dinsdag 15 juli 2025

Als ik bij voorbeeld, de geest van mijn moeder op de rand van mijn bed zag zitten

Als ik bij voorbeeld, de geest van mijn moeder op de rand van mijn bed zag zitten,
is de lange titel van het boekenweekgeschenk voor 1974. De titel is een citaat uit het werk van Louis Couperus. De naam van die schrijver siert de uitbundig opgemaakte kaft. Op het titelblad staat meer accuraat dat het geschenk 'okkulte knipsels uit Couperus [werk] verzameld door Karel Reijnders' bevat.

Zes jaar eerder had Reijnders een lijvig proefschrift geschreven:
'Couperus bij Van Deyssel. Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities.' Hij promoveerde er cum laude op. Nu de Haags Indische schrijver een halve eeuw eerder het aardse leven had verlaten was het tijd om de kennis van Reijnders in te zetten om een speciale boekenweekuitgave te schrijven. Het onderwerp werd zijn omgang met het para-normale. In Couperus tijd was het occultisme in de mode en dat raakte ook in de jaren zeventig weer in zwang. Couperus was gevoelig geweest voor die mode, maar was ook serieus geïnteresseerd en beïnvloed. Ondanks dat nam hij zichzelf ook weer op de hak. “Schaamt hij zich over wat hij gelooft,” vraagt Reijnders nadat Couperus zijn overpeinzingen over de mens en het getal met een weer op losse schroeven zet. De Haagse schrijver zelf overweegt (nadat hij tot de bij-god Amida heeft gebeden en dat niet durfde te zeggen): “Ik schaamde mij...Zoo zijn wij!”
 
Na het weergeven van een kindergebedje uit de kinderjeugd van Louis, dat afsluit met de regel: 'Heere, bewaar mij voor de Zwarte Kunst!' en een geheimzinnige genezing in de Italiaanse bergen komt de lezer al snel in de mandi (was) ruimte van de Nederlandse bestuursambtenaar Otto van Ouddijck en zijn“mooie en wispelturige echtgenote” Léonie terecht. De vrouw wordt in de badkamer onverklaarbaar bespuwd met rood sap, als dik bloed of als het rode sap dat wordt uitgespuugd bij het kauwen van de betel steenvrucht (sirih noten). Het zou een bekende en spraakmakende scene worden uit de televisie uitvoering die er in 1974 van op de Nederlandse televisie kwam met de Pleunie Touw als Léonie.

In
Oostwaarts beschrijft hij dat de inlandse bevolking van de Nederlandse kolonie in de Oost meer had met occulte krachten dan met het verwerven van kies- en andere rechten; “Zijn kinderlijkheid [van de plaatselijke bevolking] zal nauwelijks weten wat met deze rechten te doen.” Deze paternalistische tekst schuurt en redeneert naar de belangen van de eigen groep, maar tegelijkertijd zoekt Couperus vanuit zijn bevoorrechte positie als koloniaal ook naar wat de – in dit geval – Javaan zou bewegen. Het komt tegelijkertijd wel goed uit dat de olie wordt gewonnen met Westerse tovenarij waar de inlander geen kaas van heeft gegeten. Voor een fooi wijst die wel waar de minjak (olie) te vinden is.

Maar uit het boekje blijkt dat hij ook in Japan en Italië zo observeert en het volk ook daar zijn plaats geeft, tegelijkertijd zowel uit de hoogte als midden tussen hen in. In het Italië van begin zestiende eeuw beschrijft hij de dood van Paus Alexander VI – uit de Borgia familie – als zijn twaalfjarig pact met de duivel ten einde komt. Italië en de duistere mystiek komen meer aan de orde in het werk.
 
     In Nederland beschrijft hij onder andere over zijn arme vriend Herman die door zijn armoede gebrek leidt. Coupreus is op die plaats ook in staat tot zelfreflectie door te stellen dat je het sterven van armoede niet voor kan stellen als je leeft in welvaart, dat
“gebeurt niet in zekeren stand.” Maar het overkwam wel de vrouw en de zoon van Herman. Als een voorspelde brief met een erfenis iets eerder was gekomen dan had de vriend zijn gezin kunnen redden, zo is niettemin met of zonder opzet, de sociaal bewogen moraal van het verhaal, maar de oplossing ligt wel buiten de aardse werkelijkheid.
     In welk land
het behekste dorp ligt waar de gnomekikkers, polyp-achtige larven leven en fosforraampjes te vinden zijn, wordt niet bekend gemaakt. Maar zo langzamerhand snap je dat Couperus overal de Stille en minder stille Krachten tegenkomt.

