Posts tonen met het label Albert Cossery. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Albert Cossery. Alle posts tonen

maandag 5 februari 2024

De trotse bedelaars

Het is onvoorstelbaar dat De trotse bedelaars van Albert Cossery in de oorspronkelijke Franse uitgave prettiger leesbaar zou zijn dan in de vertaling door Rosalie Siblesz. Het boek hapt weg als een bord frieten met mayo aan het strand op een zomerdag. In plaats van bier wordt er thee, veel thee, en soms bittere koffie, gedronken in de Egyptische stad waar het verhaal speelt.

De hoofdstukken lijken te zijn opgezet rond de mannen in het boek. Het begint met de gedroste docent geschiedenis en literatuur, Gohar, hij is de hoofdpersoon. Hij kan zich niet meer voorstellen dat hij lessen gaf zoals het hoorde, conform de gevestigde normen. Die lessen hadden maar een doel: te disciplineren. Hij heeft niets, geen meubels, geen spullen. Hij is kortom onthecht van alles, en slaapt zelfs niet meer op een matras, maar op een stapel oude kranten. Niettemin kent hij een grote gemoedsrust. En, hij is aan de hasjiesj, nodig om verrukt door de wereld te blijven stappen.

“Het was altijd hetzelfde: de absurde eenvoud van het leven bracht hem in vervoering. Alles was belachelijk simpel. Een blik in het rond was voldoende om hem daarvan te overtuigen. De krioelende armoede om hem heen had niets tragisch, maar leek juist een raadselachtige rijkdom in zich te bergen, schatten van niet-vermoede, fantastische waarde. Het lot van deze menigte leek te worden bepaald door een wonderlijke zorgeloosheid.”
Met die afhankelijkheid van bolletjes hasj zijn we meteen bij de tweede man. Dat is de graatmagere dichter en dealer Yéghen. Gohar is zijn grootste vriend, en hij kijkt tegen hem op. Gohar was immers noch een hervormer noch een zedepreker, hij accepteerde de mensen zoals ze waren. Een karaktereigenschap die Yéghen in deze vorm nog nooit tegengekomen was. Mensen die hem nemen zoals hij is, met al zijn lelijkheid, kunnen sowieso op zijn sympathie rekenen. Het leven is er om te lachen en in armoede is volgens hem schoonheid en uitbundige vreugde. Zijn bestaan is vooral georganiseerd rond slapen tot ver in de dag. Dan weer hier, dan weer daar. Een vast verblijfsplaats heeft hij niet. Hij is daarmee de volgende onthechte en trotse bedelaar.

Dan is er de ambtenaar El Kordi. Het is een lachwekkend en oppervlakkig mens. Hij wil de maatschappij veranderen. Hij is een trotse revolutionair en een strijder voor het goede. Hij had ideeën over de toekomst van de massa's en de vrijheid der volkeren, en was verliefd op Naïla, een jonge hoer in het bordeel. Zijn liefde wordt gevormd door het idee dat hij iets goeds kan doen door haar uit dat leven te halen. Of zij dat ook wil, interesseert hem eigenlijk niet. Op zijn werk voert hij zo min mogelijk uit. Zo kan hij zichzelf voorspiegelen toch tegen de maatschappij te zijn. Hij is de mislukte dwingeland, waarmee gelachen kan worden. Wereldhervormer worden is iets wat God mag verhoeden, aldus Gohar, die de wens om waardig te zijn beschouwde als een zotheid die
“de geschiedenis van de mensheid tot één lange bloedige nachtmerrie maakten.”

Politie inspecteur Nour El Dine is ook trots, tenminste hij doet alsof. Hij doet zijn werk echter zonder veel plezier en is opzoek naar een mooiere invulling ervan. Het zou een triomf zijn als hij een moordenaar kan grijpen die moordde met een soort geniepige schranderheid, kortom een moord zoals voorkomt in de Europese literatuur. Naast de aandacht voor de misdaad zijn er voor El Dine de mannen om de liefde mee te bedrijven. Meestal zij het minne mannetjes. Zijn contacten ontmoet hij ver van de geciviliseerde gewone wereld in een vieze banketbakkerij. Hij zou immers eens een bekende kunnen tegenkomen, dat moet vermeden worden. Samir, wel met stijl en temperament, haat en beschimpt hem om die aanpak. Zou hij ook zo'n revolutionair zijn, een van die anarchisten, die droomde van het omverwerpen van de regering, zo probeert de man in uniform de haat van de toch 
̶  of juist daardoor  ̶  aantrekkelijke jonge man te verklaren. El Dines trots valt juist stuk op de normen die hij beschermt.

Vrouwen komen op het tweede plan. Ze zijn voetnoten bij het leven van de mannen. De moeder van Yéghen verstelt voor een grijpstuiver kleren voor een paar rijke families, maar is irritant voor haar zoon. Prostituees moeten brieven laten schrijven, omdat ze zelf analfabeet zijn. De zestienjarige jonge vrouw, met de boeken van haar pianolessen onder de arm, komt er nog goed vanaf. Yéghen is verliefd op haar, omdat ze de eerste en enige is die hem niet voor vuil aankijkt vanwege zijn lelijke tronie. Dan is er een klein meisje dat haar blote billen toont aan de politieman, een gebaar
“afkomstig uit een onherbergzaam, ondoorgrondelijke wereld,” maar wel een die de afkeer van het gezag onderstreept die in het boek centraal staat. De oude vrouw die in de tram tegen de benen van El Kordi aanrijdt wekt afkeer. Anderzijds wordt El Kordi in zijn hemd gezet door de vrouw die lacht met zijn versierpoging en hem onmiddellijk op waarde schat en hem zijn plek wijst. De buurvrouw van Gohar, een vrouw met het postuur van een bootwerker en met een man zonder armen en benen, is iemand om ontzag voor te hebben. We zien haar maar even en horen haar alleen door de muur heen ruziemaken, de liefde bedrijven, en zich wassen in een zinken teil. Ze zal het afleggen tegen haar man. Zelfs een man zonder armen en benen steekt uit boven een vrouw die slechts jaloezie kent. Oh en dan is er nog het mooie jonge hoertje, dat dood centraal zou moeten staan in het boek, maar vrijwel vergeten wordt. Een moord is bijzaak, het leven van een vrouw gaat voorbij. Vrouwen zijn op zijn best berekenend.

