vrijdag 26 juni 2026

Reluctant Fundamentalist




The Reluctant Fundamentalist door Mohsin Hamid valt meteen op door zijn vorm. Het boek is verfilmd, maar eigenlijk lees ik hier een toneelstuk; een éénakter grotendeels aan een tafeltje in de Pakistaans eet- en drinktentje en daarna een korte wandeling langs een brede stadsweg in Lahore.
     De hoofdpersoon wil een man helpen die vermoedelijk uit de Verenigde Staten komt. Zo komen ze samen aan die tafel en vertelt de Pakistaan, die Changez heet, over zijn studie aan de universiteit van Princeton, zijn werk in New York bij het bedrijf Underwood Samson, zijn terugkeer naar Pakistan en over zijn liefde.

De vorm geeft de schrijver gelegenheid niet alleen een deel uit een leven te beschrijven, maar ook grote en kleine moeilijkheden in de relatie van de Westerling tot de Vreemde weer te geven. Als er een bedelaar voorbij komt dan vraagt Changez de Amerikaan of hij iets wil geven.
“Nee? Heel verstandig, je moet bedelaars niet aanmoedigen en ja je hebt gelijk het is veel beter geld te doneren aan een goed doel dat de oorzaken van armoede aankaart dan aan hem, een schepsel dat slechts een symptoom is.” Er is angst bij de grote man uit de VS voor de man met baard die midden op straat stopt, maar ook die heeft zijn reden er te zijn. Zo is hij steeds opnieuw wantrouwig. Hij wordt ook steeds opnieuw op zijn gemak gesteld.
     Veel alledaags racisme of neerbuigende visies komen zo langs. Er wordt een beeld geschilderd van een Pakistaan die veel in zijn mars heeft en weet waarover hij praat. Ook over de Verenigde Staten. Maar er is dus ook het verhaal over zijn leven, veranderd door de gebeurtenissen.

Hij studeerde summa cum laude af aan de gerenommeerde universiteit in de Verenigde Staten (net als de schrijver Hamid zelf). Het valt hem overigens op dat de gebouwen van Princeton een gotisch uiterlijk hebben, maar jonger zijn dan de moskeeën in Lahore.
     Hij kwam bovendrijven bij de sollicitatie voor een functie waarmee zijn loopbaan – bij voldoende inzet – gegarandeerd zal zijn. Het bedrijf doet onderzoek naar bedrijfssituaties met oog voor het fundament daarvan, dat wil zeggen: de financiële positie. Efficiëntie gaat daarbij voor creativiteit. Het draait niet om de mensen die er werken, of de producten iets moois of goeds toevoegen, maar omzet, om winst en om groeimogelijkheden. Fundamentalisme inderdaad (op een ander vlak dan de gewone connotatie bij het woord), en doorgaans keurig volgens de regels, maar vaak vernielzuchtiger dan een fundamentalistische rel.

Na 9/11 is de positie van Changez opeens veranderd. Hij wordt als Pakistaan uitgescholden voor Arabier. Geweld tegen moslims wordt gewoon in de Verenigde Staten. Op het vliegveld wordt hij eruit gepikt en wordt bij de douane behandeld of hij niet in de VS woont en werkt, maar een verdachte bezoeker is. Zijn geloof in de morele verhevenheid van de Verenigde Staten krijgt sporen van sleet door hoe het land zich ontwikkelt; niet vooruit, maar nostalgisch naar retro waarden, als plicht en eer.* Hij laat zijn baard staan. Collega's kunnen dat niet waarderen. De afstand wordt groot. Te groot?

In het huis van Pablo Neruda in Valparaíso ziet hij een spiegel hangen. In een restaurantje in de stad wordt hij gewezen op zijn positie bij het Amerikaanse bedrijf als Janitsaar. De Janitsaren waren keurtroepen gevormd door op de Balkan buitgemaakte jongens in dienst van de Ottomanen. Volgens de roman waren ze Christelijk, gewelddadig, en extreem loyaal:
“ze vochten om hun eigen beschaving weg te vagen,” zegt een Chileense uitgever die vreest dat zijn uitgeverij zal sneuvelen onder de financieel economische rationalisatie die zal volgen op de doorlichting door een klein team van Underwood Samson.
     In Pakistan loopt juist dan de spanning op na een aanval op het Indiase parlement in 2001 en de VS springt niet in de bres, maar stookt het vuurtje verder op. Changez neemt afstand van de 'focus op fundamenten', en de Verenigde Staten vallen van hun voetstuk. Via New York gaat hij terug naar zijn familie in Lahore. Daar komt hij de man in de bar tegen. 
     Het verhaal zit vol metaforen. Zo stelt hij de man uit de VS voor om na hun zit in de eettent en zijn lange monoloog, maar met de handen gaan eten, ze kennen elkaar nu immers lang genoeg. Vuile handen doen er niet meer toe.

