vrijdag 31 juli 2026

De man van veel

De man van veel door Karin Amatmoekrim beschrijft het leven van Anton de Kom rondom zijn drie maanden durende opname (1939-40) in een kliniek vanwege zware overspannenheid.
     Hij was agressief in de huiselijke situatie en werd op advies van zijn vrouw opgehaald. Hij leed aan achtervolgingswaanzin en dat zorgde ervoor dat de remedie gebaseerd op vertrouwen niet gemakkelijk van de grond kwam.
      Hier wordt een grootheid uit de Nederlandse geschiedenis pardoes neergezet als een kwetsbaar en nietig mens in een gesticht tussen andere nietige mannen. De schrijver van Wij slaven van Suriname is een patiënt.

Zijn opname was geen geheim. Maar juist daaromheen een verhaal over Adek vertellen dat is een aanpak die lef vereist. De man die de slavernij beschreef zoals ze was, hoe deze praktijk vervolgens werd voortgezet in zogenaamde contractarbeid, die een aanspreekpunt werd in Paramaribo voor wie getroffen werd door onrechtvaardigheid, die drie maanden vast werd gezet – zonder enige aanklacht – in Fort Zeelandia (waar kennen we die plek nog meer van) en werd daarna verbannen naar Nederland waar hij in de gaten werd gehouden en waar hem het leven zoveel mogelijk zuur werd gemaakt. Deze antikoloniaal, een held voor velen, zakt door het ijs en moet overeind geholpen worden. Dat laatste, maar ook andere aspecten zijn door de tekst gevlochten. 

Rond die drie maanden wordt een beeld geschetst van Anton als kind. Hoe hij leerde door de prachtige beelden van de Nederlandse helden heen te kijken en eigen voorbeelden kreeg. Hoe hij zocht naar een manier om de wereld beter te maken (hij ging er zelfs voor naar Haïti om daar de kunst af te kijken). Hoe hij observeerde, schreef en sprak om onrechtvaardigheid en uitbuiting aan de kaak te stellen. Hoe hij toegejuicht werd. Hoe hij stuitte op zaken die weinig hoopgevend waren. Hoe hij in de kliniek een band kreeg met personeel, collega patiënten en daar empathische gevoelens voor had. Hoe hij zijn fouten durfde toe te geven.
     Het boek is een monument voor een man met zijn zwakte, maar vooral voor de kracht die hij had. Niet iedereen heeft dat erin gelezen of willen lezen, blijkt uit de uitgebreide – soms vileine – polemiek die volgde op de publicatie.

Er worden voorbeelden van gruwelen van de slavernij beschreven. Juffrouw Pierson, mevrouw Mauricius en Claas Badouw (de laatste in de roman niet bij name genoemd) spelen daarin een hoofdrol als sadistische 'slaveneigenaars' die menen zelf te mogen bepalen hoe gruwelijk ze kunnen handelen. De fictieve De Kom (en de werkelijke eveneens) schrijft erover in Wij slaven... Hij wordt kwaad en moet huilen. Wie niet?
     Een ander verhaal – van na de slavernij – is dat over Stampu. Een jongen die als daad van verzet de leuze WEG MET VAN HAAREN schilderde op een schutting bij het huis waar waarnemend gouverneur Van Haaren was ondergebracht. Deze wilde dit niet over zijn kant laten gaan. Stampu werd gearresteerd, opgesloten en toen er geen zware straf op stond krankzinnig verklaard en verplaatst naar de psychiatrische kliniek Wolfenbuttel (die geen fictie is en wel echt bestond en misbruikt werd door het keurige Nederlandse gezag). De Kom vertelt het verhaal tegen de directeur van de Scheveningse kliniek* waar hij zelf zit.
     Het verband tussen Stampu en De Kom is duidelijk. In werkelijkheid was de vertegenwoordiger van Nederland in Suriname de man die De Kom opsloot. Zowel Stampu als De Kom zaten volgens de roman tegelijkertijd vast. Stampu ging bovendien geïnspireerd door Adek en vol kinderlijke bravoure op pad met kwast en verf. Vervolgens werd zijn leven afgenomen door een bruut, onrechtvaardig en koloniaal systeem en dat een halve eeuw nadat de slavernij was afgeschaft. Weer verdriet, en pijn door verantwoordelijkheidsgevoel en kwaadheid over het onrecht een jongen aangedaan. Had De Kom geen witte Nederlandse vrouw uit de middenklasse gehad, hem zou mogelijk hetzelfde lot getroffen hebben, zo meent hij.

Zijn vrouw is het ook die hem over de streep trekt en uit de kliniek weer naar huis. David zijn maat onder de patiënten blijft. Pas op het laatst wordt duidelijk wat deze is overkomen en waarom hij vol littekens zit. Het doet in de verte denken aan de slaven van mevrouw Mauricius die ze niet rond wilde laten lopen met een gladde ongehavende huid. Hier is de verminking het gevolg van een amoreuze vorm van bezitswaan. De liefde van Adek voor David geeft hem nog meer menselijkheid op de botten.
     Een veelbetekenende opmerking is die van de geneesheer dat schaamte een teken van genezing is. Om je te schamen moet je beseffen fouten te hebben gemaakt. Maar schaamte is geen eindpunt. Het is wel een stap naar het rechtzetten van de zaken, en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Je zou hopen dat dit eenvoudige mechanisme waarlijk toegepast werd en het mechanisme heeft in die zin ook betekenis in het nationale debat over slavernij en wat daar op volgde. In het geval van het roman personage De kom is de schaamte een opening naar de weg terug; naar de man die hij was voordat hij overspannen raakte:
“De man die hij was, vóór de opstand in Paramaribo, zijn opsluiting, de doden die er vielen onder de mensen die voor hem opkwamen. De man voordat hij werd gevolgd door regenjassen van de geheime dienst, voordat hij gedwongen was steun te trekken, voordat zijn kinderen honger leden en zijn vrouw gedwongen werd lompen te dragen. Voordat het schrijven hem onmogelijk gemaakt was, voordat hij zijn dromen verloor.” (p 257)
Het lijkt onmogelijk, maar de arts ziet de opening wel, zonder de tegenslagen, tegenstand en onrecht weg te wuiven, meent hij dat een gezonde geest mee buigt en dat De Kom dat met zijn sterke en veerkrachtige karakter aan kan en daardoor weer verder kan komen. Dat zou ook blijken. De schrijfster laat die weerbare instelling van De Kom zien in de laatste tragische elf regels van haar boek dat wordt afgesloten met de mooie foto van een elegante Cornelia Gerhard Anton de Kom.**