Er is trots in armoede en afkeer van de overheid en het gezag. Je niet druk maken en leven zonder vastigheid wordt als ideaal afgeschilderd. De vrolijke visie die er wordt neergezet gaat voorbij aan de stank op straat, en de ziekte en dood door armoede. De trotse bedelaar is misschien te verkiezen boven de karakterloze meeloper; boven de revolutionair die goede sier maakt; en staat op gelijke voet met de winkelier met een lege winkel die wel mooie verhalen vertelt over een ezel die verkozen wordt tot burgemeester. Maar romantiek wordt in fraaie woorden en zinnen als saus over het leven gegoten.

Uiteindelijk wordt de thematiek van het boek samengevat in de gedachte van Nour El Dine dat achter de onvervreemdbare armoede en de weigering deel uit te maken van de beschaafde wereld een enorme kracht schuilgaat die geen enkele aardse macht ooit zal kunnen bedwingen. Het brengt je terug naar het voorwoord in dezze versie waar de schrijver met de regelmaat van de seizoenen op een terrasje in Parijs zit, als de voorjaarszon schijnt ziet men hem met een paar vrienden verschijnen. Hij had toen al wel een paar boeken op zijn naam staan 
̶  waarvan er een bijna twintig jaar kwijt was* ̶  en daardoor (tijdelijke) inkomsten.

Ook De trotse bedelaars (uit 1947) is geschreven in de Franse hoofdstad. Cossery had tijdens de oorlog gevaren als hoofdsteward op een passagiersschip tussen Port Said en New York, aldus het al genoemde voorwoord** op het boek door de Franse schrijver Roger Grenier. Grenier plaatst het boek zo: “In een tijd waarin iedereen, van gaullisten tot communisten, van ons verlangde dat we de mouwen opstroopten, klonk daar plotseling een fantastische ode aan het niets doen, een ironie krachtiger dan welk verzet dan ook.” Cossery leefde er tot 2008 met weinig meer dan een cadeau gekregen televisietoestel. De wereld uit dit boek, was ook zijn wereld, al speelde het verhaal in het land waar hij geboren was en al niet meer woonde. Dat doorleefde ligt over de pagina's en maakt het tot een fijn boek.

Noten:
* Les faintéants dans la vallé fertile (De luiaards in de vruchtbare vallei, JM, 2020). Geschreven in 1947. Het bleef lang onvindbaar en werd in 1964 en 1990 heruitgegeven. In 1990 werd Cossery ook bekroond met de Grand prix de la francophonie.
** In dit voorwoord staat ook dat De mensen die God vergat (Les hommes oubliés de Dieu, 1941) verscheen bij “Edmont Charlot, een uitgever uit Algiers die zijn geluk in de Franse hoofdstad was komen beproeven.” Die uitgever kennen we van De boekhandel van Algiers door Kaouther Adimi dat ik eerder besprak.


zaterdag 31 juli 2021

Boeken in juli

Laatst gelezen boek boven.

Thomas De Gendt zegt tijdens de Tour van 2021 dat hij hoge waardes trapt, maar toch al snel op achterstand fietst. Dat klink wat droevig. Hij is nog altijd een van mijn favoriete renners en nu lijkt hij de fiets aan de haak te willen hangen. Iets zegt me dat het zo'n vaart niet zal lopen.

In zijn boek Solo; tussen zuchten en hijgen op de eerste pagina's een soortgelijke uitspraak na de vijfde etappe van de Dauphiné van 2020, de eerste wedstrijd na de stop door corona: “Ik haal gemiddeld vierhonderd watt, en toch liggen we na honderd kilometer ruim vijf minuten achter op de kop van de koers.” Voor het seizoen had hij zelfs overwogen te stoppen met koersen. Hij was door de corona maatregelen veel thuis geweest en gemerkt dat het gezins- en huwelijksleven niet ging vervelen. Hij begon toch weer, en het beviel hem goed.

Het boek is door ghostwriter en wielerjournalist Jonas Heyerick vlot geschreven. Hij had plakboeken (met startlijsten, rugnummers en krantenknipsels), het door De Gendt's vader en later zijn vrouw bijgehouden wielerarchief en het geheugen van de renner zelf als informatiebronnen.

Al snel ook lees ik dat de kleine Thomas in West-Brabant begon met zijn eerste koersjes. Er is een afbeelding van zijn lidmaatschapskaart van de West-Branbantse Jeugdwielerbond met daarop een 10-jarig kereltje. Op school werd hij gepest: graag alleen, geschoren benen, veel fietsen. Hij ging vervolgens naar een houtbewerkers opleiding. Het was een klas vol buitenlanders en buitenbeetjes, een Turk, een Marokkaan, een Kosovaar, een Joegoslaaf, kortom een mengelmoes van karakters, kleuren en culturen, maar wel vol saamhorigheid. Hij vond het jammer om te vertrekken, maar schaven, zagen en schuren was niets voor hem. Hij ging naar een fietsschool in het Belgische Ronse en zat daar wel op zijn plek.

Helemaal zeker ben ik er niet meer van, maar ik dacht dat het wielerverslaggever Sander Kleikers van Eurosport was die eerder dit jaar (dacht tijdens de Ronde van Catalonië of een andere voorjaarsrittenkoers dit jaar) zei dat als Thomas De Gendt wat verstandiger zou koersen hij misschien meer zou winnen. Blijkbaar geen romanticus. Je hoort het commentaar wel vaker. De liefhebber kan de aanpak van Thomas wel waarderen en niet alleen omdat hij in 2021 in Barcelona weer een De Gendtje deed.

Sommige renners zijn niet in de wereld om aan te haken bij een kopgroep en dan op de meet te winnen of om klassementsrenner in een grote ronde te zijn. Sterker nog, doe je dat wel bij een eerste goede uitslag in een algemeen klassement, zoals gebeurde na de derde plek van de De Gendt in de Giro de Italia van 2012, dan kan dat wel eens een vergissing zijn. Niet iedere renner is tegen die druk opgewassen; wielrennen is al extreem zwaar, extra opdrachten, kunnen wel eens een vraag te veel zijn. Maar een geslaagde vlucht in een mooie etappe tegen een jagend peloton kan enorm mooi zijn.

Hier en daar lijkt Van Gendt wel eens zijn eigen gelijk in het zonnetje te willen zetten. Hij neemt bijvoorbeeld Jan Bakelands de maat, een Vlaamse renner die een gewiekst spreker is en gewild gast in de Vlaamse wielerprogramma's. Jan kon als kopman zijn wiel niet houden en wist volgens De Gendt met minder kwaliteiten een betere positie te verwerven. Regelmatig komt dergelijk onrecht ter sprake. Je moet De Gendt niet flikken dan pakt hij je terug. Als coureur Laurens De Vreese (jongeren categorie de belofte) in de Ronde van Namen ondanks een afspraak het niet te doen de bergpunten pakt, dan klopt De Gendt hem die dag en laat hem de volgende geen moment gaan. Op een punt na haalt hij niet het bergklassement binnen. Het boek zit vol met haantjes in wielertenue verhalen.

Ook Hilaire Van der Schueren van Wanty Gobert moet het regelmatig ontgelden. De ploegleider motiveerde zijn renners voor de Tour de France met de opmerking dat ze hun selectie nog moesten bewijzen, waardoor ze te hard gingen trainen en het beste er al voor de Tour vanaf was. Nee je moet renners laten weten dat ze zeker zijn van de selectie, zodat ze zich er op voor kunnen bereiden aldus De Gendt. Ploegleiders die 70 km voor de meet bijvoorbeeld roepen: “Je moet alles geven,” De Gendt legt uit dat je dit nu net niet moet doen. Hij krijgt liever informatie over achtervolgers. Eigengereidheid spreekt er ook uit dat Quick Step en Lotto het nakijken hebben als hij naar een grotere profploeg gaat, omdat die in eerste instantie voor een koopje op de eerste rang wilden zitten. De Gendt gaat naar het Nederlandse Vacancesoleil.

De renner is een mannetje onder de mannen, maar wel met een gekend gevoel voor grap en grol. Die droge humor zegt hij van Urbanus te hebben. Grappen leiden wel snel tot problemen. Als na een veel minder seizoen 2013 De Gendt zegt dat hij als hij het volgend jaar nog steeds zijn geld met fietsen wil verdienen, hij postbode moet worden. Hij krijgt verschillende postbodes op zijn nek die menen dat hij hun beroep niet serieus neemt. Dat het eerder een gevalletje zelfspot is zien die facteurs niet.  

Deze tweet is er een voorbeeld van zijn humor:

“Year 2032. Evenepoel and Pogacar each won 6 Tours now. Van der Poel will be competing in 17 disciplines at the olympics, aiming at 17 medals. Van Aert won Paris-Roubaix for the 7th time. Valverde announced that he will continue for another year as he doesn’t feel his age yet.”

Zijn fabelachtige overwinning in Saint-Étienne in de Tour van 2019 wordt in het boek breed uitgemeten. De beelden staan nog op mijn netvlies, maar nog meer bijgebleven is zijn ontsnapping in de eerste etappe van de Ronde van Catelonië van dat jaar. Een hele lange solo met een overwinning op de streep. Dat de aanval al de avond eerder werd voorbereid en doordacht, en hoe dat tijdens de rit uitpakte, lees je in dit boek. Solo levert veel achtergronden bij de tactiek die ik onderuitgezakt in de stoel achter de buis best kan gebruiken. Maar ook het verhaal over de fietstocht met ploegmaat Tim Wellens vanuit de Ronde van Lombardijen weer naar huis in Semmerzake krijgt aandacht: “Goed voor iets meer dan duizend kilometer in totaal. Het was een fantastisch avontuur.”


No one knows
van Queens of the Stone Age is nog steeds een van zijn
favoriete numemrs aller tijden. Hij zette het iedere ochtend op als ritueel
op het internaat in Ronse, waar hij ook leerde voor fietsenmaker.


In het laatste hoofdstuk gaat de Gendt in op zijn hobby's naast het fietsen: gamen, Rubik Cube en bier. Hij is wars van massage, hij probeert veilig te rijden (voor of achterin, want hij fietst graag, maar leeft nog liever), hij koerst met verstand maar wel avontuurlijk, en doorziet de koers. Hij is de renner die het als scholier naar zijn zin had tussen de apartelingen en hij maakt van zijn hart geen moordkuil. Misschien is dat wel de De Gendt achter de baard – hij had hem al toen dat nog niet bon ton was – die me zo aanspreekt. Of misschien herken ik in hem wel de autist die leeft met deze eigenschap en geen moeite heeft die bij zichzelf te zien en te benoemen.

Dat hij nog lang mag koersen en met een enkele grandioze overwinning per jaar is dat het meer dan waard. Fan van aantrekkelijk wielrennen, waar deze coureur een exponent van is, zal ik blijven. De Gendt is de baroudeur of avonturier bij uitstek, en dat al jaren. Er zijn er veel meer coureurs die ik graag zie rijden, maar er zijn geen anderen waarover ik een heel boek wil lezen.

Volgende bespreking onder foto


Moeder Courage
, door Bertold Brecht, speeltekst publiekstheater (première 8 maart 1980, vertaald door Gerrit Kouwenaar). De volledige versie van de vertaling is uitgegeven door de Bezige Bij. 
 
