Posts tonen met het label Dewi Anggraeni. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dewi Anggraeni. Alle posts tonen

maandag 1 maart 2021

Boeken in februari

Man en schaap, Merlijn Bolink

Laatst gelezen boek boven. 

The three kingdoms Welcome the Tiger van Luo Guanzhong bestrijkt de periode 219-280 nChr. Een veel langere periode dan beide voorgaande delen. Het eerste begon in het jaar 180.

De Koninkrijken Wu en Shu zullen in het jaar 280 geannexeerd worden door de Jin Dynastie (die een voortzetting is van het koninkrijk Wei. Die dynastie zou blijven bestaan tot het jaar 420). Zoals in de eerste regel van het eerste deel al was aangekondigd “volgt eenheid op verdeeldheid en verdeeldheid eenheid.” Op de voorlaatste pagina - voor het afrondende slotgedicht - keert na zo'n 1.400 pagina's deze zin weer terug.

Hoofdpersonen

In het derde deel gaan al snel drie hoofdpersonen dood waarmee de lezer inmiddels vertrouwt is geraakt. Guan Yu (de broer van Liu Bei, – de heerser over Shu) is de eerste. Zijn driestheid maakte hem gevreesd, maar ook roekeloos. Het betekent zijn einde. De andere broer van Liu Bei, Zhang Fei wordt gedood als hij dronken op zijn bed ligt. De daders zijn twee generaals die hij heeft vernederd met lijfstraffen. Liu Bei zelf zou omkomen nadat hij een vergeldingsmissie tegen Wu – die ten zeerste werd afgeraden – verslagen werd en hij door spijt en verdriet om zijn bloedbroeders overmand ziek werd.

Cao Cao, de zelf benoemde prins van Wei, zou daarvoor al aan een ziekte overlijden. Hij werd bezocht door zijn slachtoffers uit het verleden. Bijna alsof er een soort PTTS beschreven wordt. Een hersenoperatie door de arts Hua Tao zou hij weigeren aangezien hij de arts niet wilde vertrouwen die deze operatie onder het schedeldak – met verdoving – uit zou voeren. Anesthesie bestond al veel eerder en was ook in China niet onbekend. De arts heeft daarvoor met succes een zware operatie uitgevoerd op Guan Yu. Hua wilde daarvoor niet betaald worden. Hij deed het uit bewondering voor Guan.Dat voede ook de achterdocht van Cao. 

Eenduidig

De zoon van Cao Cao, Cao Pi neemt na dzijn dood ook de plaats van de keizer in. Dit na een lofzang op zijn persoon. De opmerking dat zijn kwaliteiten in alle hoeken van het rijk worden erkend en “alle schepsels op aarde bereikt,” toont dat China zichzelf als centrum zag. Overigens speelt het verhaal zich grotendeels in een beperkt deel van het huidige China af en kan het begrip 'op aarde' ook beperkt in ruimte worden gezien. Of is het Rijk van Midden, naar eigen zienswijze, het centrum van de wereld. Beperkt of groots, het zal beide kunnen. Het voormalige wereldrijk en de zeemacht was op het moment dat De Drie Koninkrijken geschreven werd, weer in zijn schulp gekropen. Het boek van Luo Guanzhong laat zien dat je over China of de Chinezen niet eenduidig kan denken. Zelfs op individueel vlak kunnen de karakters in het boek vriendelijke, humanitaire, vredelievende of nare, sadistische en oorlogszuchtige kanten hebben. Die grijstinten maken het een plezierig boek om te lezen. Een held kan plotseling door de mand vallen en een snoodaard kan twijfels hebben.

