vrijdag 11 september 2026

Pig earth

Pig earth (1976*) van John Berger gaat over de kleine boer. Dat is in het Engels the peasant. Dat beroep verschilt van dat van de farmer. In het Nederlands zou je het kunnen omschrijven als het verschil tussen de niet meer bestaande keuterboer en de agrariër. Het boek is deel van een trilogie. Het is aldus de theoretische introductie op de sociaal-economische en culturele positie van de keuterboer geschreven uit solidariteit met de zogenaamde achtergebleven groep of ze nu op het land leven of door een economische noodzaak naar de stad zijn gedreven.

Het boek is onderzoekend, maar verhalend geschreven. Het begint wel met stevig graven in de positie van de keuterboer in een 27 pagina's lange inleiding (op 200 totaal). Conservatief? Volgens Berger is dat een misverstand. Het zit ingewikkelder in elkaar. Het is inderdaad een beroep van omkijken, maar ook van verder op basis van ervaringen uit het verleden. Maar die liggen niet zo stevig verankerd dat er geen plaats zou zijn voor aanpassingen die de werking verbeteren.

De schrijver verbeeld vervolgens een fictieve wereld van die keuterboer in de Alpen. Hij doet dit zowel in proza als poëzie. In het eerste verhaal stap je als lezer meteen het leven in van de koe die aan het einde is gekomen en met een masker voor naar het slachthuis gaat. Op de boerderij neemt een pink de plek op stal van de geslachte koe in. Het rijmt als de seizoenen die ook steeds opnieuw beginnen.
     Keuterboer is een scheldwoord in het Parijse waar denigrerend wordt gezegd dat de provincialen terug moeten gaan naar hun geitenpoep. Voor Berger is het juist een wereld om in te stappen en te onderzoeken. Dat kan gaan van de verstopte aanvoer van water uit de bron tot een gedetailleerde beschrijving van de jaarlijkse slacht van het gemeste varken. En zo nog heel veel meer dat gaat tot de tekst die de dorpsonderwijzer op het schoolbord schreef: 
Aantijgingen zouden in zand moeten worden geschreven
Complimenten moeten worden gegraveerd in marme
Berger is een intellectueel met open blik en dat komt soms naar buiten waar je het niet verwacht zoals bij het geluid van de geitenbok. Dat geluid als van een doedelzak werd door de Grieken tragos genoemd, waar het woord tragiek van afstamt.

In de verhalen komt de bijzondere positie van de keuterboer ook naar voren. In de stad gaat geld van had tot hand, zo ziet een jonge vrouw die er heen ging om geld te verdienen. Zonder geld kan je niet leven, niet eens water drinken. Met geld kan je alles tot aan het kopen van dapperheid, zelfs als je laf bent. Maar ook in de agrarische gemeenschap in de bergen speelt geld een vervreemdende rol. De boer protesteert tegen de accijns op de drank die hij zelf stookt: “Het betekent dat ik moet betalen, geld betalen voor mijn eigen product.” Zo staat die keuterboer wel naast de markteconomie, maar is er toch ook onderdeel van gemaakt. Hij wordt dit nog meer als hij een kleine trekker aanschaft. Want na de trekker komen de landbouwwerktuigen die er aangekoppeld kunnen worden. De kosten van een trekker staan gelijk aan de opbrengst van tien koeien die elk 2.500 liter melk per jaar geven. Zo is er nog meer geld nodig om te kunnen boeren, moet er geleend worden en verdwijnt inderdaad een type boer die alleen met handen voeten en gewrichten aan het land gebonden is.
 
     Berger ziet het beroep verdwijnen in de Europese Unie. Hij geeft hem nog een kwart eeuw en dan zal Europees beleid een einde aan hebben gemaakt aan deze bijzondere beroepsgroep. Bijzonder omdat hij grotendeels zelfvoorzienend is en leeft met het ritme van de seizoenen en op basis van de werkende methoden van vroeger. Maar ook de schoolmeester in het verhaal The wind hauls too zegt: “Alle boerderijen zullen op de vlakte liggen.” Een deel van de boeren heeft zich daarbij neergelegd. Nieuwe fruitbomen worden niet geplant. Die er staan geven nog vrucht en wie dan leeft, wie dan zorgt.

Het boek eindigt met een drieledig verhaal over Lucie Cabrol dat bijna de helft van het boek vult. Het speelt van voor de Eerste Wereldoorlog tot eind jaren zestig van de vorige eeuw. Lucie wordt ook wel Cocadrille genoemd want ze heeft een groeistoornis, ze blijft klein. Een cocadrille komt uit een hanenei dat is uitgebroed in een mesthoop. Kortom een anomalie van een mens. Klein, maar krachtig, Lucie doet mannenwerk op de boerderij wat haar status aparte alleen maar verder onderstreept. Ze heeft blauwe ogen, in de kleur van vergeet-mij-nietjes, die zich vasthechten aan wat ze zien. Mensen zijn bang voor haar, omdat ze niet is zoals ze zou moeten zijn. Alleen twee mannen uit het verzet, maquis, die op de vlucht zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zien dat ze verstandiger is dan haar omgeving.

Toch wordt ze aan het slot van het eerste deel van de boerderij verdreven door haar broers en hun vrouwen. Dit hoewel het ook haar erfgoed is waarop ze boeren en waar zij haar arbeid in heeft gestoken. In het tweede deel is ze verzamelaarster in het bos geworden. Ze plukt en raapt producten en verkoopt die naar eigen zeggen voor goud geld in een stad verderop. Het lijkt nog een stap terug in de agrarische ontwikkeling. Voor haar is het echter geen achteruitgang. Ze leeft er ogenschijnlijk eenvoudig, maar met oog op een leven dat altijd gewenst heeft, en met zand en aarde onder haar nagels. De tragiek is nauwelijks verhuld.

Pig earth laat een wereld zien die verdween uit Europa. Misschien hier-en-daar nog een klein restant, maar het nog maar nauwelijks mogelijk om te leven als een zelfvoorzienend mens met producten van eigen land en kleine aankopen uit de opbrengsten van de overschotten. Het is een wereld die Berger niet idealiseert – de onaangepaste, maar moreel zeker niet mindere Lucie Cabrol past er niet –, maar in zijn wezen wel waardeert. Hij leverde er een herinnering aan de recente geschiedenis mee. 

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)


Noot:
* Dedoor mij gelezen versie heeft zeker niet de meest opvallende kaft. In de tekst heb ik daarom nog twee versies verwerkt. Die met de koeman: Pantheon, New York, 1979. 1e VS-editie; en de andere van Chatto & Windus uit 1985.

Geen opmerkingen: