vrijdag 26 december 2025

Orropa

Orropa van Safae el Khannoussi kreeg ik voor mijn verjaardag. Gedeeltelijk speelt het hier om de hoek. Tapas eten in de Marnixstraat. Het moet dat zaakje zijn tegenover de kapper. Er zijn koffieshops door de stad, een kebab tentje op de wallen, een wasserette in de Van Hallstraat, een huis in de Rivierenbuurt en het nachtleven van het schuim van de stad. De schrijfster is net dertig en leeft in een andere stad, in een ander Europa, dan ik. Ze zoekt naar het 21e arrondissement dat overal en nergens bestaat. Ook in Amsterdam. Het is een ruimte waar mensen hun eigen leven in de marge leven.

Amsterdam ligt ruim 400 km van Parijs, maar ook daar is een drankhol en leven mensen op straat. Anderen komen van een continent verder, uit Casablanca, Tanger en Tunis. En al die werelden lopen in Europa door elkaar heen. Zo kan een man in dat naar de drank stinkende Parijse café vertellen hoe een keurige, gelovige Marokkaanse taxichauffeur ertussen werd genomen door zijn echtgenote en door de vrouw die hij juist wilde helpen. 

Tanger
De schrijfster zelf kwam op haar vierde vanuit Tanger naar de Amsterdamse Rivierenbuurt. Van een leven in een grote familie, die in verschillende huizen leefde, naar het leven in een gezin achter gesloten deuren. De Tangerse wijk waar ze vandaan komt wordt soms Essaada genoemd en soms Bni Makada (verklaarbaar, want het eerste is een deel van het tweede gebied). Zelf ging ik in die wijk (een paar honderd meter van Essaada vandaan) in 1986 mijn bovenbuurman opzoeken, waarvoor ik wel eens een administratief klusje deed. Ik was toch in de Marokkaanse havenstad. Ik vond hem niet, maar proefde wel de ongemakkelijkheid rond die misplaatste Europeaan aan de rand van de wijk.
     El Khannoussi ging naar het Amsterdamse Lyceum, Studeerde Filosofie en onderzoekt nu Marokkaanse gevangenissen onder het regime van koning Hassan II vanuit een koloniaal en post-koloniaal perspectief. 

Schilderen
Orropa beschrijft het macabere Marokko van de jaren zeventig en tachtig. De beul – die later in Amsterdam ging wonen – vraagt in Marokko aan een binnenkomende gevangene (studente geneeskunde) of ze het binnenste van een menselijke schedel kende. Hij wel. De man vroeg zich dan ook af hoe zich in die smurrie een gedachte kan vormen. Salomé Abergel is die studente. Ze zou na verloop van tijd door haar Joodse identiteit en Israëlische bemiddeling uit de gevangenis gehaald worden. Als dank vertrekt ze niet naar Israël, maar gaat naar Amsterdam.
     In de gevangenis tekende ze al portretten van haar medegevangenen. In Amsterdam zal ze een gevierd schilderes worden, die de pijn uit de kerkers verwerkt in verf. En plots zal ze ook weer verdwijnen. Ook haar schilderijen gaan op in rook. Een tentoonstelling ervan zal er door mislukken. Rond die verdwijning van werken en maakster draait de plot. Maar eigenlijk is die niet belangrijk.
     Het boek gaat om contacten tussen mensen en hoe die mensen zijn geworden wie ze zijn op de plaats waar ze verbleven. 



     “Zijn de Marokkanen zo onnadenkend en zulke kinderen geworden dat zij zich door de wind laten meevoeren als een veertje? (…) Zijn zij op zo'n dieptepunt beland? (…) Uitschot uit Nador, Al Hoceima, Tétouan, Ksar-el-Kebir. Uitschot dat nog altijd werkloos is en van smokkel en diefstal leeft.”
Deze woorden van de fictieve beul zijn een citaat uit een werkelijke toespraak Koning Hasan II uit 1982 om de brute aanpak van het 'linkse gespuis' te verantwoorden.
    Een aan lager wal geraakte en zieke man uit het martelapparaat van de Marokkaanse Staat loopt van de bakker op de Haarlemmerdijk (ik weiger er de daar gevestigde beroemdste en gelijk ook intiemste bakker van Mokum in te zien: Mediterrane), over het plein naar de boekhandel die daar volgestouwd met een brede collectie inderdaad tot kort geleden zat (nu zit er een makelaarskantoor). Zelfs het boek dat hij er koopt gaat over zijn oude smerige stiel: het uit mensen – en hier ook uit een hond – halen van informatie. Niet in het Koninkrijk Marokko, maar in Macabië, een denkbeeldige dictatuur. Hoe dat doet er niet toe, als het er maar uit komt. Dat boek, de schrijfster Eva Beet, en zelfs de vertaler kenden we al. Vertaler Levi Shotz vertelde er eerder al over aan snackbareigenaar (en vriend van de schilderes) Hbib Lebyad, omdat hij er tot zijn verrassing zelf in voorkomt. Al is dit door de hond, die dezelfde naam heeft als hij. Bovendien is de schrijfster een bekende van zowel hem als Hbib.
      Na zijn aankoop in de boekhandel loopt de smeerlap van voorheen door naar het Westerpark en zit er aan de Haarlemmertrekvaart. De angst uit de Jaren van Lood van de Marokkaanse geschiedenis (van de jaren zestig tot negentig)
die ik zonder het echt te beseffen tegenkwam in Tanger – , is hier verwerkt in een roman rond de plek waar ik begin jaren tachtig ging wonen. 

Keihard
Khannoussi's academisch werk is een verklaring voor de lijstjes van gevangenissen en martelcentra in Marokko die in het boek staan: Tagounite, Skoura, Rabat en elders de civiele gevangenis van Kenitra, Tanger, El Jadida, speciale gevangenissen voor de boeren in de Rif, het martelcentrum La ferme slovak in Oujda, Asilah, Khénifra, Kasbet Tadla, Béni-Mellal, Aïn Borja in Casablanca, het concentratiekamp in Tazmamart, het kamp van Ouarzazate, het complex van Anfa, de Kasbah van Agdz (“waar ze Sahrawis en linkse extremisten vasthielden”), het paleis van M'Gouma, Settat en Meknes, het detentiecentrum Derb Moulay Cherif, in Témara, Dar el Mokri, onder het Jama el Fna-plein in Marrakesh (wie kent het niet als bestemming voor een toeristisch uitstapje).
     De litanie vult een hele pagina (221) die begint met de vrijkomende gevangen
“die uitgemergeld en kauwend op hun wangen, na jarenlange gevangenschap vanuit de clandestiene en afgelegen plekken van het land kwamen gekropen (...)”. Tijdens het lezen komt dat binnen, maar ook het in een korte bespreking noemen misstaat niet; het kan en mag niet genegeerd worden. De folteraar die over zijn wandaden wil spreken is een zeldzaamheid en dus voert de schrijfster hem op. Dit is literatuur die niet mooi is, maar juist het lelijke keihard opdist; mensen die alles mooi maken kijken immers niet rond. 

Bevolken
Dat zware karakter blijft meewegen; ook tijdens het lezen van de luchtiger en grappige delen en bij wat Marja Pruis samenvat als: “En we zien en horen dus de gezichten en stemmen van relatieve nieuwkomers, afkomstig uit Algerije, Tunesië en Marokko. Mensen die je op de pont naar Amsterdam-Noord ziet staan, die schoonmaker zijn bij Shell, een wasserette hebben in Utrecht of een snackbar in Amsterdam-West. Ze zijn gevlucht, gestrand, op zoek, en ze hebben allemaal zo hun verhaal.”
    Amsterdam en Parijs worden ook bevolkt, zo haalt de recensente uit de roman, “door drinkers en dromers, excentriekelingen en getraumatiseerden, daklozen en semi-daklozen, vrouwen die er prat op gaan tot de klasse der ‘niet-assimileerbaren’ te behoren.” Zo komen al deze mensen de literatuur binnen zonder zich aan te passen; ze krijgen een plek.
Samenvatten
Je kan de roman los van dit pijnlijke deel vast in een tiental zinnen samenvatten en het dan hebben over: Boschiaanse schilderkunst, niet weg te duwen herinneringen, de wereld van de nacht, van hypocriete intellectuelen, en van personages die komen en gaan. Beter is het om het boek te lezen. Het is een verhaal over Europa en Nederland (waar niet iedereen geaccepteerd wordt, ook dat wordt terloops onderstreept) waar als spekveters door een konijn de narigheid uit de kerkers is geregen. Maar er is zoveel meer, wat het lood enigszins verzacht en de roman genietbaar maakt. De ontdekkingtocht is geschreven met vaart, plezier, en laat ik dat modewoord gebruiken, urgentie. 

Onverwacht

In Orropa schuift het ene verhaal in het andere en wat eerder gebeurde komt later met volle kracht terug. 'Onstuimig,' wordt het boek ook wel genoemd. Het is een roman waar je het verhaal los moet willen laten, om je mee te laten slepen naar de wereld naast wat de normale wordt genoemd. Een woord als 'okselhaarliefhebbers' blijft tussendoor even haken om zijn betekenis bloot te leggen.
    Dat deel 3 'de herrijzenis van salomé abergel' heet, is opvallend door zijn duidelijkheid. Je weet wat je te wachten staat. De verdwenen kunstenares zal weer opduiken en ze blijkt dan flink aan de drank en aan de nicotine. Ze woont in Tunis boven een moeder, dochtertje en zoon. Ze zal optrekken met die zoon, Azzedine Atta. Hij is een jurist zonder kruiwagen in de hogere kringen en werd daarom een overgekwalificeerde man die achter een glazen plaat de poortwachter is bij het Paleis van Justitie. Deze inwoner van Tunis valt op mannen. Het is inderdaad altijd anders dan wat je verwacht.
     De Arabische opstand mag dan wel in Tunis begonnen zijn, van Azzedine moet die het niet hebben; hij heeft met veel moeite zijn baantje gekregen en dat wil hij niet kwijt.
“Er zijn mensen die er leven en het niet boeit,” vertelt El Khannoussi op de radio over die houding. En zijn familie wil Salomé niet kwijt, want voor het onderbrengen van haar krijgen ze van Hbib onderdak in zijn Tunesische woning. Zo blijft de familie financieel enigszins overeind en kan de moeder zelfs geïllustreerde tijdschriften lezen. Krabben aan de verf van het oppervlakkige oordeel kan geen kwaad.