In het artikel Het getal (Haagse Post 3 februari 1917*) – opgenomen in het geschenk, beschrijft hij waarom bij-geloof (voor hem) aantrekkelijker is dan het enkel-geloof:
“De Bijgeloovigheid is de mystieke poëzie voor onze tastende, dwalende zielen; de Bijgeloovigbeid is de wondere tuin der vreemde vreezingen en radingen en berekeningen, die ons verfijnen onze fijnste zintuigen: die zintuigen, die achter onze onzichtbare zintuigen schuilen. Laat vrij de enkel-geloovige smalen op den bijgeloovige; laat vrij hem zeker zijn van zijn geloof en ontkennen wat wij, nederiger dan hij, zoeken en door verre glanzen verblind, willen aantasten in de even oplichtende, vreemde dreven der bestaanbaarheden en gebeurlijkheden, die om ons heen schijnen te bloeien, te zweven, te schemeren, te dansen met schimmen en schijnsels, die wij niet kunnen verklaren, maar toch gevoelen, dat niet zonden wemelen zoo er niet iets van waarheid was aan hun wezen, dat de enkel-geloovige als leugenen lastert ... en wij zullen vermoedelijk, wij bij-geloovigen, wij arme, gesmade bijgeloovigen, làter, op éénmaal iets voelen, weten, zien, dat onzen smader verholen blijft.”

Je komt in het boekje heel wat vreemde woorden tegen, zoals zwapperden en marren. Het eerste doen de vleermuizen (met hun vleugels, vermoed ik) en het tweede betekent treuzelen (hier op de drempels naar de dood der sferen). Voor wie in onbruik geraakte woorden boven wil halen is dit geschenk, en het werk van Couperus in het algemeen, een rijke bron.
     Je kan de man nooit meer lezen, als voordat je deze verzameling van zijn zonderlinge ideeën kende. In die zin is het niet alleen een curieus boekje, maar zeker ook waardevol. Bovendien stond Couperus in het jaar dat het verscheen door De Stille Kracht volop in de belangstelling.

Noot:
* De tekst verscheen later
in de Deli Courant (juni 1917, voor de zekerheid heb ik hem nog een keer gecontroleerd, omdat ze zo haperend geschreven lijkt) en werd in 1920 weer opgehaald in de Tilburgse Courant met een ironische verwijzing naar het orakel Couperus. 




vrijdag 11 juli 2025

Waar was je nou

Waar was je nou is onmiskenbaar een boek geschreven door K. Schippers. De man fileert wat hij waarneemt. Hij onderzoekt zijn observaties bijna alsof het exacte wetenschap is. Wel eens stil gestaan bij de weinig actieve inzet van de pink. Hij wappert maar wat mee, dat luxe kleine ding.

In dit boek stapt de auteur in de wereld van de jeugdfoto's. Je kan er naar kijken en vertederd je tante zien of de zinken teil in de tuin waar je op een warme dag in mocht badderen. Je kan je ook verliezen in de details, zoals hier de broche in de vorm van een papegaai en gemaakt van blauwe steentjes en een robijn op de kop, of de personages, het gedrag van de buurman of buurvrouw.

Hoofdpersonage Ruud vindt een manier om die foto's binnen te stappen. Hij gaat precies naar de plaats waar is afgedrukt en verdwijnt van daar de foto in. Hij kan zelfs praten met de mensen van toen, door de straten lopen, kortom handelen, en er nieuwe contacten op doen.

De tweede keer gaat hij samen met zijn zus Trudy. Ze worden wegens te
Kodak 620

uitbundig lachen meegenomen naar het politiebureau, rennen er weg en ontsnappen nog net op tijd uit de wereld van toen naar die van nu. Zijn zus vindt het zo genoeg, het is een vertelsel. Voor hem staat het vast dat van de twee camera's die zijn moeder had, een Kodak 620 en een Reflecta,
het de eerste moet zijn geweest die als wondertoestel werkte en waarmee de foto's zijn gemaakt die het magische tijdreizen mogelijk maken. Zo wordt dat toestel een soort sprookjesattribuut.


