vrijdag 29 mei 2026

Long island


Long Island door Colm Tóibín is het tweede in een serie en volgt op het eerder besproken Brooklyn. Eilis, echtgenoot Tony en de kinderen Rosella en Larry wonen in een van de vier huizen die door de schoonfamilie zijn gebouwd op het New Yorkse eiland langs de kust. Daar wonen ook de twee broers, hun vrouwen en de Italiaanse ouders van Tony. Als het mis loopt dan is het voor de Ierse Eilis allerminst een prettige situatie omgeven door de schoonfamilie.

In Brooklyn werd de bouw van de huizen al aangekondigd. In dit boek, dat twintig jaar later speelt, is de vraag wanneer ze er vertrekt. Ze gaat in ieder geval naar haar moeder in Ierland die 80 jaar oud wordt. De reis geeft respijt van de thuissituatie. In het eerste deel vertrok ze uit Eniscorthy naar New York en kwam terug nadat haar zus gestorven was om na het omzeilen van een hindernis in de vorm van een plaatselijke geliefde weer terug te keren naar Tony in New York. Ze zouden kort daarop – tussen de twee boeken in – kinderen krijgen. Dat zijn in Long Island inmiddels oudere tieners.

Eilis werkt in New York bij een Armeense garagehouder, ze leeft in een wereld die ook verder divers van samenstelling is. Haar jongste zwager is een homo en advocaat met een praktijk in Manhattan die zijn seksuele voorkeur verzwijgt. Over zijn succesvolle praktijk geeft de roman geen informatie. De garagist leest boeken over geschiedenis (zoals over de Armeense genocide en de Ierse hongersnood) die hij iedereen wil uitlenen en is daarmee een enthousiast buitenbeentje.
      Long Island speelt grotendeels in Ierland (vanaf pagina 53 tot de laatste, 288); Eniscorthy is een dorp waar weinig veranderd is sinds Eilis er vertrok, en waar naast wat sportverenigingen, een paar pubs en een katholieke kerk weinig te beleven valt. Een dorp waar iedereen iedereen kent, alles van elkaar weet, en waar weinig gebeurt wat niemand opmerkt. De gesprekken gaan over wat de buren hebben gedaan. Iets verderop in Courtown wordt in de dancing  – alsof de turf nog gestookt wordt – het volkslied gespeeld als de zaak gaat sluiten.

Het is er een avontuur om met je kinderen en kleinkinderen de kerkbanken in te schuiven; zo dat iedereen ze kan zien en wie het niet ziet, hoort wel over het 'spectakel'. Verder weinig. Larry vindt het ook kalm en leeg.
     Brooklyn las ik met plezier. Dit boek gaat nauwelijks over grotere themas's zoals migratie en enigszins over het lastige van weg zijn van het bekende als het moeilijk loopt. Ook niet over andere maatschappelijke kwesties als je de paar opmerkingen in luttele woorden niet meeneemt.
     Het is een verhaal over door elkaar lopende liefdesaffaires in het Ierse dorp en dat niet iedereen daar eerlijk en verstandig mee omgaat. De Bouquetreeks ken ik alleen van naam, maar het zou me niet verbazen dat dit er een veredelde vorm van is. Hier wordt niet gezwijmeld en van de geliefden – in welke van de opgediste samenstellingen dan ook – wordt niet verklaart dat ze elkaar voor altijd zullen vinden. Er wordt stilgestaan bij het gegeven dat niet iedereen vertelt wat er omgaat in het dagelijksleven en in gedachten en wensen. Er worden eigen dromen nagejaagd zonder de ander daarin te betrekken of over te informeren. Dit kan leiden tot moeilijke situaties. Dat is mogelijk een psychologisch filosofische benadering die in de betoverende liefdesverhalen in de bekende reeks ontbreekt. De nalatigheid maakt het mogelijk naar een mooi plot te schrijven.

Het boek zou een masterklas zijn in subtiel en intelligent schrijverschap. Tóbín kan inderdaad goed observeren en mooi over mensen schrijven, maar wat mij betreft is de ruimte waarin hij dat doet in dit boek te klein, te bekrompen, te benauwd en te weinig met het oog op de wereld. Ja de namen Nixon en de dienstplicht in Vietnam en het sneuvelen voor het vaderland (dat laatste gecombineerd met een mysogene opmerking) worden terloops aangestipt als het over de VS gaat en in Eniscorthy moeten lokale winkels plaatsmaken voor een supermarkt (er zijn inderdaad een ALDI en Lidl in het dorp gekomen.) De Nederlandse auteur Gra Booomsma leest van alles in het boek, bijvoorbeeld dat geld geen liefdesproblemen oplost. Liefde maakt blind en onberekenbaar, haalt hij er ook uit. Tjonge.

Het vermaakt, en het romantische avontuur vol hindernissen en rommelende karakters trok me mee, maar het zal niet beklijven. Het boek heeft een open einde. Er komt vast nog een deel. Manhattan? De mogelijk- en moeilijkheden tekenen zich al af. Maar het enthousiasme na Brooklyn is uitgewist en ik wacht niet op het vervolg op dit tweede deel. Jammer.

vrijdag 22 mei 2026

Zabor


Zabor* is een loodzwaar boek van Kamel Daoud dat zich afspeelt in het dorp Aboekir in het postkoloniale Algerije. Hoofdpersoon Ismaël is er geboren in 1970. De huizen van de Fransen staan er nog en worden inmiddels bewoond door Algerijnen. De Franse begraafplaats is een plek om rond te hangen en wijkt met zijn grafzerken en kelders af van de plaatselijke ruimte voor de doden. 
     Hoewel de dood in het boek zeer aanwezig is, gaat het nog meer over schrijven en over taal. Schrijven is verlichten, bedenkt Ismaël in de avondzon. Als het moet schrijft hij tussen de zerken of nabij een stervende. Het beschrijven van het leven van een iemand die de laatste adem uit gaat blazen, voorkomt dat die persoon dood gaat. De woorden rekken het leven, zo meent Ismaël. 