Wie en wat
Wie is deze schrijfster? Is de kritische visie iets dat met de paplepel werd gevoerd. Of is het haar eigen ontwikkeling waardoor het Komité Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN) in de roman voorkomt. Haar vader Esabi, Grootmoeder Rhimou en overgrootmoeder Zohra vertelden haar verhalen, schrijft Safae el Khannoussi in de verantwoording bij de roman (een tekst die overigens vol leestips zit). Haar vader was het ook die de middelbare school voor haar uitkoos. Ze zou het gymnasium volgen. Vader Esabi was een gewone Marokkaan die graag in Zuid woonde, omdat daar de Marokkaanse gemeenschap niet zo groot was dat ze zich met hem zou bemoeien. Hij vertelde over het bloed dat door de straten van Casablanca vloeide. Wanneer was dat? Waar ging dat om? El Khannoussi ging op zoek naar antwoorden.
    Dat de schrijfster als middelbare scholier en boekenwurm een punk in Berlijn wilde worden, hoeft de lezer niet te verbazen. Haar boek heeft die vrije geest die conventies opzij wil zetten, omdat er dan meer van het leven te maken is, ook als dat leven al naar de ratsmodee is geholpen, zelfs dan. Dat ze met plezier aan haar boek heeft gewerkt, maakt het niet licht, maar geeft er wel leven aan inclusief aan het terloopse verzet dat er in zit.
     El Kannoussi was verbaast dat ze de
Libris Literatuur Prijs voor Orropa kreeg. Misschien is ze later ook verbaast als ze blijkt niet het 21ste arrondissement, maar op een comfortabele plek te zijn beland in de gewone wereld. Daar niet eindigen zal moeilijker zijn dan wel voor iemand met zoveel talent, zo'n pen, een dergelijke blik en zoveel onverwacht succes.

dinsdag 23 december 2025

De heksen

De heksen (1983*, Ned. vert. 1984) van Roald Dahl is een boek waarin de dingen net anders zijn dan gewoonlijk. Heksen wonen onder ons. Ze zijn niet eens zo heel anders dan wij. Ja ze hebben klauwen en om die te verbergen handschoenen aan en ze hebben voeten zonder tenen in hun schoenen, ze hebben kale hoofden met daarover een pruik die vaak jeukt en daarom krabben ze, ze hebben blauw speeksel, continue van kleur veranderende pupillen en grote neusgaten, waarmee ze de stank van kinderen ruiken. (Schone kinderen ruiken ze beter dan de vieze. Badderen is dan ook een levensgevaarlijke gewoonte.)
    Ze zijn wel anders kortom, maar nog steeds niet gemakkelijk te herkennen. Maar ook wat je maar een beetje kent is minder eng. Bovendien naar je bed komen ze niet en daar ben je dus veilig, legt de oma van de verteller uit.

Ze willen van de kinderen af en daarom vermoorden ze er iedere week een. Dat zijn er 52 in een jaar.
 Een echte heks heeft plezier in het uitroeien van kinderen: “Vermorzel en verpulver ze en pletter ze in elkaar.” Er zijn tal van manieren. Het leukst is kinderen in dieren te veranderen die de ouders dan doodtrappen, zoals een slak of in fazanten (kennen we die vogels niet al van Daantje de wereldkampioen) die tijdens de jacht worden losgelaten.
     Dahl heeft lak aan overgevoeligheid en zet de heks neer als sadist als dat het verhaal sterker maakt. En er zitten nog wel meer zaken in waarvan weinig lenige geesten menen dat ze slecht zijn voor de tere kinderziel.** Toch zitten er ook de tegeltjes wijsheden in voor diezelfde kinderen. 
“Het doet er niet toe wie je bent of wat je bent, als er maar iemand is die van je houdt,” zegt de kleinzoon als zijn oma vraagt of hij zeker weet dat hij het niet erg vindt om in muis te zijn veranderd.

Wat ook anders is, is dat als de 
zevenjarige verteller in een klap zijn ouders verliest bij een auto-ongeluk dit droogjes wordt vermeld, er wordt een nacht over gehuild, maar vervolgens gaat hij gewoon bij zijn oma in Noorwegen wonen. De tragiek van het verlies doet er in de context van een omgeving met heksen niet toe. De ouders zijn er niet meer, klaar. Als uit het testament blijkt dat zijn overleden ouders liever hebben dat hij opgroeit in Engeland gaan ze beiden erheen. Hij zat er al op school en daar kan het grote avontuur beginnen. 

Als oma ziek wordt moeten de vakantieplannen van de twee veranderd worden, ze gaan niet naar Noorwegen, maar naar een strandhotel in Bournemouth. In het hotel is de grote vergaderzaal afgehuurd door de Koninklijke Vereniging ter Voorkoming van Wreedheid jegens Kinderen. De jongen gaat er naar binnen om zijn muizen te trainen die hij meenam op vakantie, maar die door het hotelpersoneel niet gewaardeerd worden. Als de vergaderaars de zaal  binnen komen, allen vrouwen, en de deur op slot wordt gedaan dan blijkt …. je raadt het al … er sprake van een heksenvergadering, die wordt voorgezeten door de internationale opperheks. Dat je dit al van mijlenver aan ziet komen, geeft niets, het verhaal leeft niet van onvoorspelbaarheid, maar van een levendige fantasie, zodat iedere pagina een plezier is om te lezen.

De opperheks heeft een plan om de kinderen van Engeland allemaal uit te roeien. Ze vertelt hoe het werkt en daarna zingt ze het in een lied op rijm dat vol zit met haar buitenlandse tongval. Een flinke uitdaging voor de vertaalster naar het Nederlands. Het is Huberte Vriesendorp.*** goed gelukt (inclusief het accent). Hoe zou het in het Engels gaan? Ruim veertig jaar nadat het boek verscheen, vind je dat
op het internet.
“Down vith children! Do them in!
Boil their bones and fry their skin!
Bish them, sqvish them, bash them, mash them!
Brrreak them, shake them, slash them, smash them!
Offer chocs vith magic powder!
Say “Eat up!” then say it louder.
Crrram them full of sticky eats,
Send them home still guzzling sveets.
And in the morning little fools
Go marching off to separate schools.
A girl feels sick and goes all pale.
She yells, “Hey look! I've grrrown a tail!”
A boy who's standing next to her
Screams, “Help! I think I'm grrrowing fur!”
Another shouts, “Vee look like frrreaks!
There's viskers growing on our cheeks!”
A boy who vos extremely tall
Cries out, “Vot's wrong? I'm grrrowing small!”
Four tiny legs begin to sprrrout
From everybody rrround about.
And all at vunce, all in a trrrice,
There are no children! Only MICE!
Inderdaad in muizen moeten ze veranderen en dan zullen dichtklappende vallen de rest doen. Eerst verandert de vervelende Bruno Jenkins in een muis, daarna onze verteller, maar die ziet er ook de voordelen van. Het is onder meer voordelig bij het bestrijden van de heksen. De muis heeft daarvoor handige eigenschappen: slim, stil, klein en lening. Als oma en de muisjongen de plannen daarvoor maken, eindigt het boek. Jammer dat het uit is. Die oma, de jongen die in een muis veranderde, en de tekeningen van Quentin Blake waren prettig gezelschap.

Noten:
* Ik las de 52e druk uit 2015. Dus nog voor de grote veranderingen in 2023 aan de tekst vanwege fijngevoeligheden die blijkbaar zo belangrijk zijn dat ze herschrijven rechtvaardigden.
*
* Vanwege de aard van het verhaal, en vooral het feit dat in details wordt beschreven wat voor gruwelijke dingen heksen doen met kinderen, is het boek sinds de eerste druk regelmatig doelwit geweest van censuur. Het boek staat op de 27e plaats op de lijst van 100 meest aangepaste boeken 1990-2000 van de American Library Association. Verder zijn er mensen die menen dat kinderen er een doodswens van kunnenkrijgen en jongens uit De heksen leren vrouwen niet voor vol aan te zien. 
*** Wiki meldt dat Vriesendorp tot aan de dood van haar moeder de vertalingen van de boeken van Roald Dahl liet verschijnen onder het pseudoniem Harriët Freezer, dat tevens het pseudoniem was van haar moeder (Wilhelmina (Miep) Eybergen 1911-1977). Onder die naam van een bekend schrijfster werd ze beter betaald. Die moeder had zelf ook al commerciële overwegingen bij het kiezen van haar pseudoniem. Ze dacht dat het Engelse Freezer het beter zou doen.

vrijdag 19 december 2025

Kitchen

Kitchen is een boek geschreven door Banana* Yashimoto. Het verscheen in 1988 en werd al snel een hit in Japan. Ook elders verkocht het goed. Nederland bleef achter. In 2022 is het opnieuw vertaald en mooi uitgegeven. Kitchen is ook de titel van de eerste van de twee in het boek opgenomen novelles. 