Wat vast staat is dat de foto's tot in detail worden bekeken, geproefd en beleefd. Maar het boek gaat verder dan dat. Het speelt een spel met de tijd. Misschien doet fotografie dat vaak, maar hier gaat het verder. Het is als in de tango die ook opduikt in Waar was je nou. Violist Fernando Suarez Paz speelt die Argentijnse muziek met verve. En is de tango niet ook een losse omgang met tijd, ruimte en ondanks de strenge afspraken over muziek en beweging een spel met de conventies.

Over conventies gesproken. De elfjarige Ruud is verliefd op de twee decennia oudere vriendin van zijn moeder. Zij vindt hem leuk. Hij ontmoet haar weer door de stap terug naar zijn jongensjaren. Hij komt bij haar in bed terecht en ze liefkozen en dat spel eindigt plots, als Ruuds moeder Chris roept. Voorlopig? Chris speelt een doorslaggevende rol in Ruuds omgang met de tijd. Misschien is ze wel de drijvende kracht achter de magie; heeft ze zijn leven op zijn kop gezet.

Het boek kreeg in 2006 de Libris Literatuur Prijs. Uit het juryrapport haal ik:

“Schippers beoefent een verlicht realisme waarin de dingen moeiteloos van plaats en betekenis veranderen terwijl ze toch hun gewone vorm en kleur behouden. De intrige bestaat uit dagelijkse, bijna achteloze handelingen, het wegleggen van een sleutel, het staren naar een raam of een etalage, een wandeling over het strand. Een mondharmonica, een vlieger, een paar schoenen of een bril zijn de requisieten. Maar alles verdubbelt onder de handen van de schrijver. Decors worden een omgeving. Reclameleuzen of flarden van een lied werken als toverspreuken. Voorwerpen nemen een persoonlijkheid aan. Kleuren wisselen en verschuiven. Truc of magie? Bij Schippers doet dat onderscheid er nauwelijks toe.”

En de broche speelt in dit alles mee. Of liever: de twee broches, de echte en een nagemaakte variant ervan. Ruud wil de papegaai meenemen naar zijn tijd, maar voor het evenwicht moet hij er dan ook een achterlaten. Hij laat er een namaken, want je kan immers niet iets aan de tijd de tijd onttrekken. “Het is de kinderlijke logica van een sprookje, dat voelt Ruud ook wel. Hij kan niets anders verzinnen en hij weet niet eens zeker of het wel werkt.” Inderdaad, maar misschien geldt dat je niets aan het verleden mag onttrekken ook wel als je een andere versie achterlaat.

Het boek eindigt in de tijd van nu, waar de tijd van toen in beweging wordt gezet,
“(...) altijd in beweging.” Wat na het lezen van die drie laatste woorden van het boek overblijft, is dat je anders naar de voorwerpen om je heen gaat kijken. Makkelijk leesbaar is het niet, het wonderlijke, het associatieve, het komen en gaan van personages (zelfs door tijden heen), het biedt moeilijk houvast, maar die andere blik die je ervoor terug krijgt is een groot cadeau.

zondag 6 juli 2025

Geheime verenigingen en Buitenlandse Zaken en Militair beleid

De aankondiging van het boek Onder Ons dat is geschreven door Birte Scholhaus en Bas van Beek maakte nieuwsgierig over vriendenclubjes van en voor de elite. Wie zitten er in de vijf beschreven genootschappen, waar komen ze vandaan en wat doen ze? Ik bestel het dan ook meteen. 

De auteurs vroegen zich meteen in het begin af of Mark Rutte lid is? Mijn vraag richtte zich op het belang voor militair en buitenlands beleid. Club Rotterdam werd bijvoorbeeld opgericht om een ​​kanaal van Antwerpen naar de Rijn te blokkeren, omdat de Nederlandse havenelite vreesde dat het kanaal hun positie zou verzwakken. Buitenlandse betrekkingen en handels- en industriebeleid kwamen samen en creëerden de geboorte van de Club.

