook van dichtbij genoeg om nu in hetzelfde huis te wonen.
    Mevrouw Brielach, de moeder van Heinrich, is op de steun van de ooms aangewezen. Rijkdom brengt het haar niet. De inboedel is een allegaartje. Heinrich slaapt bijvoorbeeld op een deur uit het Ministerie van Financiën, meer specifiek die van kamer 547. Dat staat er nog op. Eronder staan vier klossen. Een kast is niet veel meer dan een touw, een plank en een gordijn. Heinrich cijfert zich suf om de uitgaven net zo krap te maken als de inkomsten en ontwikkelt daartoe niet alleen zijn rekenkunde, maar als jong kind ook zijn handelsgeest en een te volwassen gevoel voor verantwoordelijkheid. Mevrouw Brielach is gedwongen om op beter te hopen en dat te zoeken.

De jongens houden zich bezig met wat MOREEL, IMMOREEL en ONZEDELIJK is en wat FATSOEN betekent. Welke moeder past welke rol? Wanneer is het zich verenigen tussen man en vrouw wel of niet goed te praten? Deze vraag blijft spelen tot in de laatste zin van de roman en krijgt dan een antwoord waarbij aan een deel van de narigheid ontsnapt lijkt te worden (maar of dat zo is ligt over de horizon van de tekst).
     Het fatsoen van een oom was niet meer dan een woord gebruikt als vernis. De onzedelijkheid van de oorlog speelt op de achtergrond een veel grotere rol dan de vragen die door de hoofden van de beginnende pubers jagen. Het NAZISME met zijn geweld en bloeddorst was weliswaar DOOR EN DOOR DUITS, maar zo Duits geaard trapten ze ook een donkere lachende jongen dood. Een Jood. Vandaar. Op de plek van die lynchpartij groeien nu in het donker champignons en buiten roepen de moeders er na de oorlog naar hun kinderen dat ze op moeten passen KOM ER NIET TE DICHT BIJ. Op school werden de nazi's “NIET ZO ERG afgeschilderd; andere verschrikkingen stelden de NIET ZO ERGE NAZI's in de schaduw: de Russen.” Böll constateert al in 1954 hoe de opkomende Koude Oorlog als boenwas voor het fascisme wordt gebruikt.

Woorden spelen een grote rol in het boek. Soms worden ze met hoofdletters benadrukt. De woorden in kapitalen hierboven komen allemaal zo gezet uit
De huizen zonder vaders. Dat gaat van een woord als GELD, of STINKOORLOG, naar woorden die niet goed zouden zijn als EIGENLIJK, SOWIESO en UBERHAUPT, maar dat waren “woorden die belangrijker waren dan volwassenen dachten.”
     Door het hoofd van Martins' moeder spelen andere woorden, de eerste letter valt van deze niet in kapitalen geschreven
ührer, olk en aderland af. Een, twee, drie lettergrepen, maar ze waren goed voor miljoenen weduwen, miljoenen wezen. Woorden die ervoor zorgden dat de vader van Heinrich lag te verrotten in Kalinovka (dat is net over de grens met Oekraïne in Rusland gelegen).

Gäseler, de officier die zijn slopende machtswoord sprak, werkt inmiddels aan een bloemlezing van het werk van Raimund Bach de vader van Martin. De dichter is populair geworden na de oorlog, en wordt steeds meer gebruikt als vlag op een modderschuit. Als Nella hem spreekt, zegt ze: “Mijn man haatte de oorlog, en ik geef u geen enkel vers voor uw bloemlezing als u er niet een brief bij opneemt die ik zal uitzoeken. Hij haatte de oorlog, de generaals, het hele militarisme – en ik zou u moeten haten, u verveelt me alleen maar.” Het huidige Duitsland, de huidige wereld, heeft weer nood aan Nella's.

Op de al genoemde
pagina over de Puinhoop literatuur, wordt beweerd dat Böll “vond dat de literatuur na de Tweede Wereldoorlog eenvoudig moest worden.” Hij is daar in dit boek bijzonder goed in geslaagd, zonder dat het daardoor simpel is. Sterker nog het boek is een stem tegen het vergeten en geeft er een aan de kinderen, de vrouwen en jonge soldaten die slachtoffer werden van wat de daders zo snel mogelijk  wilden uitwissen. Waar ze overheen wilden praten. Dit boek werkt als plumeau, en veegt het mooipraatstof weg.

Bovenal is het een boek dat laat zien dat oorlog niet zozeer over dapperheid, maar veel meer over ellende gaat.

Geen opmerkingen: