Posts tonen met het label Han Kang. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Han Kang. Alle posts tonen

vrijdag 18 juli 2025

We do not part



Voor het lezen is er al sprake van een dubbele verwarring. Al maanden ervoor bestelde ik in de voorverkoop het boek van Han Kang We do not part dat in januari 2025 uitkwam. Kort na het bestellen las ik over de al eerder verschenen vertaling naar het Nederlands onder de titel Ik zeg geen vaarwel met een vergelijkbare omslag als de Koreaanse versie (작별하지 않는다 uit 2021) dat op de webpagina van de schrijfster vertaald is als I Do Not Bid Farewell (zie illustraties). Die Koreaanse en Nederlandse omslagen zijn sfeervoller dan die van de Engelse versie, al is dat een kwestie van smaak. Dat de schrijfster een andere titel hanteert dan haar uitgever is wel bijzonder.

We do not part begint meteen beklemmend, met een droom waarin kale zwarte bomen met mensen worden verward en de zee de graven wegspoelt en de botten blootlegt. Bomen spelen hoe dan ook een grote rol in het verhaal. Het boek begint en eindigt ermee. Ze maken dreigende schaduwen door te zwaaien met hun bladeren in de wind, ze staan in de weg in het nachtelijk donker, en ze zijn de basis voor een kunstwerk dat de nachtmerries moet bezweren, de gruwel verbeelden en een vriendschap diepte geven. Naast bomen is er een zaag. Een werktuig dat onder een matras de kwade dromen op afstand houdt. Natuurverschijnselen zijn sterk aanwezig in de roman; zo roepen basalt blokken in zee bijvoorbeeld nare associaties op.

De belangrijkste vertelster, Gyeong-ha, heeft nachtmerries en bevindt zich in een uitzichtloze situatie. In het eerste hoofdstuk dat haar worsteling beschrijft, is ook het schrijfproces verwerkt dat de roman Human Acts opleverde, met daarbij aandacht voor de invloed op de geest van de schrijfster. Dat boek ging over het gewelddadig neerslaan van protesten in Gwangju (iets oostelijk van Seoel). De stad wordt hier slechts G. genoemd. Gyeong-ha komt er net als de schijfster zelf vandaan. Human acts/Mensenwerk is een zusterroman van We do not part, omdat het een andere afschuwelijke kwestie uit de recente Zuid-Koreaanse historie vertelt. Han Kang stipt die geschiedenis alleen aan in het eerste hoofdstuk, maar langzaamaan krijgt de lezer steeds meer details.

Het boek krijgt vaart na een bericht van In-seon, een vriendin op
afstand. Zij heeft een ongeluk gehad en vraagt Gyeong-ha, naar het ziekenhuis in Seoel te komen waar ze is opgenomen. Neem je ID mee, tekstbericht ze. In die ziekenzaal blijkt dat ook ellende relatief kan zijn. De behandeling van In-seons kwaal raakt ook de pijnzenuwen van de lezer. De gevolgen van dit ongeluk worden vrijwel terloops vergeleken met militair geweld, tegen wie en waar dan ook. Het boek staart niet in de eigen navel, maar vertelt een universeel narratief. Ook qua massamoorden blijft de blik niet op Korea gericht; in Taiwan vielen er 30.000 doden en er zijn de 120.000 op Okinawa, zegt In-seon en haalt zo ook de Chinezen en Japanners naar voren. 
    Je wordt in de eerste hoofdstukken wel meteen de diepte ingevoerd op de van Kang bekende poëtische wijze die voorzichtig is, maar het harde niet schuwt; je hebt diep, dieper en diepst. De lezer kan zich maar beter voorbereiden op het laatste. De al genoemde zaag ligt niet voor niets onder het matras van In-seons moeder om de spoken uit het verleden op afstand te houden.

Gyeong-ha heeft In-seon leren kennen als fotografe. Samen gingen ze naar interviews, en waren daardoor regelmatig dagen samen. De fotografe ging zich later toeleggen op het maken van films en stopte daarmee om een opleiding tot meubelmaakster te volgen. De opleiding werd voortijdig afgebroken, omdat ze terug naar haar geboorteplaats, het eiland Jeju, vertrok om daar voor haar moeder te zorgen die in een beginnend stadium van dementie verkeerde. Ze bleef wel meubels maken en dusdaar is het weerhout verwerken. Ook het contact tussen haar en Gyeong-ha bleef, maar wel op steeds grotere afstand (in vogelvlucht ligt het eiland op 450 km van Seoel). Nu In-seon in de hoofdstad in het ziekenhuis terecht is gekomen, heeft ze weer contact opgenomen. Ze vraagt haar vriendin dwingend om naar haar huis te gaan om te zorgen voor haar pratende grasparkiet Ama.

IJskristallen, in 1902 gefotografeerd door de
amateurweerkundige Wilson Bentley van wiki.

Als Gyeong-ha daar aankomt sneeuwt het. Het huis van In-seon is een halfuur lopen van de bushalte vandaan. De weg er naar toe is niet verlicht en het is inmiddels donker. Ze heeft bovendien geen lamp en verliest haar mobiel. De sneeuw valt. Het is bar. De vlokken worden ondertussen wel in al hun pracht beschreven met aandacht voor de hexagonale kristalstructuur. Die kristallen dempen het geluid en brengen rust. De sneeuw wordt anderzijds ook beschreven als fenomeen dat een pijnlijk ervaring van de moeder van In-seon oproept. Als klein meisje gaat zij samen met haar zus opzoek naar haar ouders, broer en achtjarige zusje die in 1948 slachtoffers zijn bij gruwelijk geweld door de Zuidkoreaanse machthebbers op instigatie van de Verenigde Staten. De doden zijn bedekt onder een laagje sneeuw dat moet worden weggeveegd om hen te herkennen. Zo zoeken de meisjes het schoolplein af waar de lijken liggen. Het wordt terloops verteld, maar dat doet niets af aan de impact die dit voor een dertienjarig meisje moet hebben.

Op de tocht naar de woning en het atellier van In-seon krijgen we meer van die flarden. Met een literaire terughoudendheid worden we voorbereid op wat komen gaat. Het verhaal is bekend en juist daarom houd ik mijn hart vast. Ooit streepte ik in een geschiedenis boek de volgende passage aan: “On Cheju Island that year [1949] the people's committee was finally rooted out only after a sustained assault that destroyed three fourths of the island's villages and left tens of thousands dead.”* De roman noemt 30.000 doden op Jeju en 200.000 in het hele land. Die dood wordt beschreven met aandacht voor de georganiseerde massamoorden. In deze geromantiseerde vertelling komt het meer binnen dan destijds bij het lezen van het geschiedenis boek.

Bron: stripverhaal Hendrick Hamel: de schipbreuk,
door Roel Mulder
.
Het verhaal van Jeju en het wegvoeren van eilandbewoners zal pas in het tweede deel van de roman uitgebreider – en met meer details – verteld worden. 

Het is geen onbekend eiland. Maar tijdens het lezen van het boek wil ik er meer van weten. Het is ovaal en vier maal zo groot als Texel. Een kijkje met google maps laat zien dat ook Jeju tegenwoordig een ideale vakantiebestemming is.
    Het ligt 100 kilometer van het Koreaanse vasteland, op het snijpunt tussen Gele, Japanse en Zuid-Chinese Zee en je hoeft geen groot strateeg te zijn om de ook strategische waarde ervan te zien. Er is verder terug in de geschiedenis ook een relatie met gestrande Hollandse zeelieden. Het eiland zit zelfs in een Nederlandse strip over
zeevaarder Hendrick Hamel (hij is in Korea bekender dan in Nederland) die er schipbreuk leed en vervolgens 13 jaar in het land verbleef.**


bron: Facebook, No naval base in Jeju!