Brecht schreef tussen september en begin november 1939 het toneelstuk Moeder Courage en haar kinderen, zoals het stuk volledig heet. De eerste opvoering vond plaats in Zürich op 19 april 1941. Brecht wilde het als waarschuwing brengen, maar moest constateren dat: “Schrijvers niet zo snel kunnen schrijven als regeringen kunnen oorlogvoeren: want schrijven vereist denkwerk.”

Moeder Courage trekt met haar kar vol handelswaar in de jaren 1624-1636 door de dertigjarige oorlog. Als het nodig is, switcht ze van partij. Als het vrede dreigt te worden, vreest ze voor een waardevermindering van haar handelswaar, want “wie nog niet begraven is / Die haalt wat er te halen is,” zoals de laatste woorden van het drama luiden. Principes zijn in een oorlog alleen maar ballast en waarden en normen kunnen van de ene op de andere dag veranderen. Een domoor die eraan vasthoudt. Wie niet opportunistisch is, legt letterlijk het loodje, zoals de kinderen van Moeder Courage.

De oorlog draaide om gebiedsuitbreiding, maar werd gewikkeld in het vaandel van de Godsdienstoorlog, katholiek tegen protestant: “en dus Gode welgevallig,” zegt de veldprediker. Waarop de kok antwoord: “Op een bepaalde manier is het een oorlog, waarin weliswaar gemoord en geplunderd wordt, en niet te vergeten een beetje verkracht, maar die toch dáárin van alle andere oorlogen verschilt, dat het een godsdienstoorlog is. Maar dorst krijg je er evengoed van, dat moet u toegeven.”

De schuld wordt bij de slachtoffers gelegd. Landen, zoals Polen, waar de legers van de Zweedse Koning binnenvallen om de vrijheid te verdedigen, gaan zich dan in hun eigen zaken mengen en maken zich daardoor aan vrede-breuk schuldig. De kok kijkt een stap verder en merkt op dat de Koning de smaak te pakken kreeg en heel Duitsland in bescherming nam. Bijna naadloos kan je het plakken op de interventies van de afgelopen dertig jaar.

Er zijn aansprekende personages, maar het is niet de bedoeling van Brecht dat je er mee gaat sympathiseren. Zelfs dochter Katrien, die stom is en 's nachts nare oorlogsdromen heeft, blijft ondanks haar kwetsbaarheid op grote afstand. Dat geldt ook de veldprediker (een eerste klas lafbek) en de kok (een opportunist en vrouwenverslinder). Corruptie tiert, hoge officieren worden rijk, en de kleine man is de verliezer. Toch is Moeder Courage er op gebrand haar kinderen door de oorlog te halen. Ze laat zelfs haar dochter niet in de steek als de kans zich voordoet om in Utrecht een café te runnen. De goede partij in een kwalijk verhaal is ze echter niet door haar cynisme en belustheid op oorlogswinsten.

Het is een boek over de oorlog, zoals West-Europeanen hem thuis niet meer tegen zijn gekomen sinds de Tweede Wereldoorlog (recente oorlogen worden vaak ver weg gevoerd). Voor Nederland na 1945 al snel in Indonesië en Korea. Dit verhaal speelt bijna vier eeuwen geleden, maar toch is het nog steeds goed om te kijken wie aan een oorlog verdienen en welke belangen achter de mooie woorden over het brengen van democratie, ontwikkeling en mensenrechten schuil gaan.

Scepsis is een gezonde houding als het om oorlogsvoering gaat, want die strijd is een cynisch monster, dat sommigen dient, maar voor de meesten ellende veroorzaakt. Dat zette Brecht duidelijk neer, in een tijd dat de gruwel de hele wereld in zijn greep had.

Volgende bespreking onder foto.

De luiaards in de vruchtbare vallei
van Albert Cossery is door Uitgeverij Maas prachtig uitgebracht. Een mooie illustratie op de omslag, typografie prettig om te lezen en met een nawoord door de vertaalster (voor wie Cossery nog niet kent, goed om mee te beginnen).

In een huis aan de rand van Caïro leven drie zoons, een vader en een oom, verzorgd door een jonge hulp in de huishouding, Hoda. Ze is  meer dan werkster, maar deel van de familie. Iets verderop zijn er nog een kruidenier die weinig handelswaar in de verkoop heeft en nog minder verkoopt, en Imtisaal, een prostitué die bezocht wordt door de jongeren uit de omgeving. Maar vrijwel het hele verhaal speelt in het huis. Dat huis is het toneel waar de luiaards lui zijn, een houding die hen is overkomen of die bewust is gekozen.

Vader zoekt een vrouw en heeft een koppelaarster in de hand genomen. De zoons vrezen dat daarmee de rust zal verdwijnen. De relatie met de prostitué is eerder door Rafiek juist verbroken, omdat hij koos voor de luiheid als verstandige levenshouding: “Als ik op ben heb ik het gevoel dat me een heleboel narigheid kan overkomen. Ik voel me pas echt rustig als ik in bed lig,” zegt hij Imtisaal ter verklaring. Siraag zou wel graag werken, maar dat is jeugdige onbezonnenheid, want wat is nu mooier dan slapen en op de wakkere momenten de spot drijven met de domheid van de mensheid. Dit is het verhaal.

Vertaalster Mirjam de Veth vat de levenshouding van Rafiek – en daarmee van Cossery – samen: “De slaap is een staat van genade, verder is er nutteloos bedrijf, nietsontziende wreedheid en hartverscheurende domheid. Wie verstandig is zal zich aan het gewoel onttrekken en zich onderdompelen in weldadige rust.” Cossery leefde zelf 60 jaar in hetzelfde hotel en ging de deur uit voor een kop koffie, een krantje, en het bekijken van de menselijke drukte. Meer had hij niet nodig.