Maarten Liebregts, de vertaler begint met een uitleg voor de lezer die het Japans niet machtig is. Hij vertelt waarom het boek Kitchen heet en geen Keuken. Die titel is in het origineel in het katakana-alfabet geschreven en dat wordt onder andere gebruikt om leenwoorden fonetisch weer te geven en die titel klinkt dan als Kitchin, terwijl in de tekst zelf wel het Japanse woord daidokoro voor keuken wordt gebruikt. Door het niet te vertalen naar Keuken bleef hij dus dichter bij het origineel.
    Ook bij het gebruik van gendervormen in de taal staat Liebregts stil. Je kan in het Japans in de ik-vorm spreken met verschillende woorden die een andere betekenis hebben met betrekking tot de mannelijke, vrouwelijke of extra masculine of extra feminiene connotatie. Een nuttige uitleg. Het gebruik van die vormen doet er toe in het verhaal en het is goed om te weten wie voor welke vorm gekozen heeft.

De moeder van Y
ūichi Tanabe, de wonder mooie Eriko, gebruikt consequent de extra feminiene vorm atashi. Toen de biologische moeder van Yūichi stierf, besloot zijn vader dat ze zich meer als zijn moeder voelde en ging die rol vervullen. Eriko deed dat met verve en overtuiging; niet alleen in taal, maar ook uiterlijk en in gedrag. In 1988 was dit nog niet zo'n groot thema als het tegenwoordig is en het schrijven over een transgender personage was destijds een dappere keuze. Aangezien er wereldwijd zo'n vijf miljoen exemplaren van het boek zijn verkocht een keuze die aansloeg.

Een ander belangrijk onderwerp in 
Kitchen is rouwverwerking. Hoofdpersonage Mikage Sakurai verloor al vroeg haar ouders. Ze werd vervolgens opgevoed door haar grootouders, waarvan eerst opa en later oma zou sterven. Ze wordt als oudere tiener opgevangen in het huis van de Tanabe's op een bank in de keuken. Langzaamaan zou ze daar het leven weer terug vinden door er een invulling aan te geven. Koken en eten vervulde die functie. Yūichi verloor dus zijn biologische moeder en later ook zijn moeder Eriko. Ook hij heeft moeite dit een plaats te geven. De rouw verstoort zelfs de nauwe relatie tussen Mikage en Yūichi.


Op de achterflap staat een viertal blurbs. De laatste daarvan komt uit de
New Yorker en Cathleen Schine stelt daarin (overigens naar aanleiding van de verhalenbundel The Lizard) dat Yoshimoto het banale tot het essentiële transformeert. Banaal in de betekenis van platvloers zou overdreven zijn, maar als omgaan met de alledaagse zaken (al hoort daar hier ook een moord bij) past het wel. Het boek gaat over de gewone, grote levensproblemen, en hoe daarover, als een bloemetje met een schort voor, om te lachen. Je moet het immers doen met wat komt en er vervolgens het beste van maken.
    Kitchen zelfhulperig? Daarvoor is het te fijnzinnig. Is een gelukkig leven, een leven waarin je zo min mogelijk hoeft te voelen dat je eigenlijk alleen bent? Of is er een bijvoorbeeld een keuken nodig waar je je kan branden, snijden, maar ook ontplooien en waar je je ziel in producten kan leggen. Binnen de mogelijkheden die er zijn moet gekozen worden. Dat wordt terloops of soms ook duidelijk en uitgesproken benoemd: 
“Als je er voor kiest om met mij te zijn, zul je wellicht ellendige, vervelende en smerige dingen meemaken, maar mocht jij het ook zien zitten, zou ik graag samen met jou onze eigen wereld willen scheppen, die verschrikkelijker, maar ook mooier zal zijn.”
Inderdaad zonder te zwijmelen over de ridder en witte paarden, prinsessen en immer stralende glimlachjes. Maar de rol van raadgeefsteer wil de schrijfster niet hebben. Vragen om levensadvies, die ze krijgt, stuiten haar juist tegen de borst, zo stelt ze in het nawoord. Ze is schrijfster, niet Mona.

Nederlandsr uitgave uit 1993.
Marja Pruis las het boek, aldus de eerste blurb, zeker vijf keer. Het geeft dan ook veel. Steeds met kleine beetjes. Ze schreef er eens iets korts over, waarin ze vooral aandacht had voor de tweede in het boek opgenomen novelle
Moonlight Shaddow. Ook in dat verhaal speelt rouwverwerking een grote rol. 
    Hiiragi en Satsuki veloren beide tijdens hetzelfde auto-ongeluk hun geliefde en Hiiragi daarmee ook zijn broer. De een gaat rennen en de ander trekt een matrozen pakje aan. Beide doen dat om afgeleid te worden van het verdriet, en om tijd te winnen; de dag door te komen.
    Thema's uit Kitchen komen ook weer terug in het in 1986 geschreven
Moonlight Shaddow. Zoals niet Jeremiëren, maar tegenslag achter je laten en verder gaan. In het nawoord uit de Japanse pocketeditie (2002) noemt Yashimoto dat leven met vindingrijkheid. Het heeft daarbij wel een surrealistisch element. Eens in de honderd jaar, bij een bepaalde stand van de maan, is het mogelijk een dode geliefde weer te zien. Satsuki grijpt – in de geest van de schrijfster – die kans. Zo kan ze afscheid nemen.
    Vertaler Liebregts wijst op het verband met de Tanabata sage. Kortweg wordt er in Moonlight Shaddow naar het fenomeen verwezen. In die sage worden twee smoorverliefde godheden uit elkaar gehaald. Elk wordt aan een kant van de rivier gezet. Ze kunnen elkaar een keer per jaar zien. De hemelkoning en vader van de vrouw scheidde hen, want door de liefde kwam er verder niets meer uit hun handen. Er wordt ook gezegd dat het verhaal gedeeltelijk is geïnspireerd door het liedje van Mike Oldfield uit 1983 met dezelfde titel en een tekst die inderdaad – maar zeker niet naadloos – bij het verhaal past.

Er komen nogal wat gerechten voorbij. Niet onverwacht in een boek met deze titel. Van de Japanse keuken weet ik weinig. Tijdens het lezen besluit ik Katsudon op te zoeken. Het gerecht dat de gang der zaken in de eerste novelle door zijn smaak weet te veranderen. Varkensvlees ligt aan de basis ervan, maar ook een vegetarische tofu versie is op het internet te vinden. Dat is is in het licht van het verhaal wel een ironische draai, want het dient in Kitchen juist als alternatief bij een overvloed van tofugeerechten. Ik zet het op mijn lijstje om zelf te bereiden. Dan zal ik tijdens het eten nog eens aan dit fraaie boek denken. 

Noot:
De schrijfster koos haar voornaam omdat ze van de bananenbloem houdt en de naam gender neutraler vond dan de naam die ze al had, Mahoko. De bloem is niet alleen mooi om te zien, maar nog eetbaar ook. Dus houden van kan ook een culinaire betekenis hebben. Bloemen zijn zeer aanwezig in het boek. Oma hield ervan. Yūichi had een studentenbaantje in een bloemwinkel, waar oma twee keer per week haar bloemen kocht. Zijn stervende moeder wilde een plant bij haar bed en kreeg een ananas plant, ook met een fraaie bloem. Planten en bloemen passen dan ook naadloos in het verhaal. Je moet ze met aandacht verzorgen, maar ze geven ze het leven ook iets moois.

vrijdag 12 december 2025

Pigeon feathers and other stories

Pigeon feathers and other stories van John Updike las ik als herdruk naar het origineel van een eerdere uitgave, inclusief de advertenties die daar instonden. Die Alfred A. Knopf uitgave is voor het eerst uitgegeven in 1962, drie jaar nadat de eerste versie van het boek verscheen.
     Updike was destijds een opkomend schrijver die indruk maakte met Run Rabit Run over een verveelde basketbalspeler. Voor dat boek is in deze versie van de halenbundel een advertentie opgenomen (zie illustratie).

De 19 verhalen uit
Pigeon feathers... maken indruk doordat je door de ogen van de schrijver de samenleving van de Verenigde Staten van de jaren vijftig instapt. De verhalen zijn autobiografisch van karakter en volgen een een paar maal eenzelfde stramien. Het verhuizen van een stadje naar boerderij bij een dorp is er er daarvan een. In een andere verhaallijn komt een gezin met baby terug uit Engeland naar Pennsylvania in de Verenigde Staten. De verhalen spelen grotendeels op het platteland. Hooguit zijn er familiebezoeken aan Boston of zijn er jongeren uit de dorpse wereld die uitgaan in Philadelphia. 
     Opvallend is dat er regelmatig verwijzingen zijn naar Nederland, zoals in Dutch Walk, Dutch Door, lopen op de kinderlijke Nederlandse manier die de gewoonte is van vrouwen in het betreffende district, en zelfs een beschrijving van een
Dutch person waarmee de vader van de hoofdpersoon in het verhaal Home moeilijkheden krijgt, omdat die 'Nederlander' vindt dat hij door hem onheus wordt behandeld in het verkeer. Het is een dwaze, botte hork van eerste orde en hij spuwt een taaltje dat nauwelijks te verstaan is.
    Het blijkt een persoon uit de immigrantengroep die vanaf eind-17e tot in de 18e eeuw uit het zuiden van Duitsland, het oosten van
Frankrijk (Elzas en Lotharingen) en Zwitserland kwam en zich vestigde in de staten Pennsylvania, Maryland, Virginia en Noord Carolina. Ze spreken een taal die Pennsylvania-Duits of Pennsilvaans wordt genoemd en in het Engels ook wel wordt aangeduid met Pennsylvania Dutch waardoor de verwarring ontstaat dat dit iets met Nederland te maken heeft. De voorouders van John Updike kwamen overigens wél uit Nederland. De naam Updike komt van de Nederlandse familienaam: Op de Dijk.