Op Facebook ben ik al jaren geabonneerd op een pagina No Naval Base on Jeju! Volgens een van de bijdragen is het een van de langst durende protesten in de wereld. Die opmerking werd geïllustreerd met een foto van mensen in kleine bootjes voor een vliegdekschip (vermoedelijk tijdens het vlootbezoek van de USS Ronald Reagan). Een eis bij de protesten is dat de Verenigde Staten excuses aanbieden voor de betrokkenheid bij de gruwelen. Volgens de South China Morning Post is die betrokkenheid niet bewezen, maar wordt ze wel algemeen aangenomen op het eiland. Kang laat In-seon zeggen dat de 30,000 slachtoffers – en de 200,000 in de rest van Korea – geen toeval zijn; het militaire VS-bestuur verordonneerde dat iedereen op het eiland, grofweg driehonderdduizend mensen, weggevaagd moest worden als dat nodig was om hun communisme te stoppen. Ook dit onderzoeksrapport laat weinig misverstanden over die betrokkenheid en aansturing bestaan. De eis voor excuses van de bewoners bij de komst van de Amerikaanse vloot legt een link tussen feit en fictie. 

Bron foto:The Jeju 4.3 Incident
Investigation Report
(p. 17)

Nu dan ook weer terug naar Gyeong-ha, In-seon, de grasparkieten, en de ervaringen nog voordat de Korea-oorlog begon.
    De vogel wordt begraven. Wat over zal blijven als de dooi inzet zijn wat veren en de holle botten. Zo verwijst zelfs deze parkiet naar de graven op het eiland, waar de slachtoffers van de terreur tegen het rode gevaar en iedereen die daar mee in verband werd gebracht in zijn verdwenen; van nul tot tachtig kregen ze de kogel. Aan de rand van het strand bijvoorbeeld, wel zo praktisch de zee ruimt de lijken op en wist de sporen uit. Tien per keer op een rij, met een kogel in de rug. Bij invallen in dorpen werden hele gezinnen afgemaakt als er een mannelijk gezinslid niet aanwezig was en de huizen werden vernield. Het verwerken van dit soort informatie in een roman is knap en wordt zo gedaan dat het weegt, beweegt, en oprecht treft, maar niet als sensatiezucht gelezen kan worden of als een bittere suikerspin gesponnen van leed verkocht wordt. Daarvoor laat de tekst teveel ruimte. Je kan ook niet naar dingen willen kijken, zoals Gyeong-ha zich bedenkt bij het lezen van knipsels over de massamoorden. De filmfragmenten, herinneringen, krantenknipsels, en teksten uit onderzoeken die ze tegenkomt, vertellen dat verhaal tot aan de Gyeongbuk Kobaltmijn slachtoffers op het vaste land en dat van de Associatie die hen niet wilde vergeten. 

De aandacht van de schrijfster voor het persoonlijke en het maatschappelijke vormen de basis voor een prachtig boek. Zuid-Korea is en was bondgenoot van het Westen. Sterker nog Nederland vocht zelfs een paar jaar later tijdens de Koreaanse oorlog aan de kant van het Zuiden, een land dat kort daarvoor honderdduizenden standrechtelijke moorden uitvoerde, op alles en iedereen die verdacht was, op mannen vrouwen, kinderen, baby's zelfs. Het huidige Zuid-Korea in zijn eerste jaren wordt hier geschilderd in donkere kleuren. De Westerse bemoeienis ermee komt ook af-en-toe aan de orde. De vertaler naar de Nederlandse versie stelt dat: “Het Zuid-Koreaanse leger heeft toen op bevel van de Amerikanen besloten die [allerlei linkse groeperingen] uit te roeien in een poging het communisme in te dammen.” Het zou tot een kritische of op zijn minst bescheiden visie op de rol van het 'Westen' in de wereld moeten leiden. Maar naast die historische machtspolitieke gruwelen is het boek ook een roman die mensen laat zien. Mensen in hun kracht en in hun zwakte, al zijn ook die laatsten wel eens sterker dan ze ogenschijnlijk lijken, zoals In-seons moeder en zij zelf gaat uit van het motto: 'Ik ga in elk geval door'.
    De tekst op de binnenflap zegt dat het boek een hymne is over vriendschap, een lofrede op de verbeelding, maar bovenal een pleidooi tegen het vergeten. En bij dat laatste gaat het over de grimmige geschiedenis van het eiland. Misschien zijn de vriendschap en het niet willen vergeten hier niet te scheiden. De vriendschap ontstond immers na het filosoferen over de vrouw uit een sage die versteende omdat ze omkeek naar een in een stroom verdwijnend dorp, terwijl ze wist wat het resultaat van dat omkijken zou zijn als ze dat zou doen voordat ze over de berg heen zou zijn. Het is de enige keer niet dat in het boek juist geen afscheid genomen wordt; ook daar waar dat logisch lijkt of onvermijdelijk schijnt. Soms blijft men aanwezig op het magisch realistische af. De vrouw op de berghelling wilde niet vergeten, niet loslaten; er was iets, er waren mensen, waarvoor ze om wilde kijken. We do not part uit de titel heeft die betekenis, naast dat ze de vriendschap bevestigd met een: we zeggen elkaar geen vaarwel.

Tijdens het lezen weet ik al dat ik het boek uit zal lezen en dan is het ermee optrekken voorbij. Het blijft dan nog een tijdje in mijn hoofd rondwaren en er komt een tekst met mijn gedachten erover. Maar. Het is een boek om te herlezen. Niet alleen om geen afscheid te hoeven nemen, maar ook omdat ik er zeker van ben dat er meer draden in het weefsel ervan verwerkt zijn dan ik deze eerste keer heb gezien.

Noten:
* Carter J. Eckert, Ki-baik Lee, Young Ick Lew, Michael Robinson en Edward W. Wagner,
'Korea old and new: A history'(Seoel: Ilchokak, Publishers, 1990), p. 339. In het boek wordt een andere spelling voor Jeju gebruikt, nl. Cheju. Die strepen heb ik bijna een kwart eeuw geleden gezet, maar met deze roman hebben ze veel meer relief gekregen. Overigens komt ook Gwangju (hier Kwangju) uitgebreid aan de orde in Korea old and new.
** De strip is nog niet op papier uitgegeven. De financiering is nog niet rond. Wel heeft de hendrick Hamel Art Company uit Gorinchem een vierde druk (
oktober 2022),van het door Hamel geschreven journaal van een dertienjarig gedwongen verblijf in Korea en de ontsnapping er vandaan (slordig en uitgebreid met wat Gorinchemse context) uitgegeven: Hamel's Journaal. (1e Druk 2003,  Donker B.V., Uitgeversmaatschappij Ad.)
     Hamel vertrok als VOC-boekhouder in 1653 vanuit Batavia (Jakarta) naar Formosa (Taiwan) met het jacht de Sperwer om daar de nieuwe ambassadeur Cornelis Ceasar en wat militairen voor het destijd 
onder Nederlands bestuur vallende eiland af te zetten. Na vertrek richting Japan sloeg het schip in augustus van hetzelfde jaar op de tocht van Formosa naar Decima in Japan op de rotsen van het eiland ten zuiden van het Koreaanse vaste land.
    De overlevenden mochten Korea niet meer verlaten. Pas dertien jaar later slaagden acht van hen erin op een klein zeilschip te ontsnappen. Hamels journaal zou het geisoleerde Korea ook in het buitenland bekend maken.    
    In Gorinchem is sinds 2015 een intiem museum gewijd aan Hamel dat is ingericht in een reconstrueerd huis op de plaats waar hij geboren werd. Er is een traditionele kamer, een VOC-kamer, en een Korea ruimte. Deze laatste valt op door de omvangrijke en vakkundig in Korea gemaakte maquettes van de scheepsramp, militaire gebouwen en het paleis van de koning. 

zaterdag 19 oktober 2024

Greek lessons

Greek Lessons van Han Kang is een boek waarin twee personen met een handicap het verhaal maken. De een, een leraar Oud-Grieks, kan nauwelijks zien. Het is een erfelijke aandoening; zijn vader en zijn opa hadden het ook. Hij leert om zich staande te houden teksten uit zijn hoofd en krijt met zijn ogen bijna tegen het schoolbord om te zien wat hij er op schrijft. Zijn zus probeerde zich in zijn situatie te verplaatsen door een plastic zak voor haar ogen te houden. Ze ziet dan nog wel de contouren van de meubels en kleuren en vlekken. Het was een geruststelling voor haar. Haar moeder is te rechtlijnig in haar denken en ziet dat niet en keurt het gedrag af. De leraar zelf vergat zijn vader te vragen naar het leven met deze ernstige kwaal.