Dat behaagzucht een eigenschap is van de vrouwelijk sekse en dat een homoseksueel neergezet wordt als een verwijfde nicht, dat steekt, maar er is overheen te lezen. Hoda wordt uitgescholden in het mannenbolwerk, maar hoort er als meisje wel bij. Bovendien is er kritiek op de mannen aan de overkant van de straat, die hun vrouwen binnen houden.

Het boek heeft een open einde. Ergens hoop je tegen beter weten in dat Siraag verder komt dan zijn broers. Want tevreden zijn met en rust zoeken in de slaap is mooi, maar er zijn mensen die als ze wakker zijn zoveel mogelijk binnenharken en daarmee niet op de ander letten. Als je slaapt dan zie je dat niet, je vervuilt niet, je doet niet mee, maar laat het aan je voorbij gaan. Hier botst de Calvinist aangenaam op de visie van Cossery.

Als ik zelf onderuitgezakt tegen de lift van een station zit en wacht op mijn zoon, heb ik de tijd om de sycomoor op te zoeken die in het boek voorkomt en waarin de vogels ritselen. De boom is me onbekend. Het is dan ook de Engelse naam voor drie bomen: de plataan, of de esdoorn, of de wilde vijg. Die laatste komt in Afrika en het Midden-Oosten voor. De vertaalster heeft zich blijkbaar door een vertaling niet aan een keuze willen wagen. Jammer, want bij een wilde vijg is het makkelijker je een voorstelling te maken van een boom waaronder het goed rusten is dan bij een boom met een onbekende naam. Maar naast dit schoonheidsfoutje is het een heerlijk (vakantie boek).

Volgende bespreking onder foto.

Ali Smith's Winter is het derde boek in een serie van vier die ik lees over de recente geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk. Er zijn ondanks de grote verschillen ook parallellen met de ontwikkelingen in Nederland. Het leest daardoor als een roman over wat je zelf in kranten tegenkomt en ziet op TV.

Zomer sluit de serie af, maar ik ben er mee begonnen. Dat boek, dat ook over mijn tijd en leefwereld gaat, was de aanleiding om ook de andere delen te willen lezen. Met mensen die verbanden leggen tussen sociale rechtvaardigheid, milieu, vrede en een beetje genieten van het leven en soms zelfs zeggen wat gezegd moet worden.

Winter is de tijd dat je je aan moet passen aan, neerleggen bij, de omstandigheden, en je moet voorbereiden op wat komen gaat, denkt de hoofd persoon Art tijdens een nogal vreemd kerstbezoek aan zijn moeder Sophia. Dat bezoek begint op een heldere, zonnige, post-millennium broeikaseffect Kerstochtend.

Sophia is het spoor bijster; de koelkast in haar huis is leeg en het leven loopt er spaak.  Om de boel weer op de been te krijgen wordt haar zuster Iris uitgenodigd, waar ze al tijden afstand van heeft genomen. Die neemt eten mee, en een gezamenlijke geschiedenis.

Maar ze neemt ook zichzelf mee, bijvoorbeeld in de prettig ironische opmerkingen over “de duizenden toeristen die dagelijks arriveren uit Afghanistan, Syrië, en Irak voor een stedentrip vanuit Turkije en Griekenland. Mensen uit Jemen die niets te eten hebben vertrekken naar Afrika om daar rond te waren op in landen, vooral die waar mensen al sterven van de honger. Echter meer sub-Sahara vakantiezoekers vertrekken naar Spanje en Italië. Dat zijn bovendien populaire bestemmingen voor mensen uit Libië.”

Het boek begint met dat alles dood is, als je er in google naar wilt zoeken zoals “Life is d...”. Kunst is dood, God is dood, eigenlijk is alles dood, behalve haat, zelfs de dood is dood. Maar je daarover heenzetten is pas echt de kunst. Hier is dat in de vorm van schoonheid in de kunst (ook dit boek bevat legio verwijzingen naar kunstwerken).

Of door activisme, je inzetten voor vluchtelingen of vrede. Twee decennia vredeskamp van Greenham Common worden van begin tot eind beknopt verteld. “Keer nu terug met me naar een vroege zonnige zaterdagochtend in september 1981”, zo begint die tekst van acht pagina's. Met daarin de politie die invallen doet, de creativiteit van de activisten, de contacten met de militairen. Voor mij herkenbaar vanuit de Vredesactiekampen in het Brabantse Woensdrecht, eveneens gericht tegen de nucleaire kruisvluchtwapens.

Het is de gedroogde rozenknop in Cymbeline een werk van Shakespeare die door Lux – ook al niet gespeend van betekenis –, wordt genoemd als het allermooiste dat ze kent. Cymbeline gaat over getroebleerde relaties, en narigheid, die in harmonie keert.

Voor £ 1,000 speelt Lux stand-in voor Charlotte, de vertrokken vriendin van Art, tijdens het kerstbezoek. Ze is de dochter van Kroatische vluchtelingen, maar wel geschoold in de Britse literatuur. De jonge vrouw die in Londen vrijwel op straat leeft, heeft een positieve invloed op de familierelaties.
 
Charlotte is op de achtergrond hinderlijk aanwezig doordat ze de sociale media van Art tegen hem manipuleert en hij kan er, vanwege een kapotte laptop, niets tegen ondernemen.

Verhaallijnen kruisen elkaar, vaak zonder er teveel woorden aan te wijden. Niet alleen werk van Shakespeare, maar ook van Barbara Hepworth vlecht zich moeiteloos het verhaal in. Sociale en relationele puinhopen lijken zich klaar te maken voor de lente, het volgende seizoen en dito boek

Zie voor andere delen: 
Autumn, Spring en Summer
Er zijn Nederlandse vertalingen.

Volgende bespreking onder foto.

Er zijn boeken die een zo andere invalshoek hebben op een onderwerp waar je zelf ook wel eens tegenaan loopt, dat het is alsof ze niets met elkaar te maken hebben. Dat had ik met Vrouwen van de wind, geschreven door Razan Al-Maghrabi (Razan Naiem Almoghrabi is gangbaarder).

