Posts tonen met het label 2007. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2007. Alle posts tonen

vrijdag 8 mei 2026

Hoe ik talent voor het leven kreeg



Hoe ik talent voor het leven kreeg is een roman van Rodaan Al Galidi uit 2007. Het laat het bestaan in een asielzoekerscentrum (AZC) zien vanuit het gezichtspunt van een van de zoekers, de fictieve vluchteling Semmier Kariem. Het schildert een beeld in donkere kleuren en van een bestaan is nauwelijks sprake. Het is ook een boek waarin van binnenbuitenuit naar Nederland wordt gekeken en dat de Nederlandse samenleving schildert.*
     Het is geschreven met humor, vlotte pen, en een zoveel mogelijk positieve kijk op de toekomst en mogelijkheden: “Je manier van denken is in moeilijke situaties soms het enige gat waardoor je aan de realiteit kan ontsnappen,” zo beseft Semmier als hij in Bagdad een vader aan zijn zoontje ziet uitleggen dat de het geen bombardementen zijn, maar het vuurwerk is wat hij ziet. Dat geeft wat lucht.

In een voorwoord wordt uitgelegd dat Rodaan dit boek is gaan schrijven om ermee te antwoorden op de vraag die een man serieus stelde naar zijn leven in het asielzoekerscentrum. Hij stuurde de man iedere maand een stuk van het boek: vanaf 15 oktober 2012 tot 19 mei 2015. Zo werd in ruim 30 maanden een boek bij elkaar geschreven dat in 82 hoofdstukken mee reist met Semmier: van zijn vlucht totdat hij erkend wordt. Dat leven in Nederland begon opgewekt bij het landen. Hij bedacht zich voor het eerst in zijn leven een mens te kunnen zijn. Dat was buiten de Nederlander en meer in het bijzonder buiten de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) gedacht. Het zou al snel een stuk deprimerender uitpakken. Het voorwoord sluit af met de opmerking:

“Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die er voor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.”

In deze bespreking geen poging om de beklemmende woorden uit de roman neer te zetten of om de overlap tussen Rodaan en Semmier te beschrijven. Het wordt een bespreking waarin enkele elementen van het boek voorbij komen. De luchtige diep donkere sfeer kan immers nooit zo overtuigend worden overgebracht als de schrijver dit doet. En inderdaad Semmier en Rodaan hebben veel gemeen; dat is al bekend.
     Als Semmier verplaatst wordt van het Opvang Centrum in Haarlem naar een tijdelijke overloopopvang bij boer Bouma nabij Assen verbaast hij zich er over dat er geen militairen,
roadblocks en politieposten zijn die worden gepasseerd. Al snel beseft hij dat de Nederlanders een andere manier hebben om te disciplineren die deze afwezigheid verklaart. Een van die methodes is om personen zoals de vluchteling tot zogenaamde dader te verklaren en bestraffend en opvoedend toe te spreken en verder geen interesse te hebben in de werkelijkheid achter het vergrijp. “Bij elk probleem buiten het AZC waar de asielzoeker bij betrokken is, is hij de schuldige. Altijd. Ongeacht het soort probleem of wie begon. Altijd moet de asielzoeker zich aanpassen aan de buitenwereld, gehoorzaam zijn en onderdanig, of liever nog onzichtbaar.”
     Boer Bouma begon overigens met goede moed met zijn opvang, maar zonder kennis van zaken en inzicht in zijn gasten. De vluchtelingen gooiden stenen naar zijn hond, vochten om afstandsbediening bij de satellietontvanger die hij voor hen kocht, en aten zijn vijver leeg, alleen de zwaan bleef in leven. De verklaring voor dat laatste: “Ach hij is zo zielig. En heel eenzaam.”