Hij werkt al jaren aan het boek Zabor. Schriften vol heeft hij inmiddels geschreven in een vreemde taal die de zieken genas en ook
“het prestige van de voormalige kolonisten in stand hield.” Hij maakt notities op nachtelijke rondes tussen de huizen over de personen van het dorp.** Het gaat mis als hij bij het sterfbed van zijn vader wordt geroepen. Zijn gave hapert. De relatie tussen beide is zeer problematisch. Als jongen is hij samen met zijn moeder het huis uitgezet nadat zijn oudste broer Abdel hem ervan beschuldigde dat hij hem in een put gooide. Volgens Ismaël was dat een leugen. Zijn moeder zou in de woestijn achterblijven en hij zou haar nooit meer terugzien. Een Christelijke achtergrond zorgt bij dergelijke ontwikkelingen onvermijdelijk voor het leggen van associaties. 
     Hij werd meegenomen door een oom en kreeg samen met zijn tante Hadjer en opa Hbib onderdak van zijn vader, de rijke slager Hadj Brahim, in een huis onder aan de heuvel, waar zijn vader boven woonde. De herkenbaar (zonder dat de ziekte genoemd wordt) dementerende opa was zijn taal kwijt en daarmee een deel van het leven. Opa zal sterven op zijn schoot als Ismaël veertien is.
      Later begon hij toch het leven van zijn vader te beschrijven, toen die stervende was, pennen alsof zijn zielenheil er van afhing. Dat proces mondt na een leven van verwaarlozing uit in een extase. Een vervoering die je ook als waanzin kan beschouwen.

Tijdens het schrijven van deze bespreking overkomt me wat ook tijdens het lezen gebeurde; de ene passage tuimelt over de volgende, het ene idee over het andere. Welk gegeven, welke ontwikkeling of welk personage moet er hier nu komen in deze tekst? In het verhaal wordt dat tuimelen typografisch gedeeltelijk opgelost door kleinere letters tussen haakjes te gebruiken bij een inval tussendoor of bij wijsheden gesproken door de zogenaamde 'innerlijke hond.' 
     Goed dan, laat ik tante Hadjer nemen. Ze kon niet lezen, ook de ondertiteling niet bij de Bollywood films in het Hindi met haar favoriete acteur
Amitabh Bachchan, waar ze stapelverliefd op was. Ook voor Ismaël gaat de Franse ondertiteling te snel. Het draait erop uit dat hij aan de hand van wat woorden, de beelden en gezichtsuitdrukkingen zelf een verhaal bij de films gaat maken. De verliefdheid van zijn tante gaat zo een ongemakkelijk sensuele rol tussen hen beide spelen. Dat was schandalig en leuk tegelijk, zo constateert hij later. Door deze band wordt ook al snel duidelijk dat er niet voor iedereen evenveel taal is.
      Taal kent vele toepassingen. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt als magisch medicijn in volgeschreven miniatuurboeken die om de nek van de patiënt hangen. Na enige tijd werd de inkt opgelost en het verkregen vocht opgedronken om het lichaam ermee te sterken en bezetenheid te verdrijven. De 5.436 schriften die Ismaël vol heeft geschreven worden dan weer begraven tussen de wortels van de bomen; een manier om het papier terug te geven aan de bron.

De taal in Aboekir had niet de bedoeling de wereld te ontcijferen, maar was gevuld met macht, het weergeven van kennis en de regels rondom bezit. Ismaël, die later Zabor wordt, wil die taal anders gebruiken. Het boek vertelt hoe klein de taal thuis is vergeleken met de taal op school. Thuis lijkt de taal vuil, flets en banaal. De taal van school blijkt uiteindelijk ook zijn zwakheden te hebben. Hij bevatte veel woorden voor doden, het verleden, plichten en verboden, maar weinig treffende woorden voor het leven van alledag. Die schooltaal was thuis dan ook als een vis op het droge. 
     Het gaat in het dorp waar nauwelijks boeken zijn, en veel van de bewoners analfabeet, ook over lezen. De schriften met de teksten over stervenden die Sabor schreef, hebben allemaal een werkelijke boektitel. In het boek staan er op een pagina een aantal bij elkaar:
In de ban van de ring, het prachtige Een zeeman door de zee verstoten, De pest*** e.a. Door het boek heen worden er zo tientallen boektitels vermeld. Die gaan daardoor bestaan. De tekst in de schriften die Ismaël erbij schrijft is wel nieuw en anders. Stiekem komen er zo toch een paar planken met boeken de roman van Daoud binnen geschuifeld en belanden in het dorp waar weinig andere boeken dan de Koran zijn. 1001 Nacht is ook zeer aanwezig. Maar Zabor is andersom bedoeld dan deze beroemde raamvertelling; niet om het leven van de schrijver/vertelster te redden, maar zoveel mogelijk levens van anderen.
     Een veel genoemd boek is Robinson Crusoe dat wordt geanalyseerd er waarop voort wordt geborduurd. Nog aanweziger is de Koran. Dat boek begint met de opdracht: Lees! Waarom niet 'Schrijf!' vraagt Ismaël zich af en wat valt er te lezen als er nog niets geschreven is? Er zijn voorbeelden te over hoe beknellend Ismaël de islam ervaart; het geloof waarvan zijn vroege naamgenoot volgens de overlevering de oorsprong was.
    Hij schrijft in de taal van de voormalige kolonisator – die hij leerde door de erotische getinte thriller
Het vlees van de orchidee te lezen –, daar komt dan nog bij dat hij (als zoon van een slager) geen vlees eet, flauw valt bij het zien van bloed, sceptisch staat ten opzichten van de Koran, en hij verliefd is op een uitgestoten vrouw met twee dochtertjes die niet toevallig Djemila heet (in de Koran staat deze naam voor schoonheid van gedrag.) Hij valt duidelijk uit de toon. Met het loslaten van de Koran en rituelen daaromheen krijgt Zabor ook steeds meer de overhand over Ismaël. De conflictstof ligt voor het oprapen. De schrijvende protagonist, is dan ook beducht voor de imam die de tekst van de Koran volgt waarin staat: “En de dichters worden gevolgd door de dwalenden/Zie je niet dat zij in iedere vallei ronddwalen.../...en zeggen dat zij dat niet doen.” Maar deze voorgangeer blijkt hem echter te helpen als dat nodig is.

Als iemand in een put wordt geduwd dan doemt als vanzelf de Bijbelse snoever Jozef op, die het ook niet kon vinden met zijn broers. In Zabor zit een verwijzing naar hem met de opmerking dat in de Koran een geschiedenis met afgunstige broers goed afloopt voor het slachtoffer. Jozef zou door de gemene treiterij en wat tussenstappen een voorname positie verwerven aan het Egyptische hof. Jozef is de enige niet die hier genoemd wordt met een vermelding zowel in Koran en bijbel.
Ook Jonas komt er in voor. De schrijver zelf leeft ook tussen beide religieuze werelden.
    Ismaël blijft ook aan de zijkant van de samenleving staan als zonderling. Heel even als hij naar eigen zeggen iemand in leven houdt met zijn woorden is er waardering voor hem, maar vaak zelfs dan niet. Zijn naam doet aan een ander verhaal denken. Ook hij wordt immers met zijn moeder de woestijn in gestuurd. Niet door Abraham maar door zijn vader, de slager, die zijn vrouw en zoon afdankt. Dat laat littekens na waarvan de genezing
indien al mogelijkniet evident is. 