De verhouding tussen Changez en Erica is een verhaallijn die op zichzelf kan staan, maar ook een enorme lading krijgt doordat ze is ingebed in het verhaal van de man die afstand neemt van een voorspoedige toekomst in de Verenigde Staten, omdat hij ziet dat waar hij in geloofde dood is. Zij houdt van haar overleden vriend Christof en ze beleeft dit als een volwaardige relatie. Er is geen plaats voor Changez; hoe vriendelijk, inlevend en bescheiden hij zich ook opstelt. De dode vriend staat een relatie tussen beide in de weg. Ze sluit hem uit van haar leven waaruit het leven al is verdwenen en, zo meent ze, dat is in zijn eigen belang. Hij kan die keuze om het leven weer in te gaan wel maken, zij niet. Het loopt af met een open einde over haar lot, al weet de lezer – net als Changez – eigenlijk wel beter. Een open einde zit ook aan het verhaal van Changez en zijn gast uit de Verenigde Staten, maar ook daar moeten we vrezen voor het ergste. Changez wordt …, dat ligt voorbij het boek. Nog verder over de horizon ligt de toekomst van het retro-land.

Fundamentalisme krijgt een andere betekenis in de roman. Het is het geloof in de waarheid van de markt en de het daaraan opofferen van mens en waardevolle productie. Hamid heeft zelf ook in de financiële sector gewerkt, als management consultant bij
McKinsey & Company. Hij vond bedrijfsrecht saai en werd schrijver.** Dit knap, interessant en spannend vertelde verhaal is zijn tweede boek. Er zouden er tot nu nog drie volgen.

Noten:
* Het is een zelfde thema als in het verhaal van Fouad Laroui, De dag dat Saddam. Ook hier komen barsten. Dit keer in het geloof van een Rotterdamse IT-specialist als tot hem doordringt hoe het Westen met mensen als hij omspringt.
** Onderweg kreeg hij les van Toni Morisson en Joyce Carol Oates

zaterdag 20 juni 2026

In de hitte


Langste vrijdag van het jaar. Tijd voor mijn rondje om het Marker- en IJsselmeer. Hopelijk ook de heetste dag van het jaar. Smeren, veel water, iet met mouwen aan en opletten. De eerste keer haal ik water bij het strand van Lelystad, ruim 60 km van huis. De verweerde deur valt me op.

Overal liggen mensen aan het water. Bij de Ketelbrug op het strandjes bij beide polders. Zelfs in Urk is het druk en vanzelfsprekend op het forse strand van Lemmer. Tenslotte zie ik de baders aan de Friese kant van de Afsluitdijk. De schapen liggen te hijgen op het pad. 
     Bij de Ketelbrug maak ik mijn inmiddels traditionele foto van het Wit vetkruid (er staat steeds meer van).

In Friesland valt op dat de stadjes (hoe klein ook) zo mooi zijn, net als de sloten met hun waterlelies en gele lisdoddes. Eromheen liggen uitgestrekte groene woestijnen, de kortgeschoren graslanden onder bloemen en insecten. Het is op zo'n tocht de kunst het lelijke te negeren en het mooie te zien.


De longen deden eerder in de week stekende pijn bij zware inspanning op de hometrainer (na mijn meerdaagse oefenfietstocht). De deskundigen hebben verschillende verklaringen voor de pijn die er nog zit. Mijn vraag was hoe zouden ze het houden op de fiets. Daarop trap ik zo dat ik het qua conditie vol kan houden van begin tot eind. Het gaat goed en ze zijn zeker niet slechter van deze tocht geworden. Weer een zorg minder? De bil wil even geen zadel zien, that's all.

Het enige stukje waar ik hard trap is naar de bus over de Afsluitdijk, die bij Kornwerderzand vertrekt. Ik ben een paar minuten te laat. Als ik aankom staat hij er nog: “Ik zag U komen; het voordeel van een lange rechte weg.” En: “Ik heb maar gewacht,” zo ontvangt de chauffeur me. Vriendelijk, maar opmerkelijk dat ik de enige was voor de voortreffelijke voorziening.

Iets zuidelijk van Den Oever is het pad afgesloten in verband met werk aan de Stontelerverkeerssluis. Ik moet een flink stukje om (KP 37, 58, 26 zo zit twee dagen later nog mijn hoofd). Maar ach, de vis wordt er mee geholpen; het is de aanleg van een voorzineing voor de passage. Had ik het geweten dan had ik anders kunnen gaan en aan de andere kant ervan uit kunnen komen.

Voor Purmerend zie ik het in de verte onweren. Over de polder is goed te zien hoe het over 't land trekt. Ik kan er langs met een paar spatten, maar geen donder en bliksem. Als ik net thuis ben barst het weer los met flinke windvlagen.
     De buschauffeur en de wegwerkzaamheden zorgden toevalligerwijs voor precies het goed tijdschema. “Je hebt een geluksengeltje op je schouder,” was thuis de verklaring.

Volgend jaar weer!?


















De Verschrikkingen van het Noorden


Omslag illustratie door Gielijn Escher.