Vluchteling Fettah is zo bang om iets verkeerd te doen dat hij probeert er niet te zijn. Hij plakt zich tegen de muren bibberend als een riet. In het AZC wordt dan ook gezegd:
“De Nederlanders zullen nooit tevreden zijn, zelfs niet als je een Fettah bent.” Wil de vluchteling niet gehoorzamen dan wordt hij als een basisschool leerling in de hoek gezet. Als hij vervolgens het personeel als zijn tegenstander gaat zien dan wordt de asielzoeker erop gewezen dat hij in het veilige en sociale Nederland is en niet meer in het land van herkomst.
     Maar de frictie is er meteen.
     Jimmy. Het zoontje van Kristi pakt op het strand (waarnaast het AZC ligt) speelgoed af en weigert het terug te geven. Als de moeder van het belaagde kind dan voor haar bloedje opkomt, wordt haar door Kristi verweten dat ze racistisch is. Ze doet dat zelfs zo overtuigend dat Semmier gaat twijfelen aan wat hij gezien heeft op het zand aan zee. Jimmy gaat kort daarop naar een Nederlandse school en wordt daar door juf Nanda zo goed begeleid dat zijn gedrag vooruit gaat. Nee geen heilige boontjes, maar geef je kansen en mogelijkheden dan is de kans groter zich te ontwikkelen. Die macht hebben de Nederlandse instanties en ze weigeren die te bieden.
     Sterker nog als gewaarschuwd wordt voor de gekte van een van de vluchtelingen die uit een gesloten centrum terug  is gekomen, dan zegt de Sociale Dienst van het AZC: je bent hier niet om voor anderen te zorgen. Bovendien weten ze heus zelf wel hoe ze het centrum en de 500 mensen die er leven moeten runnen. (Uit
Hoe ik talent ... blijkt dat ze minstens evenveel niet als wel zien.) Het duurt niet lang of de man hangt met een touw rond zijn nek aan een boom. Het gebrek aan empathie, moreel superioriteitsgevoel of zelfs racisme, kreeg dodelijke consequenties.
     De asielzoekers staan meestal wel in overlevingsstand. Ieder op een eigen manier.
     Firaas heeft de gave zijn verhaal overtuigend te brengen. In het centrum krijgt hij een kamer voor zichzelf, omdat hij zegt homo te zijn. Terwijl alle vluchtelingen van zijn uitspattingen met vrouwen weten. Hij bekeert zich ook tot Jezus om zo geholpen te worden door de dominee bij het verkrijgen van een status. Dit vanuit de visie: Nederlanders geloven sneller Nederlanders dan vluchtelingen. Ook die opzet slaagt.
     Zo komen er nog veel meer mensen voorbij. Dat zijn mensen van Vluchtelingen Werk, burgers, medewerkers van het AZC, politieagenten, maar voornamelijk vluchtelingen; van een Russische schone, tot een onverschrokken Jemeniet, via de Syrische Fatima – die voortreffelijk kon koken –, en nog tientallen anderen, naar Milaad die geboren was op de dag dat Semmier in het AZC aan kwam en waaraan hij de duur van zijn verblijf afmeet. (Dat werden overigens negen jaar met 500 anderen in een gebouw. Zelden of nooit alleen. Pfoehh!)

Lang niet iedereen was zo handig als Firaas, had een bevoorrechte positie of geld om een goede advocaat te betalen en dan was de kans groot dat je bleef zitten en dat was niet gezond.
“Het waren sterke mannen en vrouwen die arbeiders waren geweest, of soldaten, rebellen, ingenieurs, artsen, wetenschappers en ga zo maar door. Na het derde jaar begonnen ze op de een of andere manier de controle over zichzelf te verliezen (...)” De gekte drong zich dan op. Semmier constateert bij zichzelf dat hij steeds meer op zijn hoede is voor de Nederlanders, allemaal: “De nette, stille, schone straten, die beleefde mensen met hun eindeloze regels.”
     De medewerkers van het AZC snapten het niet als vluchtelingen bang voor hen werden: “Het irriteerde ze, want zij waren toch ook mensen, waarom zou je bang voor hen zijn?” Waarom zou je toch bang zijn voor mensen die je zomaar naar een cel kunnen sturen of je zakgeld inhouden als zij denken dat dit goed is.
    Uiteindelijk is er een generaal pardon (een begrip dat wel tot misverstanden moet leiden) en krijgt ook Semmier zijn verblijfsstatus.

Als jij als lezer ooit nog eens iets over vluchtelingen wilt zeggen: bijvoorbeeld dat ze niet welkom zijn. Lees dan eerst dit boek. Het is bijna twee decennia geleden geschreven en goed verkocht en moet
voor een paar euro gekocht kunnen worden. Huiver dan mee niet over de lenige waarheden van Firaas, of val niet over een kleinigheid, maar over de zelfvoldane, botte Nederlander binnen en buiten het AZC. Rodaan schreef een boek dat werkt als een spiegel; we zijn als Nederlanders niet Sneeuwwitje, maar als haar stiefmoeder in dat glas. Soms zag ik er een glimp van mezelf.

Noot:
* Later zou hij het boek Holland schrijven met dezelfde thematiek, en ook met de hoofdpersoon Semmier, maar met veel meer ruimte om juist dat aspect te benadrukken. Mijn bespreking hier.


zondag 30 juni 2024

De brug



Op de brug wordt je geen vrienden.
Vanaf de brug kijk je toe.