Ismaël voelde zich verantwoordelijk voor de levens van zijn dorpsgenoten, voor het hele dorp. Schrijven verbindt leven, geeft inzicht en haalt wat verloren leek te zijn weer terug, zo onderstreept Zabor. Uiteindelijk verwaaien zijn volgeschreven pagina's en ligt zijn vader dood, zonder dat hij nog bij de stervende is geweest. Zijn manisch schrijven heeft vader niet gered. Schrijven blijkt geen wondermiddel dat leven vasthoud of de doden opwekt. Schrijven is belangrijk, maar minder dan de man is gaan denken in zijn waanzin die voortkomt uit zijn gemakeerde leven in een knellende omgeving. 

De versie van Zabor die ik las, kwam van de bibliotheek. Een vorige lezer heeft er een boodschappenbriefje in laten zitten voor eenvoudige etenwaren en een fles wijn. Met enige fantasie is op de achterkant daarvan een deel van een foto van een muur in Aboekir te zien. Er zijn mensen die dergelijke lijstjes sparen. Het is ook taal, ook schrijven, en in zijn simpelste vorm ordenend, maar het gaat niet de diepte in zoals gezocht door Daoud in zijn boek. Zoveel diepte dat bij het lezen soms de vraag opdook of het niet teveel losraakte van de werkelijkheid. Maar dat is precies wat Ismaël/Zabor overkomt en wat hem treft in het laatste deel: De extase. De woestijnwind neemt zijn schriften mee en de bladen vliegen door het dorp. Hij is ontworteld; de waanzin nabij. Zijn schrijven heeft geen greep op het leven gegeven.
     De opdracht vooraf laat zien dat dit in de werkelijkheid van de schrijver anders ging:

Aan mijn vader Hamidou
Die me zijn alfabet naliet
Die zo waardig stierf
Dat hij zijn dood versloeg.

Het boek is geschreven in drie steden: Oran in Algerije, Tunis en Perugia in Italië, waar hij onderdak vond bij de Civitella Ranieri Foundation. In Algerije zijn alle boeken van Daoud inmiddels verboden en zijn visie op de geschiedenis van het land en de islam wordt hem niet – om het zwak te formuleren – in dank afgenomen. Vanwege woede over de roman Zabor werd het graf van zijn vader vernield. Zijn laatste boek, Houris (rondom een vrouw die in de burgeroorlog van de jaren negentig werd verminkt), schreef hij in Parijs. Algerije had hij inmiddels moeten verlaten. Het is schrijven op het scherp van de snede wat hij doet.

Noten:
*
“Volgens de islam is de Zabor een van de heilige boeken die vóór de Koran zijn geopenbaard. Het wordt vaak vergeleken met de Psalmen,” zo wordt vermeld op de pagina met de colofon. Bijna de helft van die psalmen wordt toegeschreven aan David, de herdersjongen die koning werd. Er is een wiki met meer uitleg over de paralellen tussen beide. De Engelse uitgave heeft als titel Zabor, or The Psalms.
** Dit verzamelen van informatie over personen is later een delicaat onderwerp geworden, aangezien in zijn laatste roman
Houris sprake is van informatie verkregen door het medisch geheim te schenden, tenminste dat wordt hem aangewreven. Sowieso staat zijn schrijversloopbaan bol van uitgesproken meningen en is als gevolg daarvan vol van de strijd en controverses. Ook in Zabor neemt hij geen blad voor de mond.
*** Albert Camus (van De Pest) stond ook aan de basis van zijn succesvolle eerste roman Moussa of de dood van een Arabier die De vreemdeling vanuit lokaal perspectief liet zien.

zondag 17 mei 2026

The White Tiger

The White Tiger geschreven door Aravind Adiga gaat over Balram Halwai afkomstig uit de arme kant van India (in de roman Duisternis genoemd). Dat betekent hier uit Laxmangarh een dorp op een paar honderd kilometer afstand van Delhi. Zijn vader was riksjarijder.
     Dat was al een stap weg van zware slecht betaalde seizoenslandarbeid (al wordt het trappen met een uitgemergeld lijf neergezet voor wat het is: als weinig verheven en ongezond voor lijf en leden).
     Balram kreeg autorijlessen om wat verder te komen in het leven en in de hoop dat hij zijn verdiensten zou delen met de familie. Hij werd er al vlug chauffeur mee voor 
machtige lokale familie die de  kolenwinningsonderneming bezat. Als een van hen, Ashok, naar Delhi gaat om daar de omkoopzaakjes op te knappen die noodzakelijk zijn voor lagere belastingaanslagen en de handelspositie van de onderneming dan gaat Balram mee. In de stad leeft hij onder in de flat, apart van de andere bedienden, maar wel tussen de kakkerlakken. Hij ziet in de hoofdstad hoe India en zijn rijke klasse functioneren.
     Zijn vader is intussen gestorven bij een ziekenhuis dat alleen middelen krijgt als verkiezingsbelofte, maar nadien altijd wordt vergeten.
Vrije mensen kennen de waarde van vrijheid niet, dat is het probleem
het zijn woorden van de protagonist uit het boek The White Tiger
Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken. Elk is een tekst op een avond geschreven aan Wen Jiabao. Wen was tussen 2003 en 2013 premier van China. Dus ook toen het boek verscheen (2008). Volgens het verhaal zou hij naar Bangelore komen en geïnteresseerd zijn in kennis over het verschijnsel zakenman. Bangelore is immers de stad waar de callcentra van bedrijven uit de VS zitten en waar veel van de Indiase en buitenlandse technologiebedrijven gevestigd zijn en waar ook Balram zijn zaken opzet als specialist in personeelsvervoer.

