vrijdag 12 december 2025
Pigeon feathers and other stories
Updike was destijds een opkomend schrijver die indruk maakte met Run Rabit Run over een verveelde basketbalspeler. Voor dat boek is in deze versie van de halenbundel een advertentie opgenomen (zie illustratie).
De 19 verhalen uit Pigeon feathers... maken indruk doordat je door de ogen van de schrijver de samenleving van de Verenigde Staten van de jaren vijftig instapt. De verhalen zijn autobiografisch van karakter en volgen een een paar maal eenzelfde stramien. Het verhuizen van een stadje naar boerderij bij een dorp is er er daarvan een. In een andere verhaallijn komt een gezin met baby terug uit Engeland naar Pennsylvania in de Verenigde Staten. De verhalen spelen grotendeels op het platteland. Hooguit zijn er familiebezoeken aan Boston of zijn er jongeren uit de dorpse wereld die uitgaan in Philadelphia.
Opvallend is dat er regelmatig verwijzingen zijn naar Nederland, zoals in Dutch Walk, Dutch Door, lopen op de kinderlijke Nederlandse manier die de gewoonte is van vrouwen in het betreffende district, en zelfs een beschrijving van een Dutch person waarmee de vader van de hoofdpersoon in het verhaal Home moeilijkheden krijgt, omdat die 'Nederlander' vindt dat hij door hem onheus wordt behandeld in het verkeer. Het is een dwaze, botte hork van eerste orde en hij spuwt een taaltje dat nauwelijks te verstaan is.
Het blijkt een persoon uit de immigrantengroep die vanaf eind-17e tot in de 18e eeuw uit het zuiden van Duitsland, het oosten van Frankrijk (Elzas en Lotharingen) en Zwitserland kwam en zich vestigde in de staten Pennsylvania, Maryland, Virginia en Noord Carolina. Ze spreken een taal die Pennsylvania-Duits of Pennsilvaans wordt genoemd en in het Engels ook wel wordt aangeduid met Pennsylvania Dutch waardoor de verwarring ontstaat dat dit iets met Nederland te maken heeft. De voorouders van John Updike kwamen overigens wél uit Nederland. De naam Updike komt van de Nederlandse familienaam: Op de Dijk.
Het titel =verhaal Pigeon Feathers is veruit het langste. Het beschrijft een gezin dat is verhuisd vanuit de stad naar een boerderij. De vader vindt het verkassen naar het platteland maar niets en is het ook niet met zijn vrouw eens dat landbouw op een organische manier zou moeten. Hij vindt dat terugkeren naar de prehistorie. Kunstmest en pesticiden zijn de vooruitgang. Zelfs het middel DDT wordt in die positieve context genoemd. (Het werd in Nederland in 1973 verboden vanwege de schadelijkheid voor de natuur en zo kwamen daarna bijvoorbeeld de ooievaars weer terug).
David, de zoon, vraagt zich af of God wel bestaat en waar de hemel is, van beide ziet hij immers niets. De hemel is in het mooie wat iemand als Jefferson achterliet, zegt de predikant tijdens de catechisatie. Natie en geloof in een adem, het is tot op vandaag een mankement in het sociale weefsel van de States. David vond het destijds al een dooddoener van bedenkelijk allooi. Uiteindelijk ziet hij God - ook eigenaardig - wel terug in de veren van de door hem doodgeschoten duiven.
Het aan elkaar knopen van verschillende belevenissen tot een enkel verhaal komt verschillende keren in de bundel voor. In sommige verhalen bevatten zelfs de titels ieder bouwsteeentje, zoals in het laatste Packed dirt, churchgoing, a dying cat, a traded car. De aangestampte looproutes leiden er naar gewoontes tijdens het opgroeien (samen naar de kerk) en van de – inmiddels herkenbare – vader die met een hartkwaal in het ziekenhuis is opgenomen en zich zorgen maakt om zijn auto.
