donderdag 2 juli 2026
Light Years
Op de voorkant van Light Years (1975) is om het boek van James Salter aan te prijzen een blurb geplaatst uit de New Yorker: “Onder de hedendaags romanciers, kan ik niemand bedenken die een mooiere roman heeft geschreven dan Light Years.” (De tekst komt van Brendan Gill, maar dat moet je zelf opzoeken.) Het boek bevat ook een introductie door de schrijver Richard Ford. Dat voorwoord begint met de zin: “Het is een gemeenplaats onder lezers van fictie om te stellen dat James Salter betere Amerikaanse zinnen schrijft dan alle hedendaagse schrijvers.” En op die toon gaat het tien pagina's door om te overtuigen dat de bladzijden zijn gevuld met literair goud.
De lezer komt terecht aan de Hudson rivier, waar de architect Viri, zijn vrouw Nedra, de dochters Franca en Danny, een pony, hond en wat kippen net buiten de stad wonen. Het duurt maar even of het blijkt dat de relatie tussen beide niet lekker loopt. Of eigenlijk wist je dat al door het voorwoord (dat ook daarom beter niet gelezen was). Beide houden er buitenechtelijke seksuele avonturen op na. Nedra doet het zo'n twee maal per week tijdens de lunch met de buurman. Viri gaat uit de kleren met een jonge collega als hij zegt over te werken . Hij is intussen een architect die nog nooit een bouwwerk heeft ontworpen dat blijvende indruk maakt. Nedra laat het geld tussen haar vingers door sijpelen en is vooral een consument. Er zijn feestjes waar wijn met klinkende namen uit de Bourgogne en Champagne streek worden opengetrokken.
Als ik lees stop ik papiertjes op de pagina's waar ik voor een bespreking nog wat mee wil. Hier komt het eerste pas op pagina 197 waar de relaties tussen beide wordt afgezet tegen die van een echtpaar in een vakantiehuis waarmee het wel goed schijnt te gaan. Viri realiseert zich dat zijn eigen leven niets waard is. Kort daarop tijdens de vakantie in Europa meldt Nedra dat ze niet terug wil naar haar oude leven. Het duurt even voordat tot hem doordringt wat dit betekent. Ze gaan uit elkaar. Het geeft wat dynamiek aan een tot nu toe – wat mij betreft – vervelend verhaal.
Nedra kan eindelijk doen wat voor haar vrijheid wezenlijk is. Dat is werken aan haar zelfbeheersing, iets wat alleen voor hen die alles op het spel zouden willen zetten echt haalbaar is, zo klinkt de organiseer-je-leven-goed goeroe wijsheid. Op de volgende pagina wordt benadrukt dat ze een vriendin van haar dochter leerde hoe ze oogschaduw op moest doen. Het zou een vlak gelaat veranderen in een soort glimlachende Nefertiti (de Egyptische koningin) tot zover de voordelen van de vrijheid.
Viri verloedert na de scheiding thuis. Zijn leven lijkt afgelopen. Als hij het huis heeft verkocht dan vertrekt hij alleen en voor een lange periode naar Europa. In Rome wordt hij versierd en ingepakt door een extreem aanhankelijke en gewillige jonge vrouw. Hij mist evenwel New York en zijn dochters. Maar zijn eigen apathische rol in het falen van zijn relatie met Nedra wordt aan de andere kant van de oceaan vet onderstreept.
Tegen het einde begint het boek minder stroperig en zeurend andere kanten aan het leven te tonen en komen er grotere vraagstukken voorbij, zoals: Wat heeft 't leven betekenis gegeven? Ze worden gesteld aan het eind van een leven. Dat lag destijds voor de schrijver blijkbaar zo rond de vijftig (Salter was bij het schrijven zelf tegen de vijftig). Er wordt benoemd hoe langzaam alles verdwijnt, ook de herinneringen.
Even kan ik me voorstellen waarom Salter als schrijver zo hoog op het paard is gezet. Hoewel... Society romans zijn misschien ook niet helemaal, of niet allemaal, mijn soort leesvoer. Zelfs als levensvragen worden gesteld dan gebeurt dat hier in een met rijkdom en privilege geplamuurde artificiële wereld die de mijne niet is. Dan kan je nog zo duidelijk achterop zetten: “Opmerkelijk …. een aangrijpende lofzang op mooie levens gerafeld door de tijd,” (James Wolcott, weer zelf opzoeken; het werd gepubliceerd in Esquire) maar met dergelijk slogans komen we toch niet dichter bij elkaar.