Duidelijk wordt al snel dat the
White Tiger dan wel een succesvolle roman is, maar dat dit niet betekent dat de kartelrandjes van India zijn afgevijld om het verhaal beter slikbaar te maken. Integendeel, ze zijn juist stevig aangezet. “Ons land, heeft dan wel geen drinkwater, noch elektriciteit, geen rioleringssysteem, of openbaarvervoer, ontbeert gevoel voor hygiëne, discipline, beleefde omgangsvormen, of stiptheid, maar het heeft entrepreneurs,” zo beweert Balram in een tekst gericht aan Wen. En de stemmen in de grootste democratie op aarde zijn al geteld voordat iemand ze heeft uitgebracht; de winnaar is immers vooraf bekend. Wel echt onafhankelijk willen stemmen kan je de kop kosten.
     Ook de trotse Ganges moet het ontgelden. Toeristen komen er naar toe, en de Indiase Premier beschijft hem als rivier van de verlossing, maar Balram adviseert Wen Jiabao er toch niet in te duiken. Tenminste als hij zijn mond niet vol ontlasting, stro, verweekte delen van menselijke lichamen, buffelvlaai en zeven verschillende soorten industriële zuren wil krijgen. Als jongen leert hij op school dat de rivier leven geeft aan plant, dier en mensen en tevens dat elke jongen in het hele land premier van India kan worden en meer van dat soort politiek correcte nonsens. Hij praat het na en doet dat met verve zodat de inspecteur van onderwijs die de school bezoekt hem als voorbeeld stelt en Balram een witte tijger in de jungle noemt.

Op de achterkant van het boek staat een tekening van een haan met kleurige veren (zie illustratie) die in de roman veel betekenis krijgt. Balram gaat naar de oude stadswijk van Delhi en ziet daar de slagers met hun kippenvlees en -organen uitgestald, nog glimmend van het bloed. “In het kippenhok eronder zitten de hanen. Ze ruiken het bloed. Ze zien de ingewanden van hun broerders liggen. Ze weten dat ze zullen volgen. Toch rebelleren ze niet. Ze proberen niet uit de ren te komen. Hetzelfde gebeurt met mensen in dit land.”
     Adiga beschijft dit met de woorden van Balram als het Hanenren verschijnsel. Het is een goedkope en effectieve manier om de arme Indiër eronder te houden. Er worden tal van voorbeelden gegeven hoe de menselijke hanen doen wat er van ze verwacht wordt, zonder protest. Ze zijn de “eerlijkste mensen van de wereld.” Er is dan ook geen geheime politie nodig, en geen dictator. De menselijke kippen doen het zelf, ze wachten op hun lot en ontsnappen niet. “Die betrouwbaarheid van de bedienden is de basis van de hele Indiase economie,” vertelt het verhaal.  Ieder mens zou zichzelf moeten bevrijden. In plaats daarvan wachten ze op de revolutie die uit de wildernis komt, of van de bergen, uit China of Pakistan, zo schijft Balram aan Wen. Geen hoop, maar doen, is zijn boodschap. 
     Op de achtergrond is er wel sprake van de Naxalieten (de communistische verzetsgroepen vooral actief aan de oostgrens van het enorme land), maar sporadisch en met veel nadruk op 'achtergrond'.

Als er wel een kip uit de ren stapt, dan is dat een uitzondering. En een van die uitzondering komen we in dit boek tegen. De Witte Tijger loopt uit de pas en het doet hem goed. Zijn familie wordt er misschien voor gestraft, maar hij werkt zich naar een positie buiten de ren. Hij zag hoe zijn baas hem bestal, gebruikte en liet vallen toen dit beter uitkwam. Het wekte langzaamaan zijn woede op, nodig om uit te breken. Net als de rijken ging hij zelf een buik kweken gevoed met vals verkregen middelen.

      In de auto naast hem spuugt een chauffeur twee plasjes met betelsap op de weg. Ze staan – in een voor de roman aparte typografische manier op de pagina – naast elkaar in kolommen. Elk vertelt Balram een visie. In de ene plas ziet hij de conventionele positie van onderdanigheid en angst. In de andere is zijn werkelijke positie zichtbaar en vormt zich de woede. Het wordt snel duidelijke welke kant hij kiest. Zelfs een wensenbriefje dat hij krijgt met de tekst 'Eerbied voor de wetten is de eerste opdracht die komt van de Goden', kan dit niet meer veranderen. Als hij in de dierentuin dan ook nog eens flauw valt voor het hok van de witte tijger, dan weet hij het zeker. Hij kan niet en wil niet meer leven in een hok.


Hij schrijft de zeven teksten aan Wen drie jaar nadat hij Ashok dood achter heeft gelaten aan de kant van de weg en als zijn zaken inmiddels lopen door een handigheidje hier, een omkoperijtje daar, en vooral de politie maakt hij met stapels Roepia's tot zijn vriend. Zo werkt het en hij heeft dat van zijn voormalige bazen geleerd.

Het verhaal is misschien hier en daar met zeer vette letters en over the top neergezet, maar het is zeker een roman met een betekenis die verder gaat dan een vertelsel om de lezer in zijn vliegtuigstoel te plezieren. Het is een boek dat wijst op onrecht en hoe een mens daaruit breekt. Het wordt expliciet gemaakt dat dit de individuele uitzonderingen is; een soort criminele American dream. Maar als meer mensen dergelijke stappen gaan zetten zou het heel misschien ook voor anderen zo kunnen lopen, droom ik tijdens het lezen.

Het boek verwierf lof, maar schopte ook tegen zere schenen.
Wendy Singer schreef in de Kenyon Review bijvoorbeeld dat het boek dan wel in 2008 de Man Booker prijs kan hebben gewonnen, maar dat die is gegaan naar “een zwakke roman die weinig meer doet dan het laten zien van corruptie bij de machthebbers en verdorvenheid bij de armen en dat alles onder het mom van een 'post-koloniale' roman.” Het boek haalt het volgens haar niet bij Indiase romans die de prijs eerder kregen. Ze valt over de stereotypen en de neerbuigende visie van de schrijver uit Mumbai over de armoede in een regio elders in het land. Het is alsof ze meent dat de lezer niet door de stijlfiguren heen kan lezen en zij zelf de kracht van het spotschrift mist. Bovendien daar waar wij genieten van de riksjarijder met een metershoge stapel lege drinkwaterflessen op zijn fiets of een zwaar houten bed achterop die als foto kleurrijk wordt afgedrukt op de Oxfam/Novib-kalender, laat Adiga daar terloops de andere kant van zien; het gevaar voor de gezondheid van de vervoerder die basisvoorzieningen moet missen. Dat er andere boeken zijn die fijnzinniger zijn doet daar niets aan af.