Het is een stad met nauwe kromme steegjes, een oud centrum dat nauwelijks aandacht krijgt. De bewoners hebben er een haat-liefde verhouding mee. Het doolhof staat ook voor de relaties tussen mannen en vrouwen, en vooral tussen vrouwen onderling die bij elkaar koffie drinken (een enkele keer alcohol), roddelen en afgunstig zijn. De roman verhaalt over verweven relaties tussen een aantal vrouwen in een compartimentenflat aan zee.

Het is alsof de oorlog, die kort voor het schrijven begon en tot op heden nog steeds niet helemaal beëindigd is, op een andere plek plaats vond. In vrouwen van de wind gaat het leven gewoon verder. Ze gaan winkelen en praten met de buurvrouwen of zoeken een onderwerp voor een roman.

Als ik van de weeromstuit besluit eens op google streetview te kijken hoe Tripoli er momenteel uitziet dan gaat dit niet. Maar misschien moet ik daar ook niet teveel uit afleiden. In de buurlanden kan je Tunis wel digitaal doorkruisen, maar Alexandrië en Caïro slechts een beetje.

Het is in deze context wel bevreemdend om te lezen over de teleurstelling dat in de manuscripten die een fictieve failliete uitgever nalaat niets geschreven staat over de actualiteit: “alles was gedrenkt in de geschiedenis, niemand dacht aan recente geschiedenis.” Deze roman sluit wel aan bij de ontwikkelingen van vandaag en gisteren. Zo wordt uitdrukkelijk benoemd dat Libië strikte wetgeving kent rond vrouwenzaken. Abortus is bijvoorbeeld verboden en dus moet een van de vrouwen wel naar Tunesië als haar man geen kind meer wil.

Er is sprake van een relatie met perverse seks, een lesbische toenadering, vreemdgaan, kortom een mix van zaken die nauwelijks bespreekbaar zijn in het land. De vrouwen worden kort gehouden door de mannen om hen heen, waarmee ze getrouwd zijn – meer of minder officieel – of waarvan ze de maîtresse zijn. Uiteindelijk hebben die mannen toch de touwtjes in handen en kunnen om het minste of geringste de relatie verbreken, hoe onafhankelijk de vrouwen ook schijnen te zijn.

Er is ook sprake van een Marokkaanse huishoudster, Bahiedja, die zich intelligent een weg door het leven baant. Er zijn veel migranten in Libië die vanwege de olierijkdommen hopen meer te kunnen verdienen dan in het eigen land. Bahiedja echter besluit dat Libië niet het einde kan zijn en dat aan de overkant van de zee een beter leven wacht. Ze verzamelt het benodigde geld en vertrekt met een boot vol vluchtelingen uit Afrika en Irak over de Middellandse Zee. Het verhaal over de beangstigende overtocht wordt vanuit het ruim van het schip verteld. Het was een gruwelijke tocht, maar zonder spanning, want al vanaf de eerste pagina's weten we dat ze zal slagen.

Een boek schotelt je zwart op wit, heel comfortabel, een reis voor. Maar zo'n reis is niet altijd plezierig. Dat kan aan de aard van het verhaal liggen, maar hier is het de taal van het boek die je tegemoet stuitert. Zinnen komen soms uit het niets of gaan nergens heen. Teksten lijken houtje-touwtje aan elkaar geknoopt te zijn:
 
Ter illustratie, pagina 1 sluit af met: “In Tripoli is alles zo weer vergeten. De stad is altijd in beweging, ze kan niet stilstaan, de plekken zijn niet statisch, maar altijd in beweging met een verrassende, onverwachte schaduw. Elke ochtend brengt iets nieuw, sluit oude tradities af en komt met nieuwe moderne gebeurtenissen.” Het is lang niet de enige rammelende tekst. Ligt dit aan de vertaling? Is het een weergave van een andere manier van uitdrukken? Of is dit een illustratie van het feit dat de fictieve schrijfster in het boek zichzelf uiteindelijke niet goed genoeg vindt om schrijfster te zijn en daarom haar documentatie overdraagt aan een vrouw die al wel eens een boek heeft geschreven?

Het boek is op de longlist gezet van de Internationale prijs voor Arabische Fictie in 2011. En werd dus niet in 2015 gepubliceerd zoals in het colofon vermeld, maar in november 2010. Alles voor de verkoop? Of gewoon slordigheid? Die fictieve verschijningsdatum verklaart ook de totale afwezigheid van de oorlog. Die was nog niet begonnen. Een oorlog die daarna letterlijk ook de deur van de schrijfster niet ongemerkt passeerde. Maar ook een onzorgvuldige en minder plezierige reis levert inzichten op waarmee je weer verder kunt. Al is het maar dat je op de dapperheid van een schrijfster stuit.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.

dinsdag 1 december 2020

Boeken in november


Laatst gelezen boek boven. 


***


Het duel
van David Grossman is een boek voor tussendoor. Het heeft wel wat weg van zoi'n zondagmiddagkinderfilmverhaal, waarin een groepje kinderen een misdaad van ouderen oplost.

De misstand wordt hier door David, een jongen van twaalf jaar oud, aangepakt. Hij doet dat niet alleen maar vindt zijn handlangers onderweg.

Het is niet alleen een boekje over David lost het op. Het gaat ook over misverstanden rond leeftijd. Jongens van 12 jaar oud kunnen hun eigen weg zoeken en daar zijn geen typische jongensvriendschappen voor nodig.

Oudere mensen willen niet altijd over het verleden vertellen. Er zijn ook mensen op leeftijd die nog een heden en toekomst zien.

De band tussen jong en oud laat ook zien dat waar de David zijn leven leeft er ook al eerder mensen leefden “met dezelfde opwinding, hetzelfde plezier, totdat opeens het tempo te hoog voor ze was geworden.”