De Verschrikkingen van het Noorden* is een verhalenbundel van Andreas Burnier waarin citaten boven de hoofdstukken zijn gezet en voorin het boek staat een citaat ontleent aan Lucebert: 

en het paard slaat
radeloos
dit alles gade

Een van de thema's in de bundel is reizen. Dit wordt in het verhaal Onderzoeking op het teras verkettert als misplaatste ijdelheid van domoren, maar in het citaat boven de tekst onderstreept Ronald Firbank de zin van kijken juist, zelfs naar zaken zo gewoon als hooischoven op het land: “I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill.” 
     Reizen en rondkijken heeft wel degelijk zin. 
Dat waarnemen gebeurt in dit boek in het Noorden, het Zuiden, onderweg en hier.

Voor de hele bespreking zie ↓
Eerder besprak ik het jongensuur (https://broekfoto.blogspot.com/2026/06/het-jongensuur.html) van dezelfde schrijver.

De Verschrikkingen van het Noorden*
is een verhalenbundel van Andreas Burnier. Eerder besprak ik het jongensuur van dezelfde schrijver. In alle zes verhalen heeft de vrouwelijke hoofdfiguur een andere naam en een andere leeftijd. Toch zou je ze als één personage kunnen zien in verschillende levensfasen.
     Een thema waarop de verhalen samenhangen is reizen. Reizen naar Noord en vooral naar Zuid. De opmerking van de abt in het verhaal Onderzoekingen op het terras is dat reizen geen enkele zin heeft en er slechts is voor de domme massa die even rondkijkt en alleen de buitenkant van de dingen ziet, plaatst deze geestelijke dan ook meteen buiten het bestek van de bundel.

In datzelfde verhaal staat ook de opmerking dat een goed verhaal getekend wordt door het begin en eind. Opvallend is juist dat een paar verhalen in De verschrikkingen ... zo eindigen als ze begonnen. Betekent dit dan dat alles wat er tussenin gebeurde ketelmuziek was, ontwikkelingen zonder belang, of zaken van voorbijgaande aard? Maakt dit ze juist intrigerend (je voelt dat er meer gebeurde dan je las, maar waar de vinger niet helemaal op te leggen is)? 

“Ordenen.” Alleen dat woord is de allereerste zin van het allereerste verhaal Nu ga ik verdwijnen. Het eindigt met: “Kom, we gaan naar huis.” Dat zegt Ella tegen haar vriendin waarmee ze op vakantie is.
    Het is haar opgevallen dat de Griekse tempels vernield zijn door ze in gebruik te nemen als kerk. Die afkeer van het christelijke geloof komt vaker terug. Een mogelijke reden daarvoor is de bekeringsdrang op de onderduikadressen waar de schrijfster als joods meisje verbleef. De apostel Paulus wordt getypeerd als “een onsympathiek eruit ziende joodse man, een ultrarechtse conservatief, geborneerd jegens vrouwen en homoseksuelen, en jegens zijn eigen anti-christelijk verleden.”
     De klim naar de Akroplis vormt het slot van een verhaal dat kronkelt langs vervelende mannen, een magnetiseur, door kroeg en langs kermis. Maar met de woorden 'weer naar huis,' als uitgebreide punt daarachter, maar staat dit ook voor terug naar de gewenste veilige orde?

Het titelverhaal begint met: “Veel vroeger, ik spreek nu van voor de watersnood, lang voordat Griekenland, Italië, Joegoslavië, Sicilië en Malta door mij waren bereisd, was ik voor het noorden niet bang.” Het verhaal eindigt na een korte dialoog met een botte vlieger zo: “Veel vroeger, ik spreek nu van voor de watersnood, was ik voor het noorden niet bang.”
     De Verschrikkingen... speelt in Kopenhagen. Andrea gaat er opzoek naar een bar voor vrouwen. De taxichauffeur die haar er zal brengen, begrijpt haar verkeerd. Ze gaat naar binnen en het duurt even voordat het doordringt dat ze in een bar met prostituees terecht is gekomen. Via een advies van de garderobejongen van een jazzclub, waar ze vervolgens belandt, weet ze toch nog de gewenste gelegenheid te vinden. Niet mis, want Kapitän, Kapitän is de enige openbare bar voor vrouwelijke homo's – 'Lesbians in uitstekend school-Engels' – in heel Scandinavië
     In een Parijse bar komt ze dan weer terecht doordat zij en haar vriendin worden meegenomen door een groep die er tegen betaling de couleur locale verzorgt, zodat toeristen tevreden zijn iets echt authentiek Frans te hebben gevonden.
    Het verhaal Gesprek in de nacht begint met de absurditeit en naarheid van de oorlog. Met diezelfde oorlog eindigt het verhaal ook. Tussendoor zijn de vertelster en haar vriendin liftend op reis. Ook hier is homoseksualiteit weer duidelijk aanwezig (daar is alleen in Onderzoekingen … geen sprake van. Daar loopt de echtelijke relatie tussen man en vrouw spaak). Er worden door de bundel heen nogal wat vrouwen versierd of afgewezen (al is dat laatste lang niet altijd makkelijk, omdat naast irritatie ook de warmte veloren gaat).
     Hoewel niet het hoofdthema van Giovanni en de heksen wordt de strenge bekrompenheid van de samenleving in de verf gezet met de opmerking van een vriend van Connie, de hoofdpersone: “Ons hele sociale bestel is een valstrik, een manier van mensen om elkaar tijd en energie afhandig te maken.” Het goedbetaalde filosofische werk dat beiden doen, betekent volgens de man "geen pest". Anderzijds wordt een zinvolle academische carrière in de verhalen regelmatig als ideaal genoemd. Visies zijn niet gehouwen in marmer, maar zijn beweeglijk en veranderen, zo blijkt. 
    In het verhaal is voor de een het vrouwelijke lief een engel en voor een jongen, de Giovanni uit de titel, doen de vrijende vrouwen aan heksen denken. Daar tussenin komen toerisme en armoede bij het treinspoor op elkaars pad. Misschien wat verwrongen geconstrueerd, maar juist die niet voor iedereen zichtbare ongemakkelijkheid tussen de rijke toerist naast de lokale armoede is soms niet ver van de werkelijkheid.