In het eerste verhaal Walter Briggs speelt een stel in de auto een spel door zoveel mogelijk kenmerken van personen die ze eerder ontmoeten uit het geheugen gevist op te noemen. Het brengt de man en vrouw dichter bijelkaar, hoewel er ook oud zeer opduikt.
Heel nauwkeurig worden situaties uitgewerkt. Het is bijvoorbeeld mooi om te zien hoe een jongen op de kermis wordt geholpen door een kermisklant, zodat hij niet al zijn geld verliest aan het rad van avontuur. Er zijn ook de drie meiden die in badkleding en op blote voeten naar de A&P supermarkt komen en daar door de bedrijfsleider vermanend worden toegesproken, wat bij hen tot een blos van schaamte leidt en dat weer tot verontwaardiging bij een jonge medewerker van de supermarkt die vindt dat het nodeloos grievend is om hen in verlegenheid te brengen. Hij hangt daarom zijn supermarktkledij aan de wilgen en vertrekt.
Er is een vader die een verhaaltje aan zijn dochter vertelt dat haar wil leren zichzelf niet te verloochenen ook als dat gemakkelijker lijkt. Het is heel klein, heel eenvoudig, maar ook precies en waardevol. Elders een neerbuigende opmerking naar gekleurde mensen in het verhaal de Doctor's wife; zwarte levens deden er ook toen al toe, al was dat ook toen niet voor iedereen duidelijk. In the crow in the woods blijkt dat het buitengewone door sommige mensen wordt gemist en ze als vanzelfsprekend door gaan met en naar het gewone.
Het is interessant om de verhalen te lezen over een land waar geen ontkomen aan is, maar dat intussen net als andere landen flink veranderd is bijvoorbeeld door de nieuwe technologieën en de invloed die deze hebben op tijd en ruimte. Bovendien is het prettig over het land te lezen zonder de opdringerige beeldvorming die vanuit de Verenigde Staten van Amerika over de wereld wordt uitgetort. Het gaat over een land met mensen, minderheden en alledaagse zaken. Het kleurt mijn beeld bij. Toch zijn er veel boeken die ik met meer plezier heb gelezen dan deze portretjes over het inmiddels verdwenen – en veel intiemer overkomende dan het huidige – leven van alle dag in de Verenigde Staten van zo'n zeventig jaar geleden.
dinsdag 11 maart 2025
Bericht aan de reizigers
Buddingh' sluit zijn bijdrage af met het gedicht Ithaca van Kafavis (hieronder een deel daaruit):
Maar haast je vooral niet,
je reis kan beter jaren en jaren duren.
Werp er desnoods pas het anker uit wanneer je al oud bent,
rijk aan alles wat je onderweg hebt verworven,
maar zonder nog iets van Ithaca te verwachten.
Ithaca schonk je die heerlijke reis,
maar nu heeft ze je niets meer te geven.
Hij stelt dat het gedicht evengoed als over reizen, over lezen zou kunnen gaan. In de teksten die hij in het geschenk opnam, gaan we per schip, (internationale) trein, bus (over de afsluitdijk), auto (Elschot en Gerrit Achterberg), in een kinderwagen, in een emmer, en er wordt gelift door Remco Campert en zijn vriend Willem (een tocht afsloten met een twee maal twee keer friet) en door Jan Cremer die belandt in een klooster bij de nonnen net over de grens in België. We blijven doorgaans in de buurt. Bestemmingen liggen in Nederland of Luxemburg, Ierland, de Ardennen, en Frankrijk. Er zijn treingesprekken en opgevangen flarden daaruit. Bob den Uyl legt uit hoe je het best met een bepakte fiets van hotel naar hotel kan reizen en in de volgende bijdrage beschrijft Johnny van Doorn een fietstochtje langs de Nederrijn.
De uitgave begint meteen, al op de eerste pagina, nog voor de inleiding
en de inhoudsopgave, met eenvoudig gedicht,
waar het geschenk de titel aan ontleende. Dat is van Jan Nijlen.