Het duel hapt lekker weg. Het loopt goed af en geeft ruimte aan eigenzinnige bejaarden en atypische jongeren. 

 

***
 
Onvoltooide liefdesbrieven van Michaïl Sjisjkin is een uitwisseling van brieven van twee geliefden: een schrijver op de administratie van het Russische leger en zijn vriendin een medicus in een Russisch zieknhuis. De brieven beschrijven de loop van hun leven. Ze reageren niet op elkaar. Ze ontvangen zelfs elkaars brieven niet.

De man schrijft over zijn opvoeding en zijn dwarsheid. De vrouw – eveneens een dwarse puber – schrijft over haar moeder en vader die ze verpleegt tot aan de dood, over een kortstondig geluk als surrogaat moeder en echtgenote en over haar stuklopende relaties.

Volódjenka gaat net voor het begin van de twintigste eeuw op een militaire missie naar China om zijn leven in te zetten om de Bokseropstand te bestrijden als deel van een Russische bijdrage aan een Westerse alliantie. Sásjenka blijft in Rusland en blijft vooral ook veel langer leven. Haar brieven bestrijken daarom een langere periode.

Het boek heeft een heldere structuur. De brieven van de man, aangegeven met ■ en die van de vrouw ● wisselen elkaar af. De beide stromen hebben een begin in de prille liefde en eindigen aan het eind van het leven. En daarmee loopt de duidelijke structuur spaak.

Volódjenka schrijft over een kort leven dat eindigt tussen Beijing en Tientsin (Tianjin). Hij beschrijft de verschrikkingen van alleen al het wachten op inzet tegen de Boksers. Het klimaat, de kermende gewonden, de afwezigheid van schoon water etc. maken van de legering een hel. Als er gemarcheerd wordt of gevochten dan zijn de gruwelen minstens even groot. Een Franse verpleegster en een Russische sinoloog die optreedt als vertaler maken het leven nog enigszins dragelijk. Maar de verzuchting dat de zin van de dag vooral is dat hij voorbij is, die is om begrijpelijke redenen sterker.

Toch maakt de oorlog de zintuigen Volódjenka scherp, maar ook zijn manhaftigheid. Iedereen heeft het idee dat er doden zullen vallen, maar dat zijn de anderen. “Zonder dit gevoel zouden er waarschijnlijk nooit oorlogen zijn geweest.” Door de intense situatie groeit het besef van de liefde voor Sásjenka, maar ook voor zijn moeder en zelfs voor haar blinde tweede man. Elke dag die voorbij gaat brengt hem dichter bij huis, zo denkt hij bij geveinsde onkwetsbaarheid.

Sásjenka blijft brieven schrijven ook als ze weet dat hij dood is (al op een kwart van het boek). De ■ en ● wisselen elkaar niet in de reële tijd, maar slechts in de vorm af. Haar brieven zijn een soort dagboek om het leven te overzien en te ordenen. Zelfs een aanhef gaat al snel ontbreken. Op het laatst richt ze haar brieven weer wel echt aan haar Volódjenka. Hij schreef tot het eind aan zijn Sásjenka.

De man is bang een laatste onvoltooide brief te zullen schrijven. Zijn leven eindigt inderdaad onvoltooid en daarmee ook de brieven; de zwervende epistels vertellen niettemin hoe twee mensen de liefde jong vonden en hoe die liefde een leven omspande. Het boek gaat ook over mensen om hen heen.

Zo wordt Sonjetsjka, de dochter van een tijdelijke  partner van Sásjenka, in comateuze toestand aangesproken. Die boodschap bevat veel vlijmscherpe zinnen over het leven en de dood om het afscheid mogelijk te maken, zoals deze: “Kijk maar naar dat lichaam van je, daar heb je helemaal niets meer aan. … Het kan niet meer rennen, niet springen,niet tekenen, niet op straat spelen. Wanneer het dood gaat dan is dat in orde.”

Onvoltooide liefdesbrieven zit vol met gedachten en mooie woorden. Ze barsten bijna uit de kaft. Het zal herlezen betekenen om er uit te halen wat het boek wil geven. Al op de eerste pagina, waar de oerknal de vorm van een meloen aanneemt, was er een
wow-gevoel; wat ga ik nu lezen.

De witte kiezel van Han Kang (die de stilte bevat) krijgt hier van Sjisjkin een zusje. Een kiezel die alles ziet en weet en daarmee leidt tot de drietrapsvraag: besta ik voor hem, besta ik wel voor mezelf, wat is dat bestaan? Met als vragende antwoorden: weten dat je er geweest bent, je eigen bestaan bewijzen met behulp van herinneringen? Dat roept dan weer de vraag of of dat is wat in dit boek gebeurt. De steen zal verdwijnen in een meer. Hij laat nog even kringen achter en ook die sterven weg. Net als Volódjenka.en Sásjenka. Ze waren er voor even en zijn aan een touwtje terug de kosmos ingetrokken.

 
***

Grote dieven kleine dieven door Albert Cossery gaat over de kleine dief Oesama. Hij is goed gekleed (net als Cossery zelf) om niet op te vallen als hij steelt van de grote dieven: de politieke en zakenelite van Caïro, die kennelijk mag stelen, omdat ze het in het groot doen. Het verhaal over randfiguren en corrupte elite zou evengoed in een andere metropool kunnen spelen.

Oesama kijkt graag. Hij kijkt naar de mensen op het Tahir plein. Hij kijkt naar de straat die alleen kan worden overgestoken doordat een man met gevaar voor eigen leven voor het verkeer stapt om een doorgang te creëren. Aan de overkant halen de vrouwen een munt uit hun zakdoek om hem te betalen. Oversteker van beroep, ziet Oesama en deze vindingrijkheid doet hem plezier. Het is een voorbeeld van het oog voor mensen aan de marge van de samenleving, die het verhaal tekent.