In de felle pennenstrijd rond het boek werd gesteld dat veel zaken in de werkelijkheid net iets anders zaten dan beschreven. De schrijfster reageert met de opmerking dat een roman geen biografie is en ze hier en daar een vrijheid heeft genomen, zelfs personages heeft beschreven die nooit hebben bestaan. Een krantenbericht dat ze noemt over een racistische ruzie (Haagsche Courant, 20 januari 1938) is een fictief feit en niet werkelijk afgedrukt. Het had wel in die krant kunnen staan en voegt iets toe aan het verhaal.
     Mij bleef de beschrijving bij van hoe De Kom uit woede, frustratie en het er doorheen zitten, alle bladen van een manuscript over straat liet waaien. Later raapte hij de vellen weer op. Welk manuscript was dit? Het was jaren nadat Wij slaven... verscheen. Even doemt in mijn hoofd de vraag op of dit echt zo is gegaan. Fictie op grond van de realiteit leidt vrijwel altijd tot dergelijke vragen. Die vragen zijn niet onzinnig, ze zijn een stap in het denken, maar het lezen van roman hangt niet af van waar en onwaar, maar van de verbeelding. “Het boek bood in elk geval stof tot nadenken en aanleiding om de werkelijke gebeurtenissen - voor zover die al exact zijn te achterhalen - in een ander perspectief te plaatsen. En laten dat nou net een paar cruciale kenmerken van een roman zijn,” meende journalist en schrijver Diederik Samwel in een artikel tegen de vergezochte kritiek die Amatmoemkrim over zich heen kreeg.

De man van … treft in de ziel (wat dat ook moge zijn). De Kom zelf is een monument voor menselijkheid, verzet, antiracisme en antikolonialisme, en krijgt veel kleur en diepte door de roman. Astrid Roemer schreef erover: “Judith de Kom zal verbijsterd zijn geweest over de inspanning die een jonge Javaanse auteur met roots in Suriname heeft gepleegd om van haar vader Anton de Kom inderdaad Een Man Van Veel te maken.”
     Sandew Hira (historicus, econoom en publicist van Surinaamse afkomst) schreef treffend: “...wie de roman leest krijgt alleen maar meer respect en waardering voor de figuur van Anton de Kom.” Amatmoekrim beseft dat kritiek op haar werk voort komt uit goede bedoelingen, zo schrijft ze. Ze voegt daar wel aan toe: “Aan goede bedoelingen gaat de wereld echter vaak genoeg ten onder.”

Het is bovendien een boek over hoe de mens die zich niet neer wil leggen bij de gegeven situatie zich overeind kan houden en wat die inzet de directe omgeving kan kosten. Het is ook nog eens een boek over een veel algemener voorkomend verschijnsel van instorten en weer overeind komen (met hulp van anderen). Over de rede achter en de onvermijdelijkheid van kwaad worden bij onrecht, maar ook over welke destructieve krachten dit kan hebben. De zwakte die zo centraal lijkt in dit boek onderstreept juist het contrast, waardoor de kracht er uitspringt.

De epiloog laat zien dat vijf jaar nadat hij uit de kliniek is ontslagen De kom als verzetsstrijder en schrijver voor De Vonk alsnog zal sneuvelen onder fascisme en werd opgepakt door NSB-politie, omdat hij op een lijst van de geheime dienst stond als gevaarlijke communist. Zo trof de Nederlandse repressie hem vertraagd en indirect alsnog.***

Noten:
* Het is een van de kritiekpunten van documentaire maakster Ida Does op het boek. Het was een Loosdrechtse kliniek en geen Scheveningse. Alsof enigszins afwijken van de exacte feiten in een roman een probleem zou zijn. Karin Amatmoekrim meent van niet.
** De foto is een uitsnede uit een portret met een vriend. De datering varieert van 1921 (in het boek), via 1922, 1923 naar 1924. Er zijn sepia en ingekleurde versie van.
*** “In het najaar van 1944 wordt hij gearresteerd. De Haagse Inlichtingendienst (omgedoopt tot Documentatiedienst), die De Kom altijd heeft gevolgd, bestaat voor het grootste gedeelte uit NSB’ers. De bestanden van de Inlichtingendienst worden overgedragen aan de Duitse bezetter en later fuseert de Documentatiedienst met de Sicherheitsdienst. De Kom is als communist bekend bij diverse infiltranten in Den Haag en doet zoals gezegd ook verzetswerk. De precieze gang van zaken is onduidelijk, maar dat er een verband is tussen de verziekte ambtelijke collaboratie in Den Haag en zijn arrestatie is hoogstwaarschijnlijk,” schreven Alice Boots en Rob Woortman in 'Profiel: Anton de Kom, Voor een vrij Suriname,' De Groene Amsterdammer, 29 juli 2020.
      In een zelfde Scheveningse omgeving is er ook het boek over Sonny Boy. Net als De Kom is ook hij omgekomen aan het eind van de oorlog. Ook verraden door Nederlanders. In het boek van Annejet van der Zijl worden Sonny Boy en De Kom zelfs verward door een bron wat weer leidt tot meer werkelijke kennis over de eerste. Op Broekfoto een bespreking van dit boek.

woensdag 29 juli 2026

Commercieel vertrouwelijk


Van twee mensen kreeg ik geld voor mijn verjaardag. Ik kocht er een boekje van (dat komt later nog wel terug als bespreking) en twee CD's. Een met cello muziek van Afred Schnittke e.a. De andere met het Cello Concerto van Witold Lutosławski. Er zijn nog meer cello wensen (Ernst Reseijsiger bijvoorbeeld (in de hele breedte van jazz, tot avantgarde en 'ethno' muziek) en tevens de muziek voor dit instrument gecomponeerd door Penderecki. Het laatste Elisabeth concours heeft me blijkbaar  aangestoken. 