De andere hoofdpersoon, de leerlinge en tot voor kort docente literatuur, kan niet meer spreken. De woorden zijn uiteen gevallen. Ze begon haar leven als een taalgevoelig kind. Al snel doorzag ze werking van de verschillende Koreaanse letters, alleen en in samenhang. Dat ze al vroeg getroffen werd door het woord (je ziet er een pagoda in, maar het betekent bos, woud) kan je zelfs als iemand die nauwelijks een idee heeft van het Koreaanse schrift begrijpen.

Even mooi, maar toch anders, is hoe παθείν en μαθείν op elkaar lijken. Het is Grieks voor respectievelijk lijden en leren. Dat past bij een thema in dit boek: het lijden dat dwingt te leren ermee om te gaan. Dat kan gaan om het al eerder genoemde uit je hoofd leren van teksten of de vaste routes die je moet volgen in huis en op straat, maar het kan ook betekenen zolang wandelen totdat je te moe bent om nog iets te merken en dan als een blok in slaap te vallen zonder in de nacht nog wakker te worden. Maar je kan leren totdat je een ons weegt, maar niet alles is te leren en begrijpen. Waarom verwoest een ontsteking het oog, vernield roest het ijzer, maar waarom sloopt een dwaze geest niet de menselijke ziel?
“Greek Lessons is een tedere liefdesbrief rond menselijke tederheid en verbinding, een roman om de zintuigen wakker te maken, en die levendig voortovert wat het betekent te leven,”
zo stelt de flaptekst met grootse woorden.
Taal is een belangrijk onderdeel van het boek. Het woord banmal wordt onvertaald gebruikt voor de woorden van een arts in het ziekenhuis. Het is informeel, of uit-de-hoogte (naar kinderen) Koreaans. Het staat tegenover het formele jondaemal. In het boek komen drie soorten schrift voor Grieks, Koreaans en wees niet bang voornamelijk het Latijnse. Zo'n ander schrift schept afstand en is intrigerend. Er wordt mee gespeeld en geknutseld. De vrouw die niet spreekt maakte al vroeg poëzie met letter pictogrammen: de a is een mannetje dat moe voorover buigt en het woord licht 光 een struik die naar de zon reikt. En zo zijn er nog wel meer van die naïeve kindergedichtjes. (Overigens schrijft ze in het boek ook vrijwel vanzelf een door het leven getekend gedicht in het Oud-Grieks.)

Het Oud-Grieks kent een reflectieve vorm die tussen de lijdende en actieve vorm instaat. Het is voor zowel leraar als leerlingen een taal uit een heel ander deel van de wereld en bovendien een dode taal. De vrouw koos voor Grieks, juist omdat het schrift zover bij haar vandaan stond, waren er lessen in het Birmaans of Sanskrit geweest – met een nog afwijkender schrift – dan had ze daarvoor gekozen om zo volledig naar eigen keus weer taal te verwerven. De leraar leerde doordat hij pas als late tiener in Duitsland kwam het Duits nooit vlekkeloos beheersen en was alleen goed in wiskunde en Oud-Grieks. Die taal had voor hem een aantrekkingskracht als veilige, rustige kamer, juist omdat het al zo lang een dode taal was.

Maar los van die talen is het ook een boek, met beschrijvingen en meningen. De opmerking dat de vrouw tijdens haar bezoek aan Zwitserland geen foto's maakte en dat ze de beelden opsloeg in haar hoofd, gecombineerd met de geluiden, geuren en het tastbare gevoel; sensaties die een camera niet vast kan leggen, maar haar oren, neus gezicht en handen wel; die opmerking is niet nieuw. Het is iets wat iedere fotograaf wel eens zal hebben bedacht, maar in dit boek past die constatering als een vakkundige houtverbinding of als een spatie tussen woorden. De verzuchting dat je in Europa altijd vriendelijk moet groeten en glimlachten of wordt gezien als een persoon goed in Aziatische vechtsport, los van de subtiele blikken die je buiten de samenleving plaatsen; ook van die scheve situatie raken we steeds meer doordrongen. De moeder van de leraar stopte met haar tanden voor een smile ontbloten, ze zei: “Dat ik niet glimlach betekent niet dat ik kwaad ben.” Ook niet nieuw, maar het wordt hier wel fijnbesnaard en van binnenuit beschreven. Daarnaast: het wemelt in het boek van de mooi uitgewerkte gedachten die je nog niet eerder las of bedacht.

De leraar Grieks heeft zijn halve leven in Duitsland gewoond. Hij is terug gegaan naar Seoel, tot grote zorg van moeder en zus die vrezen dat hij het met zijn slechte zicht niet zal redden. Het leven in twee werelden heeft hem een gespleten persoon gemaakt, een mens in twee culturen. Zijn zicht zal nog verslechteren en hij moet nu wel kiezen waar te wonen voordat dit niet meer mogelijk zou zijn. Hij voelde zich bij terugkeer meteen weer thuis in Korea. Zo is hij leraar Grieks geworden in de Koreaanse hoofdstad, en houdt zich staande. Als de leraar en leerlinge elkaar nader ontmoeten, dan praat hij tegen haar en vertelt de verhalen van zijn leven die we al eerder – sommige summier – in het boek tegenkwamen. Het lijkt een monoloog. Maar er is veel meer dan dat praten. Samen zitten ze in zijn sobere kleine kamer waar een gloeilamp hun schaduwen op het plafond tekent. Buiten tsjirpen de krekels, als een cesuur, een pauze, tussen zijn zinnen. Zij luistert en associeert naar haar eigen ervaringen en er is een grote intimiteit die van de pagina's zweeft.

Dat de vrouw niet praat kan je begrijpen door de dood van haar moeder en de strijd om de voogdij over haar zoon, een strijd die ze verloor. Die jonge zoon zat vol met van die fijne kinderlijke opmerkingen, die haar vrolijk maakten. Het is afgelopen. Een klap. De zin “Maar zo eenvoudig is het niet,” komt een paar keer terug. Er is veel meer wat haar de taal ontnam. Langzaam, heel langzaam, vaak op pagina's die veel meer wit bevatten dan letters, wordt dit ontrafeld. “Je bent gek,” spuwde een persoon, die haar man wel moest zijn, haar in het gezicht. “Tot nu toe heb ik een gek kreng voor mijn kind laten zorgen.” Ook die belediging vormde druppels (우 우 우) in de emmer die de spraak stopte. Eén reden was er niet.

Een mening is snel gegeven, maar reflectie betekent aandacht. “Luister je wel,” en het overwinnen van de angst om in de mist te verdwijnen. Het heeft wel iets humoristisch deze betrokkenheid duidelijk te maken, juist aan de hand van twee personages waarvan het zicht of de spraak niet goed of helemaal niet meer werkt. Het heeft ook iets bemoedigends te zien dat dit niet kansloos is.

Inderdaad werd de waarde van het kijken en luisteren in me wakker gemaakt tijdens het lezen, zoals die flaptekst al voorspelde. Inderdaad was het een teder liefdesverhaal. Haar aandachtig schrijven van antwoorden op vragen in de palm van zijn hand, gaf hem ruime zijn verhaal te doen. Als ze luistert laat ze door een subtiele verschuiving van haar voet merken dat ze er nog is, dat ze inderdaad luistert. Communicatie voor gevorderden.