Een van de belangrijkste posten op het vlak van militaire internationale betrekkingen is de functie van secretarissen-generaal van de NAVO. Daarvan kwamen er sinds de oprichting vier uit de Nederlandse politiek: Dirk Stikker (1961-1964), Joseph Luns (1971-1984), Jaap de Hoop Scheffer (2004-2009) Mark Rutte (2024-heden). De eerste drie waren eerder minister van Buitenlandse Zaken geweest en Rutte zelfs een lange periode premier van Nederland. En ja, alle vier zitten ze bij de bijna 1200 vermeldingen1 van namen van leden van vijf verschillende verenigingen van invloedrijke mannen (en sinds deze eeuw eindelijk ook vrouwen) uit voornamelijk economische en politieke, maar ook wetenschappelijke en medische eliteposities.



De journalisten van Follow the Money onderzochten de verenigingen: De Tafelronde (opgericht in 1900), De Pijp (opgericht in 1926), De Schoorsteen (opgericht tijdens WO II), De Haagse Schouw (ook tijdens WO II) en Club Rotterdam (opgericht in 1928). Alle vijf de clubs hebben een verschillende geschiedenis. Maar hoewel elk zijn eigen kenmerken heeft, zijn er ook overeenkomsten. Ze bestaan lang, hebben een exclusief lidmaatschap en praten niet over hun activiteiten met buitenstaanders.  

Kasja Olongren, Minister van Defensie (2022-2024) onder Rutte is lid van de Ronde Tafel. Haar woordvoerder vergeleek dit lidmaatschap met dat van een tennis- en schaakclub. Het lidmaatschap is in andere woorden dus onbelangrijk en daarom wilde ze er niet over praten. Het bagatelliseren van het belang van de netwerken komt herhaaldelijk terug. Dit ondanks – of misschien juist door – de geheimhouding van het lidmaatschap en zelfs van de vergaderplekken, de afgesproken zwijgzaamheid en het interne selectieproces. Dat ze als niet bijzonder beschouwd worden, klopt juridisch gezien, en ze vallen dan ook buiten de officiële controle. Tegelijkertijd is niet te ontkennen dat ze veel belangrijker zijn dan cadeaus en extra banen die wel gemeld en gecontroleerd moeten worden, zo merkte wetenschapper Willeke Slingerland op in
Onder ons. En ondanks de cultuurverandering in die verenigingen door de internationalisering van de industriële kringen, is vertrouwelijkheid nog steeds een belangrijke reden om lid te zijn en een bieden ze een plek om zonder persaandacht te praten en te overleggen.

Ollongren was niet de eerste minister van Defensie die lid was. Hoewel haar voorgangers de functie halverwege de 20e eeuw hadden (Sim Visser (1959-1963), Hans de Koster (1971-1973) en Piet de Jong (secretaris 1959-1963 en minister 1963-1967). De Jong was tot aan zijn dood in 2016 vanweghe zijn levensloop een boegbeeld voor de Nederlandse onderzeeboot adepten). Ministers van Buitenlandse Zaken waren in grotere getale lid. Naast de drie die later secretaris-generaal van de NAVO werden, waren dat ook Eelco Kleffens (1939-1945), Jan Herman van Roijen (1946), Dirk Uipko Stikker (1948-1951) en Ben Knapen2 (2021-2022). Naast leden van de regering worden ook de hoogste ambtenaren als leden vermeld, evenals diplomaten, militairen met een hoge rang binnen de NAVO en binnen de top van de Nederlandse strijdkrachten, commandanten van lokale bases, de
President van het Hoog Militair Gerechtshof en een lid van de commissie van toezicht over de geheime en veiligheidsdiensten (CTIVD). Kortom, de crème de la crème van de buitenlandse politiek en militair beleid.

Personen afkomstig uit militaire bedrijven zoals Thales Nederland, Eurometaal, De Kruithoorn, Muiden Chemie etc. ontbreken in de vijf verenigingen. Van Damen/De Schelde zijn wel drie belangrijke personen lid via Club Rotterdam. De Nederlandse militaire industrie produceert verder meestal geen complete grote wapensystemen (op enkele uitzonderingen na) en geen munitie, maar voornamelijk componenten en technologie voor tweeërlei gebruik. En zoals veel militaire bedrijven wereldwijd produceert ze zowel voor de militaire als voor de civiele markt.3
    Hoewel Fokker – en zijn huidige afsplitsingen – een aanzienlijke militaire productie hadden en gedeeltelijk nog steeds hebben, staat het bedrijf toch vooral bekend om zijn civiele vliegtuigen uit het verleden. Het luchtvaartbedrijf had een paar hooggeplaatste personen in de verenigingen.
    Stork begon als producent van gereedschappen voor de textielindustrie in Oost-Nederland en is de initiatiefnemer van de Ronde Tafel (die volgde op de oprichting van de gevestigde Vereniging van Nederlandse Werkgevers (VNW) en een eigen krant om de maatschappelijke steun voor de positie van de arbeidersbeweging tegen te gaan.) Bijna een eeuw later werd Stork een van de centrale bedrijven in aanvangsfase van de JSF/F-35-productie en terwijl Fokker een gering aantal leden had in de bewuste Old Boys netwerken, was Stork al vanaf het begin stevig aanwezig, zoals Jan Hovers, die een sturende rol had ten tijde van de JSF-debatten en lid was van De Schoorsteen. 