Die tweede CD heet The essentitial Lutosławski. Een van de opgenomen stukken is
Les espaces du sommeil met als tekst die van het gelijknamige gedicht van Robert Desnos waarin belevenissen tijdens de slaap verband houden met het leven in ontwaakte staat en ook nog bedden in de gang van de wereld, zoals het water dat eindigt op het strand. Het werd gezongen door Dietrich Fischer Dieskau in Berlijn (november 1985). De bariton had Lutosławski om een compositie gevraagd. Dee werd het.
     Er is veel aan mijn muzikale smaak toegevoegd de afgelopen twintig jaar, maar in dit stukje staan wat constanten: van Dieskau kocht ik muziek (Kinder toten lieder) toen ik net in Amsterdam woonde, evenals van Penderecki (
Threnody for the Victims of Hiroshima).

Voor ik vertrek duikt ook een blog op als een van de best bezochte in de afgelopen zeven dagen met de titel ƒ 1000. Het draait hier niet om geld. Het gaat om om het strandduizendguldenkruid. De naam is bovendien een misverstand ontstaan bij de vertaling van centaur werd cent (100) en van aurum (goud) gemaakt en kennelijk werd er ook een inflatiecorrectie op los gelaten. De naam centaur verwijst naar Chiron, de centaur uit de Griekse mythologie die de geneeskrachtige eigenschappen ontdekte van een plant die uiteindelijk "centaury" werd genoemd (die naam wordt nog wel gebruikt voor een familie planten, waaronder de korenbloem valt).
     Vorige week zag ik fraaie exemplaren van het ƒ 1000 kruid staan. De foto werd niet scherp, maar dat zag ik pas thuis op het grote computerscherm. Toen ik er vanmiddag langs kwam heb ik weer gekiekt. Beter dit keer.

Ondertussen werk ik met een jaarlijks verschijnend document dat onder verwijzing naar 'commerciële vertrouwelijkheid' van een lading informatie is ontdaan die er voor die geheimzinnigheid wel instond. Van wapens mogen we niet weten hoe duur ze zijn, dat heet vertrouwelijk. Niet om militaire, maar om economische redenen wordt controle door Kamerleden beperkt tot het inzien achter de schermen. Ze mogen er dan niet over praten in 't debat en hun assistenten staan helemaal buitenspel.
     Er lijkt meer aan de hand. Mogen we niet weten hoe duur de wapens die onze overheid aanschaft eigenlijk wel zijn?
     Misschien gaan mensen dan toch twijfelen aan het verstand van de volksvertegenwoordigers van rechts, die overigens weinig tegenstand krijgen vanuit de partij die onder het motto PRO de afbraak niet wezenlijk bestrijd, maar slappe kanttekeningen plaatst en zachtjes mee jankt in het bos. En ach de partij ontstaan om de democratische waarden op te schudden heeft de meeste veren er inmiddels juist uitgeschud; D66 leest wel, maar komt al helemaal niet met kritiek. Straks hebben we wel voor miljarden – al dan niet – deugdelijke wapens en houden een bedrijf overeind dat corrupt is en weinig efficiënt. Fijn?
 
Onmiskenbaar  – ook los van het gele vaantje  –  wandelt de Strandzesdaagset voorbij. De zee die zingt door. Ze weet het: mijn tijd zal het wel duren. Ze zal nog drie tot vier miljard jaar ruisen. Dan houdt het op. Het water en leven zal verdwijen. De mens zal dat uiteindelijke sterven vermoedelijk niet meemaken. Het kruid in de duinen ook niet. Een schrale troost. Laat ik Penderecki nog eens opzetten.



zaterdag 25 juli 2026

krassende krijs


Bewolking aan de lucht. Lekkere temperatuur. Weinig wind. Ideaal fietsweer. Haast ga ik niet maken. Het werd een bekend rondje met wat extra's. Dat begon al met de zwaaiende vrouw in Amsterdam-Noord.

Maar eerst wat vooraf ging. Deze week werd binnen de familie een festivalkaartje aangeboden. Het ging om Huntenpop op 22 augustus in Ulft. Op die dag heb ik al wat anders. Mij viel op dat de Bintangs er spelen. Die had ik al eens gezien toen ik nog op school zat en bij mijn ouders woonde. Op de fiets ging ik met een vriend op 26 mei 1979 naar Nieuw Vossemeer om daar in een tent een heel aantal Nederlandse bands te zien. De op een koebel slaande Adje van de Berg (destijds gitarist van Teaser) en Livin' Blues zijn me het meest bijgebleven. Samen met Barrelhouse werd die tweede mijn favoriete Nederbluesband. De Bintangs spelen nog steeds rechttoe-rechtan bluesrock. (Barelhouse speelde tot in 2025.) 

Op het verste punt van de fietstocht was het een gekrijs van jewelste.
'Kariek' zo omschrijft de vogelsbescherming de klank van de roep van de stern. Anderen hebben het over scherp, luid en krijsend. Het is een combinatie van beide. Een fijne krassende krijs. Er zijn mensen die de geluiden van de verschillende sterns uit elkaar halen.
     Ik maak bij het geluid een praatje aan de kant van de plas waar ze momenteel wonen.

Kort na vertrek zie ik een man in een sloot met een lange stok plantjes vissen.
“Mijnheer mag ik U vragen wat U doet?” Hij was snavelrupia ((Ruppia maritima) aan het opvissen. Jelle van Dijk was leraar wiskunde, maar natuurvorserij was meer dan een hobby. Hij schreef verschillende boeken over dieren en planten in Zuid-Holland. Hij noemde me er een: van Aardaker tot Zwanenbloem; Flora van de Duin- en Bollenstreek.
     Als ik vertel nog even langs een sloot met blaasjeskruid te fietsen, reageert hij meteen: “Loos blaasjeskruid?” Ik zeg dat ik dat nog niet weet en vanmorgen eigenlijk het verschil met Groot blaasjeskruid had moeten opzoeken. Geen probleem: “Loos blaasjeskruid heeft een platte onderlip.” Hij kwam het zelf tegen nadat hij het boek over de planten rond zijn woonplaats af had, te laat om het op te nemen.