Harts & minds

De beste oorlogsstrategie is om harten te veroveren in plaats van steden – om te vechten met gevoelens en niet met wapens. Het is goed als je de harten aan je zijde krijgt.” Het zijn zinnen die zo uit een 20e eeuwse theorie over guerrilla of contraguerrilla zouden kunnen komen. Hier krijgt de visie wel een heel bijzondere betekenis. Niet ver van Sanyiyang in het zuiden van het Shu gebied is een opstand door de Man. Deze opstandelingen worden afgeschilderd als wilden. Je moet ze echter niet onderdrukken, maar voor je winnen, zegt de krijgsheer van Shu Zhuge Liang. Dat gebeurd op een bijzondere manier. De leider van het volk wordt zeven keer gevangengenomen en even zo vaak weer vrijgelaten voordat hij zich volledig over wil geven. Dit brengt de gewenste onderschikking aan het gezag, zodat niet steeds opnieuw een leger hoeft te worden ingezet om de Mans onder de duim te houden. De vriendelijkheid van de veroveraar wordt beantwoord met de dankbaarheid van de veroverde. De ruimte die door die zo ontstaat wordt overigens gebruikt om een aanval op Wei te doen. Een terugkerend deel van de harts en minds strategie is dat de troepen wordt verboden de lokale bevolking lastig te vallen of te benadelen.

Fog of War

Zhuge Liang


De fog of war is een ander begrip uit de oorlogsvoering dat wordt beschreven, hoewel niet in dezelfde woorden, maar met “list en bedrog zijn een deel van de oorlogsvoering” komen we er dichtbij. De voorbeelden zijn legio. Soldaten van stro, om de vijand te overtuigen van een krachtige verdediging, doen denken aan de opblaastanks van de Serviërs om de NAVO om de tuin te leiden. Er worden valse geruchten verspreid over generaals om hun gezag te ondermijnen. Verlies veinzen om de vijand tot een achtervolging te verleiden en zo een hinderlaag - al dan niet met vuur als wapen - in te lokken, de meest gebruikte list.

Strategen
Lu Xun, Sima Yi en Zhuge Liang, de strategen van respectievelijk Wu, Wei en Shu, spelen een voorname rol in de Drie Koninkrijken. Ze bekokstoven de ene na de andere krijgskundige slimmigheid en proberen te anticiperen op de stappen van de tegenstander om die te slim af te zijn. Ze worden alle drie vergeleken met de bekendste strategen uit de Chinese geschiedenis. Zhuge werd bijvoorbeeld vergeleken met Guan Zhong en Yue Yi die honderden jaren eerder leefden. In Shu volgt Jiang Wei Zhuge Liang op die dan al bijna twee boeken een rol speelt als meesterbrein. Bij zijn dood worden in de roman boeken van hem genoemd die hij niet geschreven heeft, maar er is nog steeds veel werk van hem wel te lezen (zoals dit). Dat werk is wel veel minder bekend dan De Kunst van het oorlogvoeren van Sun Tzu (The Art of War,Shambala: Boston/Londen, 1988). Zhuge Liang wordt uitgebreid geciteerd in de geannoteerde versie uitgegeven bij Shambala (dat is niet zo vreemd want er is ook een tekst Mastering the art of war, met de ideeën van Zhuge en Liu Ji over dit strategische meesterwerk van 2.500 jaar geleden).


In de Drie Koninkrijken wordt opgemerkt dat Zhuge schatplichtig is aan de inbreng van zijn vrouw, die hij trouwde om haar talenten (hij laat zich over vrouwen desondanks denigrerend uit). Het komt vaker voor dat vrouwen die rol spelen, maar opgemerkt wordt het lang niet altijd. Kennelijk wel in een boek uit de laat 15e eeuw.


Even terug naar The Art of War.
Woorden van de echte personen, geeft vlees op de botten van de roman personages die op hen gebaseerd zijn. Dat telt voor Zhuge, maar ook voor Cao Cao. In de Shambala uitgave staat ook het commentaar van zijn hand op de woorden van Tzu en commentaar op zijn genie. Hij komt er beter vanaf dan in de Drie Koninkrijken, waarin hij weliswaar een grote mijnheer is, maar ook een die zonder veel scrupules iedereen opzij zet die hem in de weg staat. Hoewel hij de troon niet overneemt, wel de macht en invloed en zo bereid hij de weg naar het Koninkrijk Wei. In de Drie Koninkrijken wordt geschreven dat hij omvangrijke legers weet op te bouwen, zoals de grote strategen Sun Tzu en Wu Qi

Oorlog en vrede
Voor strijd is het nodig de eigen mogelijkheden en onmogelijkheden te zien, maar ook de tegenstander te kennen en dus te bestuderen. Dit inzicht wordt herhaald door verschillende personen, uit alle kampen. Het is een visie die een veel bredere betekenis heeft dan militair. Het is een politiek uitgangspunt dat makkelijk vergeten wordt. Het eigen gelijk is onvoldoende om de 'strijd' te winnen.