Han Kang heeft een breed palet aan schrijverstalent en dit boek is daarvan een voorbeeld. In de week dat ik het lees, krijgt ze de Nobelprijs voor literatuur. Dat betekent meer aandacht voor haar werk.* Haar boek uit 2021 (작별하지 않는다) Ik zeg geen vaarwel is eerder naar het Nederlands dan Engels (We Do Not Part) vertaald en pakt de Koreaanse geschiedenis weer op. Volgens vertaler Mattho Mandersloot is dit laatste boek “het verhaal van een genocide op het Koreaanse Jeju-eiland, waar in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog allerlei linkse groeperingen gevangen zaten. Het Zuid-Koreaanse leger heeft toen op bevel van de Amerikanen besloten die uit te roeien in een poging het communisme in te dammen.”

Mandersloot wil ook Greek Lessons wel naar het Nederlands vertalen. Dit intense poëtische proza dat de kwetsbaarheid van het menselijk leven en de mogelijkheden ervan blootlegt, verdient dat.

Noot:
* Human Acts en The White book besprak ik al eerder.
De Vegetariër
las ik voordat ik deze stukjes schreef.

zondag 1 november 2020

Boeken in oktober



Laatst gelezen boek boven. 
 
Er zitten een paar stevige ezelsoren in het bibliotheekboek Pelican Bay van Nelleke Noordervliet; precies op pagina's die de zoektocht samenballen naar afhankelijkheids- en machtsrelaties: ouder-kind, slaaf-slavenhouder – in 2001 nog niet het politiek correctere en uit het engels (enslaved) overgewaaide tot slaaf gemaakte – , verliefde-geliefde, broer-zus, dwaas en beschermheer.

Hoofdpersoon Ada van de Wetering gaat op zoek naar haar geadopteerde broer (die op zijn 18e zijn spaarboekje leeghaalde en teruggekeerde naar het Caraïbische eiland waar hij vandaan werd geplukt) en naar de geschiedenis van voorvader Jacob, achtereenvolgens door zijn familie verbannen uit Nederland, zeeman, handelaar (in illegale goederen), piraat, en eigenaar van een suikerriet plantage op hetzelfde eiland.

Het eiland in het oosten van de Caraïbische Zee waar Pelican Bay ligt, blijft een onbenoemd eiland. Tijdens het lezen kan ik het niet hebben dan ik het niet kan plaatsen. Er wordt Engels gesproken. Ik laat de Engelstalige eilanden steeds voorbij komen. Er wordt calypso gezongen. Er wordt betaald met de Oost Caraïbische dollar, die wordt gebruikt in Antigua en Barbuda, Dominica, Grenada, Sint Kitts en Nevis, Sint Lucia, en Sint Vincent en de Grenadines. Het lukt me niet. Misschien is het wel een fantasie eiland (een schrijfster heeft die mogelijkheid immers).

Nog een bijzaak (over de hoofdzaken zijn al besprekingen geschreven): Jacob vertelt aan Henriquez da Silva zoon van een zwarte vrouw en Joodse zakenman op Curaçao over de gele velden in Walcheren waarop het koolzaad bloeit. Het is zelfs minder dan een zijstraat. Maar het is wel een opmerking die duidelijk maakt hoe moeilijk het genre van de historische roman is. Sinds wanneer zijn de velden zo geel. Waar komt de plant vandaan en wanneer is ze geïntroduceerd. Achter de zin ligt kennis en een geschiedenis. Wiki: “Vanaf de zeventiende eeuw wordt er een grotere oppervlakte koolzaad verbouwd en is koolzaad het belangrijkste oliegewas in Nederland en Noord Duitsland. In het begin werd de olie vooral in olielampen gebruikt.” Om de een of ander manier vind ik deze kennis opmerkelijker dan de uitwerking van de suikerrietpers op de tot slaag gemaakte die er per ongeluk tussen komt. Dat verhaal zal ook wel kloppen, maar zoek ik niet op.

Je komt er niet onderuit je tijdens het lezen je af te vragen of het boek twintig jaar na het schrijven ervan door de huidige beugel kan. In het verhaal wordt het beangstigende van allemaal zwarte mensen om je heen genoemd, of andersom hoe haar “blank-zijn me geruststelde,” het niet kunnen onderscheiden van gelaatstrekken, omdat je geen bibliotheek hebt in je hoofd om dat als vanzelf te doen. Het onderlinge wedijveren, wie is het minst donker gekleurd, maakt van racisme iets wat breder is dan tussen wit en zwart. Opmerkingen die je niet overal kan noemen, maar die ik wel herken. De visies zijn niet eenduidig. De zich in het aangedane leed wentelende negers (dat woord kan in 2001 nog gebruikt worden) die zo de ander voor de pestzooi in de al lang onafhankelijke koloniën kunnen houden staan tegenover de opmerking: “liever corruptie in vrijheid dan law and order in slavernij.”

I-den-titeit. Het slapste excuus voor karakterloosheid dat ze de laatste jaren maar al te vaak had gehoord.” Het is een opmerking die bij mij even moet bezinken. Black Lives Matter. Die zwarte levens gaan om identiteit. Een gezamenlijke identiteit waarvan een een deel op een continent aan de andere kant van de oceaan ligt. Die verplaatsing was een winstgedreven misdaad die nooit is rechtgezet. BLM is echter geen wentelen in zieligheid, maar opstaan tegen onrecht en zo is identiteit niet slap maar een daad van kracht. Dergelijk verzet kan niet zonder analyse waar de huidige positie vandaan komt. Identiteit is geen als een anker vastliggend gegeven, maar bestaat in geleefde levens, laag voor laag gestapelde afkomst en positie.

Op een van de ezelsoorpagina's staat dat de achterkleinkinderen van de tot slaaf gemaakten onbewust de slachtoffer positie nooit verlaten, terwijl de daders al lang dood zijn. Zelfs dat onbewust wordt in twijfel getrokken. De bevolking kiest voor die positie en de de pacifistische humanisten die willen helpen  zijn neerbuigend en op sensatie belust. Twee partijen in een alinea neergesabeld. Op zo'n moment duikt Grenada in mijn hoofd op, mariniers op Curaçao, embargo tegen Cuba, de positie van Puerto Rico in de VS, de steun aan Papa Doc etc. Noordervliet schrijft over de Caraïben als een schrijver over Iran die Mossadeq weglaat. Sterker nog die ook de steun aan de Sjah niet noemt.

Het boek zit ook zonder deze zoektocht naar verantwoordelijkheid voor de huidige situatie boordevol waardevolle observaties, beelden en visies. De vraag hoe oordeel je over het verleden is een centrale vraag. De geliefde van Jacob komt om het leven, haar hals afgesneden haar zwangere buik opengereten. Volgens de eilandbewoners was hij de dader. Indertijd kreeg de zwarte als vanzelf de schuld. Brieven en overleveringen scheppen geen duidelijkheid wie de dader was. Hoewel het boek als een detective begint met dit misdrijf en je oplossing verwacht, onderstreept het dat moraal veranderd met de tijd. Verschillende mogelijkheden worden genoemd, maar een keuze kan niet gemaakt worden.

De lezer belandt op stille stranden met red snappers op de barbeque. Hij ziet de mango's als groene tranen aan de bomen hangen. Leeft tijdelijk in een vervallen pension met uitzicht op zee. Maar gaat ook op stap in ruige wijken. Hoe langer ik lees des te minder voel ik de behoefte te weten op welk eiland dit alles speelt. Het verhaal sleept me mee. Zou ik met de verantwoording aan het eind van het boek  zijn begonnen, dan had ik geweten dat het eiland geconstrueerd was uit verschillende eilanden. Het had vast rustiger gelezen, maar ik had niet zo in mijn hoofd gegraven naar beelden uit mijn eigen rondreis door het gebied. Het is maar een van de redenen dat ik genoten heb van het boek.
Het cement van het verhaal zijn de mensen, visies op hun handelen, onafhankelijkheid en liefdes en die mortel is goed gemengd.