Kort daarna gaat de tocht door de Elzenlaan in Bergen aan Zee. Een paar maanden geleden reed ik daar mijn band nog stootlek op een afremstoepje in de straat dat ik niet zag. Ze waren nu op een na allemaal weg. Misschien was ik niet de enige die er op stuitte. Mogelijk zag men het voordeel van een fietsstrook. Of nog iets anders. Geen idee. Hoe dan ook: voor mij betekende die rand een les dat ik trager moest gaan en beter opletten.
      Zuidelijk van Bergen aan Zee gaat het weer de duinen in. Die waren tot vorig jaar kleddernat en een stuk van het fietspad stond onder water. Nu is het weer 't andere uiterste, zelfs het grote ven bij Het Woud staat bijna droog.

Via de mooiste strandopgang van Nederland en het loos blaasjeskruid gaat het terug naar huis. Op het strand zie ik grote waterafvoerwerken. (Vanwege decentie plaats ik de foto van hoog en ver met de daarop de werkers niet. Wel die van dichtbij met het werk zelf; als je goed kijkt zie je het water stromen.)
     Er waren enorm veel blauwtjes in de duinen, maar in een foto hadden ze weinig zin.

Het voorgenomen broodje kroket onderweg vergeet ik te halen. Zo kom ik toch niet eens hongerig en met een bak vol belevenissen en beelden weer thuis. 


P.S. De route begon met het idee om naar een andere plek te gaan waar ook parnassia stond. Daar waar ik er wekelijks langs kom, staat het dit jaar niet. Vandaar. Maar op die andere plek waar ik het vorig jaar het voor 't eerst zag ook niet.

P.S. 2 De ene grote wielerronde eindigt in chaos door oorlog en genocide, de volgende moet worden aangepast door het verknallen van onze leefwereld. Tja.

P.S. 3 Ik hoorde net een zanger zeggen dat we ondanks alles maar door moeten gaan: We never give up (21:16).

vrijdag 24 juli 2026

The Light Fantastic


Bij het zoeken naar een afbeeldingsbestand van de The Light Fantastic kaft geeft Google AI Overview ongevraagd een samenvatting van het boek. (Dan kan dat samenvatten hier wel overgeslagen worden.)
     Neem die geautomatiseerde wijsheid wel met een korrel zout. Een dreiging zou tot sterke gekheid leiden volgens de energie slurpende automatische slimmert. Terry Pratchett schildert in zijn verhaal echter een massa-psychose die zich keert tegen een deel van de samenleving die leeft op de schijf in de ruimte waar het verhaal speelt. Dat is net iets meer dan zomaar een verdwazing.

Het verhaal zelf is eenvoudig. Er is een dreigende zon die afkomt op De Schijf en er is een stunteltovenaar, Rincewind, die een van de acht machtigste toverspreuken in zijn hoofd heeft en daarmee een cruciale rol kan spelen. Die spreuk, hindert, beperkt én beschermt hem. 
Dat klungel Rincewind uiteindelijk stopt met hannesen en successen boekt, is een troost voor wie de weg naar wat verwacht wordt – zodat daar wat rekening mee gehouden kan worden –nog niet helemaal gevonden heeft.
     Het verhaal maakt grappen die je herkent uit de dagelijkse wereld beschrijft en principes die je moet kennen om de realiteit te kunnen begrijpen. Prachett is een schrijver die fantasie de werkelijkheid laat ontmoeten en omarmen.

Daaronder kleinigheden. Waarom het betoverde bos op De Schijf in de lokale taal Skund heet, terwijl dat vertaald Je Vinger Jij Mafketel is? Dat komt door een fenomeen waaraan ook aardse namen te danken zijn. Ontdekkingsreizigers komen, kijken en horen dan woorden van de lokalo's die ze interpreteren als naam voor wat zij willen benoemen. Dat leidde tot namen die vertaald Gewoon Een Berg, Weet Ik Veel, Wat, en dus ook Je Vinger Jij Mafketel betekenen. Aan welk aards voorbeeld Pratchett hier moest denken, geen idee. Bij mij kwam als eerste
Canada op: een verbastering van het woord voor dorp uit een Irokese taal. Zo zit er op vrijwel iedere pagina een grap, idee of iets anders dat betekenis heeft los van het verhaal.
     Een paar pagina's verderop komt de tandenfee voorbij als Twoflower, toerist op De Schijf, spreekt over de iele schoonheid die in de nacht uitgevallen tanden onder kussens vandaan haalt. Wat deed ze met die tanden, vraag Rincewind hem verwonderd.
“Ze deed het gewoon,” is het antwoord op de vraag. Ik had het me ook nooit afgevraagd. Dat dubbeltje dat er voor in de plaats kwam, verdoofde blijkbaar die nieuwsgierigheid. Overigens wordt de toerist die alle verschijnselen even geweldig, authentiek en interessant vindt en wil vastleggen met zijn camera, aardig in de verf gezet.
     Als een groep tovenaars samenkomt, wordt de vergadering voorgezeten door de meest ambitieuze onder hen, Trymon. Alle deelnemers krijgen van hem een papier. Wat is dat, vragen ze. Een agenda, is het antwoord.
“Maar we hebben er nooit een nodig gehad,” zegt een tovenaar. Trymon flemend: “Misschien heb je hem wel nodig gehad, maar je hebt er nooit een gebruikt.” Het is het begin van het vergroten van zijn machtspositie. Dat mechanisme was nieuw (tovenaars hadden voorheen genoeg aan de eigen sores) en daarom was er weinig verweer tegen. Ook hier komt een onaangenaam randje dat ook aan de gewone wereld zit, binnen rollen.  

Gewone toverdingen zijn er ook, zoals een koffer met heel veel kleine voetjes die achter je aan komt (en dus niet kwijt kan raken) en je beschermt, de trollen die als ze slapen veranderen in keien (de oudste onder hen zelfs in een steen die deel is van de berg), of als het huisje waar de dood woont met zijn dochter. Je kan er naar binnen, rondkijken, maar bij het vertrek beter niet achterom kijken, zo wordt
een Grieks sprookje (uit wat mythologie is gaan heten) verwerkt.