De oorlog komt regelmatig voorbij. Die oorlog heeft Nicole in Volgend jaar in Jeruzalem vervormd. Ze moest wel dwars gaan doen en Calviniste worden, zoals ze leerde tijdens het onderduiken, om zich af te zetten tegen haar ouders. Als ze over die fase heen is, stapt ze over op het atheïsme, en daarna communisme, totdat ze het heeft gehad met de opstandigheid. Het afzetten tegen de joodse ouders leek noodzaak aangezien hun vrienden, uiterlijk en ideeën voor de puberende vrouw 'moffendreiging' betekende. Jood zijn betekent door blonde slijmreuzen vermoord te kunnen worden. De angst voor iedere schijn van permanentie (wie zich eenduidig vastlegt wordt gedood of affectief verraden), leidde tot een versnippering in de liefde. 

Het zou niet verbazen als in het jaar van uitgave (1967) nogal afwijzend op het boek zou zijn gereageerd. De thematiek van een jongen in het lichaam van een meisje werd benoemd en seks tussen vrouwen beschreven. Het lijkt erop dat door de debuutroman van Burnier Een tevreden lach, die twee jaar eerder verscheen, en waarin dit al werd benoemd, een gemaaid gazon achter was gelaten voor de opvolger. Hoewel. Kees Fens schreef weinig literair over “haar lesbische soortgenoten” en in de Telegraaf had recensent Ab Visser het over het aan “homofilie inherente narcisme.” Niet iedereen vond de bundel even sterk, maar van tumult was geen sprake. J(oke) E. Kool-Smit beschreef de spanningen in het boek en de vragen die nog op het boek losgelaten kunnen worden. In de Volkskrant werd het boek aldus getypeerd:

“Het zijn dus verhalen van een soort dat vroeger schrijnend zou zijn genoemd, maar het is veel gemener: het wringt, het is allemaal vals, het is de terreur van het geniep, die werkt tot in de biologische cellen van het menselijk bestaan.”
Fons Sarneel

Kool-Smit had het wel bij het rechte eind toen ze veronderstelde dat bij herlezen veel meer uit het boek boven zou komen drijven. Al is het maar een eerder gemiste mooie zin. In Onderzoekingen..., wordt gepreekt, gepraat en geblaat, maar uiteindelijk gaat dit voorbij met de woorden bij het vertrek van de moeder en haar kinderen uit de bedompte sfeer: “Aan de horizon achter ons verdwijnt iets.”
     Sommige lezers zoeken liever naar wat hen tegenstaat. Kees Fens vond het citaat boven het eerste verhaal te bekend. Het boek heeft er nogal wat. Citaten. Het begint al met een prachtig motto, geleend van Lucebert ** waarmee de toon voor het boek gezet is. Vijf verhalen beginnen met een citaat in het Engels, Frans (hieronder vertaald) of Nederlands: 

  • Nu ga ik verdwijnen: Het begint met woorden van citatenleverancer bij uitstek, Shakespeare: We are such stuff/As dreams are made on, and our little life/Is rounded with a sleep. (The Tempest) Dat is weer die afstand tot de realiteit die ook het paard van Lucebert al voelde.
  • Gesprek in de nacht begint met woorden boven de tekst van Brunier zelf. De regels passen het boek als gegoten. Ze rollen van de tong en zijn tegelijkertijd wrang en kil. Weer wordt het waardevolle elders gezocht:

De nacht vangt alle stemmen die
in lakens dronken rollebollen. (…)
nu gaan wij rusten:
wij glijden snel naar vreemde kusten
ontwaken aan de achterkant
.

  • Giovanni en de heksen kreeg een citaat uit A Movable Feast van Ernest Hemmingway: “The main thing is that the act male homosexuals commit is ugly and repugnant. In women it is the opposite. They do nothing that they are disgusted by and nothing that is repulsive and afterwards they are happy and they can lead happy lives together.” De ene homoseksualiteit wordt door de man der mannen afgewezen. De andere lijkt te mogen bestaan. 
  • Volgend jaar in Jeruzalem: “Wat men kan zeggen, is dat alles in ons leven verloopt alsof we erin kwamen met een last van verplichtingen, aangegaan in een vorig leven,” uit Marcel Proust, La Prisonnière (vertaald via het internet).  
  • Boven Onderzoeking op het teras onderstreept Ronald Firbank de zin van waarnemen, zelfs van zaken zo gewoon als hooischoven op het land: “I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill.” 
         Reizen en rondkijken heeft wel degelijk zin. Zelfs in die ongerijmde wereld waarin de schrijfster leeft.