 
***

De kapiteinsdochter van Alexander Poesjkin leest heerlijk weg. Er zijn van die verhalen die de Russische adel als setting hebben en daar stroperig over schrijven. In dit boek zit vaart.

Het verhaal speelt zich af aan het eind van de 18e eeuw aan de grens met Kazachstan. Er is in de eerste plaats de hoofdpersoon, wiens vader driehonderd lijfeigenen had, de luitenant Grinjow. Verder zijn er een aantrekkelijke dochter, kozakken, verwikkelingen in de huiselijke sfeer, een aanval op het Russische rijk, verraad, en ja, zelfs een duel. De ingrediënten worden smakelijk opgediend, en zelfs het moralisme en de zoete liefde gaat niet vervelen.

De hoofdpersoon levert soms commentaar op de tekst. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij de oorlogshandelingen bij de belegering van Orenburg weglaat, omdat het boek een familiekroniek is. De kruitdampen mogen er nauwelijks in voorkomen, het is toch een verhaal dat best door kan gaan voor een avonturenroman over de twijfelende Russische officier en de leider van de boerenopstanden Poegatsjov binnen het Russische rijk van Catherina de Grote. Poesjkin deed volgens de inleiding lange tijd onderzoek naar Poegatsjov. Het bestuderen van dit onderwerp paste in zijn visie dat willekeur en onderdrukking het volk tot het uiterste drijven.

Chroniqueur Grinjov noemt en passant Tsaar Alexander een verlicht vorst, aangezien hij de gebruikelijke foltering van gevangen afschafte en verantwoordelijk was “voor de snelle loop van de verlichting en de verbreiding van de beginselen der menslievendheid.” Uit de inleiding wordt duidelijk dat Poesjkin niet vrij was om te schrijven wat hij wilde. Hij leefde aan het hof in Petersburg om daar door de Tsaar Nicholas (de opvolger van Alexander I) zelf te kunnen worden gecensureerd.

Grinjov heeft een dubbele positie. Hij was van adel, maar valt voor een meisje van eenvoudige komaf. Hij schaamt zich achteraf voor het de mantel uitvegen van de hem toegewezen knecht. Hij krijgt zelfs een band met Poegatsjow, die je openhartig of zelfs voorzichtig een vriendschap kan noemen. Het boek ademt een sfeer van verandering, zoals het breken met adel en horigheid.

De uitgave die ik las, werd uitgeven in de literaire serie van Amstel boeken (3e druk). Deze uitgave wordt gesignaleerd in de Leeuwarder Courant van 21 mei 1962, vijftig dagen voordat ik geboren werd. De eerste druk is al van 1948 en na die 3e zouden nog twee drukken volgen; de laatste in 1983. Zo is het bijna een halve eeuw uitgegeven.

De recensent van de IJmuider Courant had dat in 1950 niet kunnen vermoeden. Hij vond de vertaler destijds onbekwaam, maar haalde zelf wel zonder bronvermelding veel van zijn informatie uit het interessante voorwoord bij de uitgave. Dat het Nederlands vaak houterig is, heeft mijn leesplezier niet bedorven.

 
***

The white book
van Han Kang stond al een tijdje op mijn verlanglijstje. De Koreaanse schrijft met klem en openheid over het leven. Dit boek uit 2016 is haar laatste boek tot nu toe. Haar voorgaande Human Acts is een van de mooiste boeken die ik vorig jaar las. The White book heeft een eigen karakter.

Het is een tere zoektocht naar de banden tussen de vertelster en haar al een paar uur na de geboorte, op het Koreaanse platteland, overleden oudere zus. Het verhaal wordt verteld in korte fragmenten; soms bijna als poëzie. Ook als het verhalend is zo geschreven dat je als vanzelf langzamer gaat lezen.

Het leven van de gestorven zus wordt opgetrokken op het fundament van wat er was, de paar uur dat ze leefde, zoals de huizen van Warschau weer opgebouwd zijn op de weinige resten die er na de oorlog nog waren. De – door De vegetariër bekende – schrijfster verblijft in de Poolse hoofdstad als ze het boek schrijft.

Er is meer Europa in The White Book, zoals een eiland boven het vaste land van Noorwegen dat in het hoofdstuk Witte nachten bespiegelingen opwekt over leven tussen donkere en lichte dagen; tussen oude en nieuwe pijn; over momenten met herinneringen uit het verleden, en met herinneringen in de toekomst, maar die laatste kan de geest nog niet zien.

De roman begint met een lijst witte voorwerpen, van inbakerdoeken, via zout, sneeuw, ijs, de maan naar een lijkwade. De eerste in de lijst werd de laatste. De yulan moet ik opzoeken om te weten dat het magnolia is. Die lijst met witte dingen leest als een onvolledige inhoudsopgave. Want er is ook de witte deur, de wit geschilderde wanden van een nieuw appartement die er nog niet bij staan.

Er zijn ook de suikerklontjes, waar de vertelster als kind aan knabbelde en ze zachtjes opzoog. Ze houdt niet meer van zoet, maar de klontjes roepen nog steeds het fijne gevoel op als eerder. “Er zijn bepaalde herinneringen die geen geweld worden aangedaan door de tijd. En niet door pijn. Het is niet waar dat alles wordt gekleurd door tijd en lijden. Het is niet waar dat ze alles tot puin laten vervallen.”* Het zijn zinnen die je als vanzelf naar mooie vroege herinneringen doen zoeken.

Als de vrouw achter haar opgeruimde bureau zit, valt alles van haar af. Ze kan zich zelfs niet meer voorstellen dat ze iemand was waarvoor de enige troost was dat eeuwigheid onmogelijk is. De oudere zus kan niet ontkent worden en is een deel van haar leven. Ze ziet door haar ogen nog meer wit: de gletsjers, de witte berken in het bos en de stofdeeltjes in het zonlicht.

Als illustraties zijn er verstilde filmbeelden door Choi Hun-yihuk met voorwerpen en silhouetten die ondanks hun grijstinten, de witheid en rust van het boek kracht bijzetten. Er zijn veel witte pagina's onderweg door het verhaal en aan het eind alsof je zelf nog ruimte krijgt. De vertraagde lezer wordt gestuurd om het (ook het eigen) kleine leven aandachtig te bekijken.

Het boek is een pleidooi jezelf niet voor de gek te houden, om het leven in het gezicht te zien, en stil te staan bij wie je omgaven. Een zelfhulp roman, één uit velen? Nee daarvoor is de tekst te fijnzinnig.

* Eigen vertaling uit het Engels. Er is ook een vertaalde versie: Wit.


 ***
De legende van de berg Ararat door Yaşar Kemal († 2015) leest als een sprookje met een liefdespaar: de adelijke Gülbahar en Ahmet, de herder van de welbekende berg Ararat.

Die berg staat zoals de titel al aangeeft letterlijk en figuurlijk in het middelpunt van de legende. De 5.000 meter hoge vulkaan ligt in het Koerdische deel van Turkije tegen de grens met Iran en Armenië aan. Kemal was een Koerdisch schrijver.

Het verhaal toont de koppige houding van de heerser, de pasja Mahmut Khan. De Osmaan is knap van uiterlijk “en wanneer hij Koerdisch sprak, was het alsof hij nog knapper, hartelijker, warmer was.” Hij was echter ook uitzonderlijk wreed en daarvan staan je-haren-rijzen-ten-berge voorbeelden in de legende. 
 