De eerste vier regels luiden:
Bestijg den trein nooit zonder uw valies met droomen,
Dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.Zit rustig en geduldig naast het open raam:
Gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.
Daarmee kan je op pad, op de veerboot over de Ierse Zee waar de golven het schip laten slingeren en veel van de
passagiers ziek maken. Je kan op dat schip overigens wel buiten uit de wind staan. Beschermd tegen buiswater is het dan koud, maar uit te houden; het
avontuur is begonnen. Er zullen nog meer zeereizen volgen. A. Alberts
gaat in 1939 naar Indië (de tekst komt uit zijn herinneringen, het
boek Namen Noemen uit 1962). Gerard van het Reve vaart slechts naar
Londen en vraagt zich af of hij wel schrijver genoemd kan worden. Jan
Kal ligt aan dek van een schip dat van Mallorca naar Ibiza vaart en
geniet letterlijk met volle teugen. Hoe de door Paul van Ostaijen
opgevoerde Scholem (pp.
60-65) naar Zuidoost-Azië reisde staat niet in de tekst, maar de lezer
kan afleiden dat hij per schip ging, aangezien hij op de terugweg
uit de havenstad Port Saïd een bus prima mokka had meegebracht en
hij de tweede reis die kant op zeker per schip maakte.
Of je met een taxi
kan reizen? In het verhaal het Het taxivarken van F. ten Harmsen en
Bedankt voor het maal van Joop Waasdorp gaat het er wel op lijken.
Beiden hebben daarop hun eigen wonderlijke kijk en dat met een verrassend
slot.
Het vervoermiddel is onbelangrijk. Het gaat om het
reizen. Het vliegtuig en de piloot in het
afsluitende gedicht van Leo Vroman zijn niet waar het om draait.
De dichter voegt met zijn poëtische woorden een noot toe aan alle teksten (ook
die niet opgenomen zijn): na het daglicht komt het donker van de
nacht, laat dan licht branden in de cockpit waar de wijzers zijn.
De
opmaak doet hier en daar denken aan die van een blad uit de
kraakbeweging van de jaren tachtig. Dat komt door het papier, de letter keuze
en de manier van illustreren. Het laat me daardoor terug reizen naar die jaren. Al met al is het geschenk uitermate
goed geslaagd.
Je krijgt zin om weg te trekken. Je verlangt naar je
komende fietstocht. Dat het verhaal van Nescio over de Pleziertrein
al eens eerder was opgenomen (in het geschenk
voor 1953) deert niet; je denkt slecht even waarvan ken ik dit
ook alweer? Het enige dat ik wel dacht te missen was de
verantwoording voor de teksten. Nu had dat uitgebreider gekund, maar
in de Bibliografieën staat met een net iets kleinere en cursieve letter
waar de tekst vandaan komt.
En dan zit er ook nog een
inmiddels verlopen invulkaart bij, het Vriendenprijs-gastrechtbewijs,
om tegen lagere kosten met de trein te reizen in de periode 1 t/m 23
maart 1975.
woensdag 12 februari 2025
Een overtollig mens
Een overbodig mens
is het titelverhaal van een bundel met vijf verhalen van J.M.A.
Biesheuvel.
Het boekje was het boekenweekgeschenk voor 1988. Het begint meteen al
in mineur met een motto bij dat eerste verhaal: 'Eenzaamheid, wat
zijt ge overbevolkt' van Stanisław
Jerry Lec. Biesheuvel kan wel over de Pool heen. De eerste zin van
het geschenk is: “Er zijn mensen op de wereld die er droevig aan toe zijn, er zijn van die figuren, die helemaal naast de maatschappij staan, ellendige eenlingen die huilen in bed voor het slapen gaan, juist zij hebben een beetje liefde meer dan wie ook nodig, maar ze krijgen het niet.”Natuurkundige Johan Knipperling is in de kost bij een gezin. Hij is te onaangepast om met de familie op te trekken of er zelfs maar mee te eten. Hij zit doorgaans alleen op zijn kamer te vereenzamen. Het helpt niet dat hij ook op zijn werk geen aanspraak heeft. Medici en natuurkundigen mixen niet zo goed, meent hij, maar de vreemde kwast heeft ook geen idee hoe hij contact moet leggen. Zelfs een klein jongetje blaft hem af en zit niet op een praatje met hem te wachten.