Noten:
* De verschrikkingen van het noorden is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, txt of als scan.
** Het gedicht waaruit deze woorden komen en dat opgenomen was in de bundel De dieren der democratie werd besproken door Hans Andreus in Tijd en Mens jrg nr. 3 (1952), nr. 2: De roepende in de jungle

vrijdag 19 juni 2026

het jongensuur

het jongensuur (1969) van andreas burnier (geb. 1931 als Catharina Irma Dessaur) draait rond drie thema's in het leven van het joodse meisje Simone. Zij is negen jaar oud als de oorlog uitbreekt; net zo oud als Burnier dan zelf is (die het boek haar meest autobiografische noemde). In 1940 besluiten haar ouders dat ze moet onderduiken en om het risico te spreiden: gescheiden van hen.
     Het boek is opgebouwd uit zeven hoofdstukken 1940 tot en met 1945, plus een bericht over de verschrikkingen van de oorlog, waar het boek mee eindigt.

In het begin van de oorlog denkt ze: “Ik zou graag blond en protestant willen zijn, zes jaar op één lagere school zitten, en altijd weten wat er de volgende week gaat gebeuren.” Kortom het verlangen naar de witte bevoorrechte positie. Steeds zit Simone ergens anders ondergedoken. De ene keer snap je beter waarom ze weer verplaatst is dan de andere. Ze slaat een voormalig vriendinnetje in elkaar, ze steelt een haas uit de strikken van twee jongens, de buurman liet weten dat hij haar zou gaan verraden bij de Duitsers, en bij het eerste gezin valt ze niet in het pulletje. Catharina had zelf zestien onderduikadressen.

Ze leest op de onderduikreis van alles: De mijn van Zola, Het Kapitaal van Marx, Nietzsche, een bewerking voor kinderen van Don Quichot tot aan katholieke bidprentjes toe. In 1941 lag in het onderduikhuis o.a. Rudolf Steiner, maar: “Ik kende trouwens vrijwel geen Duits”
     De spreuk van Vondel boven de bibliotheekdeur waar haar vader haar aan herinnerde 'Veel weten kan niet altijd baaten, somtijds schaaden,' was niet aan haar besteed.
     Op haar tiende krijgt ze rekenles van een broer van de vrouw in het onderduikhuis. Na een week geeft hij de volgende som op: 8x+5=x+26. “Hij was een groter geleerde dan didacticus,” reageert ze daarop.

Een ander belangrijk thema is de nare kleingeestigheid en het strenge Calvinisme. Dat uit zich op verschillende manieren. Seksuele toenadering door de mannen bij wie ze in huis is, de man die masturbeert terwijl zij naast hem in bed ligt ('n socialist dit keer), de bijbel is waarheid en maat der dingen (zo sterk dat het verboden was iets anders te lezen, omdat zou afleiden van de Schrift), opvoeden met keiharde hand, onderschikking van de vrouw aan de man, en “haat voor alles wat vitaal of zelfs maar warm was.” Vaak begrijpt Simone niet wat de achterliggende reden zou kunnen zijn. Jonge Duitse soldaten bij haar laatste onderduikadres laten haar pornografie zien. Nicht gut is haar reactie. In het dorp ervoor sloeg de meester jongens in het kolenhok en betaste er meisjes. 

Ook schreef ze in het jongensuur over over een meisje dat denkt jongen te zijn (genderdysforie). Haar moeder lijkt dit niet te begrijpen, maar “ze denkt toch zeker niet dat ik later ga trouwen en mijn hele leven verdoen met afstoffen en koken en de plee schrobben?” Als Simone bloed plast (menustreert) dan weet ze dat het niet gelukt is om voor de pubertijd een jongen te worden, zoals ze stellig van plan was. Hoe langer dit nog duurt hoe moeilijker het zal zijn. Als troost laat ze de kapper een jongenskop knippen. Een jaar eerder ging ze er als vanzelfsprekend nog van uit dat ze jongen zou worden en een schoolmeester of een schrijver en dat ze zou trouwen met haar vriendinnetje uit Veendorp. Kort daarna kruipt haar rok op en ziet ze dat ze meisje is en voelt zich belachelijk.

Zij is ervan overtuigd dat God bij haar geboorte een fout heeft gemaakt. En als ze, ondanks kortgeknipt haar en een jongensachtig figuur, tijdens de zwemuur voor jongens wordt ontmaskerd en het bad uitgestuurd, maakt dit haar verdrietig. Het sekseonderscheid wordt nog steeds opgeklopt, maar was destijds veel groter; daarover in het jongensuur geen misverstand. Er is niemand aan wie ze haar kwaadheid en ontgoocheling na het afwijzen kan toevertrouwen. Toen ze na de oorlog haar moeder voor het eerst weer ontmoette vroeg die: “Wie is die jongen?” Maar in het zwembad zou haar kort geknipte koppie niet helpen om tegelaten te worden tijdens het jongensuur.

