Hoe schrijf je een bespreking van een tijdschrift waarin vijftien verschillende verhalen zijn opgenomen, zowel fictie als non-fictie? Je zoekt bijvoorbeeld een thema om alles bij elkaar te brengen.
De Scharrelaar is een vogeltijdschrift voor lezers. Nummer 2 uit 2019 dook op in een weggeefkast en ik las het als een boek met korte verhalen. De schrijvers zijn afkomstig uit ornithologische kringen, de journalistiek of zijn fictie schrijvers. Het tijdschrift begon bij de uitgeverij Atlas Contact en is overgegaan naar uitgeverij Noordboek en wordt nog steeds uitgegeven.
Het eerste verhaal door Stefan Brijs heet een symfonie voor de kraanvogel te zijn. Het requiem voor de pracht op hoge poten ligt echter op de loer, zo lijkt het als wordt beschreven hoe de kraanvogels uit Navalvillar de Pela verdwijnen. Voor de rijstteelt “werden hele gebieden onder water gezet. Een grote weelde voor de kraanvogels, zo bleek, want na de oogst bleven er nog zoveel korrels op het land achter dat ze er winter na winter een redelijk gedekte tafel aantroffen.” Kortom de positieve gevolgen van een agrarische activiteit. Ja die zijn er ook. Maar de rijst maakte plaats voor duizenden identieke in het gelid staande olijfbomen “als een oprukkend leger dat zich opmaakt om nog meer land te veroveren,” en daarmee het leefgebied van de kraanvogel weg te nemen.
De geboorte van de ooievaar wordt beschreven door Kester Freriks die dit vanuit huis volgt. De ooievaar is een succesnummer. Hij was bijna verdwenen. In 1945 nog 150-160 nesten. Jacht en hoogspanningsmasten worden daarvoor als schuldigen aangewezen, maar die andere doodsoorzaak landbouwgiffen als DDT wordt hier niet genoemd. Maar alla. Het gif is verboden. Hij is weer terug. Bovendien kom ik in het artikel het prachtige woord 'duimveren' tegen, dat zijn de wonderlijk krachtige en soepele veren die de vogel in staat stelt te sturen en te remmen.
Dan een sprong terug in de tijd naar de cel waar Rosa Luxemburg brieven schreef over de vogels buiten de muren. Gevogelte waarmee ze een band kreeg. Marja Vuijsje beschrijft het met liefde. Zelf pak ik Briefe aus dem Gefängnis van de Rote Rosa weer eens uit de boekenkast. Je stuit bijna als vanzelf op vogelteksten:
“Gestern höre ich plötzlich von drüben über die Mauer, die unseren Hof von einem anderen Gefängnisterrain trennt, den bekannten Gruß, aber so ganz verändert, nur ganz kurz und eilig dreimal hintereinander „Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä“, dann wurde es still. Mir zuckte das Herz zusammen, so viel lag in diesem eiligen, fernen Ruf, eine ganze kleine Vogelgeschichte. Das war nämlich eine Erinnerung der Blaumeise [pimpelmees] an die schöne Zeit des Liebeswerbens im Vorfrühling, wo man den ganzen Tag sang und lockte; jetzt aber heißt es den ganzen Tag fliegen und Mücken sammeln für sich und die Familie, also nur kurz eine Reminiszenz: „Ich habe keine Zeit – ach ja, es war schön – Frühling ist bald zu Ende – Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä –! – – –“ Glauben Sie mir, Sonjuscha, daß mich ein solcher kleiner Vogelruf, in dem so viel Ausdruck liegt, tief ergreifen kann.”
Brief uit gevangenis van Wronke, gericht aan Sonja Liebknecht, 23 mei 1917Vuijstje haalt meer vogelfragmenten uit de brieven. Maar laat zien dat in de brieven ook aandacht is voor een rapport over het verdwijnen van zangvogels in Duitsland. Het maakt Luxemburg verdrietig. Kan ik beter andere zaken uit het artikel over de brieven halen, zoals de opmerking gericht aan haar ex-geliefde, Hans Diefenbach? Ze schreef hem dat ze na het horen van een roodborstje besloot hem te schrijven en daarbij niet iedere kleine belediging als boekhouder te bewaren. Maar duidelijk is ook hier staat de vogel onder druk. Rosa noemt het verdwijnen in een adem met de moord op de inheemse bevolking van Noord-Amerika.
Is dat verdwijnen het overkoepelende thema? Dat kan toch niet zo zijn? Dit als verbindende schakel zien zou inderdaad droevig maken. Er is even de geruststellende fantasievogel van schrijfster Hedda Martens en het gebruik van vogels in films en boeken, waar Koos Dijksterhuis zich aan stoort. Je hoort ze zingen, roepen, gieren als ze al vertrokken zijn, ze zingen overdag het lied van de nacht, of ze krijgen de verkeerde naam. Ernstig? Ja, “omdat er zoveel onbegrip en onverschilligheid uit blijkt. Dat de mensen, ja zelfs schrijvers en regisseurs, meer geven om automerken en voetbalclubs dan om raven en uilen...”
In
het verhaal van Alexander
Reeuwijk
over de vogel collectie van Walter Rothschild verdwijnen weliswaar
vogels, maar hier gaat het om balgen (voor het bewaren geprepareerde
vogels) die werden gestolen door klassiek fluitist (en vliegbinder)
Edwin
Rist.