Het boek is luchtig en met een satirische toon geschreven, en Balram is niet een uitgewerkt romanpersonage, maar een schema. Op de achterflap wordt hij dienstbode, filosoof, ondernemer en moordenaar genoemd. Veel meer dan die vier woorden is hij inderdaad niet en hij heeft geen vlees op de botten. Hij stipt wel verschijnselen aan die het waard zijn om nog eens naar te kijken.
     
     Bovendien heb ik het met plezier gelezen.

vrijdag 8 mei 2026

Hoe ik talent voor het leven kreeg



Hoe ik talent voor het leven kreeg is een roman van Rodaan Al Galidi uit 2007. Het laat het bestaan in een asielzoekerscentrum (AZC) zien vanuit het gezichtspunt van een van de zoekers, de fictieve vluchteling Semmier Kariem. Het schildert een beeld in donkere kleuren en van een bestaan is nauwelijks sprake. Het is ook een boek waarin van binnenbuitenuit naar Nederland wordt gekeken en dat de Nederlandse samenleving schildert.*
     Het is geschreven met humor, vlotte pen, en een zoveel mogelijk positieve kijk op de toekomst en mogelijkheden: “Je manier van denken is in moeilijke situaties soms het enige gat waardoor je aan de realiteit kan ontsnappen,” zo beseft Semmier als hij in Bagdad een vader aan zijn zoontje ziet uitleggen dat de het geen bombardementen zijn, maar het vuurwerk is wat hij ziet. Dat geeft wat lucht.

In een voorwoord wordt uitgelegd dat Rodaan dit boek is gaan schrijven om ermee te antwoorden op de vraag die een man serieus stelde naar zijn leven in het asielzoekerscentrum. Hij stuurde de man iedere maand een stuk van het boek: vanaf 15 oktober 2012 tot 19 mei 2015. Zo werd in ruim 30 maanden een boek bij elkaar geschreven dat in 82 hoofdstukken mee reist met Semmier: van zijn vlucht totdat hij erkend wordt. Dat leven in Nederland begon opgewekt bij het landen. Hij bedacht zich voor het eerst in zijn leven een mens te kunnen zijn. Dat was buiten de Nederlander en meer in het bijzonder buiten de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) gedacht. Het zou al snel een stuk deprimerender uitpakken. Het voorwoord sluit af met de opmerking:

“Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die er voor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.”

In deze bespreking geen poging om de beklemmende woorden uit de roman neer te zetten of om de overlap tussen Rodaan en Semmier te beschrijven. Het wordt een bespreking waarin enkele elementen van het boek voorbij komen. De luchtige diep donkere sfeer kan immers nooit zo overtuigend worden overgebracht als de schrijver dit doet. En inderdaad Semmier en Rodaan hebben veel gemeen; dat is al bekend.
     Als Semmier verplaatst wordt van het Opvang Centrum in Haarlem naar een tijdelijke overloopopvang bij boer Bouma nabij Assen verbaast hij zich er over dat er geen militairen,
roadblocks en politieposten zijn die worden gepasseerd. Al snel beseft hij dat de Nederlanders een andere manier hebben om te disciplineren die deze afwezigheid verklaart. Een van die methodes is om personen zoals de vluchteling tot zogenaamde dader te verklaren en bestraffend en opvoedend toe te spreken en verder geen interesse te hebben in de werkelijkheid achter het vergrijp. “Bij elk probleem buiten het AZC waar de asielzoeker bij betrokken is, is hij de schuldige. Altijd. Ongeacht het soort probleem of wie begon. Altijd moet de asielzoeker zich aanpassen aan de buitenwereld, gehoorzaam zijn en onderdanig, of liever nog onzichtbaar.”
     Boer Bouma begon overigens met goede moed met zijn opvang, maar zonder kennis van zaken en inzicht in zijn gasten. De vluchtelingen gooiden stenen naar zijn hond, vochten om afstandsbediening bij de satellietontvanger die hij voor hen kocht, en aten zijn vijver leeg, alleen de zwaan bleef in leven. De verklaring voor dat laatste: “Ach hij is zo zielig. En heel eenzaam.”

Vluchteling Fettah is zo bang om iets verkeerd te doen dat hij probeert er niet te zijn. Hij plakt zich tegen de muren bibberend als een riet. In het AZC wordt dan ook gezegd:
“De Nederlanders zullen nooit tevreden zijn, zelfs niet als je een Fettah bent.” Wil de vluchteling niet gehoorzamen dan wordt hij als een basisschool leerling in de hoek gezet. Als hij vervolgens het personeel als zijn tegenstander gaat zien dan wordt de asielzoeker erop gewezen dat hij in het veilige en sociale Nederland is en niet meer in het land van herkomst.
     Maar de frictie is er meteen.
     Jimmy. Het zoontje van Kristi pakt op het strand (waarnaast het AZC ligt) speelgoed af en weigert het terug te geven. Als de moeder van het belaagde kind dan voor haar bloedje opkomt, wordt haar door Kristi verweten dat ze racistisch is. Ze doet dat zelfs zo overtuigend dat Semmier gaat twijfelen aan wat hij gezien heeft op het zand aan zee. Jimmy gaat kort daarop naar een Nederlandse school en wordt daar door juf Nanda zo goed begeleid dat zijn gedrag vooruit gaat. Nee geen heilige boontjes, maar geef je kansen en mogelijkheden dan is de kans groter zich te ontwikkelen. Die macht hebben de Nederlandse instanties en ze weigeren die te bieden.
     Sterker nog als gewaarschuwd wordt voor de gekte van een van de vluchtelingen die uit een gesloten centrum terug  is gekomen, dan zegt de Sociale Dienst van het AZC: je bent hier niet om voor anderen te zorgen. Bovendien weten ze heus zelf wel hoe ze het centrum en de 500 mensen die er leven moeten runnen. (Uit
Hoe ik talent ... blijkt dat ze minstens evenveel niet als wel zien.) Het duurt niet lang of de man hangt met een touw rond zijn nek aan een boom. Het gebrek aan empathie, moreel superioriteitsgevoel of zelfs racisme, kreeg dodelijke consequenties.
     De asielzoekers staan meestal wel in overlevingsstand. Ieder op een eigen manier.
     Firaas heeft de gave zijn verhaal overtuigend te brengen. In het centrum krijgt hij een kamer voor zichzelf, omdat hij zegt homo te zijn. Terwijl alle vluchtelingen van zijn uitspattingen met vrouwen weten. Hij bekeert zich ook tot Jezus om zo geholpen te worden door de dominee bij het verkrijgen van een status. Dit vanuit de visie: Nederlanders geloven sneller Nederlanders dan vluchtelingen. Ook die opzet slaagt.
     Zo komen er nog veel meer mensen voorbij. Dat zijn mensen van Vluchtelingen Werk, burgers, medewerkers van het AZC, politieagenten, maar voornamelijk vluchtelingen; van een Russische schone, tot een onverschrokken Jemeniet, via de Syrische Fatima – die voortreffelijk kon koken –, en nog tientallen anderen, naar Milaad die geboren was op de dag dat Semmier in het AZC aan kwam en waaraan hij de duur van zijn verblijf afmeet. (Dat werden overigens negen jaar met 500 anderen in een gebouw. Zelden of nooit alleen. Pfoehh!)