Een groot deel
van het verhaal wordt gevormd door een brief aan de dochter van een
professor die Knipperling bij een kort zakelijk bezoek op de piano
Schubert zag spelen. Dat schept een band. Het is een onhandige brief,
met de vraag om haar hand en vol gelammenteer. Dit wordt niets, dat druipt
er af. Net zoals het proefschrift over de
ziekte van Bechterev waar Knipperling aan schrijft niets zal
worden. Als hij de ruim honderd pagina's die hij al schreef uit
wanhoop in de kachel gooit dan gaat die uit. Én zelfs zijn dood
loopt uit op een fiasco. Biesheuvel was in staat de droefheid van het bestaan zo op te schrijven dat je er toch vrolijk van kon worden. Dat is hier ook het geval, meteen al in het eerste verhaal.
In het tweede verhaal ploetert de student filosofie Hans Feinstein juist niet door, maar laat alles uit zijn handen vallen en laat de universiteit achter zich en trekt de bergen in. Ook hij is onhandig op zoek naar een geliefde. Als het lijkt te lukken dan gaat het toch weer mis en het zou niet goed meer komen in dit sprookje.
De lezing gaat over een man, Glasbeker, die een verhaal moet schrijven als inleiding voor een herenclub van de kleine kustplaats N. Anderen mogen over hun werk spreken, moppert hij. Het schrijven van het verhaal krijgt hem toch te pakken. Het schrijfsel springt van de hak op de tak, maar is ook grappig. Door het gepassioneerde schrijven zou hij bijna een wild uitstapje naar Domburg missen met vrouw en andere aanwezigen.
Ook dit verhaal leest plezierig ondanks (of dankzij) een leger aan zinnen die dwarsstraten inslaan. Een voorbeeld: Als hij bij het zoeken van het meervoud voor schouten-bij-nacht (of zijn het schout-bij-nachten) bedenkt dat de Nederlandse Taal moeilijk is, dan onderstreept hij dit met de opmerking dat veel mensen handvaten zeggen. Dat is verkeerd, want dat zijn handzame tonnetjes en niet de bedoelde dingen aan je fiets, waar je het stuur vast moet houden.
De klok speelt dan weer in Zuid-Limburg rond het huishouden van de Gouverneur die zijn personeel onder de knoet houdt en die het zelf breed laat hangen. Als het rond de klokreparatie helemaal mis loopt dan stelt zijn vrouw voor de schade te vergoeden. Dit tot verbazing van Jos die het hoort van zijn vriend Sjef. Samen praten ze over schofterigheden uit vroeger tijden en ze constateren dat het tegenwoordig anders is. Toch vraagt Sjef zich af of als kannibalen met vork en mes gaan eten, dat vooruitgang is.
Het laatste verhaal gaat over een vakantie naar Engeland. Het stromende water van de beek, de forel, de zingen leeuweriken, de korenvelden, het vee in de wei, de overkomende ganzen en zwanen en nog zo het een en ander, maken een onvergetelijke indruk die mee terug reist op de boot naar Nederland (waar de ik-figuur op de allerlaatste pagina van het boekje in de bovenkooi ligt), en later mee naar het werk en de thuis situatie. De indrukken van het buitenleven zijn niet alleen fijn en mooi, ze doen ook beseffen dat je leeft; dat je er bent. En overigens hoe krijgen die grote zwanen hun lichamen de lucht in, vraagt de verteller zich af. De tweede zin van dit verhaal komt uit zijn mond: “Misschien is dit de mooiste dag van mijn leven.” Zo eindigt de echte Biesheuvelbundel uitermate positief.