Ondanks de slagenwisselingen met zwaarden, bogen en speren gaat het in deze roman ook veelal over de lengte van de aanvoerlijnen, noodzakelijke genie om werktuigen en bruggen te bouwen, de inzet van marine op rivieren en meren, over logistiek en voedselvoorziening voor de legers van vaak honderdduizenden manschappen en over het hooghouden van het moreel van die troepen. Dat laatste onder andere door een rotatie schema van honderd dagen op te zetten, zodat een deel van het leger kan rusten als een ander deel wordt ingezet. Een schema dat ook wordt gevolgd als het niet uitkomt, om de troepen vertrouwen in de leiding te geven en tot grotere inzet te verleiden. Het krijgsbedrijf is meer dan knokken.

Als Wu een nieuwe heerser krijgt (Sun Quan) dan wordt hem het advies gegeven: “Het is niet gepast om Uw nieuwe Koningkrijk te beginnen met oorlog. Ik acht het beter de wapens opzij te leggen en het leren te promoten door scholen te stichten en de bevolking de zegen van vrede te geven.” Niet dat hiermee de oorlog wordt afgezworen, maar van oorlogszucht om de oorlog is ook geen sprake. Wu zal uiteindelijk wel overlopen worden door Wei. De extreme weelde die het hof zich over de ruggen van de bevolking veroorloofde en de wrede en kortzichtige manier van bestuur, verzwakte het koninkrijk.

General Zang Yi van Shu adviseert de Koning: “Ons land is klein en smal en ontbeert de middelen voor een verre expeditie. Het is beter om de strategische punten aan de grenzen goed te verdedigen, het leger te laten rusten en voor de bevolking te zorgen. Dat is de methode om het land te beschermen.” De visie wordt bestreden door de opvolger van Zhuge Liang, Jiang Wei, maar Jiang zou wel het onderspit delven in zijn oorlog tegen Wei. Hij was niet opgewassen tegen de onkunde van zijn collega militairen, de machinaties aan het hof en het tegen hem opgebouwde wantrouwen in de hoofdstad. Zijn levensopdracht de eenheid van de Han dynastie in ere te herstellen kon niet lukken op basis van een een intern verzwakt koninkrijk. Een inval van Wei zou zelfs door de nazaten van Zhuge niet afgeslagen kunnen worden. De val van Shu leidde de val van Wu in.

Pil
De Drie Koninkrijken is een boek over de militaire en bestuurlijke elite. Er komt wel eens een gewone man in voor, maar dan toch vrijwel altijd omdat hij hard zijn best deed en doorstoot naar een hoge post in het leger. Het is een boek waarin denkers het hoogst worden geschat, gevolgd door de dappere militairen. Het bestuur en hof moeten die eer verdienen en slagen daar vaak niet in. Het is me niet duidelijk of de regelmatig terugkerende uitspraak van machthebbers op een goed plan van de intellectuelen “dat is precies wat ik zelf al dacht,” ironisch moet worden gelezen. Wel is duidelijk dat morele waarden - overigens net als keiharde discipline - hoog worden geacht.

De achterflap belooft een boek dat Chinezen gebruiken om succesvol te zijn in het leven en zaken, en voor Westerlingen om China beter te begrijpen. Het zijn hoogdravende woorden, maar het creatieve, gestructureerde en op resultaat (niet perse korte termijn) gerichte denken gaat pagina na pagina in het hoofd zitten. En het land is wat dichter op mijn huid gaan zitten. 