Opvallend is dat de roman een omgekeerde chronologie volgt, van de laatste ontwikkelingen naar vroeger. Zo weet je dat Simone de oorlog is doorgekomen en een meisje is dat jongen had willen zijn. De hoofdstukken per jaar geven informatie over deze wens en zo begrijpt de lezer allengs meer waarom ze mee wil zwemmen met de jongens. Ze accepteert haar meisjes lijf niet.
     Het is inmiddels een gewoon thema geworden, maar Burnier schreef er al in de jaren zestig over. Zij kende dit uit haar eigen leven. Ze kreeg al op haar derde een hekel aan zogenaamde vrouwendingen.
Ze zou meester worden (hoogleraar criminologie), schrijver en ze zou trouwen niet met een vriendinnetje, maar met de zoon van antroposofen (daar is Steiner weer). Het huwelijk duurde acht jaar tot aan de scheiding. Catharina werd Andreas. Ze leefde na haar huwelijk toch met een vrouw, ook toen dat nog taboe was en betekende daardoor veel voor de emancipatie van homo's.
     
Vader, moeder en Simone zouden wel alle drie de oorlog overleven. Als erna in Zanddorp de vrouwen worden kaalgeschoren die 'fout' waren, dan vraagt Simone: “En de mannen die fout waren?”

zaterdag 13 juni 2026

Dag 7, Bergen op Zoom/trein: Regen, regen, druppelzegen





Het land heeft het nodig, het vocht uit de lucht. Maar na uren druppels was ik doorweekt en toen moest ik nog een heel stuk. Mijn doel was de Kruislandsedijk in Nederland. Daar wilde ik nog een nacht kamperen.

Het begon met boodschappen en daarna Rue de Trieu op. Kort daarop kwam ik op de Ronde van Vlaanderenstraat. De namen van de winaars waren tot 2025 op de straat geschilderd. Vanaf 2004 staan er twee namen. Dan doen ook de vrouwen mee. 2026 ontbreekt nog. Het moet toch een kleine moeite zijn om Tadej Pogačar en Demi Vollering er bij te plaatsen.

Als ik inmiddels al bij Antwerpen met de Waterbus naar Fort Lillo ben gebracht en op nog wat tegenvallers ben gestuit dan besluit ik dat het de trein wordt vanuit Bergen op Zoom. Die stad heeft ook nog eens een link met de carrière van Erasmus die de secretaris van bisschop Hendrik van Bergen (op Zoom) was voordat hij aan zijn vredeswerk in Kamerijk begon.

Als ik op die waterbus wacht komt er een een INEOS-schuit voorbij, met een PR-slogan op de zijkant. Iedereen weet dat het bedrijf juist meer vervuilt dan opruimt, maar als je een leugen tig keer herhaalt dan blijft hij steeds vaker hangen. Dan was dat
waste oil bootje in de Rotterdamse haven duidelijker. Dat lag onder de containers van CMA CMG, samen met Decatlon ook de sponsor van een wielerploeg. Zo komt veel uit het begin op de Maasvlakte hier weer terug.

Containervervoersmaatschappij Evergreen heeft naam gemaakt door enige tijd geleden het Suezkanaal te blokkeren door er met een schip dwars op te gaan liggen. Een knelpunt in de internationale economie liep er vijf jaar geleden door vast en pakjes uit China kwamen later aan. Nu staat een goederentrein langdurig stil. Een wagon met een Evergreen container blokkeert de weg. Heeft het bedrijf een
bucket list? Wat wordt de volgende blokkade? Ik wacht en niet alleen. Er staat een flinke stoet.

Na vertrek stuit ik op een omhoog staande brug over de Kallosluis. Er vaart een klein vrachtschip in. Het gaat allemaal heel voorzichtig en heel traag. Na twee grotere volgen drie kleintjes, en dan nog meer en in de verte …. ja weer anderen. Ik krijg het koud door regen en wind en de thermometer geeft 12,4
ºC aan. Het zal nog lang duren. Dat gaat niet. Niet alleen de Nederlandse, ook mijn grens is dichtbij. 

De telefoon hapert onder het waterdichte plastic (een zware druppel werkt zelfs als besturing ervan) en ik durf er niet op te kijken. En mis daardoor ook dat er aan de achterkant van de sluis nog een overgang is. Pas als ik achter het huisje op het gesloten deel van het complex in de luwte ga staan, is aan de andere kant een brug te zien en die is wel open. 
     De reis sluit af waar hij begon in een havengebied. Hier geen kluten, maar wel steeds weer de krasraspkreet van de fazant.
     Het is even wachten op de trein. Een vriendelijke jongeman helpt me met het in de trein krijgen van mijn vracht. Om 23 uur ben ik thuis. 