donderdag 31 oktober 2019
Boeken in oktober
![]() |
| Vaak misplaatst woord en als er wel sprake is van heldendom dan doen de helden vaak alsof ze niet anders kunnen. |
Het boek verhaalt, met meer dan schokkende beelden, de dood van enkelen van de ruim 600 doden. Een paar maal wordt stilgestaan bij de vraag: waarom zouden we het volkslied zingen en de vlag draperen over de kisten van de slachtoffers als het leger van Korea, de gewapende hand van de dictatoriale staat, zo vreselijk heeft huisgehouden? Omdat niet alle soldaten vuurden op de bewoners, maar enkelen ook opzettelijk in de lucht. Omdat het land niet het land van de daders is, maar van alle Koreanen.
Schrijfster Kang was, voordat ze als jong meisje naar de hoofdstad Seoul vertrok, opgegroeid in Gwangju. Het huis in Gwangju waar ze zelf en hoofdpersonage Dong-ho in dezelfde kamer leefden is neergehaald en heeft plaatsgemaakt voor een noodgebouw. Deze vermening tussen feit en fictie wordt duidelijk uit de epiloog die zich laat lezen als deel van de roman en de band tussen haar en de gruwelen duidelijk maakt.
Een van de personages die de acties is ingerold, zegt dat ze het weer zou doen als ze haar leven opnieuw zou beginnen. Ze zou weer staan voor het verdedigen van de rechten van textielmeisjes tegen de dictatuur. In veel boeken zou dat overdreven heroïsch overkomen, hier niet, omdat ze wat meer vlees op haar fictieve botten heeft dan alleen die strijdbaarheid en bovendien een echte angsthaas is, die zelfs bang is van het bleke oog aan de donkere nachthemel, de maan. Nee om dapperheid draait het niet, wel om gevoel en medeleven.
Schrijfster Han Kang vraagt de broer van Bong-ho of ze zijn verhaal mag vertellen, zo meldt ze in de epiloog. “Als je het maar goed doet. Ja alstublieft schrijf uw boek, zodat nooit iemand meer in staat is om de gedachte aan mijn broer te ontwijden,” antwoord hij. Het heeft een boek opgeleverd over menselijk handelen in Zuid-Korea, maar ook over menselijk handelen in het algemeen. De wereld is niet mooi, maar er zijn mensen die ondanks zichzelf wel eens mooi zijn en doen wat nodig is. Het loopt er niet per se goed mee af. Daar draait de schrijfster niet om heen, maar ze heeft wel een gruwelijk, lief en strijdbaar boek geschreven.
***
De
vrouw van de zee is een toneelstuk in vijf bedrijven en
geschreven door Henrik Ibsen. Ik heb een vertaling door Judith
Herzberg uit 1992 gelezen die is geïllustreerd met foto's van de
spelers, zoals Joop Admiraal, Pierre Bokma en Roos Ouwehand.
Het hoofdpersonage is Allida, de vrouw van de zee, de dochter van een vuurtorenwachter. Ze is door de arts en weduwnaar Wangel naar het binnenland gehaald. Ze heeft eerder een kortstondige relatie gehad met de Vreemde, een voormalig stuurman en moordenaar van zijn kapitein. Deze relatie is nooit echt beëindigt en zit haar dwars.
Als op een dag De Vreemde komt aanlopen en de tuin van de dokterswoning binnenstapt dan moet ze kiezen tussen hem of dokter Wangel. Ze krijg van De Vreemde een dag om te beslissen. Wangel vindt dat het niet haar beslissing mag zijn of ze vertrekt, daar gaat hij als echtgenoot en arts immers over. Allida antwoord dat hij haar kan verbieden te vertrekken, maar nooit haar keuze binnen in haar binnenste kan verhinderen.