De dreiging van de ster leidt tot massa-psychose. Tovenaars worden omgebracht, magie bestreden, om het gevaar af te wenden. Massa's mensen met een rode ster op hun voorhoofd geschilderd trekken daartoe door de straten. De pestlijders, de joden, rohingha's, de ander etc. zijn hier vervangen door de tovenaars. Zij krijgen de schuld in de schoenen geschoven van de kosmische ramp. En hun dood wordt geponeerd als de oplossing voor het probleem.
     Een man zegt dat hij de stad ontvlucht richting de bergen. “Dat zal helpen,” zegt Rincewind. “Nee, maar het zicht zal beter zijn,” reageert de man. Doet me ook al aan vandaag denken. Oorlogs- en klimaatgevaar, velen kijken ernaar van een afstandje en zien wel.
      Je hebt mensen die zelfs een luchtig verzinsel nog loodzwaar weten te maken. Nee luchtig blijft het, maar de serieuze ondertoon maakt het wel tot meer dan een verhaaltje.

woensdag 22 juli 2026

Bladen en bloemen

 





Eind mei fietste ik voor het laatst mijn zogenaamde wekelijkse tocht naar het strand. Iedere week was er iets waardoor het niet door ging. Het ritme is er uit en daardoor was vertrek ook vandaag wat moeilijker.

De dag begon met een tijdschrift dat op tafel lag. Het Wageningse Uitwaaien. Het wordt twee maal per jaar uitgegeven. No. 7 moet eind 2026 komen.  Het zal als thema 'Geld' hebben
     In het lopende nummer een gedicht 'Genesis' (in het Nederlands, Engels en DNA-code). Het beschrijft de wereld waarin nog geen namen voor rivieren en eencelligen bestonden. Bij bewerkte en abstracte fotografie wordt de vraag gesteld hoe de landschappen uit het heden blijven als herinneringen voor komende generaties; als sporen naar wat vroeger was.
     De 66 pagina's over het verband tussen kunst en wetenschap staan vol kunstzinnige ideeën. 

Al eerder lag er een ander bijzonder tijdschrift in de woonkamer. Verschijnend onder dezelfde frequentie. Het is genoemd naar een bestaande vogel: De scharrelaar. Die vogel is in Nederland hooguit een zeldzame dwaalgast, maar op een groot deel van ons continent te vinden.
     Op de voorkant van nr. 2 van 2019 het winterkoninkje. Het begint met een tekst van Hans Warren over fabeldieren zoals de ooievaar waarin eerder nog geloofd werd. Het bevat ook een artikel door Marja Vuistje over 'De koolmezen van Rosa Luxemburg'. Ze fladderen op uit haar brieven. Mij was ook die aandacht van de erudiete revolutionaire voor de natuurlijke wereld van buiten haar cel bijgebleven, zichtbaar door het kleine raam. Vuistje kreeg ruimte erover te schrijven.
     Het blad wordt nog steeds uitgegeven. Mooi.

Mooi zijn ook de gele bloemen in de sloot, het vleesetende (loos of groot) blaasjeskruid. Aan de overkant zie ik de zwanenbloem, de mooiste wilde waterplant van Nederland, denk ik even. Maar dan roepen de waterlelie, watergentiaan, lis, lisdodde en zelfs van de oeverkant het bitterzoet hard in het binnenste van mijn brein dat zij niet vergeten mogen worden. Onderweg stop ik voor het kieken van de bessen van de Italiaanse aronskelk en van die van de heggenrank. Van die tweede had ik ze nog niet eerder gezien (wel zijn bij).

De lucht is nat. Regen kan je het niet noemen. Toch is het genoeg voor een verlaten strand in juli. Verlaten op een persoon met hond in de verte na. Dat is het voordeel van een spat. De donkere wolken maken duinen, strand en zee nog mooier ook.
     Moeilijk piegend loop ik over het strand. Graag zou ik iets beter willen zien. Fotograferen is ook steeds vaker gokken op een mooi beeld. De frustratie is snel verdwenen als ik in de golven loop, een stukje zwem, en kopje onder ga. Van balen naar genot in een paar minuten.

Maar het was niet in mei de laatste keer. Tussendoor, op 11 juli, fietste ik ook al naar het strand met het hele gezin. Wel een paar strandpalen verderop en ik kon niet zwemmen door een kleinigheid, maar voor mijn verjaardag aten we zelfs wat bij de bekende strandtent Parnassia bij Bloemendaal aan Zee. Hoe dat te vergeten.



zaterdag 18 juli 2026

Onderweg




Een prachtig nieuw fietspad over vers land dat de Markermeer dijken moet beschermen tegen de klimaatramp en wordt omzoomd door velden wilde bloemen en water vol vogels; een mooi stuk over een enigszins ruig fietspad door boerenland (Van KP 71 bij Lambertschaagz* naar KP 18 en 2) met sloten vol watergentiaan; langs de polder waar het Oer-IJ hier en daar nog zichtbaar is; dan zijn er nog de statige boerderijen, ranke kerktorens in de verte, de kool die in het noordelijke deel van Noord-Holland veel verbouwd wordt; en ...

Ja het gaat ook door lelijke stukken zoals woonwijken zonder kraak en smaak en bedrijventerreinen, maar ook daar tussendoor een mooie sloot. Opeens stond ik in Koedijk ergens waar het verrassend bijzonder was (het ademde er nog dit).

Er zijn ook dingen zo lelijk dat je moet uitkijken dat ze niet de hele dag verprutsen.

De Heemskerkse boer die verschillende spandoeken in zijn land zette met Nederlandse vlag en de voorbijganger angst aanjaagt met de oprisping dat het verspreiden van vluchtelingen over het land Nederland in vijf jaar zal veranderen. Dus daarom geen AZC. Vluchtelingen zoeken het zelf maar uit, blijkbaar, volgens de landbouwer.

Fascist, racist, rechts-extremist, reactionair, frust, meeloper of gewoon een harteloze dombo? Geen idee. Je krijgt de neiging dergelijke haat aanwakkerende kwaadaardigheid stante pede te verwijderen. Het verdient geen plek. Ik heb me maar ingehouden. 

En de lepelaar, hij stapte voort.