Het titel verhaal Pigeon Feathers is veruit het langste. Het beschrijft een gezin dat is verhuisd vanuit de stad naar een boerderij.
De vader vindt het verkassen naar het platteland maar niets en is het ook niet met zijn vrouw eens dat landbouw op een organische manier zou moeten. Hij vindt dat terugkeren naar de prehistorie. Kunstmest en pesticiden zijn de vooruitgang. Zelfs het middel DDT wordt in die positieve context genoemd. (Het werd in Nederland in 1973 verboden vanwege de schadelijkheid voor de natuur en zo kwamen daarna bijvoorbeeld de ooievaars weer terug).
    David, de zoon, vraagt zich af of God wel bestaat en waar de hemel is, van beide ziet hij immers niets. De hemel is in het mooie wat iemand als Jefferson achterliet, zegt de predikant tijdens de catechisatie. Natie en geloof in een adem, het is tot op vandaag een mankement in het sociale weefsel van de States. David vond het destijds al een dooddoener van bedenkelijk allooi. Uiteindelijk ziet hij God - ook eigenaardig - wel terug in de veren van de door hem doodgeschoten duiven.

Het aan elkaar knopen van verschillende belevenissen tot een enkel verhaal komt verschillende keren in de bundel voor. In sommige verhalen bevatten zelfs de titels ieder bouwsteeentje, zoals in het laatste
Packed dirt, churchgoing, a dying cat, a traded car. De aangestampte looproutes leiden er naar gewoontes tijdens het opgroeien (samen naar de kerk) en van de – inmiddels herkenbare – vader die met een hartkwaal in het ziekenhuis is opgenomen en zich zorgen maakt om zijn auto.
     In het eerste verhaal
Walter Briggs speelt een stel in de auto een spel door zoveel mogelijk kenmerken van personen die ze eerder ontmoeten uit het geheugen gevist op te noemen. Het brengt de man en vrouw dichter bijelkaar, hoewel er ook oud zeer opduikt.

Heel nauwkeurig worden situaties uitgewerkt. Het is bijvoorbeeld mooi om te zien hoe een jongen op de kermis wordt geholpen door een kermisklant, zodat hij niet al zijn geld verliest aan het rad van avontuur. Er zijn ook de drie meiden die in badkleding en op blote voeten naar de A&P supermarkt komen en daar door de bedrijfsleider vermanend worden toegesproken, wat bij hen tot een blos van schaamte leidt en dat weer tot verontwaardiging bij een jonge medewerker van de supermarkt die vindt dat het nodeloos grievend is om hen in verlegenheid te brengen. Hij hangt daarom zijn supermarktkledij aan de wilgen en vertrekt.

Er is een vader die een verhaaltje aan zijn dochter vertelt dat haar wil leren zichzelf niet te verloochenen ook als dat gemakkelijker lijkt. Het is heel klein, heel eenvoudig, maar ook precies en waardevol. Elders een neerbuigende opmerking naar gekleurde mensen in het verhaal de
Doctor's wife; zwarte levens deden er ook toen al toe, al was dat ook toen niet voor iedereen duidelijk. In the crow in the woods blijkt dat het buitengewone door sommige mensen wordt gemist en ze als vanzelfsprekend door gaan met en naar het gewone.

Het is interessant om de verhalen over een land waar geen ontkomen aan is, maar dat intussen net als andere landen flink veranderd is bijvoorbeeld door de nieuwe technologieën en de invloed die deze hebben op tijd en ruimte. Bovendien is het prettig over het land te lezen zonder de opdringerige beeldvorming die vanuit de Verenigde Staten van Amerika over de wereld wordt uitgetort. Het gaat over een land met mensen, minderheden en alledaagse zaken. Het kleurt mijn beeld bij. Toch zijn er veel boeken die ik met meer plezier heb gelezen dan deze portretjes over het inmiddels verdwenen – en veel intiemer overkomende dan het huidige – leven van alle dag in de Verenigde Staten van zo'n zeventig jaar geleden.

dinsdag 9 december 2025

The Trillion Dollar War Machine



Samenvating en bespreking: Martin Broek

De inleiding op The Trillion Dollar War Machine van William Hartung en Ben Freeman begint met de vorige en huidige president van de Verenigde Staten. Zowel Biden als Trump zijn presidenten van de oorlog. De eerste steunde zonder veel terughoudendheid de Israëlische militaire slachting in Gaza. De ander had er niet veel tijd voor nodig om het Pentagon een biljoen dollar te beloven; in een klap 100 miljard erbij (en daarmee naar de trillion uit de titel1). Nu al wordt meer aan de krijgsmacht besteed dan aan de departementen van Homeland Security, Veteranen Zaken, Buitenlandse Zaken, Justitie, Handel, Onderwijs en Arbeid samen.
     “Buitensporige uitgaven voor de oorlogsmachine vergroten niet de veiligheid, maar het ondergraven de fundamenten van onze democratie, veiligheid, welvaart en verrijken grote wapenfabrikanten en hun bondgenoten,” merken de schrijvers op en dat is tevens een belangrijke boodschap van het boek.

Ze voegen daar de visie van de Poor Peoples Campaign (een organisatie die armoede en onrecht bestrijd) aan toe: “De kwestie is niet het uitgeven van geld …. het is het bouwen van een samenleving die we nodig hebben.”
     De schrijvers zijn niet naïef. Het is niet zo dat een verschuiving van de Pentagon gelden naar maatschappelijke programma's een toverformule zijn voor het oplossen van de sociaaleconomische problemen van de Verenigde Staten (de infrastructurele verwaarlozing wordt niet eens genoemd). Er is ook een inzet nodig om meer gelden binnen te krijgen, om verspilling, fraude en misbruik tegen te gaan en een actieve financiële bijdrage van de overheid aan noodzakelijke publieke projecten op te zetten. Ze voegen er verduidelijkend aan toe: “Wat nodig is, is vergelijkbaar met de aandacht en gerichtheid die er nu is voor het plannen van oorlog.” Niet meer, niet minder.
     Velen zeggen voor verhoogde militaire uitgaven te zijn, omdat wapenproductie banen oplevert en de armen daar baat bij hebben. Toch is al vaak aangetoond dat dit niet klopt. Maar onderzoek negeren hoort blijkbaar bij de militaire stiel. Ook dit boek komt vanuit verschillende invalshoeken op het banenargument terug, zoals deze: halverwege de jaren tachtig werkten 3 miljoen mensen in de wapenindustrie. Nu zijn dat er 1 miljoen bij enorm gegroeide militaire uitgaven. Als banenmotor dus niet erg efficiënt.

     Het boek laat zien hoe de militaire kostenpost in de VS groeit, zowel de uitgaven voor de krijgsmacht als de kosten voor de samenleving in brede zin. Er is aandacht voor de honderdduizenden veteranen die lijden aan lichamelijke en geestelijke kwalen en waarvan velen de hand aan zichzelf slaan. De hulp aan hen – hoewel er een bedrag van $ 360 miljard per jaar beschikbaar is voor veteranen – blijft onvoldoende. Onder de menselijke kosten vallen ook die van de mislukte oorlogen met een miljoen doden (inclusief 400.000 burgers) sinds 2001. Oorlogen brengen niet – zoals meestal beloofd – vrede en stabiliteit, maar geweld en winst voor de militaire industrie.
     De tekst werpt ook de vraag op waarom kunnen 'zij' zich zo organiseren om dit mogelijk te maken en blijven 'wij' die naar vrede streven achter? De schrijvers sluiten dan ook af met een hoofdstuk met een voorstel over hoe het apparaat voor oorlog te vervangen door een apparaat voor vrede. Daarover later.
Broken War Machine
Het boek is verdeeld in vier delen. Het eerste The Broken War Machine begint met een hoofdstuk over wapenhandel. De laatste hand is aan het boek gelegd in het voorjaar van 2025 en het was onvermijdelijk dat dit voor een deel over de democratie, diplomatieke geloofwaardigheid en positie van burgers ondermijnende wapenleveranties door de VS aan Israël ging. Om die buiten de controle om te kunnen verzenden, werden ze bijvoorbeeld door de Regering Biden opgesplitst in pakketten die een dusdanige waarde hadden dat ze niet aan het Congres hoefden te worden gerapporteerd. Een voorbeeld van een geitenpaadje, waar men blijkbaar ook Washington graag over wandelt.
     De Verenigde Staten heeft 107 landen als klant voor zijn wapenindustrie. Dat zijn stabiele landen, landen met dictators en 34 van de 46 landen die in 2022 in een conflict betrokken waren. Er wordt stilgestaan bij wapenleveranties aan de Filipijnen van de moordlustige Rodrigo Duerte en het Egypte onder de bruut el-Sisi, maar ook aan de VAE. De Emiraten haalden toen het boek al in de winkels lag de krantenkoppen en journaals wegens wapenleveranties aan de rebellen in Soedan, naar verluidt in ruil voor goud. Hier wordt de 'voorname defensie partner' van de VS al uitgebreid genoemd als wapenleverancier “aan extremisten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika, en van Jemen tot Sudan en Libië.” Het nieuws uit november 2025 was niet echt nieuws, we wisten het al jaren, maar het sluiten van de ogen en pas reageren als het niet meer anders kan, als weer eens feiten onweerlegbaar op tafel komen, is de gewoonte. Als de storm weer ligt gaan de leveringen weer door alsof er niets gebeurt is. Het idee dat de VS een wereld schraagt die is gebouwd op regels is dan ook lachwekkend.2
     Het leek er bij zijn aantreden op alsof Trump de macht van de wapenfabrikanten zou inperken. Hij stelde dat ze hun inkomsten stalen van de belastingbetaler. Maar na een paar maanden omarmde hij diezelfde bedrijven al weer. (Wat dit vooral liet zien was het sentiment bij een deel van zijn kiezers. Ook aan de rechtse kant is de visie niet onverdeeld positief met betrekking tot de wapenfabrikanten. De schrijvers nemen deze notie later in het boek mee in een pleidooi om zowel vanuit rechts als links de strijd met de oorlogsmachine aan te gaan.)