Het verhaal gaat over de kracht van liefde, maar ook over solidariteit: met zijn allen krijgt men de pasja en zijn bruut bestuur klein. “O, als we altijd en in alles zo eensgezind waren, dan zou niemand ons meer kunnen commanderen,” zegt de smid Hüso, die als aanbidder van het vuur een buitenstaander is. Niemand durft hem de afkeer van hem recht in het gezicht te zeggen, alleen achter zijn rug smiespelt men hierover. Maar het gaat ook over de breekbaarheid van de solidariteit. De verzamelde bevolking vergeet al snel zijn boosheid en gaat over tot de orde van de dag.

Het is echter vooral een verhaal over de worsteling met de traditie. Allereerst omdat de pasja de wetten van de traditie in de wind slaat, hij ziet zichzelf als maat der dingen. Maar het gaat ook over de traditie die de liefde in de weg staat. Gülbahar komt tegen dat deel er van in opstand. Of over de traditie juist als beschermer van de liefde, waar een paar dat samen wil leven bescherming krijgt als het dreigt (door de familie) uitelkaar getrokken te worden.

De traditie is anderzijds weer zo normerend dat ze uiteindelijk als een steen is die de schone liefde laat verdrinken. Die knellende banden spelen een rol tot op de laatste pagina van het boek. Maar het verhaal laat dus ook zien dat traditie zijn waardevolle kanten heeft.

***

De Jacobsboeken van Olga Tokarczuk heeft een omvang (C5-formaat, 6cm dik en 1,3 kg zwaar) die het alleen voor de geoefende lezer met sterke polsen tot bedliteratuur maakt. Het lezen voor het slapen is ook af te raden, omdat het veel aandacht vereist om tenminste een deel van de namen van de opgevoerde personages te onthouden. Maar goed, dat is een bijzaak bij dit monumentale boek.

Reizen

Het begint in 1752 in het dorp Rohatyn, dat tegenwoordig in de Oekraïne ligt. Er gebeurt wat ik ook al uit een ander boek van deze Poolse schrijfster ken: het verplaatst je met wat pennenstreken van je eigen kussen naar elders. In dit geval is dat de woonstede van de Joodse familie Szor; een doolhof met kamers, passages, ruimten, gangen, schuttingen en een tuintje met het weinig ruimte nodig hebbende kaasjeskruid.

Het boek blijft je verplaatsen: over zeven grenzen, door vijf talen en langs drie grote religies. Die reis is gemaakt voor: Wijzen pro Memorie; Polen ter Reflectie; Leken ter Lering; en de Melancholici tot Vermaak, zo vermeldt de achterflap. De reis eindigt (los van het nawoord) aan het eind van de 18
e eeuw in het Oostenrijkse Offenbach. Het laat je soms naar adem happen om het bij te benen. Het laat de samenhang zien tussen een deel van de wereld tussen Warschau in het Noorden en Izmir (Smyrna) in het zuiden.

Maar de grootste verplaatsing van allemaal is die naar de religieuze sekte rond de charismatische Jacob Frank en zijn rechtgelovigen. Die sekte wordt omgeven door een katholieke kerk die het voor het zeggen heeft, een samenleving waar geweld de gewoonste zaak van de wereld is, bijgeloof aan de orde van de dag en oorlog dreigt of daadwerkelijk woedt als de Russen binnenvallen. Frank zou de derde messias zijn, een komst noodzakelijk om Gods vrijheid op aarde te brengen, een vrijheid waar het verschil tussen man en vrouw, tussen nacht en dag, en de behoefte aan eten en drinken zal verdwijnen, en de Thora zal zichzelf omgekeerd herschrijven. Hoe idioot de woorden van Jacob ook zijn, ze worden door zijn vele volgelingen voor waarheid aangenomen. Ze laten zich christelijk dopen, omdat ze ook door deze fase heen moeten. Niets is voor eeuwig, ook het leven van de Heer niet. Aan het eind van zijn leven raken jongeren snel afgeleid als ze zijn onbegrijpelijke woorden horen. Dat is dan weer geruststellend. 

Rommel la

Een afgeranselde en voor dood achter gelaten Christelijke boer wordt gered door de orthodoxe Joodse familie Szor. Een pater raakt bevriend met een wereldlijk dichtster. Een adellijke dame heeft de broek aan en haar man slikt dat voor zoete koek. De mensen zijn niet wat ze volgens de schema's zouden moeten zijn. Sympathie en antipathie gaan hand in hand. Het is een cliché dat de mens een vat vol ongerijmdheden is, maar moeilijker is het dit in een roman zo op te schrijven zonder dat de lezer afhaakt. Het is is een van de kunsten die de Poolse schrijfster beheerst. Dat is een waardevolle kwaliteit, want de mens is minder eenduidig en vaak ook minder mooi dan hij zelf wel zou willen. Chaos is voor mensen altijd vertrouwd en veilig geweest, schrijft ze, en onderstreept deze ongerijmdheid – want is orde en netheid niet het ideaal – met de metafoor van de eigen rommel la.

Ze schrijft zoals ze ook in
het vorige boek wat ik van haar las deed. Ze veroorzaakt sympathie met mensen waarvoor je die in het dagelijks leven niet zo vanzelf op zou kunnen brengen. Andersom kan ook. De Bisschop die na gevangenschap in Siberië terugkeert, krijgt een schop na. Ze zeggen dat mensen “wier eigendunk zo hoog is dat zij hierdoor volledig verblind raken en overal om zich heen uitsluitend zichzelf zien. En de overtuiging van de eigen belangrijkheid ontneemt hun het gezond verstand en het vermogen te oordelen.”

Tokarczuk is de sporen van de werkelijke Heer, Jacob Frank, nagegaan en heeft in het boek illustraties opgenomen die bij deze speurtocht bovenkwamen. Waar de charismatische man ook belandt hij lijkt er voordeel uit te halen. Als het de gevangenis voor hem wordt dan is dat de appel waar hij doorheen moet bijten om dichter bij de verlossing te komen. Ondertussen verwekt hij een schare aan kinderen bij vrouwen die hem volgen. Hij bepaalt met ongenaakbare keuzes wie het in zijn gevolg met wie doet.

Grauwe werkelijkheid

Je leest over een grauwe werkelijkheid uit een ver verleden. Maar het boek heeft ook zijn betekenis in het heden. Als een Joodse en Christen met elkaar trouwen dan wordt overwogen dat je zo op het oog geen verschil ziet, maar dat er een niet te dempen afgrond tussen hen was. Die frictie bestaat nog steeds; verschillen tussen religies en levensvisies worden nog steeds uitvergroot.

Er worden strafzaken van de inquisitie beschreven, zoals een proces tegen de hele groep rond Jacob Frank. Waar de clerus veroordeeld, na wat een oprecht proces lijkt, niet vanwege misdaden, maar omdat dit is wat de samenleving verwacht. Volkse antisemitische mythen, zoals het bakken van matses met Christenbloed worden weliswaar door de Paus naar het rijk der fabelen verwezen, maar toch wordt een 'dader' veroordeeld. Zo komt de echte dader van een moord ermee weg, omdat die handig gebruik maakt van het antisemitisme om zijn schuld in de schoot van een ander te leggen. Het misdadig manipuleren met gevoeligheden is van alle tijden en niet perse iets van een politieke klasse waar me nu mee te kampen hebben.

In de lucht

Wat in het boek de hele tijd boven de markt hangt is de verlichting, die ver weg lijkt maar met Rudolf en Getrude Ascherbach die er over spreken en schrijven in een zijlijn van het boek. Gertrude begint als rechtgelovige en jeugdig bedgenote van De Heer. Haar veranderde bijrol levert een sprankje hoop tegen de waanzin in. Rudolf zou als arts ondanks zijn idealen niet dogmatisch zijn in zijn wetenschappelijke benadering, maar als remedie voor een vrouw die de weg kwijt is haar adviseren de toekomst te laten voorspellen om zo weer greep op haar leven te krijgen. Met het personage Jenta die alles bekijkt en door een ingeslikte amulet, waarop een tekst om haar dood uit te stellen, niet echt dood wil gaan in de grot waar ze ligt, en deze zonder veroordeling prominent plaats te geven in het boek en andere bijgelovigheid in soorten en maten, laat ruimte voor ook die kijk op de wereld.