Lang niet iedereen was zo handig als Firaas, had een bevoorrechte positie of geld om een goede advocaat te betalen en dan was de kans groot dat je bleef zitten en dat was niet gezond.
“Het waren sterke mannen en vrouwen die arbeiders waren geweest, of soldaten, rebellen, ingenieurs, artsen, wetenschappers en ga zo maar door. Na het derde jaar begonnen ze op de een of andere manier de controle over zichzelf te verliezen (...)” De gekte drong zich dan op. Semmier constateert bij zichzelf dat hij steeds meer op zijn hoede is voor de Nederlanders, allemaal: “De nette, stille, schone straten, die beleefde mensen met hun eindeloze regels.”
     De medewerkers van het AZC snapten het niet als vluchtelingen bang voor hen werden: “Het irriteerde ze, want zij waren toch ook mensen, waarom zou je bang voor hen zijn?” Waarom zou je toch bang zijn voor mensen die je zomaar naar een cel kunnen sturen of je zakgeld inhouden als zij denken dat dit goed is.
    Uiteindelijk is er een generaal pardon (een begrip dat wel tot misverstanden moet leiden) en krijgt ook Semmier zijn verblijfsstatus.

Als jij als lezer ooit nog eens iets over vluchtelingen wilt zeggen: bijvoorbeeld dat ze niet welkom zijn. Lees dan eerst dit boek. Het is bijna twee decennia geleden geschreven en goed verkocht en moet
voor een paar euro gekocht kunnen worden. Huiver dan mee niet over de lenige waarheden van Firaas, of val niet over een kleinigheid, maar over de zelfvoldane, botte Nederlander binnen en buiten het AZC. Rodaan schreef een boek dat werkt als een spiegel; we zijn als Nederlanders niet Sneeuwwitje, maar als haar stiefmoeder in dat glas. Soms zag ik er een glimp van mezelf.

Noot:
* Later zou hij het boek Holland schrijven met dezelfde thematiek, en ook met de hoofdpersoon Semmier, maar met veel meer ruimte om juist dat aspect te benadrukken. Mijn bespreking hier.


donderdag 7 mei 2026

Irritant






Altijd kijk ik wat in de lente onder het zand van de duinen vandaan komt. Het was veel dit keer.

Het is niet zo gek om bij die zwarte wegkruipende aan de duinlapsnuitkever (
Otiorhynchus atroapteru) te denken. Die lijkt erop, heeft zijn naam mee, en zit in 't gebied. Maar goed ook met alle hulpmiddelen blijf ik een leek, die er een slag naar slaat. (Eerder benoemde ik diezelfde kever als Otiorhynchus fuscipes.)
     Er zat nog een kever. Meer gedrongen van postuur. Ik weet niet of ik die eerder al gezien heb. Het lijkt me een pilkever (de pantserwants die dezelfde vorm heeft en op een kever lijkt, is het niet). Ik ging onder andere af op het driehoekje in het rugschild, de vormen ervan en de lijnen daarop.
     De grote tweestreep lijkt me goed. Dat is een miljoenpoot (twee pootjes per segment).

Die duinen lijken gebouwd van armzalige grond met weinig voeding. Waarom dan al dat leven? De pilkever voedt zich met (lever)mossen en algen; de grote tweestreep leeft op plantenresten; de duinlapsnuitkever heeft genoeg aan helmgras.
     De bastaardsatijnvlinderrups, zie er ook rondkroop, is onmiskenbaar en die leeft van planten iets verderop, zoals de duindoorn (waarin inderdaad zijn spinsel zit.)
     De snuitkever die in het Nederlands Grijze bolsnuittor heet (de philopedon plagiatus zo haalde ik ooit uit dagblad Trouw en nu komt Google image search met dezelfde suggestie) moet ik dit jaar nog opmerken. De larve eet plantenwortels, de kever is niet kieskeurig. 






6 mei 2020.

Zo'n duik in het kleine grut zorgt ervoor dat je veel meer gaat zien. Die onaanzienlijke pilkever is voedsel voor de fraaie rode wouw, torenvalk en steenuil. Daar sta je niet meteen bij stil. De verwarring rond de naam van de miljoenpoot brengt je een wereld in van een dier waarvan de familieleden al voor de haaien en krokodillen leefden. Die rups is van een nachtvlinder die zich heeft omhuld met allerlei mooie benamingen: ze komt uit de familie van de spinneruilen, en de onderfamilie is nog mooier benoemd als donsvlinders. Je ziet ze wel eens zitten in WC-gebouwtjes van campings. Dat deze rups haartjes heeft die irriteren, doet daar niet aan af. Zo'n vlinder moet zich toch ook beschermen.

Over het strand kijk ik naar de versiering die in Velzen-Noord is neergezet en de uitstoot ervan. Ik las deze week dat de pijpen en rook een groen kleurtje zullen gaan krijgen. Chapeau! Anderzijds las ik ook dat die afleidingsmanoeuvres deel zijn de strategie van het staalconcern. Het is een win-win-VERLIES situatie (dat laatste geldt gezondheid van omwonenden, klimaat en natuur). Ach ja een mens wil ook wel eens verdienen aan zijn inzet, de pijp moet immers roken. Waarom zou een rups wel irritant mogen zijn en een mens niet.

vrijdag 1 mei 2026

Little Boy Lost

Little Boy Lost is geschreven door Marghanita Laski. Ik lees een versie met een fraaie cover (zie illustratie) uitgegeven door Heineman Educational Books. De tekening van de jongen stond al op de oorspronkelijke uitgave. In het verhaal wordt geschreven over zijn grote ogen. Op de tekening van Vicky* zijn die niet te missen. De titel is afkomstig van William Blake die in 1789 Songs of Innocence uitgaf waarin het gelijknamige gedicht met tekening was opgenomen.**