Kernwapens
De nieuwe kernwapens worden in alle ernst neergezet: negentig miljoen doden in de eerste paar dagen als een nucleair conflict uitbreekt en mogelijk 5 miljard doden door de effecten van de vrijkomende radioactiviteit. Daarover hebben we het. Het is bijna niet te vatten. Dat hier zo gemakkelijk overheen wordt gestapt, heeft alles te maken met de worteling van het militaire establishment in de maatschappij, van het Congres tot Hollywood en tot in de Game industrie. De schrijvers spreken in plaats een Militair Industrieel Complex (MIC) dan ook liever over een Oorlogsmachine.    
     Een overzichtsbegrip rond kernwapens is de zogenaamde 'nucleaire driepoot'. Dat wil zeggen kernwapens op onderzeeërs, in bommenwerpers en als intercontinentale raketten (ICBM) in silo's op land. De auteurs nemen de positie in dat die laatste kernwapentaak niet nodig is en alleen veel, heel veel, geld kost en daarbij het gevaar juist vergroot. Ze citeren in dit verband Ellsberg en Solomon die stellen dat “de beste optie om het risico van een nucleaire oorlog te verminderen” is om de ICBM's af te schaffen.
     De nieuwe
nu in ontwikkeling zijnderaket van Northrop-Gruman, de Sentinel, zal gedurende zijn hele levensduur $315 miljard kosten.3
     De kosten van kernwapens in de Verenigde Staten zijn per jaar zo'n 50 miljard. De grootste belanghebbenden zijn Northrop-Gruman, RTX (voorheen Raytheon) en Lockheed Martin. Hartung en Freeman vinden dat nucleaire politiek uit de greep van belanghebbende bureaucraten en wapenindustrie moet worden gehaald.
    De Verenigde Staten moeten de ICBM-taak niet moderniseren. Ze moeten van deze derde poot af. Dat de raketten er wel lijken te komen, heeft alles te maken met een goed georkestreerde pr-campagne. De auteurs beschrijven de geschiedenis daarachter op een overzichtelijke wijze. Maar kiezen opvallend genoeg wel voor een doelgerichte campagne, en niet volmondig voor alle kernwapens de wereld uit. Dat pragmatisme zit ook op andere onderwerpen in het boek.

Nutteloos
Ze beschrijven ook de nadelen voor een Pentagon dat onder druk staat van de wapenindustrie om hun producten te kopen. Congresleden voor Staten met militaire productie staan vooral achter het Pentagon met het oog op meer investeringen in hun regio. Ze krijgen in ruil daarvoor stemmen en fondsen van de bedrijven. De wapenfabrikanten worden zo gesteund en vergroten hun greep. De F-35 productie is bijvoorbeeld verdeeld over 46 Staten en zo is steun gegarandeerd. Dat het met het oog op productieprocessen een nogal onhandige constructie is, wordt goed gemaakt door de ermee verworven positie in het Congres waardoor de miljarden voor dit steeds weer falende wapen binnen blijven stromen.
     President Biden zocht zogenaamde swing states uit om militaire productie aan te geven, daarmee poogde hij zijn kansen in de verkiezingen te vergroten. Je kan reageren met: 'Ja zo werkt dat nou eenmaal.' Maar hier worden particuliere politieke belangen gefinancierd met belastinggelden en gesteund met militaire programma's, en als dit dan bovendien voor het Pentagon niet onverdeeld gunstig is?    
     Een van de voorbeelden van misinvestering is de aanschaf van de V-22 Osprey een apparaat dat kan vliegen als een vliegtuig en stil hangen als een helikopter. Het wapentuig – dat ik tijdens het schrijven nog zag vliegen voor de kust van Venezuela – mag dan wel genoemd zijn naar een sierlijke roofvogel, maar het is een gevaarlijk apparaat. Bij ongelukken ermee zijn al 64 mensen omgekomen. Het Pentagon vond het te duur en onnodig, maar vanuit het Congres werd een lobby opgezet om de Osprey te behouden vanwege electorale overwegingen met dus voor velen fatale gevolgen.
     Bij dit deel moest ik ook aan het boek van Andrew Cockburn
The spoils of war denken (ik besprak het begin dit jaar). Hij haalt ook alles uit de kast om duidelijk te maken hoe andere dan militaire belangen het materieelbeleid van het Pentagon bwepalen. Dit wordt op kosten gejaagd en daarbij ontstaan regelmatig gevaarlijke situaties voor de eigen militairen. De V-22 komt ook bij hem in die zin aan de orde. 

Invloed
Hartung en Freeman pleiten voor eenvoudiger, goedkopere en betrouwbaarder wapens. Vooral de F-35 moet het in die zin ontgelden (eerder schreef Hartung al een boek over Lockheed Martin de hoofdaannemer ervan, mijn bespreking hier). Ook deze kritiek op het duurste en vol mankementen zittende wapensysteem van de VS delen ze met Cockburn. Maar ze leveren ook een duidelijke uitbreiding van zijn betoog. Er zijn ook constructies die de macht en invloed op de samenleving mogelijk maken. Als die mechanismen niet bestreden worden dan kan een kleinere, gerichter en meer verantwoorde wapenindustrie vergeten worden en daarmee ook een effectieve krijgsmacht die gevoed wordt met veel minder dollars.

Die invloed en positie komt aan de orde in een serie hoofdstukken in deel 3. Daarin wordt vooral beschreven hoe de wapenindustrie en het Pentagon hun oorlogsapparaat vergroten en door de hele samenleving heen uitrollen. Het valt uiteen in hoofdstukken over de lobbyisten in Washington, de vele denktanks, de invloed in de wetenschap, de rol van de media, de greep op Hollywood en op de game industrie.
     Er is reden te over om kritiek te leveren op het oorlogsapparaat en toch wordt dit maar zelden krachtig gehoord. Een stoet veteranen kijkt terug op een levensveranderende inzet in Irak en Afghanistan en vraagt zich af waarom ze daar geweest zijn.4 Er is een leger aan lobbyisten (950 in 2024 met een lobbybudget van $148 miljoen) dat ervoor zorgt dat de geluiden bovendrijven die in het belang van Pentagon zijn, en oorlog hoort daar bij. Meer nog hameren ze op het belang van de wapenindustrie, ook als dat betekent dat de krijgsmacht met wapens wordt uitgerust die ze niet nodig heeft, die niet voldoen, veel duurder zijn dan gepland of ronduit gevaarlijk. Als de wapenindustrie maar door kan draaien en geld kan innen, dan werkt de oorlogsmachine die ervoor moet zorgen dat er ieder jaar $ 400 miljard en steeds een beetje meer, naar de militaire industrie gaat. Meer dan de helft van de senators en congresleden die vertrekken, wordt lobbyist. Er zijn op zijn minst 15 Congresleden in het comité voor de Krijgsmacht met aandelen in wapenindustrie. Een duidelijker belangen verstrengeling is niet te bedenken.
    De lobby activiteiten kunnen ook ten goede komen aan Europese bedrijven met een een tak in de VS, zoals MBDA Incorporated dat in het boek wordt genoemd.5
    Het lobby apparaat heeft het geld, de specifieke kennis en toegang tot de macht. Als zij niet gehoord worden dan zijn het wel de voormalige generaals, admiraals en draaideur industriëlen die een functie hebben in de denktanks en die uitleggen waarom de producten van hun broodheren moeten worden aangekocht.
      Het Quincy Instituut waar de schrijvers werkzaam zijn, heeft een Think Tank Fundig Tracker opgezet. Er is veel informatie die daarin mist, omdat ze gewoonweg niet verstrekt wordt, maar om te weten wiens woord de deskundigen spreken is informatie over financiering onmisbaar.
    “Het systeem is ontworpen om een groter deel van de belastinggelden naar de militaire sector te laten vloeien en de levens van hen die daar mee verboden zijn financieel te verrijken, of ze nu de CEO van Lockheed Martin zijn of een lobbyist die werkt op K-Street [waar die lobbyisten kantoor houden] in Washington. Het systeem beloont niet de kennis en kunde van bedrijven....” aldus de schrijvers.