De vrouw van de zee is een verhaal over verhoudingen binnen relaties, waarbij hier-en-daar flinterdun heel veel wordt verteld, zoals in een aquarel, waar een penseelstreek een lucht of heideveld schildert. Maar uiteindelijk is het toneelstuk ook klip-en-klaar over de vrijheid van man én vrouw binnen verhoudingen.
***
Het nachtboek is niet vooral een boek over slaapproblemen: de persoon bij wie de schrijfster in het hoofd kruipt, ziet geen probleem. Slaappillen zorgen daarbij voor wat uurtjes nachtmerrie rijke slaap en dat leidt weer tot hallucinante aantekeningen in het nachtboek. Zijn vrouw Myriam is tegen de pillen: ze zijn geen oplossing voor de oorzaak van de slapeloosheid en zorgen alleen voor versterking ervan. Slaappillen ook al zo'n thema dat eerder meer dan minder belangrijk is geworden in de afgelopen drie decennia. Nee het is het boek over het leven binnen een gezin van vader (de slapeloze), de moeder (de bezorgde, wegdrijvende), de zoons (een houdt veel meer van dieren dan van mensen en de ander is een asociale jong volwassene), de oudste dochter heeft een ongelukkig vroeg huwelijk (net als de vader en moeder) en de jongste dochter loopt er tussendoor.
***
De
vlakte in vlammen van Juan Rulfo bevat 15 korte
verhalen. In ieder verhaal is een hoofdstem en vaak nog een paar
minder belangrijke stemmen. Het lijkt of al die stemmen, hoe stoer de
verteller ook is, zachtjes uit een armoedige en gewelddadige
achtergrond los komen. Je moet luisteren anders hoor je het niet
eens. Goed- en rotzakken (vaak beide in een persoon en in ieder geval
zonder hard oordeel in de tekst) leven in het harde, kale, vlakke of
juist bergachtige hoogland van Mexico. Van het jongetje dat aan de
put zit om kikkers die de kop op steken dood te meppen, tot de
handlanger van een bendeleider die het voortdurend aan de stok heeft
met het leger en alles daar tussenin en omheen. “Ja het regent weinig. Zo weinig of bijna niet, dat de aarde, die al kurkdroog is en verschrompeld als een oud stuk huid, vol zit met scheuren en barsten en met wat ze daar «regendrollen» noemen, wat niet anders zijn dan kluiten aarde die hard zijn geworden als puntige stenen, die in je voeten priemen als je loopt, net alsof daar zelfs uit de grond doorns groeien. Zo lijkt het.”Daar in dat landschap lopen negen vrouwen naar de leerling van een religieuze oplichter om hem te vragen een pleidooi voor zijn meester te houden om die heilig verklaard te krijgen. Daar ontstaat tijdens het bezoek van de gouverneur aan een door een aardbeving getroffen dorp een woeste caféruzie, binnen en op straat. Over die gronden probeert een misdadiger tevergeefs te ontsnappen. In dat landschap wordt een stadje geteisterd door rovers en trekken revolutionairen en bendes rond, zoals die van Pedro Zamora (die werkelijk heeft geleefd). Het ergst van al is Luvino, het trieste stadje in de Sierra Juárez, waar het leven door het klimaat uitgeperst wordt. Het boek eindigt met het zielloze lichaam van een vader over het zadel van de zoon. De vertaler schrijft echter in het nawoord: “Rulfo's verhalen zijn niet zozeer wreed als dat ze de wreedheid van het leven weerspiegelen.” Vrolijk is het allerminst.
Het is wel een les in luisteren naar de minder bedeelden van rond 1917 in de Centraal-Mexicaanse staten Michoacán, Oaxaca, en Durango, maar vooral Jalisco waar de schrijver geboren is. Het kostte me wel eens moeite om de vertellers niet gewoon te laten praten – de schrijver dringt ze niet op – en zelf ergens anders heen te mijmeren, maar met enige concentratie lukte het toch ze te horen en het was de inspanning meer dan waard.
Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.