Het boek is opgebouwd uit vier delen: Het verlies, Het zoeken, De beproeving, en Het oordeel. Die titels vatten het geheel samen en geven het vorm.
     Op de eerste pagina denk ik: 'dit zal een mooi boek worden'. Er wordt beschreven hoe een gezicht in het kaarslicht een andere uitdrukking krijgt. Maar het spreekt vooral aan door de daarop volgende vraag van de hoofdpersoon Hilary Wainwright*** of ook zijn gezicht is veranderd in
die gloed en hoe anderen hem dan zien. In deze passage gebeurt nogal wat. Hij ziet een ander in dat kaarslicht, en reflecteeerd vervolgens over het voorkomen van zichzelf, een persoon die hij niet kan zien.
     Even later vind ik het verhaal zich ontwikkelen naar te sentimenteel en te gemakkelijk. Mijn verhouding tot het boek blijft zo schommelen. Er is een 
kort drakerig slot, waar een meer open einde mooier was geweest.
     Maar het gaat naast het aandoenlijke ook over de hardheid van het bestaan in het naoorlogse Europa, zeker voor kinderen. Dat Hilary Wainwright naar zichzelf zocht na zijn verlies in de oorlog is een belangrijk thema in het boek.

Film
De filmrechten werden door Laski al snel verkocht. Vier jaar later kwam de film uit. Het werd een musical met Bing Crosby in de hoofdrol. De schrijfster was woedend over wat ervan gemaakt was. De dieper gravende morele vraagstukken waren verdwenen en de sentimentele zoektocht van een vader naar zijn zoontje bleef over. 

Verdwenen
De jongen, Jean, leeft in een weeshuis, waarheen hij is gebracht door een wasvrouw die hem tijdelijk opving. Via via was hij bij haar terecht gekomen. Hij was in eerste instantie weggebracht toen zijn moeder vreesde gevaar te lopen vanwege haar verzetswerk in het door de Duitsers bezette Parijs. De vader heeft hem alleen op de dag van geboorte gezien en is in 1940 naar zijn vaderland, Engeland, vertrokken. Daar wordt hij geïnformeerd door de ambassade  over de dood van zijn vrouw Lisa. Tijdens een kort bezoek van de Franse verzetsman Pierre wordt hij bijgepraat over het tijdelijk onderbrengen van zijn zoon bij zijn geliefde – en ook omgekomen – Jeanne.
     Jeanne is een idealiste en vind dat doel en middelen met elkaar in overeenstemming moeten zijn. In zijn verzet is geweld onderdeel. Pierre en zij hebben vlak voor haar arrestatie een doel-en-middelen ruzie. Het er voor zorgen dat de baby van haar vriendin Lisa bij de vader terecht kan komen, is in haar ogen zo'n positieve en goede activiteit. Als ook Jeanne door de Gestapo wordt opgepakt en geliquideerd zijn de sporen naar het kind verdwenen. Pierre beloofd Hilary te helpen bij het terugvinden. 

Bedolven
Na de oorlog heeft Hilary echter geen haast met het zoeken. Hij is bang dat een kind zijn herinnering aan zijn vrouw zal bedelven. De oorlog heeft zijn geluk en idyllische leven gesmoord. Hij leeft bij zijn moeder die hij in het al genoemde kaarslicht ziet veranderen van een vrouw met een koude vijandigheid op haar gezicht, die hij bitter moet weerstaan, naar een vrouw met een gelaat dat troost en liefde uitstraalt, maar slechts als de omstandigheden ideaal zijn. Hij heeft een baan die hem slecht bevalt. Wat overblijft zijn de herinneringen aan zijn fijne leven in Parijs met Lisa als zijn echtgenote. Die gedachten werken voor hem als een drug. (Zijn nieuwe liefde Joyce heeft die het verleden bedwelmende invloed blijkbaar niet, ook niet na een paar jaar relatie.) Hij vertrekt met al zijn twijfels begin 1946 toch naar Parijs en wordt inderdaad geholpen door Pierre, die al veel voorwerk heeft gedaan. 

Acceptatie
Hij laat de voormalige verzetsman in Parijs achter en gaat op grond van Pierres aanwijzingen naar het weeshuis in A. Daar is een jongen die aangewezen als zijn mogelijke zoon. Iedere dag haalt hij Jean op in het weeshuis en loopt met hem het stadje in om te kijken naar de treinen, een glas te drinken, of zelfs naar de kermis te gaan. De spanning van het boek is opgebouwd rond de vraag: accepteert hij Jean wel of niet als zoon. 

Principes
Hilary is een befaamd Brits dichter. Een man van de gedachte en van het woord. Hij blijkt ook een man die zelfgenoegzaam in zijn eigen links progressieve intellectuele bubbel leeft. Anderen houdt hij zoveel mogelijk op afstand. Als blijkt dat Pierre voor De Gaulle heeft gekozen, dan kan die niet deugen, zo vindt hij wars van ruimte voor nuance. Pierre zelf houdt zich in het naoorlogse Frankrijk op de been door het standpunt dat de houding van mensen niet door de komst van de Duitsers werd bepaald, maar zich al lang daarvoor in hen genesteld had. Mensen onderscheiden in collaborateurs en verzet had wat hem betreft dan ook geen zin. Hilary staat volledig, als wereldwijs man uit één stuk, voor zijn zaak. Een leraar in het weeshuis die ervoor kiest zijn leven in A. op het Franse platte land te leiden, dat moet wel een bekrompen man zijn, zo meent hij dan ook en zet hem daarmee gemakkelijk weg.
      Als het om zijn eigen genot gaat blijkt hij flexibeler. Zijn eten en koffie moeten vooroorlogse kwaliteit hebben en komen daarom van de zwarte markt. Maar de buigzaamheid is nog sterker als het gaat om seks. Hoe meer zijn lustobject Nelly blijkt niet te deugen (ze was waarschijnlijk prostitué voor de Duitsers) hoe fijner hij haar vindt, juist door de afstand die dit tot zijn persoon creëert, hoeft hij niet bang te zijn dat het naast een lust- ook een liefdesrelatie wordt. Maar de uitspatting met haar gaat mogelijk wel een vaderband met Jean voorkomen. 