Nieuwe oorlog

Het is niet alleen de Verenigde Staten dat de nadelen ondervindt van de opdringerige wapenindustrie. In de tekst wordt beschreven hoe een lobby voor de export van M1 Abrams main battle tanks (MBT) naar Oekraïne werd opgezet, waarbij denktanks een belangrijke rol speelden.
     Denktank klinkt objectief of op zijn minst analytisch, maar de best in de markt liggende instituten op het gebied van militaire buitenlandse politiek worden vaak gesponsord door de wapenindustrie.
     De campagne heeft succes gehad en de tanks gingen. Tweederde werd echter binnen de kortste keren uitgeschakeld door Russische aanvallen, vooral met op afstand bestuurde drones. De tanks die aan Oekraïne zijn geleverd zijn niet geschikt in de 'oorlog van de drones'. Voor de producent General Dynamics was de export financieel echter goed nieuws. Dat de $ 10 miloen per stuk kostende MBT's een makkelijk doelwit werden voor de $ 500 kostende drones is niet mooi, maar de levering doet wel de kassa rinkelen.
     Toch wordt dit punt teveel in zwart-wit geschilderd in het boek. Dit vanuit de visie: de industrie levert slechte producten. De voorstanders van de tanks doen dan weer alsof het de normaalse zaak is dat ze een voor een worden uitgeschakeld.
     Toch hoe gaat dit verhaal verder? In Duitsland is net een nieuwe loot aan de MBT-productie toegevoegde, de Leopard 2A8 van KNDS. Ministeries van Defensie uit Litouwen, Nederland en Tsjechië en Noorwegen staan klaar ze aan te schaffen. Hebben die niet gezien wat er met de Abrams gebeurde? Zijn ze verblind door de lobby? Denken ze vroeger voldeed de tank, dan nu nog steeds?
     De nieuwe Leopards worden wel uitgerust met verdediging, juist tegen drones. Die technologie komt van de Israëlische firma Rafael. Dus uit een land dat bekend is met de kwetsbaarheid van tanks na de oorlog in Libanon in 2006 (dit verband tussen West-Europa en Israël noopt weer tot een hele andere tekst en kritiek). De leveringen van de GD-tanks aan Oekraïne gaan ook door, zoals een Australische Abrams levering. Intussen test de landmacht van de VS een anti-drone systeem dat werkt met kunstmatige intelligentie voor de tanks en pantservoertuigen en dat lijkt dan weer op een versie van dergelijke technologie uit Oekraïne (Sky Sentinel).
     Het is duidelijk dat de tanks zoals oorspronkelijk geleverd in de veranderde oorlogsomgeving een gemakkelijk doelwit werden en de denktank voorstanders van de levering hebben vast niet op dit gevaar gewezen. De geleverde Abrams was wel een verouderde versie en ging bovendien naar Oekraïne zonder het Verarmd Uranium (DU) pantser, waardoor ze nog kwetsbaarder werden. Oekraïne improviseerde echter een eigen pantser om dit wapen toch in te zetten en de technologische ontwikkelingen staan niet stil.

Verder ontbreekt Oekraïne grotendeels in het boek. De schrijvers pleiten ervoor om het land defensieve wapens te leveren. Zijn dat ook drones en raketten om olie installaties in Rusland aan te vallen? Dat lijkt mij ook te vallen onder een proactieve vorm van het (verre van eenduidige) begrip defensief. En hoe ver mogen die aanvallen binnen Rusland dan uitgevoerd worden om nog onder dit stempel te vallen? Of als die defensieve systemen worden gebruikt om vanuit de dekking een inval uit te voeren, kan het dan? Eenvoudig is het vraagstuk offensief-defensief nooit (je zou zelfs kunnen zeggen dat dit doorgaans een kunstmatig onderscheid is). Het ene type wapen dat geleverd wordt  escaleert de situatie wel meer dan het andere. 
     Er is nog een criterium dat de schrijvers met betrekking tot Oekraïne hanteren: De geleverde wapens moeten voldoen. Dat was de maatstaf waaraan de Abrams levering werd gemeten. Maar binnen welke beperkingen moet dat voldoen vallen? Als je dergelijke zaken aan de orde gaat stellen, kom je terecht in een mijnenveld van vragen, opties, voor- en nadelen, wensen en beperkingen en voor iedere positie een voor- of tegenstem. Geen wonder dat Oekraïne en ook Rusland (samen met China, het centrale onderwerp binnen veel Westerse militaire programma's) verder vrijwel ontbreken.
     Wat hier het gevaar van de denktanks is, is niet de aansporing tot levering van onbruikbaar materieel dat nog moet evalueren om te opereren op het huidige slagveld, maar de nadruk op militaire middelen die deze door vlagofficieren bevolkte en door de wapenindustrie en buitenlandse overheden gefinancierde instituten uitdragen. Ze creëeren een omgeving die niet naar diplomatie en vrede neigt, maar naar oorlog. 
     Freeman en Hartung halen een Frans rapport aan dat ze kwalificeren als de beste academische analyse over hoe denktankfinanciering de uitkomsten van het onderzoek beïnvloed: No Such Thing as a Free Donation? Daarin komt een voormalige denktank medewerker aan het woord die stelt dat ze geen onderzoek publiceerden, maar propaganda. Toch wordt dit volop geslikt door politici en media. 

Universiteiten
Ook de wetenschap ontkomt niet aan de opdringerige militaire industrie. Dat is altijd al zo geweest, maar met wapens die steeds meer technologie bevatten is dit verschijnsel toegenomen.
     Tijdens de Gazaoorlog waren er veel studentenprotesten tegen de bijdragen vanuit universiteiten in de VS aan de Israëlische krijgsmacht en wapenindustrie. Dit versterkte ook het inzicht hoe de universiteiten de oorlogsinspanningen van de Verenigde Staten zelf voorzien van technologische knowhow.
     
De oorlogsmachine stelt dat die bijdrage valt onder de academische vrijheid en daarom werden protesten ertegen vaak verboden. De schrijvers stellen dat deze vrijheid blijkbaar een nieuwe invulling heeft gekregen, namelijk het creëren van middelen die kunnen worden gebruikt voor het massaal afslachten van burgers. De universiteiten werden door het Pentagon in 2022 (het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn) voorzien van $ 8 miljard dollar voor militair onderzoek.
      Er wordt stuk-voor-stuk een aantal universiteiten beschreven die militair onderzoek doen, zoals John Hopkins (de grootste ontvanger van militaire fondsen), MIT, de universiteit van Texas in Austin, Texas A&M, de Universiteit van Alabama, Indiana, Carnegie Mellon, en de Howard Universiteit. Bij die universiteiten worden kernwapens en onderdelen daarvoor, kruisvluchtwapens, of raketschildtechnologie ontworpen dan wel verbeterd. En er wordt gewerkt voor dubieuze bestemmingen.

Deze militaire invloed beperkt zich niet tot techniek, ook sociale wetenschap wordt ingezet voor de krijgsmacht. Dit leidde bijvoorbeeld al in 1946 tot het opzetten van RAND en wie weet beter hoe je gevangenen moet martelen dan een psycholoog? Die werden na 9/11 dan ook ingezet om programma's daarvoor te ontwikkelen.
    Maar er is ook protest en de roep om niet meer te beleggen in wapenfabrikanten. Vaak worden die protesten hard bestreden, maar er zijn ook universiteiten die ervoor openstaan, die voor een wapenstilstand in Gaza pleitten, of meer openheid willen geven rond hun financiële beleid. Of de protesten van de afgelopen jaren gaan leiden tot beperking van de invloed van de wapenindustrie in de huizen van de wetenschap moet worden afgewacht, zo stellen de auteurs.

Media
Hoe krijg je de media mee met de militaire benadering van veiligheidsproblemen en de zogenaamde oplossing door meer geld uit te geven aan wapens? Of liever: hoe stop je dit? Allereerst moet de VS dan af van het idee dat het een buitengewoon land is dat de leiding heeft bij het promoten van een vreedzame, stabiele wereld, waarbij de terugkerende oorlogen nodig zijn om dat doel te bereiken. Die aannames en houding staan het beperken van de invloed van de oorlogsmachine in de weg.
     In dit deel word de “Norm en Colin show” opgevoerd. Norm was de mediagenieke generaal Norman 'Stormin' Schwarzkopf. Ouderen kennen hem nog wel van TV-optredens tijdens de Golfoorlog 1990-91. Colin Powell was de welbespraakte voorzitter van Joint Chiefs of Staf. Zo eloquent dat hij voor de Veiligheidsraad een toespraak hield die werd geloofd door pers en politici, maar die vol halve waarheden en regelrechte leugens zat. Hiermee werd afgestevend op de oorlog van 2003 tegen Irak. Grote delen van de pers zeiden achteraf dat ze in de val waren getrapt. Maar dergelijke zelfkritiek was niet voor het eerst, en vermoedelijk ook niet voor het laatst.
     Zelfs de snelle overwinning op Irak van 1991 is alleen waar als je niet wilt zien wat volgde, dat is meer dan dertig jaar oorlog, destabilisatie en ellende in het land.6
    De pers heeft een probleem: ze gaat niet gemakkelijk mee met verhalen die niet stroken met het dominante vertoog in de samenleving. In dit boek wordt de invloed van Ahmed Chalabi aangehaald bij het creëren van het wmd-in-Irak verhaal. Hij haalde er de voorpagina's mee. Onderzoeken om aan te tonen dat er het een en ander aan dat verhaal rammelde, kwamen van vele kanten. Hier wordt die kritiek vanuit een kleine genegeerde uitgave beschreven. Toen deze visie niet gevolgd werd door de gevestigde media, zoals de New York Times en Washington Post, bleef het overgrote deel van het journaille stil. Kennelijk hebben journalisten niet de tijd, middelen of moed om zelf een verhaal te controleren, zeker als het op het terrein van buitenlandse zaken en defensie ligt. 

Films en games
Om goed propaganda te bedrijven moet je ervoor zorgen dat de consumenten ervan niet door hebben dat het propaganda is en dat kan door vermaakproducten als film in te zetten. De film Top Gun in de jaren tachtig kon in de vorm die ze kreeg niet gemaakt worden zonder ondersteuning vanuit Pentagon. Anderzijds hadden militairen baat bij de productie ervan om steun te verwerven voor hogere militaire uitgaven. Een win-win situatie dus, waarbij de verliezers weer eens buiten beeld bleven. Het gebruik van wapens voor het schieten van beelden hoefde door de producent niet betaald te worden. De marine wilde wel controle over het script. Dat was voor hen veel waardevoller.
   