Noot:
Als ik het stukje tekst nog eens doorlees dan wil ik weten wat Schaag betekent. (Het is ook bekend van het dichtbijzijnde Schagen.) Een schrijffout nooemt GAI het. Maar ook komt bovendrijven dat het een woord is dat sttamt uit het Oudfries woord dat 'uitstekende landtong' betekent of een kreekrug. 

vrijdag 17 juli 2026

De golven


De golven van Virgina Woolf is een boek over het leven van zes mensen die samen op een kostschool zaten. Ze blijven elkaar een leven lang ontmoeten. De lezer kruipt in hun hoofden en daarmee in de onderlinge relaties en gedachten over de ander. Zo simpel en tegelijk zo ingewikkeld is het boek. Doe het maar eens: zes levenslopen in 280 pagina's tekst.
     De golven is een voorbeeld van de
stream of consciousness literatuur die begin vorige eeuw ontstond en zijn naam kreeg toen May Sinclair het met een term van psycholoog William James in verband met literair voor 't eerst zo noemde. Die kennis haal ik bij Bernard Benstock die het nawoord schreef bij de versie die is uitgegeven door De Bezige Bij. Een uitgave die overigens opvalt door zijn prachtige kaft (bijna zo mooi als die van de Engelse.versie hieronder).

Eigenlijk staat in deze inleiding al het hele verhaal. Veel actie en plotwendingen zijn er niet. Tegelijkertijd gebeurt er heel veel. Het boek is strak gecomponeerd om te beschrijven hoe deze mensen met elkaar omgaan en zich tot elkaar verhouden in een gewone dagelijkse wereld.
     Ook vormvast is dat elk van de negen hoofdstukken begint met een cursief gezette tekst van een of meer pagina's die vooral gaat over de natuur, waarbij zee en golven en de zon een voorname rol spelen. Daarmee zijn zowel grootse aardse natuurverschijnselen als het heelal tot context voor het verhaal gemaakt. Dat komt ook terug in de daarop volgende tekst. In de stilte hoort Louis de aarde zelfs bewegen door de afgronden van de oneindige ruimte. Maar dit grootse is zeker niet het enige dat deze inleidende teksten vult. Er zijn tuinen met vogels en planten, weides, heuvels, zelfs keukendampen en door vogels geslachte slakken, schaduwen en bomen zo zwart als ijzer en kaal gewaaid staan ze overeind. Het leven wordt immers niet alleen gevormd door het enorme, maar ook door de directe omgeving. Deze poëtische preludes zijn meer dan natuurbeschrijvingen die de zee in woorden willen vatten. Ze zijn ook de bedding waarin het verhaal zich kan bewegen. 
“Langzamerhand terwijl de lucht verwitte vertoonde zich een donkere lijn aan de horizon die zee en zwerk van elkander scheidde en de grijze doek werd doorstreept met dikke zwarte halen die, een voor een, achter elkaar, onder het oppervlak bewogen, elkaar volgend, elkaar achtervolgend, in eindeloze gang.
Dit is de derde zin van de roman en komt uit zo'n inleidende tekst. In de eerste twee zinnen moet de zon nog opkomen, het beeld helder worden en de omgeving kleur krijgen. Dat gebeurt al enigszins in de geciteerde woorden. Sterker nog ze laten het verhaal, en de levens als golven beginnen en de zon verlicht als een lamp huizen, bomen en tuinen. Daarmee wordt ook de omgeving waarain de roman personages leven zichtbaar.
     Er is veel natuur in De Golven. Naast planten ook vogels. Over de torenuil struikel ik, omdat ik hem niet ken. Het blijkt de kerkuil te zijn, die nog meer regionale of minder gangbare namen kent (volgens
Zien is kennen!: krans-, lijk-, kat-, oranje-, slot-, en sluieruil). Het roept de vraag op welke naam er voor de barn owl in het origineel is gebruikt. Ook een streeknaam?* 

De golven begint in een tuin bij het huis Elvedon. Het is daar waar Louis, Neville, Bernard, Jinny. Rohda en Susan les krijgen. De zes komen zo'n beetje om de beurt aan het woord. Zo leer je ze allen kennen. Naast hen is er later op de vervolgopleiding nog de populaire Percival, waar medestudenten achter aan lopen, als de kinderen van Hamelen achter de fluitspeler. Hij blijft desondanks altijd op afstand. Hij zegt niets. Een mythische figuur.
     Percival vertrekt voor een functie in India. Hij verongelukt daar door een val van zijn paard (hoe anders sterf je met zo'n naam), maar blijft voor altijd als herinnering sterk aanwezig. Ook na zijn dood is hij iemand om zaken aan voor te leggen, om iets aan te vragen. Zoals Rhoda er na haar zelf verkozen dood nog is om een arm door de hare te kunnen steken en haar tegen onvoorzichtigheid te waarschuwen. Vriendschap is er tot over de dood heen.
     Percival, de stille zevende, is deel van de zes geworden. Zoals door het samen optrekken de zes deel van elkaar worden. Bernard stelt dat hij een ieder van hen is. Dat betekent niet dat ze een amorfe eenheid zijn. Nee door de verteltechniek wordt juist duidelijk gemaakt dat dit niet zo is. Levens overlappen én verschillen, blijkt als een zelfde situatie door verschillende van hen net anders worden beschreven. Maar het leven van de een wordt gekend door de ander. Bernard verwoord aan het slot van
De golven dat ervaringen in het leven ieder van hen anders heeft getekend: “Louis vond al het lijfelijke weerzinwekkend; Rhoda onze wreedheid; Susan kon niet met een ander delen; Neville wilde orde en netheid; Jinny liefde; enzovoorts.” Maar ze trekken wel een leven lang met elkaar op, zodat hun levens verstrengeld zijn geraakt en bijna niet uit elkaar konden worden gehaald: “Wij hebben vreselijk geleden toen wij afzonderlijke lichamen werden,” voegt hij aan deze observatie toe. Het doet denken aan de klimop strengen tegen een boomstam.
     Bernard zelf is voor buitensporigheden bewaard gebleven, zo meldt hij zelf. Maar ook uit emotionele reacties wordt duidelijk dat het binnen hun groep om individuen gaat. Terwijl Bernard zich het huilen van Susan aantrekt, laat het Neville onverschillig. De eerst leert daardoor dat hij iemand is en ook anders is dan Neville.
     