Overigens wordt onder het “Onder hedendaagse schrijvers ….” citaat ook een artikel vermeld dat minder positieve kritieken noemt. Er waren meer recensenten waarvan de verwachtingen in de roman te hoog waren gespannen. Of ik het boek had uitgelezen zonder alle voorafgaande lof.... Het veren steken, werkt blijkbaar.
dinsdag 11 maart 2025
Bericht aan de reizigers
Buddingh' sluit zijn bijdrage af met het gedicht Ithaca van Kafavis (hieronder een deel daaruit):
Maar haast je vooral niet,
je reis kan beter jaren en jaren duren.
Werp er desnoods pas het anker uit wanneer je al oud bent,
rijk aan alles wat je onderweg hebt verworven,
maar zonder nog iets van Ithaca te verwachten.
Ithaca schonk je die heerlijke reis,
maar nu heeft ze je niets meer te geven.
Hij stelt dat het gedicht evengoed als over reizen, over lezen zou kunnen gaan. In de teksten die hij in het geschenk opnam, gaan we per schip, (internationale) trein, bus (over de afsluitdijk), auto (Elschot en Gerrit Achterberg), in een kinderwagen, in een emmer, en er wordt gelift door Remco Campert en zijn vriend Willem (een tocht afsloten met een twee maal twee keer friet) en door Jan Cremer die belandt in een klooster bij de nonnen net over de grens in België. We blijven doorgaans in de buurt. Bestemmingen liggen in Nederland of Luxemburg, Ierland, de Ardennen, en Frankrijk. Er zijn treingesprekken en opgevangen flarden daaruit. Bob den Uyl legt uit hoe je het best met een bepakte fiets van hotel naar hotel kan reizen en in de volgende bijdrage beschrijft Johnny van Doorn een fietstochtje langs de Nederrijn.
De uitgave begint meteen, al op de eerste pagina, nog voor de inleiding
en de inhoudsopgave, met eenvoudig gedicht,
waar het geschenk de titel aan ontleende. Dat is van Jan Nijlen.
De eerste vier regels luiden:
Bestijg den trein nooit zonder uw valies met droomen,
Dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.Zit rustig en geduldig naast het open raam:
Gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.
Daarmee kan je op pad, op de veerboot over de Ierse Zee waar de golven het schip laten slingeren en veel van de
passagiers ziek maken. Je kan op dat schip overigens wel buiten uit de wind staan. Beschermd tegen buiswater is het dan koud, maar uit te houden; het
avontuur is begonnen. Er zullen nog meer zeereizen volgen. A. Alberts
gaat in 1939 naar Indië (de tekst komt uit zijn herinneringen, het
boek Namen Noemen uit 1962). Gerard van het Reve vaart slechts naar
Londen en vraagt zich af of hij wel schrijver genoemd kan worden. Jan
Kal ligt aan dek van een schip dat van Mallorca naar Ibiza vaart en
geniet letterlijk met volle teugen. Hoe de door Paul van Ostaijen
opgevoerde Scholem (pp.
60-65) naar Zuidoost-Azië reisde staat niet in de tekst, maar de lezer
kan afleiden dat hij per schip ging, aangezien hij op de terugweg
uit de havenstad Port Saïd een bus prima mokka had meegebracht en
hij de tweede reis die kant op zeker per schip maakte.
Of je met een taxi
kan reizen? In het verhaal het Het taxivarken van F. ten Harmsen en
Bedankt voor het maal van Joop Waasdorp gaat het er wel op lijken.
Beiden hebben daarop hun eigen wonderlijke kijk en dat met een verrassend
slot.
Het vervoermiddel is onbelangrijk. Het gaat om het
reizen. Het vliegtuig en de piloot in het
afsluitende gedicht van Leo Vroman zijn niet waar het om draait.
De dichter voegt met zijn poëtische woorden een noot toe aan alle teksten (ook
die niet opgenomen zijn): na het daglicht komt het donker van de
nacht, laat dan licht branden in de cockpit waar de wijzers zijn.
De
opmaak doet hier en daar denken aan die van een blad uit de
kraakbeweging van de jaren tachtig. Dat komt door het papier, de letter keuze
en de manier van illustreren. Het laat me daardoor terug reizen naar die jaren. Al met al is het geschenk uitermate
goed geslaagd.
Je krijgt zin om weg te trekken. Je verlangt naar je
komende fietstocht. Dat het verhaal van Nescio over de Pleziertrein
al eens eerder was opgenomen (in het geschenk
voor 1953) deert niet; je denkt slecht even waarvan ken ik dit
ook alweer? Het enige dat ik wel dacht te missen was de
verantwoording voor de teksten. Nu had dat uitgebreider gekund, maar
in de Bibliografieën staat met een net iets kleinere en cursieve letter
waar de tekst vandaan komt.
En dan zit er ook nog een
inmiddels verlopen invulkaart bij, het Vriendenprijs-gastrechtbewijs,
om tegen lagere kosten met de trein te reizen in de periode 1 t/m 23
maart 1975.