Ir. Woltjer op de foto i.v.m. omstreden duikbootorder.
Mei 1967. Foto: Ary Groeneveld.

Op nautisch vlak was er de aanwezigheid van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij in Club Rotterdam ten tijde van de aanschaf van Nederlandse onderzeeboten. Wilton Feijnoord kon ook vertrouwen op zijnbestuurslid Woltjer in Club Rotterdam, toen de werf de export van onderzeeboten naar Zuid-Afrika plande, terwijl dit land nog onder de Apartheid zuchtte. Nauwe banden zijn waardevol in dergelijke controversiële gevallen. De deal strandde ondanks dit toch, maar het bedrijf zou later wel onderzeeboten naar Taiwan exporteren.
    Bovendien is er een reeks bedrijven met een hoog aantal personen in de verenigingen. Ze hebben vaak een  connotatie met civiele productie, maar hebben ook een uitgebreide militaire productie (gehad), produceren producten voor militair en civiel gebruik, of maken strategische producten, zoals AKZO, ASML, Draka, Hoogovens (nu Tata Steel), Philips, Siemens, Ten Cate, Van der Giessen-de Noord, Van Rietschoten & Houwens.4

Follow the Money heeft ook een database met onderwerpen voor de bijeenkomsten op haar website. Er zijn er verschillende over het conflict in het Midden-Oosten en ook over buitenlands beleid in het algemeen. Er zijn verscheidene lezingen over de NAVO door bijvoorbeeld Ben Bot (1983, later minister van Buitenlandse Zaken (2003-2007), en daarna een controversieel lobbyist) en door Joseph Luns (1976, 1980) en Ben Knapen (1990). Maar de meest betekenisvolle is de inleiding van Prins Bernard tijdens een bijeenkomst in De Schoorsteen (1957, destijds echtgenoot van Koningin Juliana) over productieproblemen binnen de NAVO. De Prins was betrokken bij gesprekken over militaire aankopen, en werd pas later gedwongen zijn militaire uniform aan de wilgen te hangen, als deel van een minimale straf die hij kreeg na het omkoopschandaal van Lockheed/Northrop.

Het belang van de geheime clubs neemt af en ze hebben moeite om jongere en actieve leden aan te trekken, merkten de auteurs op. De elite lijkt minder interesse te hebben in dit soort contacten en richt zich meer op zakelijke kansen en concurrentie boven de hoffelijkheid van vriendenclubs. Een student concludeerde in haar scriptie dat het de verschuiving van het Rijnlandse naar het Angelsaksische model laat zien. Door de afnemende animo worden de clubs ouder en minder actief; van de 1.100 personen in de FTM-database zijn er slechts 39 geboren in 1970 of daarna. In de lijst van 74 personen die ik selecteerde voor Militaire Industrie, Buitenlandse Zaken en Militaire Zaken, zijn de jongsten Mark Rutte en Kasja Ollongren, beiden geboren in 1967, maar beiden zeker ook nog belangrijk gezien hun invloedrijke posities. Alleen het feit dat de laatste drie premiers vóór de onlangs gevallen premier Schoof (Kok, Balkenende en Rutte) allemaal lid waren van de Ronde Tafel, toont het belang dat er ook recentlijk nog aan gehecht wordt aan. Intern is een beleid gaande om nieuw leven in te blazen aan de geheime clubs. Maar voor de captains of industdry is het is slechts één van de vele mogelijkheden voor nauw contact tussen personen in het Militair Industrieel Complex, dat mede door de gemeenschappelijke handelsmissies, productiesamenwerking, lobby, werkbezoeken etc. goed georganiseerd is en waar banden met de Regering en overheid sterk ontwikkeld zijn. Maar ook de 19e-eeuws aandoende clubs spelen nog steeds een rol bij het versterken van de contacten en het verspreiden van informatie. Om grip en controle te krijgen op deze organisaties zou hun lidmaatschap en de aan de besproken onderwerpen openbaar moeten zijn.