In het verhaal is dat een derde stap het leven in. De eerste twee zijn geboren worden en als persoon los van de moeder komen (als een soort tweede geboorte), maar ook daarna volgen fase na fase, waaraan geen einde lijkt te komen. Onderweg wordt kennis opgedaan door ervaringen, maar ook door bijvoorbeeld Horatius,
Tennyson, Keats en Mathew Arnold te lezen.

Er zijn veel metaforen gevormd rond golven. Sterker nog water is het meest dominant gebruikte begrip in de beeldspraak van het boek. Het leven start er immers mee. Het komt steeds terug. Niet alleen in de preludes, maar ook in de daarop volgende teksten. Sommige keuzes liggen voor de hand, zoals het golvende haar, maar er zijn ook de beschermende golven van het alledaagse, of Jinny die door het leven rijdt als een meeuw op een golf, de golf die verheft wat te zwaar is, en de golven die het schuim tot in de uiterste hoeken van de aarde werpen. Iets voor de golven uit zijn er de krabben die voort krabbelen over het zand, als vaste metgezellen die de afgunst, jaloezie, haat en venijn verbeelden. Voor wie van golven houdt, is het boek een eldorado, een paradijs (
elvedon/elf-eden) aan beschrijvingen ervan.
     Maar er zijn ook andere metaforen, zoals de ster in een ingeslagen ruit waarom alles en iedereen stil blijft staan (zoals rond Jinny en Percival), of het aansprekende beeld van de boomstam waarin de ringen staan voor nieuwe ervaringen in het leven. Of de bijl die een boom tot in de warme kern klooft, terwijl klanken vibreren in de schors. Mooi gevonden beelden, maar vaak schijnbaar gemakkelijk en terloops gebruikt.

De laatste cursieve opening begint met het zakken van de zon achter de kim. Zwerk en zee waren zoals in de vroege ochtend ook in de avond weer niet van elkaar te onderscheiden. Nu komt er niet steeds meer kleur, maar komt de nacht met schaduwen. Het einde van het verhaal wordt ingeleid. De boom laat de bladeren vallen en die zouden gaan ontbinden, waarmee het einde ook een nieuw begin inluidt.
     Met: 
“De golven braken op het strand,” eindigt de roman en daarmee komt een eind aan alles, zo lijkt het even. Toch al eerder stond er dat de golf zich terugtrekt de zee. De verwachting dat dit zelfde water weer komt aanrollen, eerst als een streep in de verte en die vervolgens met stuifwater op het strand valt, is onvermijdelijk. Deze cyclus past het boek, waarin natuur en leven zo centraal staan. Niets laat die herhaalde terugkeer zo helder zien als de aanrollende golven. Die zich alleen kunnen vormen door het weerkeren van het water in de zee. Water dat leven brengt en weer meeneemt. De kringloop van het leven is duidelijk aanwezig in de wegstervende vriendschap (eerst abstract bij Percival als idee van de onvermijdelijkheid, later concreet, zoals bij Rhoda) zoals vallende bladeren, opduikende paddenstoelen en de ontbinding in het algemeen die voeding creëert voor het leven daarna. 
     De golven lezen en herlezen is de aanbeveling, want dat is de dunne, en tegelijk volle roman waard. 

Noot:

Vanwege het precieze, fijnzinnige en genuanceerde taalgebruik heb ik juist voor een Nederlandse vertaling gekozen dat heeft dan op een minder voornaam punt als dit wel een overkoombaar nadeel. In de Engels talige versie in onze kast herdrukt in 1977 door Panther Books uit Londen (8e druk uit 1984) staat (p. 155): “What song do we here – the owl's, the nightingale's, the wren's?” Nachtegaal en winterkoninkje zijn in De golven goed vertaald. Van de uil is een specifieke soort gemaakt, zelfs met een streeknaam, door de vertaalster naar het Nederlands, Gerardine Franken.



maandag 13 juli 2026

De leeuw en zijn hemd



Het duurt maar even en dan weet ik dat het boekenweekessay De leeuw en zijn hemd (2013) door Nelleke Noordervliet al eens heb gelezen. De schrijfster gaat met een hink-stap-sprong op reis door de Nederlandse geschiedenis van de Gouden Eeuw tot jaar van uitgave. Ze spreekt onderweg op haar reis door de tijd vooraanstaande en gewone mensen, maakt belangrijke ontwikkelingen mee, en interviewt als een journalist mensen om een antwoord te krijgen op de overkoepelende vraag wie is de Nederlander. Voor het beschrijven met zevenmijlslaarzen van zo'n tijdsspanne in ruim zestig pagina's is een zorgvuldige greep uit de geschiedenis vereist.

Via de VOC en de Heren Zeventien, Rembrandt van Rijn, (gedesillusioneerde) Patriotten en Koningsgezinden lees ik toe naar de landing van Prins Willem Frederik op het Scheveningse strand in 1813. Het is een fragment in de uitgave dat me is bijgebleven. Het niet koninklijke landsbestuur is maar voor even geweest en gesmoord in Frans beleid in het veroverde Nederland. Dat optreden versterkte de steun voor de terugkeer van de vorst en daarmee voor een stap terug in de ontwikkeling van Nederland. De grondwet van 1798 (de zogenaamde Staatsregeling voor het Bataafsche Volk) verdween met terugkeer de terugkeer van Oranje, om pas decennia later, in 1848, plaats te maken voor die van Thorbecke die zich nestelde in het nationale bewustzijn. De eerste is grotendeels (opzettelijk)
vergeten, zozeer dat de tweede als eerste wordt gezien. Er lijkt geen haan naar te kraaien.

Tussen de gekozen onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis zit ook het kolonialisme. Ook critici van de krijgszuchtige variant ervan twijfelen niet aan
“het vanzelfsprekende recht van Nederland miljoenen mensen aan het andere eind van de wereld te besturen en uit te buiten,” aldus de schrijfster. Het is in hun eigen belang en goed voor de rust in de archipel. En zelfbeschikking is niet iets voor daar.: “De volken van Azië zijn kinderen.” Zelfs socialist Domela Nieuwenhuis doet mee aan het koloniale bal, en heeft geld in een koffieplantage gestoken, maar dat blijft beter geheim. Journaliste Noordervliet kan het niet laten om te wijzen op de positieve invloed van Indië op de Nederlandse staatsbegroting en op de paleisjes die oud Indisch-gasten bouwen. De handel wordt overgoten met de zogenaamde ethische politiek, maar dat is niet meer dan de vernis uit een hautain potje die zo moet spiegelen dat de grote nadelen van het gewelddadige kolonialisme niet te zien zijn. Het werkt.* 
     Misschien is dat wel een belangrijke Nederlandse kwaliteit, kritisch en keurig zijn daar waar dat batig is en niet de manco's zien die uit direct eigenbelang beter zo kunnen blijven. Wat gezichtspunten op Nederland komen zo naar voren, gekoppeld aan momenten uit de geschiedenis. Nederland is in ieder geval minder progressief dan het beeld dat velen erin menen te zien.