Dat het boek gesplitst is in drie delen, is praktisch en handzaam voor de bedlezer. Het betekent ook dat je drie keer met het boek kan beginnen; met veel plezier verder lezen over listen, het ontstaan van de Drie Koninkrijken en door China trekkende legers. Ik zal het missen. Hoewel het een boek is dat je kan lezen en herlezen en telkens weer iets nieuws in zal ontdekken. Deze eerste keer was het in ieder geval meeslepend.

The three kingdoms; The sacred oath (Vol 1)
The three kingdoms; The sleeping dragon (Vol 2)
Thethree kingdoms; Welcome the tiger (Vol 3)

***

De vrouw, Margriet, in De ontaaarde slapers van Ward Ruyslinck, vreest de oorlog en wat die met haar zal doen. Haar leven draait om die angst en de opengereten paardenlijven uit de voorbije oorlog. Ze is 22 jaar eerder als jonge blom met “wit welvende buik” getrouwd met de 21 jarige Sylvester. Aangezien het boek uit 1957 stamt was dat nog voor 1940.

“Kerend in de groezelige en jeukige warmte van het bed, dacht hij aan de wind als aan een verdwaalde hond die jankend tegen de deur opsprong. De hengsels kraakten en door de reten drong de zucht zoevend binnen.” Daar dringt een woonruimte zich op, waar je nog niet dood gevonden wilt worden. Op het dak rammelt een pan, de wasbak is lek en het mes is bot. Voor het repareren van de wasbak is geen gereedschap in huis, maar ook de rest wordt niet hersteld.

Er is geen geloof in God, geen geloof in de wereld en Sylvester
“wist dat de goeden hun loon niet kregen en dat de kwaden hun straf ontliepen, en dit weten had hem afkerig gemaakt van de grote bestierlijke en maatschappelijke ordening die het werk was van mensenhanden. Hij was het schaap dat de kudde verlaten had, omdat het de gedachte niet verdroeg te moeten geschoren en gebrandmerkt worden, of misschien alleen omdat het in eenzaamheid wilde sterven.” Het is een herkenbaar cynisme dat leidt tot nietsdoen en klamme lakens (of tot grote inhaligheid, maar daar is hier geen sprake van).

Als Sylvester dan eindelijk toch de pan op het dak vast gaat leggen, treft de schoonheid van het uitzicht hem en heel even klaart
“de donkere leegt binnen in hem” op. De opleving is maar voor even. Het uitzicht op het akkermaalsbos met zijn giftige paddenstoelen wijst vooruit naar zijn tragische dood. Heel even denkt hij aan zijn prille liefde, maar dan ziet hij het leven alweer als “een boek waarvan men het eerste hoofdstuk aandachtig las, daarna klapte men het dicht, men wist al vooruit wat er in de volgende hoofdstukken gebeuren ging, men wist dat àlle boeken zo geschreven waren. Het had geen betekenis, het had geen belang.” Het lente uitzicht maakt hem niettemin rusteloos: “welke wesp heeft u gestoken,” vraagt Margriet.

Het boek is het debuut van Ruyslinck die tot dan een dichtbundel en gedicht heeft gepubliceerd. Ook deze novelle heeft een poëtische inslag. Met fraaie taal (volgens sommigen met overdadig gebruik van stafrijmen en kwalificaties) wordt een bedompte sfeer geschetst waarin een echtpaar niet veel meer doet dan slapen en de man slechts het huis verlaat om steun te trekken. Tot het fataal afloopt. Dan blijkt dat ook het leven van Margriet niet alleen om haarzelf draait of kan functioneren zonder haar man. Haar leven lijkt te eindigen als Sylvester door een ontplofte blindganger aan zijn eindje komt.

Het boek verontrust me. Er zijn heel veel Sylvesters en Margrieten. Het is niet zo moeilijk om de kudde kwijt te raken. Waar leef je zelf het leven van een ontaarde slaper? Wanneer klim je zelf op het dak om de pannen vast te leggen en wat doe je dan met wat je in de verte ziet. Blijf je thuis in onder de dekens of ga je op onderzoek uit? Lieg en bedrieg je jezelf een wereld die je past als een bed – waaronder de troep is weggeveegd – of ga je het boze bos in?
 