Maar die vogels was het leven al eerder afgenomen. Dat telt dus niet
bij het verdwijnen.
Op Nólsoy gedijt het stormvogeltje juist goed,
omdat er geen ratten leven en omdat zo te houden wordt het eiland
bewaakt met houten tunneltjes met inkt erin, waardoor ratten sporen
na zouden laten als het eiland zouden bereiken. Er is nog geen spoor gevonden en de drunnhvíti
kan op het eiland in de Faeröer archipel oud worden.
Ernst Jansz (voormalig zanger en toetsenist van Doe Maar) blijkt ook bioloog te zijn. Hij beschrijft hoe hij een uit het nest gevallen torenvalk met succes weer terugbrengt. Misschien te mooi om waar te zijn, maar mooi als het zo is.
Het door mij gekozen thema is dan al langzaam weggesleten. Het komt geforceerd over, en de twijfel slaat toe of het juist gekozen is, maar dan komt Jean-Pierre Geelen, Volkskrant journalist. In Toptijd wordt niet eens over een soort gesproken. In het algemeen vallen vogels “ten prooi aan opwarming, ontbossing, verdroging, bestrijdingsmiddelen en stropers. En anders wel de vinkentering;” weer terug bij de trieste realiteit. Het is de kunst ondanks dit alles te blijven genieten van wat je toch nog tegenkomt; optimisme is een plicht. En dus klampt hij zich vast
“aan een vaag vertrouwen in een ommekeer, dat verstand en inzicht zullen zegevieren, dat boeren hun bermen weer laten begroeien met wilde planten, dat niet elk insect meer bestreden wordt met alles vernietigende chemicaliën, dat het grondwater op de weidegronden weer gewoon aan de lippen van de laatste grutto mag staan.”
Als
je dan toch nog naar de overgebleven vogels wilt kijken dan is de inventarisatie door ornitholoog Rob
Bijlsma
een hulp die duidelijk maakt op welke afstand je kan komen voordat
een een vogel op- en wegvliegt. Die vluchtafstand is keurig per vogel
weergegeven in tabellen. Het lijkt alsof je de slechtvalk het
minst en het goudhaantje het beste kan benaderen, maar het vogeltje
met de gouden streep op de kop bevindt horizontaal misschien dichtbij voor hij opvliegt (1 meter), vertikaal bevindt het zich doorgaans in de
boomkruin.
De tabellen zijn overzichtelijk, maar 't
verhaal over de fluiter laat meer sporen na. De anekdote speelt rond
een wandeltocht in Drenthe waarvoor een eet- en drinkgelegenheid met generator in
het bos werd opgezet pal naast het nest van de genoemde fluiter. Die
vogels bleven vervolgens weg; ze stopten de zorg. Toen de zaak weer
ingepakt en opgeruimd was, bevatte het nest vier lijkjes en twee
afgekoelde eieren. Het 10 gram zware vogeltje dat overwintert in het Congo-bekken maakt mogelijk maar één
broedsel in het leven.
De schrijver merkt op, geheel tegen
de gangbare visie in, dat hij vreest dat het in de natuur zijn niet
leidt tot benul hebben van de aanwezige levende have. Sterker nog hij stelt dat
gezien dat “de
gezwinde pas, of – indien in groepsverband – het kwettervolume,
valt af te lezen dat natuur toch vooral een groen decor is. (…) Dan
is verstoring zo gepiept.”
Ik vrees dat hij voor een groot deel gelijk heeft.
In een bezoek aan Hoy
(Orkney-eilanden) vliegen de stoere grote jagers over, maar blijkt
daar een mens verdwenen, omdat er geen plaats was voor de ongehuwd zwangere vrouw. De bevruchter (een walvisvaarder) vertrok na de daad,
en liet Betty Corrigal achter in de streng Christelijke gemeenschap.
De eilandbewoners lieten merken dat zij fout zat. Zij doodde
vervolgens zichzelf. Betty leefde in de zeventiende eeuw. Ze is in de vorige herbegraven en sindsdien herhaaldelijk bezongen.
Dit mens verdween, maar de grote jagers zijn gebleven.
Het laatste artikel gaat over een boek met fraaie tekeningen van duiven, en niets dan duiven, door Pauline Knip-Rifer. Alexander Reeuwijk heeft het samen met Hay Wijnhoven een paar jaar nadat hij dit artikel schreef opnieuw uitgegeven. Twee van Knips prenten zijn in De Scharrelaar opgenomen, de zonnekraagduif (m) en de groene muskaatduif (m). Van de Mauritaanse blauwe duif wordt vermeld dat die het niet gered heeft. Hij stierf omstreeks 1840 uit.
Een vogel die er uitbundig wel is, de fazant, wordt in veel vogelboeken uitgelsoten omdat hij na alle jaren dat hij hier loopt en fladdert nog steeds niet inheems zou zijn en bij de Nederlandse vogels zou horen. Saskia van Loenen neemt met kracht afstand
van deze bekrompenheid. De scharrelaar gaat zeker ook over nog levende vogels. Ze krijgen juist kleur op de veren. Er is duidelijk noodzaak om zuinig op het gevogelte te zijn. De vogel die de uitgave zijn naam gaf is uitbundig blauw en is zelden in Nederland te zien. Hij leeft in Midden- en Zuid-Europa en sierde de eerste uitgave van dit fraaie tijdschrift. Hij is juist van de rode lijst gehaald!




Geen opmerkingen:
Een reactie posten