Los van tochten van Noordoost Europa tot in Turkije tekent het boek grote ontwikkelingen binnen de Europese geschiedenis. Dat ik me moeilijk kan verliezen in de wereld die wordt geschetst – alleen soms, bij bepaalde personen en situaties – is omdat ik misschien wel niet wil dat alles doordringt wat ik lees. Boeren worden om het minste doodgeslagen of gemarteld, Joden getreiterd en Jacob Frank gebruikt zijn macht voor seksueel misbruik (iets wat vaker voorkomt bij sektes). Het boek is een uitstekend medicijn voor de zwartkijkers die denken dat ze tegenwoordig in de meest kwalijke tijden ooit leven. Al was het alleen maar om de pest die als een verschrikking rondwaart, zonder dat er veel aan kan worden gedaan, dat we ons kunnen realiseren in tijden te leven waar ongemakken relatief gering zijn.

Het boek is groot, zwaar en dik, toch is er buiten de beschreven pagina's nog veel wat niet opgeschreven is, maar in het wit tussen de regels rondwaart. Er is tijdens het leven het besef – dat soms als een verstikkende deken neerploft – dat het ergste nog moet komen: net voor onze huidige tijd. Helaas is dit niet vergezocht. Het hoofd van de historische Jacob Frank is opgegraven en opgemeten om de inferioriteit van de Joden mee te staven.

Paginanummering

De eerste genummerde pagina is bladzijde 909. De laatste heeft nummer 2. Deze omgekeerde paginanummering is een eerbetoon aan de in het Hebreeuws geschreven boeken en ook een herinnering aan het feit dat elke volgorde een kwestie van gewenning is, zo staat in de bibliografische aantekeningen. Het voelt inderdaad wat onwennig om nummering terug te lezen en niet vooruit, maar voor het verhaal maakt het geen verschil. Je kan je afvragen of van achter in een boek naar voor lezen dat wel zou doen. Je stuit dan nog meer op ingesleten leeshandelingen. 

Het verhaal leest als in een ver verleden. Het linken naar het heden, zorgt dat het verontrust.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken. De omslag is gelijk aan die van de uitgave die ik las.



donderdag 31 oktober 2019

Boeken in oktober

Vaak misplaatst woord en als er wel sprake is van heldendom dan doen de helden vaak alsof ze niet anders kunnen.

Human Acts door Han Kang brengt je 40 jaar terug naar een neergeslagen opstand in Zuid-Korea. Het is een boek vol narigheid en vol vragen. Wanneer ben je een held? De tiener Dong-ho doet waar hij inrolt. Hij blijft dat doen ook als zijn moeder en oudere broer hem zeggen ermee te stoppen. Deze jongen vindt zichzelf niet dapper. Hij ging opzoek naar zijn vriend Jeong-dae en blijft in het geïmproviseerde mortuarium om te zorgen voor de lijken van de massamoord in Gwangju. Hij zal deze inzet met de dood bekopen. Nog na tientallen jaren zullen zijn broers ruzie maken, rond het verwijt waarom de middelste hem niet naar huis heeft gehaald. Zijn moeder zal het zich tot haar dood kwalijk nemen dat ze zich heeft laten sussen door zijn belofte voor het eten naar huis te komen.


De zwarte kwast van de censuur heeft de schrijver het zwijgen op kunnen leggen, maar niet de kunstenaar.

Het is een compositie in een zevental stemmen die vertellen – geënt op onderzoek ter plaatse – wat gebeurd is in de straten van de stad en wat de naweeën waren. Wat achtgrond bij het verhaal: Zuid-Korea was destijds bondgenoot van het Westen (vorig jaar werd pas bekend dat Amerikaanse helikopters werden ingezet in Gwangju) en werd geregeerd door een generaal Park. Als hij net is vermoord, komen bewoners van de stad in opstand als onderdeel van een landelijke beweging tegen de dictator. De opstand zou gewelddadig en zonder enige terughoudendheid worden neergeslagen.

Het boek verhaalt, met meer dan schokkende beelden, de dood van enkelen van de ruim 600 doden. Een paar maal wordt stilgestaan bij de vraag: waarom zouden we het volkslied zingen en de vlag draperen over de kisten van de slachtoffers als het leger van Korea, de gewapende hand van de dictatoriale staat, zo vreselijk heeft huisgehouden? Omdat niet alle soldaten vuurden op de bewoners, maar enkelen ook opzettelijk in de lucht. Omdat het land niet het land van de daders is, maar van alle Koreanen.

Schrijfster Kang was, voordat ze als jong meisje naar de hoofdstad Seoul vertrok, opgegroeid in Gwangju. Het huis in Gwangju waar ze zelf en hoofdpersonage Dong-ho in dezelfde kamer leefden is neergehaald en heeft plaatsgemaakt voor een noodgebouw. Deze vermening tussen feit en fictie wordt duidelijk uit de epiloog die zich laat lezen als deel van de roman en de band tussen haar en de gruwelen duidelijk maakt.

Het is enorm zware kost. Zoveel nare details kom je zelfs in een Amnesty Rapport niet snel tegen. Bovendien brengt de roman de personages, met alle dromen en pijn, tot dichtbij. Het is een boek met een missie tegen het vergeten en voor het graven naar meer herinneringen; het zoeken van een antwoord op waarom het gebeurde, geadresseerd aan de daders. Die missie wordt samengevat in de woorden van Lim Seon-ju, voormalig fabrieksarbeidster en vakbondsmedewerkster, later archivaris bij een milieu organisatie: “Getuigenis. Betekenis, Herinnering. Voor de toekomst.” Maar juist mevrouw Lim maakt duidelijk dat niet alles opgehaald kan worden, omdat het de vraag is of alle getuigenissen ook te dragen zijn, omdat teveel kapot gemaakt is en het vertellen tot niets dient. Het boek met zoveel narigheid blijft alleen overeind, omdat Kang zoekt naar dit soort tegenspraak van wat wenselijk zou zijn vanuit een politiek van bravoure.

Human Acts blijft ook overeind, omdat er zoveel menselijkheid in zit, én compositie. Die vorm in taal wordt mischien wel het meest duidelijk als een bijna volledig gecensureerd toneelstuk wordt opgevoerd. De bewegingen van de spelers worden beschreven alsof het moderne dans is. De woorden zijn vervangen door murmelende lippen. Het is voor iedereen duidelijk wat gezegd wordt. Dat is wel vaker zo onder repressieve regimes, de bevolking heeft aan een half woord genoeg, in dit geval is zelfs dat halve woord er niet. Knap om een toneelzaal zonder taal ingelokt te worden en het nog mee te kunnen beleven ook door letters op papier. De zwarte kwast van de censuur heeft de schrijver het zwijgen op kunnen leggen, maar niet de kunstenaar.

Een van de personages die de acties is ingerold, zegt dat ze het weer zou doen als ze haar leven opnieuw zou beginnen. Ze zou weer staan voor het verdedigen van de rechten van textielmeisjes tegen de dictatuur. In veel boeken zou dat overdreven heroïsch overkomen, hier niet, omdat ze wat meer vlees op haar fictieve botten heeft dan alleen die strijdbaarheid en bovendien een echte angsthaas is, die zelfs bang is van het bleke oog aan de donkere nachthemel, de maan. Nee om dapperheid draait het niet, wel om gevoel en medeleven.

Schrijfster Han Kang vraagt de broer van Bong-ho of ze zijn verhaal mag vertellen, zo meldt ze in de epiloog. “Als je het maar goed doet. Ja alstublieft schrijf uw boek, zodat nooit iemand meer in staat is om de gedachte aan mijn broer te ontwijden,” antwoord hij. Het heeft een boek opgeleverd over menselijk handelen in Zuid-Korea, maar ook over menselijk handelen in het algemeen. De wereld is niet mooi, maar er zijn mensen die ondanks zichzelf wel eens mooi zijn en doen wat nodig is. Het loopt er niet per se goed mee af. Daar draait de schrijfster niet om heen, maar ze heeft wel een gruwelijk, lief en strijdbaar boek geschreven.