Het boek Onder ons geeft de grote lijnen en de database extra informatie. In het boek komen de machtspolitieke zaken er wel bekaaid af (bij Luns wordt niet eens zijn functie binnen de NAVO opgemerkt). Maar een zoektocht door de deelnemers aan de genootschappen laat veel prominenten uit de wereld van de buitenlandse, militaire en militaire industriële wereld zien. Het onderzoeksproject levert zo een bijdrage aan het onderzoek naar de netwerken van de elite, ook op dit terrein, en het is vlot geschreven bovendien.

Noten:
1 Dubbele lidmaatschappen van de vijf onderzochte verenigingen zorgen ervoor dat 113 namen voor een tweede, derde of zelfs een uitzonderlijke vierde keer voorkomen. Voor een personenlijst moeten ze van het totaal worden afgetrokken. Dat betekent dat de ingangen in de database bijna 1100 individuele namen beslaan. Van 21 personen is bekend dat ze een of meer andere lidmaatschappen hebben, maar de namen daarvan worden niet vermeld.
2 Knapen was eerder hoofdredacteur van NRC-Handelsblad en lid van de Ronde Tafel. Een columnist van de krant schreef (18 oktober 1990) dat Israëlische journalisten binnen en buiten Israël zelfcensuur toepasten na de moord op 18 Palestijnen door de Israëlische strijdkrachten op de Tempelberg. Hierna werd Knapen door Ernst van der Beugel, lid van de Ronde Tafel en voormalig minister van Buitenlandse Zaken, dringend geadviseerd om een ​​nieuwe "Auswitz revisited" te voorkomen en de positie van de columnist te beëindigen. Zo niet, "dan zullen ik en gelijkgestemden alles doen wat mogelijk is om hetzelfde doel te bereiken, met andere middelen, binnen de lijnen die mij ter beschikking staan." Van der Beugel schreef dat hij dit aan de Ronde Tafel wilde bespreken, maar omdat Knapen niet aanwezig was, schreef hij een brief. Knapen deed wat hem gevraagd werd en beschouwde dit pas zes jaar later als een beginnersfout.
3 In de top 100 van Defense News produceren slechts tien bedrijven 100% militaire producten en van de tien grootste militaire producenten hebben er vier een militaire omzet van minder dan 50%. https://people.defensenews.com/top-100/
4 Fouttief gespeld als Van Rietschoten & Kouwens in de FTM database. 

For a version in English see here. 


vrijdag 4 juli 2025

Herinneringen van een bramzijgertje

Herinneringen van een bramzijgertje* door Jan de Hartog is het boekenweekgeschenk voor 1967. Op de kaft staat een viertal botters, zoals je ze nog wel ziet op het water van de voormalige Zuiderzee en die gebouwd worden op daaraan gelegen werven.**