Ieder hoofdstuk heeft wel een aantal mooie zinnen, zoals deze: “In de waarheid zit geen enkele toekomst, zo lang de leugen grote verwachtingen wekt.” Of meteen al uit het begin, de typering van filosofen die in de schaduw willen leven en menen “dat deze opzienbarende verloedering van de stad speciaal bedoeld was om hun kritisch vermogen aan te scherpen.” Woorden als een jas die velen past. Het verhaal is spottend, grappig en onderhoudend. En je komt nog eens ergens. Niet alleen in het centrum, maar ook op het kerkhof waar de intellectueel Karamalla in het mausoleum op het familiegraf woont. Hij heeft het aan de stok met het gezag en ontsnapt er aan zijn schuldeisers.

Een van de pijlers van zijn filosofie was dat problemen zich altijd vanzelf oplossen als je er geen aandacht aan besteedt. Hij was helemaal niet terneergeslagen omdat hij op een begraafplaats woonde, maar het vervulde hem van geluk, als het begin van een wonderbaarlijk avontuur. Het beviel hem om tussen een rebelse bevolking te wonen, levenden en doden door elkaar, die zich niets gelegen liet liggen aan welk gezag dan ook.”
Een grote dief zal uiteindelijk aan het kortste eind trekken in het verlopen Spiegelcafé waar hij vreugdevol in zijn hemd wordt gezet. Het verhaal begon op een ander terras dat van Café Cosmopolite, dat vroeger grandeur had, inmiddels sjofel is, maar wel met uitzicht op de 'Notabelenclub' waar Oesama de klanten voor zijn vaardigheden naar buiten ziet stappen. Het beeld van de dief op het teras doet denken aan de foto op de box met het verzameld werk van Cossery.

Vertaalster Mirjam de Veth geeft in het nawoord een beeld van het leven van Cossery die ze een paar maal in Parijs ontmoette. Door het uitgeven van zijn eerste boeken in Frankrijk kon hij naar die stad verkassen. Daar leefde hij meer dan zestig jaar in hotel Louisiane, in een intellectueel en kunstzinnig klimaat. Het nawoord is een fijne toevoeging aan zijn laatste boek (1999).

***

De dwaas van Palmyra door Jan van Aken is een verhaal dat speelt in de tweede eeuw na Christus met in de hoofdrol Damis, een volgeling van wijsgeer Apollonius van Tyana. Voordat hij leerling werd, was Damis tapijtverkoper in Niveve, in dienst van zijn brute oom. 

Damis leerde Grieks en legde zijn reis met de wijsgeer naar India vast op papyrus. Sindsdien sjouwde hij deze deze enorme vracht – hoofdzaken van bijzaken scheiden kon hij niet – met zich mee. Door een gebroken been kon hij de Griek niet meer volgen op het laatste stuk van de terugtocht. Afgesproken werd dat hij eerst zou genezen en zich later weer zou aansluiten.

Bij het inschepen op die reis achter Apollonius aan was het mistig en Damis stapte aan boord van het verkeerde en langzamere Egyptische zeilschip, de Eurynome. Hij kwam daar pas achter toen ze al buitengaats waren. Aangezien het schip wel zijn gewenste reisroute volgde, besloot hij mee te varen.

Tijdens een storm wordt een deel van zijn papieren nat en de inkt loopt uit. Toen hij er door een passagiere naar gevraagd werd, bleken er nog verhalen in zijn hoofd te zitten over de reizen. Hij dacht deze vergeten te zijn, nadat hij ze tot in detail opschreef. De vraag is of hij ze zich herinnert zoals ze gebeurd zijn. Fictie en verbeelding weven zich door de werkelijkheid net als in de beschrijving van het leven van de echte Apollonius. Wie is de dwaas in het verhaal eigenlijk?

Hoewel er flink gereisd wordt in de verhalen van Damis op het dek het Egyptische zeilschip gaan die reizen voor mij niet leven. Het boek gaf me het gevoel een toneelstuk te lezen met een beperkt aantal personages. Het decor op het toneel wisselt tussen achterdek en verbeelding. Het sluit zelfs af met een scene in een tent, op dat achterdek, die op een bonte avond na een vakantiekamp zou passen. Toch is er weinig mis met een mooi toneelstuk, incluis een tragikomische uitsmijter en een clou aan het eind.


***

In Rouska van Clare Lennart speelt een rode kater met die naam een hoofdrol. Of eigenlijk een zeer aanwezige rol op de achtergrond, beschouwend, levend en luierend. Meestal met een geringschattende blik op de menselijke drukte.

Rouska wordt gepubliceerd in 1949 als ook Twee Negerpopjes van Lennart verschijnt, het boekenweekgeschenk van dat jaar. De schrijfster is dan vijftig jaar en actief in literaire kringen en journalistiek.

In het boek gaat het om kleine dingen: een straatje met auto's; een witte poes in het raam die de honden uit de straat houdt; de stilte; onwereldse zonderlingen die zolderkamers bewonen; het binnenste van een petunia; een hele zigeuner familie die een mooie zonnige kamer betrekt; en de schoonheid van het geluid van tegen elkaar tikkende knikkers. “Het leven is gecompliceerd. Veel ervan gaat langs ons heen,” het klikken van knikkers kan ons daarom gemakkelijk ontgaan.

Kleine dingen spelen een belangrijke rol, want niet alleen het kleine meisje dat haar empathische stiefvader en kat verliest, voelt zich als een huiverend bloemetje dat bloeien moet in de sneeuw, door het hele boek heen zoeken personages naar dauw die verzoent met het leven.

De blik naar het binnenste groen van de petunia op het plat achter het huis leidt tot een lichte schok vanwege het besef gelukkig te zijn. Maar aap deze truc niet na door de planten op je dakterras te zetten, want: “Het geluk is een zeer groot artiest. Het herhaalt zich nimmer. Kattten lijken er voor geboren te zijn.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken. De omslag is gelijk aan die van de uitgave die ik las.