***

De vrouw van de zee is een toneelstuk in vijf bedrijven en geschreven door Henrik Ibsen. Ik heb een vertaling door Judith Herzberg uit 1992 gelezen die is geïllustreerd met foto's van de spelers, zoals Joop Admiraal, Pierre Bokma en Roos Ouwehand.

Over het toneelstuk hangt een zweem van magisch realisme, waarin een verdronken man terugkomt om de verloofde en vrouw die hem bedroog door in het huwelijk te stappen met een ander weer de zijne te maken.

Het hoofdpersonage is Allida, de vrouw van de zee, de dochter van een vuurtorenwachter. Ze is door de arts en weduwnaar Wangel naar het binnenland gehaald. Ze heeft eerder een kortstondige relatie gehad met de Vreemde, een voormalig stuurman en moordenaar van zijn kapitein. Deze relatie is nooit echt beëindigt en zit haar dwars.

Als op een dag De Vreemde komt aanlopen en de tuin van de dokterswoning binnenstapt dan moet ze kiezen tussen hem of dokter Wangel. Ze krijg van De Vreemde een dag om te beslissen. Wangel vindt dat het niet haar beslissing mag zijn of ze vertrekt, daar gaat hij als echtgenoot en arts immers over. Allida antwoord dat hij haar kan verbieden te vertrekken, maar nooit haar keuze binnen in haar binnenste kan verhinderen.

Allida beslist dat ze met De Vreemdeling mee zal gaan, maar dan laat Wangel haar onverwacht vrij, verlost haar van het zijne en de zijnen: “Nu kan je kiezen in vrijheid en op eigen verantwoordelijkheid,” stelt hij daarbij. Doordat hij haar die keuze geeft kan ze ook in vrijheid de keuze voor hem en zijn gezin maken. Het is juist door die vrijheid dat De Vreemde aan het kortste eind trekt.

De vrouw van de zee is een verhaal over verhoudingen binnen relaties, waarbij hier-en-daar flinterdun heel veel wordt verteld, zoals in een aquarel, waar een penseelstreek een lucht of heideveld schildert. Maar uiteindelijk is het toneelstuk ook klip-en-klaar over de vrijheid van man én vrouw binnen verhoudingen.

***


Nachtboek van een slapeloze, door Patricia de Martelaere krijg ik aangereikt, “iets voor jou.” Nu slaap ik te weinig, maar ik zie geen slaapprobleem. (Dat mijn buren vaak ver na middernacht naar bed gaan en altijd wel iets laten vallen op hun parket, houdt of maakt me inderdaad rottig en letterlijk pijnlijk wakker. Maar een slaapprobleem nee; ik slaap te licht voor mijn woonsituatie.)

Het boek stamt uit 1988, maar slapeloosheid is in de tussenliggende dertig jaar alleen maar een groter probleem geworden. De VRT heeft er in oktober een serie over lopen. Iedereen kent wel iemand die er aan lijdt.

Het nachtboek is niet vooral een boek over slaapproblemen: de persoon bij wie de schrijfster in het hoofd kruipt, ziet geen probleem. Slaappillen zorgen daarbij voor wat uurtjes nachtmerrie rijke slaap en dat leidt weer tot hallucinante aantekeningen in het nachtboek. Zijn vrouw Myriam is tegen de pillen: ze zijn geen oplossing voor de oorzaak van de slapeloosheid en zorgen alleen voor versterking ervan. Slaappillen ook al zo'n thema dat eerder meer dan minder belangrijk is geworden in de afgelopen drie decennia. Nee het is het boek over het leven binnen een gezin van vader (de slapeloze), de moeder (de bezorgde, wegdrijvende), de zoons (een houdt veel meer van dieren dan van mensen en de ander is een asociale jong volwassene), de oudste dochter heeft een ongelukkig vroeg huwelijk (net als de vader en moeder) en de jongste dochter loopt er tussendoor.

Ergens is de man van 40+ van zijn melk geraakt. Hij vindt dan alles leuk: lezen, wandelen, worst met appelmoes, film, “en ik vind het ook werkelijk leuk, hoe zou ik het anders ook moeten vinden (…) maar aldoor ben ik razend bedroefd,” dat voelt voor hem als een soort weemoed van de spieren en organen. 1988 is twee decennia voordat iedereen alles facebookleuk ging vinden. Tussen de regels door lees je dat zijn leven, van de drank / aan de drank, helemaal zo leuk niet is. Zijn oudste zoon beschimpt hem, de band met zijn vrouw wordt steeds minder hecht, het klapt met zijn oudste lievelingsdochter – de pianiste die geen piano meer speelt en die het enige echte medicijn was om hem een diepe, oceaan stille bodemloze slaap te bezorgen –  en zelfs de maanvissen leggen het loodje. Er blijft niets meer over. Zelfs mooie dagen kunnen daar niets aan veranderen. De man slaapt nauwelijks, maar zijn probleem ligt elders. Hij pent er in de nacht boeiend over, maar zakt langzaam steeds verder weg in zijn moeras.

***

De vlakte in vlammen van Juan Rulfo bevat 15 korte verhalen. In ieder verhaal is een hoofdstem en vaak nog een paar minder belangrijke stemmen. Het lijkt of al die stemmen, hoe stoer de verteller ook is, zachtjes uit een armoedige en gewelddadige achtergrond los komen. Je moet luisteren anders hoor je het niet eens. Goed- en rotzakken (vaak beide in een persoon en in ieder geval zonder hard oordeel in de tekst) leven in het harde, kale, vlakke of juist bergachtige hoogland van Mexico. Van het jongetje dat aan de put zit om kikkers die de kop op steken dood te meppen, tot de handlanger van een bendeleider die het voortdurend aan de stok heeft met het leger en alles daar tussenin en omheen.
Ja het regent weinig. Zo weinig of bijna niet, dat de aarde, die al kurkdroog is en verschrompeld als een oud stuk huid, vol zit met scheuren en barsten en met wat ze daar «regendrollen» noemen, wat niet anders zijn dan kluiten aarde die hard zijn geworden als puntige stenen, die in je voeten priemen als je loopt, net alsof daar zelfs uit de grond doorns groeien. Zo lijkt het.”
Daar in dat landschap lopen negen vrouwen naar de leerling van een religieuze oplichter om hem te vragen een pleidooi voor zijn meester te houden om die heilig verklaard te krijgen. Daar ontstaat tijdens het bezoek van de gouverneur aan een door een aardbeving getroffen dorp een woeste caféruzie, binnen en op straat. Over die gronden probeert een misdadiger tevergeefs te ontsnappen. In dat landschap wordt een stadje geteisterd door rovers en trekken revolutionairen en bendes rond, zoals die van Pedro Zamora (die werkelijk heeft geleefd). Het ergst van al is Luvino, het trieste stadje in de Sierra Juárez, waar het leven door het klimaat uitgeperst wordt. Het boek eindigt met het zielloze lichaam van een vader over het zadel van de zoon. De vertaler schrijft echter in het nawoord: “Rulfo's verhalen zijn niet zozeer wreed als dat ze de wreedheid van het leven weerspiegelen.” Vrolijk is het allerminst.

Het is wel een les in luisteren naar de minder bedeelden van rond 1917 in de Centraal-Mexicaanse staten Michoacán, Oaxaca, en Durango, maar vooral Jalisco waar de schrijver geboren is. Het kostte me wel eens moeite om de vertellers niet gewoon te laten praten – de schrijver dringt ze niet op – en zelf ergens anders heen te mijmeren, maar met enige concentratie lukte het toch ze te horen en het was de inspanning meer dan waard.

Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.