In Hollywood zit de Entertainment Liason Office van het Pentagon. Over die instelling maakte Roger Stahl een film. Hij was al schrijver van het boek Militainment Inc., dat systematisch analyseerde hoe de militairen en Hollywood, de game industrie, en andere vermaaksindustrieën samenwerkten. In het boek
National Security Cinema door Mathew Alford en Tom Secker wordt nog dieper ingegaan op die band en daarin wordt gesteld dat het Pentagon invloed had op 2.500 films.
    De F-35 kan niet vliegen als het onweert, maar heeft wel een rol gespeeld in meer dan 20 films. Tot aan twee Superman films aan toe. Zo versterkt het gevechtsvliegtuig zijn imago. Soms komt de bijdrage van het Pentagon aan een film in de aftiteling te staan. Dus tussen de enorme lijst kleine lettertjes die door weinigen gelezen worden. Je zou die bijdrage dan ook duidelijk aan het begin
moeten vertonen om duidelijk te maken dat de krijgsmacht baat heeft bij de beelden en het verhaal dat vertoond wordt.
    De schrijvers schieten wel een beetje door in hun kritiek met het stellen dat er bij films miljarden aan steun is, omdat de vertoonde wapens zoveel kosten. Alsof vliegdekschepen gemaakt zijn voor die film en na gebruik worden afgedankt. Nee de krijgsmacht heeft ze, ze spelen een rol in de beelden, om vervolgens als betaling het verhaal van de krijgsmacht beter voor de dag te laten komen. Laten kritische schrijvers niet gaan overdrijven. Dan lijkt het alsof je zelf propaganda bedrijft. Huren of lenen is geen kopen. 


Een volgend hoofdstuk gaat over de game industrie. Die keek neer op de
visuals bij militaire toepassingen. Dat konden zij beter. Er kwam een uitnodiging. Ze zijn ook interessant, omdat sommige oorlogstaken (drones besturen op grote afstand bijvoorbeeld) lijken op de kwaliteiten waarmee een game gewonnen wordt en dus ook voor inzet bij drones tegen tanks en hightech wapens kan worden gebruikt. Daarbij gaat het niet alleen over de games waarin de speler zich verplaatst naar een persoon met een wapen, maar om de hele techniek van interactie tussen mens en computer. De jonge gamer is daarmee een welkome rekruut. De VS-krijgsmacht heeft om de contacten te vergemakkelijken een team dat mee kan doen aan gamewedstrijden. Werven op de populaire gamebeurzen is gewoon aan het worden. Verder kan je de kennis rond gamen ook inzetten voor training van militairen.
    Het hoofdstuk viel me wat tegen. Er zullen jongeren in de game industrie zijn die hier alleen of in een groep een sterkere tekst over kunnen schrijven. 

Goeroes
Voordat het boek afsluit met een hoofdstuk over hoe de oorlogsmachine te stoppen is er eerst nog een hoofdstuk over
big tech en de wapenindustrie. Iedereen zal ze nog zien staan Musk, Bezos en Zuckerberg naast Trump tijdens zijn inauguratie als president. Maar er zijn ook nog bedrijven die net iets meer op de achtergrond opereren als Anduril, Palantir etc. Silicon Valley heeft niet alleen IT-technologie voor consumenten en bedrijven te bieden. Ze wil ook graag snoepen op de grazige en goed bemeste militaire weiden om zo “de globale dominantie van de VS te herstellen7 en militaire doorslaggevende militaire voorsprong op China te verwerven.”
     Volgens de schrijvers is het budget voorlopig zo ruim dat beiden sectoren er hun voordeel mee kunnen doen. De Chinese concurrent is daarbij de drijvende kracht. Al onder Biden liet staatssecretaris van Defensie Kathleen Hicks daarover geen twijfel bestaan. Ook zij wilde het nieuwste van het nieuwste voor alle delen van de krijgsmacht om China te verslaan.
     Dat daarbij een gevaarlijke kant wordt opgegaan, kan niet worden uitgesloten. Als je de mens mee laat beslissen in de toepassing van AI bij wapens dan zal je verliezen, zei de staatssecretaris voor de luchtmacht van de Biden regering, Frank Kendall (volgens mij klopt dat militair gezien).
    De komende mirakelwapens jagen een ontwikkeling aan waarin een in eerste plaats militaire buitenlandse politiek wordt versterkt. Daarmee komt ook een heel ander soort financiering, een waarin de private sector een grote rol speelt. Dat levert snelheid op. In 2022 stroomde er volgens de Financial Times $33 miljard naar de de militaire en ruimtevaartsector. De New York Times schatte het bedrag dat naar start-ups die militaire technologie maakten in 2023 de voorgaande vier jaar op $ 125 miljard.
    Michael Klare – een academicus die al decennia lang interessante boeken en artikelen publiceert – vreest dat de kunstmatige intelligentie vermoedelijk een weg zal vinden naar het nucleaire domein, zo ontlenen de auteurs aan zijn werk. De vraag is wie deze gevaarlijke ontwikkeling gaat controleren en beheersen. Gaat de toekomst van de planeet naar de messiaans denkende new-age goeroes, die de CEO's zijn in de tech wereld? Naar personen die hun geld al inzetten op de rechter vleugel van de Republikeinse partij? (De oude wapenindustrie probeerde beide grote politieke fracties in de VS te vriend te houden, Republikeinen en Democraten.)
     Tot nu toe is er steeds weer een groep medewerkers die weigert mee te gaan in deze ontwikkelingen.
     De schrijvers volgen niet de standaard NGO aanpak van zorgen voor mooie regeltjes die de gevaren moeten beheersen. Zo gauw de nieuwe wapens mogelijk zijn zullen die immers
“niet echt voorkomen dat je alles kan doen.” Dat brengt het vraagstuk van macht terug naar de kritiek op deze militaire ontwikkelingen.

Hand in hand
Als je niet wilt dat het gebeurt zal je die macht zelf ook moeten ontwikkelen om krachtige tegenzetten te doen. De schrijvers stellen dat om de techbaronnen en hun handlangers onder controle te brengen een georganiseerde kritiek nodig is op hun ideologie en de groeiende economische en politieke macht van de wapenindustrie. Civiele organisaties moeten hand in hand optrekken om de opkomst tegen te gaan van een door AI opgevoerde, zwaar gemilitariseerde, antidemocratische garnizoenstaat die elke stap van zijn burgers zal controleren. Een groot deel van de zittende macht in de VS zal je daarbij niet aan je zijde vinden, niet binnen de Republikeinen, maar ook niet binnen de Democraten (dat hebben achtereenvolgens Clinton – die niet veel wordt genoemd in het boek –, Obama en Biden wel laten zien).
     Het betekent niet dat er geen regels moeten komen, zoals bijvoorbeeld het Internationale Comité voor Robot Wapen Controle (ICRAC) bepleit, maar met die regels alleen red je het niet in een steeds verder militariserende wereld. 

Aanpak
Om dit op te zetten is samenwerking nodig tussen verschillende vredesgroepen op diverse terreinen. Dat draait om onderwerpen als de hightech grensbewaking in uniform, het beperken van de militaire ontwikkeling van de politie, de groei van de militaire budgetten, de inzet van Hollywood als militair beïnvloedingskanaal, de onderzoeken door de universiteiten voor de krijgsmacht, de aanpak van de klimaatcrisis (waar het Pentagon een grote rol speelt als uitstoter en verdediger van oliestaten). De auteurs komen met een voorlopig lijstje punten van aanpak voor die beweging:

  • aanpassen van de campagne financiering,
  • beperkingen op de draaideur carrières tussen Pentagon, Congres, wapenindustrie en lobbyactiviteiten,
  • meer inzicht in de activiteiten van de wapenlobby,
  • inzicht in Pentagon betrokkenheid bij speelfilms, Tv-shows, video games e.d.,
  • investeren daar waar andere dan militaire behoeften bestaan,
  • en vooral een nieuwe visie op de rol van de VS in de wereld die uitgaat van dialoog en diplomatie, boven oorlog en oorlogsvoorbereiding.

Om dit alles te bereiken is macht nodig en kritiek op beide kanten van het politiek spectrum en zelfs optrekken met de oppositie aan de rechterzijde als dat mogelijk is (al denken de auteurs dat dit niet zo vaak voor zal komen). Voorlopig zien de schrijvers echter geen systematische samenwerking op vredesgebied.
     Opvallend is dat wapenhandel als onderwerp binnen die aanpak samenwerking niet genoemd wordt (ze wordt wel inhoudelijk in het boek behandeld). Terwijl dit onderwerp een belangrijk solidariteitsdeel bevat waardoor andere organisaties en groepen aangesproken kunnen worden.
8
     Verder is de in het boek wel ruimschoots genoemde buitenlandse basisproblematiek er een van neokolonialisme en racisme. Deze kwestie sluit daarmee aan op de Black Lives Matter beweging. Door dergelijke onderwerpen wel mee te nemen zou een beweging uiteindelijk wel eens sterker en diverser kunnen worden.