Voorouders in het Leidse van de schrijfster zien duidelijk een verschil waardering voor het land en het Koninkrijk waar ze leven. In het eerste zijn ze opgegroeid, ze spreken de taal, kennen de omgeving, de liedjes etc. Met de oranjes hebben ze niet veel op. Het is een duidelijk onderscheid, maar nuancering die niet vaak wordt gemaakt. Ze noemt daarbij ook dat het verschil tussen de kapitalist en de arbeider groter is dan de kloof tussen naties. En in een enigszins wankelende zin (waarvan de strekking echter duidelijk is) voegt ze daar aan toe:
“Ze weten waar oorlog wordt gevoerd, waar slachtoffers vallen, en slachtoffer is altijd Jan met de pet.”

Een korte samenvattende visie komt maar bescheiden naar voren. Het essay eindigt met een opmerking van een fictieve Johan Huizinga die in een paar trefwoorden de Nederland en zijn optreden typeert:
“nuchter, zindelijk (in denken en doen), burgerlijk (niet provinciaal), onheroïsch. Niet erg geneigd tot extremen. Met alle negatieve kanten die elke goede eigenschap met zich meedraagt.” Het zijn woorden die Nederland afbeelden in sepia. Tenminste op vrijwel alle termen valt wel wat af te dingen.
     De leeuw en...is een fijn bondig onderzoek. Ik las het toevallig een paar dagen nadat Nederland uit het WK was getrapt. Het grootste sport wash festijn ooit stelt al kanttekeningen bij de woorden van Huizinga. Wat zou hij gedacht hebben van volkswijken vol oranje vlaggetjes, van de hoog oplopende emoties en het inzetten van het verlies van het Nederlandse elftal voor politiek gewin en tegen een deel van de Nederlanders? Noordervliet spreekt haar twijfels ook uit.
     Volmondig neem ik de opmerking over dat een volksaard een besmet begrip is. Het is iets voor grote halen snel thuis. Het miskent de verschillende visies in de samenleving, zelfs binnen segmenten ervan. Nationale identiteit is een meer in zwang geraakt eufemisme voor hetzelfde begrip, maar dat ruimt het bezwaar niet op. Volgens Noordervliet worstelen we met die identiteit, zowel collectief als individueel.
     Anderzijds zie ik dat de tevredenheid over de Nederlandse positie zo goed is en de bijdrage aan de wereld zo sterk, dat velen vinden dat het zo wel genoeg is, of zelfs teveel, en dat het gezeur op moet houden. Problemen van elders, van de anderen, lossen ze daar maar op. Behalve – ja daar komt ie weer – als het in ons voordeel lijkt wel in te springen. Het ethische vernis is daarbij langzaam aan het verdwijnen en de oorlogszucht hangt inmiddels over dit niet heroïsche volk. 
'De Nederlander' heeft een ingebakken opportunisme en geen last van mededogen als dat niet uitkomt.

De fietsverhuurder in Gulpen waar ik zojuist was, liet een type Nederlander zien.
“Kunt u contant betalen...,” vroeg hij. Zo blijft het immers buiten de boeken en hoeft er geen belasting betaald te worden. Om het nog wat meer in de verf te zetten, voegde hij toe “...dan wordt mijn geld niet voor vluchtelingen gebruikt.”

Het essay sluit af met de woorden van een laconieke Huizinga die het medicijn om verder te komen als land en de bewoners ervan samenvat met de woorden:
“zelfbewuste bescheidenheid en soberheid, elegante soberheid. Hartstochtelijke nuchterheid, opportunistische zindelijkheid. En een vleug ironie, daarmee komt u er wel. Daarmee komen wij er wel.” Is dat genoeg? Luister nog eens goed naar die fietsverhuurder en zovelen anderen, ook in het Parlement (of lees bijvoorbeeld dit betoog over vormen van racisme en de achtergrond ervan). Een duidelijk tegengeluid is wenselijk om de groene zeep van de helling te krijgen en menselijkheid, zorgzaamheid voor de natuurlijke omgeving, verdeling van macht, inkomen en kennis, inclusie, inspanningen voor vrede en solidariteit weer op de agenda te krijgen. Er zijn genoeg ideeën op al deze gebieden. Ze moeten alleen met kracht en inderdaad mogelijk met een vleugje ironie of humor worden vormgegeven.

Het essay van Noordervliet is dertien jaar oud, en Nederland is flink veranderd in die periode, maar het zet nog steeds aan het denken en heeft een levendige vorm.

Noot:
Uiteindelijk zou Nederland met een koloniale oorlog de nieuwe republiek in handen van een militair regime sturen. Dit resultaat van de koloniale oorlog, wordt in Nederland maar weinig genoemd. Ik ontleende dit inzicht aan het gerenomeerede werk van Harold Crouch, The army and Politics in Indonesia, (Ithaca/Londen: Cornell University, 1978), en wel aan de tweede versie (1993) van de herziene editie uit 1988, p. 26-27. Crouch stelde dat nadat de Nederlanders de leiding van de regering van de Republiek arresteerden dit tot een vervreemding van de militairen van de politiek leidde en dit grondde binnen de krijgsmacht het idee dat ze tegelijkertijd zowel een militaire als politieke functie hadden. Het zou een opmaat zijn naar het latere invoeren van de Dwi Fungsi doctrine, waarvan zelfs de grondlegger (Maarschalk Haris Nasution) tenslotte zag dat ze politiek misbruik in de hand werkte. Hij zou deel worden van de oppositie tegen Suharto binnen Petitie 50.