De herinneringen van een bramzijgertje is een boek over het verdwijnen van de Zuiderzee en van de haringvangst in dat water. Het afsluiten van deze binnenzee is een van de grote veranderingen van de vorige eeuw in het Nederlandse landschap. Het volgende lange citaat uit hoofdstuk 8 laat zien hoe ingrijpend dit werd ervaren en tekent bovendien de jongen in het vooronder:
“De mannen spraken over de armoede die hun te wachten stond zodra de Afsluitdijk klaar zou zijn. Ik had dikwijls over het sluiten van de dijk gehoord maar er nooit over nagedacht; het lag zo ver in de toekomst dat het even onwerkelijk had geschenen als de dood. Die avond hoorde ik dat de eerste stap gedaan was; de dijk tussen West-Friesland en Wieringen was een week geleden klaargekomen. Hij maakte nog niet veel verschil. De haringscholen waren nooit tussen het eiland en de vaste wal doorgezwommen omdat het er te ondiep was, maar toch, het was de eerste stap, één achtste van de afstand. Als de vissers van de Zuiderzee de rest van de dijk zouden laten doorgaan dan was het met hun broodwinning, hun schepen, hun dorpen en het zuivere geloof gedaan. Dan zouden de goddeloze filistijnen van Amsterdam, die hoer op de wateren, de overhand krijgen en de geest en de zeden van hun kinderen verderven. Er moest iets gedaan worden, zeiden de stemmen; wat er ook gebeurde, de vissers van de Zuiderzee moesten laten zien dat het hun ernst was, dat zij zich niet zouden laten knechten, dat zij hun levenswijze en het geloof hunner vaderen zouden verdedigen tot de laatste man, zoals de kinderen Israels dat hadden gedaan. Het ging niet om financiële compensatie, zoals de heidense regering in Den Haag dat noemde, het ging erom dat wanneer die dijk eenmaal gesloten was, de ziel en de zeden van kinderen, grootgebracht in godsvrucht, vergiftigd zouden worden door goddeloosheid, hebzucht, al de vleselijke lusten van die steden, haarden van zonde, geverfde lippen, schouwburgen en stoomtrawlers. Er stond hun maar één ding te doen: zodra een stuk van die dijk klaar was zouden zij er met zijn allen met ijsbommen op af moeten zeilen om met de hulp van de Heer der heirscharen het helse ding op te blazen dat de kluiten neer kwamen tuimelen op dat Babylon aan het IJ.
     (...)
    Het was geweldig opwindend en tegelijkertijd was er iets verdrietigs aan, want tot dusver waren voor mij de ergste vijanden de Roomse zeerovers van Volendam geweest, voor zó lang, dat ik aan ze gehecht was geraakt. Ik viel in slaap, terwijl achter het beschot de mannenstemmen gromden.”
Een bramzijgertje is overigens een jongen die jonger is dan veertien jaar en daarmee volgens de wet te jong is om opvarende te zijn. Het waren dus, zo jong ze waren, illegale opvarenden. Ze worden ook wel zeemuis, bijlopertje, slobbetje of lemmantje genoemd; ieder dorp had er een eigen naam voor. “Bramzijgertjes groeiden op tot zeuntjes of verdronken.”

In het verhaal is een sage verwerkt over een geliefde die haar man wil vinden en daarvoor haar ziel verkoopt en veranderd in een meermin. Uiteindelijk zwemt ze rond Emmeloord, de plaats die onder de golven zou verdwijnen, om hem terug te vinden. Het sprookje wordt verteld door de beste leugenaar van allemaal. Die leugenaars waren mannen die voor een kruik jenever verhalen vertelden.
    Als het nieuwe Emmeloord als stad in de polder wordt opgebouwd ziet het voormalige bramzijgertje dat het land dat eens water was ook goed is: er was niets verloren
“alleen was een kinderzee veranderd in een kinderland.”

Het duurde even voordat weer bovenkwam dat Jan de Hartog de schrijver van Hollands Glorie was dat in 1977 verfilmd werd met de sleepboot de Furie in de hoofdrol.
    Het geschenk sluit af met een vier pagina's lange biografie over de schrijver. Hij was de zoon van theoloog en hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam en Utrecht Arnold Hendrik. Zijn moeder, Lucretia Hartog-Meyes,*** was schrijfster van onder andere middeleeuwse mystiek werk. Op zijn tiende liep Jan weg van huis en werd als zeuntje actief op de Zuiderzeevloot, zo vermeld deze tekst (wiki wijdt er verder over uit en geeft meer achtergronden, onder andere dat hij vanuit een pleeggezin
in Huizen ging varen. Zijn moeder was in die tijd langdurig opgenomen in een sanatorium met tuberculoze en vader kon de opvoeding niet aan daarom was hij ondergebracht bij een vishandelaar in dit stadje aan de Zuiderzee.)
      Veel van zijn boeken gaan over het varen. Hij zou uiteindelijk in 2002 in Houston overlijden, een stad waar hij begin jaren zestig activist werd tegen misstanden in het Jefferson-Davis ziekenhuis.


Noot:
* 'Herinneringen van een bramzijgertje' is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, scan, txt of als epub.
** Ze zijn net als de overige illustraties van de hand van Mart Kempers.
*** A View of the Ocean, gaat over de dood van zijn moeder Lucretia, die in 1961 is overleden. Arjan Peters schreef er in de Volkskrant een pracht van een recensie over: Vogelkopje op een te groot kussen, 7 december 2007.