Niet al de genoemde onderwerpen zijn van even groot belang voor Nederland of zelfs Europa, m.n. de rol van de politie 
is in de VS standaard veel verder gemilitariseerd, een Hollywood is er hier niet en de omvang van de schuldenproblematiek die voortvloeit uit de militaire uitgaven is in de VS door zijn omvang onvergelijkbaar. Maar draaideuren zijn er ook hier, en een gemilitariseerde enorm dodelijke grens, universiteiten schromen niet om hun onderzoeken te militariseren, de klimaatcrisis (en militaire uitstoot) is wereldwijd een punt van zorg dat roept om serieuze aanpak. Wat ook een zorg is aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, is de constatering dat de groeiende militaire uitgaven ten koste gaan van al het andere dat we nodig hebben als samenleving.
    Een aantal pagina's eerder werd de opmerking gemaakt dat een betere positie in de media essentiële is om duidelijk te maken wat de kosten en gevolgen zijn van het onderhouden van een kolossaal oorlogsapparaat en een militaire buitenlandse politiek. Dat inzicht is nodig voor een democratische tegenkracht om de oorlogsmachine te controleren. 

Drones, speciale troepen & bases
Het is zo'n boek wat iedereen kan lezen. Het is eenvoudig en toch niet simpel, omdat het vol met feiten en ideeën zit. Je moet blijven beseffen dat dit boek niet over West-Europa gaat, maar over de Verenigde Staten, waar de rol van de overheid en politiek al meer is vervangen door de macht van de markt. Er is alleen geld voor gevangenissen en Pentagon, merkt een veteraan op.
    Het boek zit vol met onderwerpen en voorbeelden van onbegrijpelijke investeringen, belangenverstrengeling en corruptie, draaideur lobbyisten, de reorganisatie van de wapenindustrie in de jaren negentig etc. Veel van die informatie heeft deze bespreking niet gehaald, maar zijn zeker van belang. De militarisering van de politie is een ontwikkeling die leidt tot meer geweld (en niet los kan worden gezien van de Black Lives Matter beweging) en die politie “dood in een alarmerend tempo”, interventies met troepenmachten zijn verruild voor ingrepen met speciale troepen en drones, dat zijn methodes van militaire inzet die tot minder protesst aan het thuisfront leiden. President Obama was een voorname voorvechter van deze stille manier van militaire inzet. Hij stelde zelf, cynisch grappend “dat duidelijk is geworden dat ik goed ben geworden in het doden van mensen. Ik wist niet dat dit een sterke kant van me was.” Pas onder Biden liep die inzet weer terug. Die president versterkte dan weer de VS-invloed door wapenleveranties.   
     Voor inzet van Speciale troepen en drones – 'duurzame militaire inzet' – is een wereldwijd basesnetwerk nodig, liefst met zo weinig mogelijk beperkingen. De bevolking van eilanden in de Stille Oceaan wordt daarbij imperialistisch en koloniaal behandeld. De staatkundige positie van de bevolking van Guam wordt beschreven en die is abominabel. Diego Garcia ligt midden in de Indische Oceaan op een strategische positie. Een groot deel van de bevolking is gedwongen afgevoerd naar Mauritius of de Seychellen (beide op zo'n 1.800 km afstand, iets minder dan de afstand Groningen-Moskou). Het is een vorm van racistisch kolonialisme dat is ingebakken in de machtsontplooiing.
     Die bases samen kosten $ 55 miljard per jaar. Veel ervan worden aangepast in de opmaat naar het dreigende conflict met China (de Filipijnen, Guam, stille oceaan eilanden en Australië).
     Dichterbij wordt Ramstein in Duitsland genoemd. Die basis is belangrijk in de drone oorlogsvoering en militaire beheersing van Afrika en bij transporten naar het Midden-Oosten. De bases zijn onderdeel van een cover-the-globe militaire strategie. Ze kunnen alleen gesloten worden als er een meer terughoudende buitenlandse politieke koers gevolgd gaat worden. 

Belangen
De schrijvers stellen dat de politiek van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten niet bijster succesvol is. Daar kan je weinig tegenin brengen. Ze vervolgen echter dat je beter naar China kan kijken dat de spanningen tussen Iran en de Saoedi Arabië verminderde en daartoe niet militaire middelen inzette. Dat is effectiever en betaalbaarder dan de regio vol wapens en troepen stoppen. Hiermee wordt sterk gesuggereerd dat China dat niet doet. Dit hoewel er juist steeds meer voorbeelden zijn dat Beijing met het leveren van wapens zijn invloed vergroot. Zonder die link naar China stond de opmerking als een huis. Door de uitbreiding om het argument sterker te maken, zagen de auteurs juist aan hun eigen poten. China heeft een eigen buitenlandse militaire politiek, die een stuk minder expansionistisch is dan die van de VS, maar in Beijing zetelen geen degelijke bondgenoten voor vrede.
      Opvallend is ook dat de bestaansreden voor het Pentagon in het boek bijna wordt beperkt tot flappentapper voor de wapenindustrie. Het begrip 'belangen verdedigen' komt maar sporadisch voor en wordt niet coûte que coûte afgewezen, zoals hier:
“De waarheid is dat terwijl, ja, 'n bekwame krijgsmacht nodig is om het land en haar belangen te verdedigen, een kleinere en betere geoefende, weerbaarder macht aan die behoefte kan voldoen, en tegelijk honderden miljarden dollars kunnen worden bezuinigd om te worden gebruikt voor andere wenselijke publieke investeeringen.” (p. 266, onderstreping, MB)
Dat is de taak van de afgeslankte krijgsmacht die de schrijvers voor zich zien. Maar wat is dat dan? Als je door overleg geen toegang krijgt tot zeldzame mineralen – noodzakelijk voor de nieuwe industrie – is dan militair optreden onder deze formulering toegestaan? Of als scheepvaartroutes worden gehinderd? Als er regionale lastposten zijn die die belangen in de weg staan, mogen die dan militair verwijderd worden als dat met woorden niet lukt? En wat is er nodig om indien de belangen hiertoe nopen China of Europa opzij te zetten? Het zijn vragen die opgeroepen worden door deze wooorden, maar die over de in het boek gelegde horizon liggen. Een antwoord erop wordt gemist. Die uitleg blijft nu vaak steken in de startblokken, zoals: de VS moet niet de politieagent van de wereld willen zijn. Los van deze kanttekeningn is het een prettig leesbaar boek dat ook veel inzicht geeft.

De militair-industriële ontwikkelingen gaan zo snel dat wat het boek voorspelt nu al uitgevoerd wordt: het stroomlijnen van wapenexporten, de regels versoepelen en controle op de acties van wapenproducten verkleinen. De drone wetgeving is bijvoorbeeld AL aangepast om export makkelijker te maken, dat hiervoor een internationaal verdrag (MTCR) enigszins moest worden ontweken, doet er blijkbaar nier meer toe in de huidige situatie, waar de zogenaamde beschermer van het internationale recht dit zelf net zo gemakkelijk aan de eigen wensen aanpast en negeert.

Noten:

1 In het Nederlands is 100 x een miljard een biljoen. De schrijver komen overigens ook met een andere berekening van de militaire uitgaven, waarin diverse militair gerelateerde uitgaven zijn meegenomen, zoals die voor homeland defence, veteranen zaken, militaire uitgaven door buitenlandse zaken en rente op leningen voor militaire uitgaven in het verleden. Neem je dit allemaal mee dan gaat het om $ 1½ biljoen en bij het huidige uitgavenpatroon spoedig $ 2 biljoen. (zie p. 86). Toch blijft het cijfer van 1 biljoen terugkeren in het boek en wordt dit van $ 1½ biljoen niet meer genoemd.

2 En dan noemen de schrijvers nog niets eens de positie van Washington ten opzichte van het Internationaal Hof van Justitie of de aanval – na de verschijningsdatum van het boek – op de plicht van militairen om illegale orders te weigeren.

3 Diezelfde raket komt, een honderdtal pagina's later in het hoofdstuk rond denktanks weer aan de orde. Zij die worden betaald door Northrop-Gruman om onderzoekrapporten te schrijven, of als deskundigen op te treden, zijn de grootste voorstanders ervan. Northrop heeft miljarden belangen bij de Intercontinentale raket. In het denktankdeel van het boek wordt ook beschreven hoe binnen een twaalfkoppige commissie van het Congres die pleitte voor de aanschaf van de Sentinel er negen leden financiële banden hadden met bedrijven die garen zouden spinnen bij die positie.

Meer dan 30.000 doodden zichzelf en 600.000 leiden aan PTSD.

5 De in het boek genoemde bron hiervoor is verdwenen, maar nog wel te vinden op de webstek van de Influence Explorer.

6 Steeds weer valt me in de kwestie Irak op dat wordt gesteld dat Bush de wereld voor de gek hield met de massavernietigingswapens (wmd) die Saddam Hoessein niet had. NIET MEER HAD, ze waren grotendeels geruimd, hij had ze daarvoor wel. Chemische wapens zijn op een verschrikkelijke manier ingezet tegen buurland Iran en tegen de eigen bevolking van Koerden in het noorden tot Shi'íten in het zuiden. Uit het kleine landje, Nederland, kwamen een groot deel van de leveranties voor dat programma. Mijn hoop was dat de schrijvers die splitsing tussen het wel eens hebben en later niet meer hebben, zouden hebben gemaakt. Maar misschien is het schot op open doel te aantrekkelijk om deze nuance mee te nemen. Ze zijn de enigen niet die dit niet doen.

7 Waar dat herstellen vandaan komt is gissen. Vermoedelijk wordt dit ingegeven door de oorlogen in Irak en Afghanistan die geen succes waren, maar het woord behouden lijkt mij meer op zijn plaats.

8 Terwijl ik deze tekst afrond plaats ik op X een link naar een artikel van Hartung dat gaat over de positie die Saoedi-Arabië onder Trump verdragsmatig in lijkt te gaan nemen als afnemer van wapens. William Hartung, 'Congress Should Push Back Against the New US-Saudi Arms Agreement,' the Nation, 24 november 2025.