Motto uit 't gedicht Köprü (De brug) van Sait Faik,*
vertaling Hanneke van der Heijden

De brug
werd geschreven door Geert Mak als boekenweekgeschenk voor 2007. In zijn eigen luchtige en vlotte stijl schrijft hij het verhaal van Istanbul aan de hand van de Galatabrug. Die oeververbinding ligt over het estuarium, de Gouden Hoorn.

Op iedere pagina staan wel zinnen die je kan citeren en overnemen in een bespreking. Dus duik er zelf in en als je meer wilt weten. Hier is een link naar de pagina van Mak zelf over het boek, en voor wie naar effiëntie streeft: hieronder de beknopte tekst van de achterpagina, met als eerste zin meteen al de meest ingedikte samenvatting die mogelijk is.

Dit is het verhaal over een stad en een brug. Over het lotenmeisje, de sigarettenjongen en de beste zakkenrollevan Europa. Over de parapluhandelaar die Engeland een proces wil aandoen. Over familie en godsdienst. Over eer als je zo arm bent als een kerkrat. Over gezond verstand en de verleidingen van fundamentalisme en geweld. Over leven met de moed der wanhoop.”

In de brug komen tal van grote en kleinere zaken en kwesties voorbij. Van de (start van de) genocide op de Armeniërs tot aan gewelddadige roofovervallen door georganiseerde bendes; van de terugloop van de visvangst tot het weren van vrouwen uit het straatbeeld;en van het verdrijven van de Grieken uit de stad in verband met de kwestie Cyprus tot een uitgewrongen man die zijn pensioen liet verdwijnen. Intussen is er ook een kijkje het achterland in waar de levensomstandigheden van zwaar tot ondoenlijk zijn en hele dorpen verdwijnen. De bewoners belanden in de grote stad en met een hengel op de brug.

Tekst loopt door onder illustratie.


Uitgave voor de verkoop.

Het geschenk kent twee pagina met gebruikte literatuur en een uitgebreide verantwoording. Het is geen boekje als de meeste anderen, met een novelle, maar een verslag, een onderdompelen in het echte leven op de scharnier van Europa naar Azië of andersom: Geert Mak verbleef in 2006 vele weken te midden van de straatverkopers op een van de stadsbruggen van Istanbul (...) De meesten zijn straatarm, kunnen nauwelijks het hoofd boven water houden, ze leven bij de dag, bij het uur.” Het verblijf leverde een mooi boekwerkje op. Toch blijft er een gat.

Veel komt aan de orde. Dat loopt van Koerden die ontkent worden, via politie repressie en nationale trots, de man-vrouwverhoudingen, naar de eeuwenlange neergang van de stad. Maar alles gaat zo soepel van het een naar het ander, vrijwel zonder commentaar. De Volkskrant recensent Arjan Peters, schreef: “Zijn beminnelijke timbre strijkt alle voorstelbare 'heftigheden' glad,” en “zijn gemoedelijkheid voorkomt een borende introspectie of schel gearticuleerde bezorgdheid.” Dat is prettig, maar zorgt er ook voor dat je achterblijft met een leemte.

Achter in mijn hoofd klinken twee andere boeken: Het Museum van de onschuld over dezelfde stad, maar dan wel doorleefd, en helemaal weinig vrolijk Istabul Istanbul. De schrijver van het eerste boek, Orhan Pamuk, wordt wel genoemd in De brug, maar Burhan Sönmex schrijver van het tweede is te ver in de kerkers van het regime afgedaald om een plekje in het geschenk geschreven door de “ambulante ambassadeur van de dialoog” te krijgen.

Anderzijds geeft die geruststellende houding van Mak ook toegang tot de mensen op de brug. Als hij een van zijn contacten vraagt of ze veel last van criminaliteit hebben op de brug, dan antwoord die met een luide lach: “Die criminaliteit zijn we meestal zelf.” Dat is een antwoord dat getuigd van vertrouwen. Als Erdal Balci, reporter voor Trouw, een van de geportretteerden straatverkopers opzoekt is die er trots op dat zijn leven is geboekstaafd. Het mogen dan geen vrienden zijn, wederzijdse waardering is er wel degelijk. Die stemming geeft ook de lezer een aangenaam gevoel. De aangeroerde zware thema's zijn lichtverteerbaar geworden in de handen van Mak.

Noot:
* Het komt uit de bundel Şimdi Sevişme Vakti (Nu is het tijd om te vrijen) uit 1953. Aanvankelijk werd overwogen om deze bundel de naam Brug te geven. Hoewel er advertenties in tijdschriften met deze naam werden geplaatst, verscheen het onder de vermeldde titel.