PS: Al weer even terug in 't hectische thuis verwonder ik me erover deze tocht zonder klachten gereden te hebben. Die kwamen pas na een dag of drie terug op de hometrainer. Vermoedelijk door de combinatie met de enorme vraag naar flexibele intellectuele en praktische inzet als steun en ruim een week geen training op explosiviteit.
     Mijn pet wordt bedankt voor jarenlang de zon uit mijn ogen houden. Die gaat in de afvalbak en zal worden afgevoerd naar het Amsterdamse havengebied waar het Afval Energie Bedrijf (AEB) zit. 











Dag 1: Kalm aan
Dag 2: Klutenjaar 
Dag 3: Johoho
Dag 4: Koude grond
Dag 5: Hopsen
Dag 6: Avontuur
Dag 7: Druppelzegen



Dag 6, Russeignies: avontuur en belevenissen





Aan het eind van de dag sta ik op een camping (Au pied du Trieu). Het is een plek waaraan je ziet dat de uitbaters hebben gedacht wat ze zelf fijn vinden aan een kampeerplek, wat nuttig is, en wat er anders kan dan gebruikelijk en wat net wat leuker is. (Een beetje zoals de camping in Noord-Duitsland waar ik ooit stond.) Hier is een groen/paars iriserende kever in de hondsroos gezet, er is bijvoorbeeld een iniminie klein rond plekje tussen dunne boomstammen en om de plekken heen is lang gras.

Het schoot niet op vandaag en ik moest via bizarre paden. Na een Frans gat in de weg, schoot iets los. Ik repareerde het provisorisch, maar onvoldoende. Boven op een heuvel tussen de velden heb ik een betere oplossing gezocht, een dik stuk elastiek bood uitkomst (het zou tot thuis blijven zitten en daar kan een permanente oplossing worden gemaakt).

Nog een klein stuk te gaan kwam ik langs een frituur. Ik at er een broodje kroket om de maag te vullen. Vervolgens een landweggetje in. De navigatie leidde me naar een trekkerspoor dat flink overgroeid was. Toen ik er vertwijfeld naar stond te kijken, kwam er een oude man:
“Waar moet U heen?” Camping, hoewel vlakbij, zei hem niets. Hij wist wel dat ik zo verder kon. “Het is korter en motoren doen het ook.” (Dat laatste betwijfel ik na mijn avontuur door het gras en klei. Korter in afstand was het, maar zeker niet in tijd.)

Uiteindelijk stond ik voor de camping waar niet gereageerd werd op het aanbellen. Op de boerderij aan de overkant van de weg hoorde ik stemmen en de waakhond lag aan de ketting en zo durfde ik de donkere ouderwetse stal met koeien in te lopen waar de boer stond. Hij vertelde dat de eigenaar snel thuis zou komen van zijn werk in de stad.
“U moet wachten.” Hij zou wel even meelopen. Op dat moment kwam de campingvrouw met hond naar buiten. Ze moest haar man vragen of het goed was dat ik er overnachtte en gaf mij hem tenslotte te spreken. Hij was een paar dagen voor werk in het buitenland. Dat was lang wachten geweest.

Nu kon ik door het hek. Ik werd langs alle plekjes geleid en stapte een andere wereld in. De wereld als avontuur. En dat is precies waar zo'n vakantie voor is bedoeld. Zulke plekjes en belevenissen maken blij, hoe zwaar het ook is en je zonder inkopen en dus een volwaardige maaltijd zit, fietsproblemen had en regelmatig verkeerd reed en toch opgewekt de tent opzet.












Dag 1: Kalm aan
Dag 2: Klutenjaar 
Dag 3: Johoho
Dag 4: Koude grond
Dag 5: Hopsen
Dag 6: Avontuur
Dag 7: Druppelzegen




Dag 5, Cambrai: Hopsen






Zoef gaat het de heuvel af. Dat heb je met een camping die Op den berg heet dan begin je lekker makkelijk. Vermoedelijk haalde ik daar mijn maximale snelheid van de tocht: 34 km/u. Niet harder dan een duin af. Rustig aan.

Onderweg kwam ik de Schelde tegen volgde hem een stuk. Reed door bossen en langs een veld met een tiental koereigers. Toen ik een foto wilde maken vlogen ze weg. Dan maar van verder weg. 
     En in die contreien onvermijdelijk: de wegen gelegd van kasseien. Soms waren ze een beetje opgelapt met asfalt en andere stukken waren gerestaureerd met de vierkante stenen. Je hopst erover. Hard en in het midden is het devies en niet teveel lucht in de banden. Maar dat is voor de profs en echte amateurs en toeristen. Op mijn bolide ging het zo goed als het kon. Toen er aan het eind van de tocht weer een kasseienweg van 4 km kwam, was opluchting dat na ruim een kilometer het wegdek toch glad was gemaakt.

Voor het inrijden van Cambrai ging het eerst over de Schelde, een miezerig riviertje en daarna langs het Scheldekanaal dat er een deel van zijn water van krijgt. Zo is het goed bevaarbaar voor binnenschepen en die functie wordt versterkt door het aansluitende Seine-Noord-Europa kanaal waaraan gewerkt wordt. Zo fiets ik gladjes Cambrai binnen. De camping ligt niet ver van de waterweg en ik ben niet eens zo laat met het opzetten van mijn tentje.