Jean
Jean blijkt een slim en grappig ventje als hij op zijn gemak is. Maar is hij niet te wijs als hij terloops verhaalt hoe andere jongen bezocht werden en meegenomen door mannen die hun teruggekeerde vaders bleken te zijn? En daarmee suggereert dat die keuze ook door Hilary gemaakt kan worden. Of ontwikkel je als kind in een beknellende en moeilijke situatie al op je vijfde dergelijke strategieën om zo naar iets beters te kruipen? (Böll had het er in het geval van Heinrich in het boek dat ik hiervoor las, Huizen zonder vaders, dat in dezelfde tijd speelt, ook al over de bijna volwassen inzet van jonge kinderen.)
    Parijs en Frankrijk kort na de Tweede Wereldoorlog worden als een deprimerende omgeving beschreven waarin veel op de zwarte markt moet worden gekocht tegen hoge prijzen en waar mensen nog in de wantrouwige overlevingsstand stonden en daarbij wisten wie fout was geweest. Juist in die omgeving moet Hilary zijn zoon en bestaansreden terugvinden en dat gaat niet door afwijzen, maar door het waarderen van mensen. 
Film
Het scenario voor de film die regisseur George Seaton van het verhaal maakte, verschijnt als vanzelf als je het verhaal door het hoofd laat spelen en de filmposters bekijkt. Je hoeft daarvoor de mening van de schrijfster erover niet te kennen. Je ziet in dat beeld op het affiche ook dat veel hakende rafels van het verhaal zijn afgepoetst en dan blijft inderdaad het sentimentele over. Laski's boek heeft het drama zeker in zich, maar is meer dan dat. Door dat meeslepende verhaal, gecombineerd met keuzes die mensen kunnen maken, is het een boek voor een breed publiek.

De schrijfster
Achter op de Penguin uitgave staat een biografie van de schrijfster, maar ik voeg de tekst toe uit een bespreking op de site The book binder's daughter: “Engelse journaliste, radiopanellid en romanschrijfster: ze schreef ook literaire biografieën, toneelstukken en korte verhalen. Laski kwam uit een vooraanstaande familie van Joodse intellectuelen: Neville Laski was haar vader, Moses Gaster haar grootvader en de socialistische denker Harold Laski haar oom. Na een tijdje in de mode te hebben gewerkt, studeerde ze Engels in Oxford, trouwde vervolgens met uitgever John Howard en werkte in de journalistiek. Ze begon met schrijven nadat haar zoon en dochter waren geboren. Als bekend criticus en romanschrijfster schreef ze boeken over Jane Austen en George Eliot. Ecstasy (1962) onderzocht intense ervaringen en Everyday Ecstasy (1974) de sociale gevolgen ervan. Haar karakteristieke stem was vaak te horen op de radio in The Brains Trust en The Critics.”

Noten:
* Tekenaar
"Vicky" (Victor Weisz), vluchtte uit Nazi-Duitsland en maakte de cover illustratie voor het boek, waaruit bij deze uitgave de jongen op de voorkant is geknipt. De tekening is in veel van de uitgaven verwerkt.
** Er is zijn verschillende exemplaren van het gedicht, met een eigen drukdatum, volgorde in die specifieke band van de dichtbundel. Wiki geeft een zevental versies. Ik koos als illustratie een versie uit 1794 die in het bezit is van Yale Center for British Art.
*** De naam Hilary Wainwright ken ik als die van een politiek activiste en redactrice van de Red Pepper. Ze is geboren in 1949 als ook dit boek verschijnt.

Langer en anders


Het voelde als een stap over een flinke drempel: de fietstocht naar mijn moeder en zus die beide in dezelfde Zuid-Hollandse stad wonen. Een tocht met veel water. Het gaat langs de Amstel, Aarkanaal, Gouwe, Gouwekanaal, Hollandse IJssel, Noord, en over de Oude Rijn en Beneden Merwede (spoorbrug heen en pont terug) en een veer over de Lek. Nederland is een waterland en het is fijn er weer langs te trappen en er over te gaan.

Hoewel. Het begon met een afgesloten pad naar het Amsterdamse Bos. In dat bos lag wel een nieuwe zesbaans fietsroute. Die baan was er nog niet toen ik er een halfjaar geleden voor het laatst was. Maar ook die liep weer dood op werkzaamheden aan het pad langs de niet meer in gebruik zijnde spoorlijn. Het duurt even voordat ik weer op mijn route zat.
     Bij Alphen aan de Rijn wordt gewerkt aan de Steekterbrug. De volgende hindernis om over te komen. Het lukt over de weg (N207) en een stuk stoep. Zo kom ik weer op de omhooglopende weg richting fietspad langs 't Gouwekanaal.
     Pas bij de Julianasluisbrug bij Gouda gaat het weer mis. Als ik er voor het weg gesloopte pad sta en niet verder kan, vraag ik de regelaar of het mag als ik afstap en er over loop. Het mag. Op de terugweg blijkt dat deze coulance een flink verschil maakte. Ik fiets dan langs de andere kant om de lang gerekte werkzaamheden aan de oever van de Hollandse IJssel met omleidinkjes en stoplichten te vermijden. De werkzaamheden rond de sluisbrug blijven ook dan een obstakel.
     Hindernissen maakten de route flink langer, maar ook anders.

Aan de west oever van die IJssel kom ik op de terugweg langs een beeld. De tegenwind is hard en stoppen plezierig. Bovendien denk ik bij het aanrijden al te weten wat ik zie. Hier is de man die Zuid-Holland in 1953 redde door zijn schuit te laten zinken in een gat in de dijk en het oprukkende water zo af te remmen.

     Kort voordat vorig jaar een einde aan mijn fietsen kwam, sprak ik met een vrouw die de dochter was van een man die voor de eigenaar van het schip werkte. Arie Evergroen heeft nog heel lang op schadevergoeding moeten wachten, vertelde ze. Hij had wel vrouw en kinderen. Zuinigheid ten kostte van.
     Uiteindelijk is er als schrale troost een beeldje gekomen. Ik nam me toen het verteld werd al voor het eens op te zoeken. Nu passeerde ik door mijn routeaanpassing als vanzelf. Evergroen was de enige niet in de Watersnoodnacht die er lijf en goed inzette. Ook Hannes van Vliet en Cor Heuvelman deden dat. Ze worden in de tekst op de dijk niet genoemd.

klik voor een leesbare versie.


     De beelden in Papendrecht langs de oever van de Beneden Merwede, zoals AVA 1840, de Engel, en de onafhankelijke vrouw (die Volupté, 'n ander werk van Duval verving) had ik al eerder gezien. Ik ben er nog niet op uitgekeken.

Tussen dit alles door loopt melkkoe 672 in een zonovergoten weiland. (Thuis valt me pas op dat al die koeien een zendertje onderaan om hun poot hebben. Dat kan verschillende functies hebben.)