Dag 1: Kalm aan
Dag 2: Klutenjaar 
Dag 3: Johoho
Dag 4: Koude grond
Dag 5: Hopsen
Dag 6: Avontuur
Dag 7:  Druppelzegen



Dag 4, Tiegem: van de koude grond







De dag begon vandaag daar waar mijn vader zijn laatste kilometers fietste. Hij kampeerde in Vrouwenpolder toen zijn hart het in de nacht voor de laatste keer begaf. Klinkerwegen, hoge heggen, uitgestrekte akkers, de toren van Middelburg in de verte. Het is geweldig. Zijn dood kwam alweer bijna drie decennia geleden in die mooie omgeving. Op het feestje gisteren viel zijn naam een paar keer.
     Zeeuws-Vlaanderen – met het veer naar Breskens – heeft die uitgestrektheid ook, met ook nog eens vele dijken en slierten populieren, maar ook meer bewoning dan ik me eerder realiseerde.

Het blijft opvallend dat als je de grens passeert er meteen verschillen zijn (zelfs vanuit dit deel van Nederland dat toch het dichtst bij Vlaanderen ligt). Even wonderlijk is het fenomeen dat je gelijk cultuur-sociologische visies hebt op daar waar je belandt. Een socioloog doet eerst studie (soms jarenlang) en komt dan pas met een visie. De toerist heeft zijn ogen en bagage opgedaan eerder in het leven om oordelen op te baseren. (Vroeger las ik nogal wel eens een boek over een reisbestemming en was er nog een beetje fundament voor de goedkope meningen.) 
      Vreemd blijft het: we hebben dezelfde taal; en heel lang een gedeelde geschiedenis. Zelfs over de vrouwonderdrukkende zogenaamde 'hekserij bestrijding,' kwam ik vorig jaar een herinneringsbeeld in Nederland tegen, maar wel zonder de kennelijk toch niet obligate veroordeling ervan die in Tielt wel was meegenomen.

De volgende dag ging ik nog meer grenzen over: die van Wallonië en Frankrijk in. Dat tweede merk ik door de piep uit mijn telefoon. Op de terugweg zou ik niet eens weten wanneer ik Nederland weer inreed en aan de Waalse kant van de taalgrens kon ik uitstekend terecht met Nederlands. Misschien zitten er in Frankrijk minder gaten in de weg, maar juist daar reed ik erin, kennelijk net wat minder oplettend. 

Aan het eind van de dag 'de Tiegem' op, zelfs met zware bepakking goed te doen. Op de camping Op de berg duurde het even voor ik snapte hoe alles daar werkte, maar toen was het er plezierig eenvoudig en van alle gemakken voorzien. Bier in de koelkast, voskop schapen (een schoonheid van een schaap) en zo'n tachtig koeien.




Dag 1: Kalm aan
Dag 2: Klutenjaar 
Dag 3: Johoho
Dag 4: Koude grond
Dag 5: Hopsen
Dag 6: Avontuur
Dag 7:  Druppelzegen








Dag 3, Veerse gat: buiten johoho






Was er altijd al een pont in Veere over wat nu het Veerse Meer heet, maar eerder een zeearm was tussen Noord-Beveland en Walcheren? En had die zeearm een naam? Ja het veer was er en de naam van de stad is er vanaf geleid. Het vertrok naar het in 1530 verdronken dorp Campen en daarna naar Kamperland (of andersom dat heb je met veren.) Het meer heette toen het nog in verbinding stond met de zee, het Veerse Gat. Jaap Fischer zong er zijn gelijknamige lied over, zo werd me al verteld voor vetrek, met waardering voor het johohohoker.



In de WC van het nieuwe huis liggen oude tegels. Weer een vraag: wat zijn dat voor tegels? De cement patroontegels stammen uit halverwege de negentiende eeuw en waren tot in de twintigste populair. De witte bloem in het midden wijst naar en Portugees design, maar het exacte ontwerp kan ik niet vinden. Mooi om zoiets in je huis te hebben.

Als ik op de camping het Veerse Gat dit stukje schrijf landt er steeds een atalanta op mijn hoofd. Een foto krijg ik niet voor elkaar, maar het fleurige van die kanis kan worden betwijfeld. De zon ziet dat hoofd zelden. Buiten meestal een pet en vaak een fietshelm op die knar. De warmte ervan misschien, zo'n vlinder heeft dat nog meer nodig dan de mens. De kaart van België is ook favoriet alsof het insect me aan wil sporen.

Achter mijn tent woont een kleine muis. In de verte roept een pauw en wat dichterbij briest een paard. Buiten is het anders.




Dag 1: Kalm aan
Dag 2: Klutenjaar 
Dag 3: Johoho
Dag 4: Koude grond
Dag 5: Hopsen
Dag 6: Avontuur
Dag 7:  Druppelzegen