***
Theun de Vries zei zelf kort en bondig over De vrijheid gaat in het rood gekleed dat het gaat “over de emancipatie van de zwarte bevolking op Guadeloupe tijdens de Franse revolutie.”

Het verhaal geeft De Vries de gelegenheid onderzoek te doen naar de gevolgen van de Franse revolutie voor de aristocratie en het bestuur in de koloniën en hoe het zat met “de levende meubels van de plantage.” De strijd uit het moederland wordt immers ook in de West uitgevochten, waarbij de Engelsen de oude heersende klasse steunen.

De slavernij werd in de Nationale Assemblee van 23 augustus 1793 in Parijs afgeschaft. Dat besluit druppelde maar moeizaam door naar de plantages. Het zou daar wel een stimulans zijn voor de strijd van slaafgemaakten tegen hun zogenaamde eigenaren, maar van even groot belang lijkt in het verhaal de strijd van de slaven in San Domingo (de huidige Dominicaanse Republiek). Er zijn zelfs vertegenwoordigers van daar die de strijd op Guadeloupe komen steunen met raad en daad. (Overigens werd in Frankrijk de slavernij in 1802 weer ingevoerd en ook in Guadeloupe, maar die keiharde klap valt buiten het bestek van dit optimistische boek.)

Al als kind wordt ontdekt dat David tekentalenten heeft. Hij wordt uit het 'negerdorp' op de plantage weggehaald, hij krijgt teken- en schilderles van een echte schilder in de hoofdstad Pointe-à-Piter en wordt gehuisvest op de zolder van een bijgebouw. Het geeft hem de rust en ruimte zijn tekenstijl te ontwikkelen. Het is echter niet de bedoeling dat hij beelden maakt van de mensen die tussen de hutten leven. Dat moet stiekem. Hij moet tekenen voor kinderfeestjes en om op te scheppen tegen andere plantage eigenaars.

De Vries laat soms langzaam, soms met sprongen, het bewustzijn van David zich ontwikkelen, hem inzicht krijgen over de eigen positie in een steeds grotere wordende wereld. Regelmatig schrijft hij dat het besef van wereldse zaken bij de slaven niet bestaat. “Hij,” David, “wilde niet langer doof, blind en stom tussen de samenzweringen doorwandelen,” en er kwamen dagen dat na moeizaam denken de samenhang tussen de dingen tot David ging doordringen. Hij was daarmee zeker niet de vlotste op de plantage. Het overwinnen van schroom en er in gestampte visies over de plaats van de slaaf blijven tot het eind toe spelen; dat hij een zogenaamde bevoorrechte positie had maakte dit niet gemakkelijker. 

De schrijver zit met de beschrijving van deze ontwikkeling de werkelijkheid wat dichter op de huid dan Esi Edugyan in Washington Black. Black is toevalligerwijs ook een slaaf met een grote vaardigheid in tekenen. Hij wist veel sneller en met minder innerlijke hobbels van de hoed en de rand. Besef komt niet zo makkelijk, weet De Vries als communist, daarvoor is bewustwording en scholing nodig.

In het boek wordt de taal van vroeger gebruikt. Zo gaat het over “zijn rasgenoten” en een negertuinman. Als je oudere boeken leest is het goed je te realiseren dat de taal die van vroeger is en de intentie van de schrijver te willen zien. De Jong schetst een mooi verhaal.

David kijkt met een verlichte blik naar gevechtshandelingen, ook tegenstanders behoren behoorlijk behandeld te worden, maar de slavenhouders kunnen op minder genade rekenen. Als de guillotine al voor het proces tegen hen wordt opgetrokken, doet hem dat weinig; hij lacht mee met een voormalige slaaf van dezelfde plantage als waar hij vandaan kwam en de soldaten die het executiewerktuig neerzetten. De plantage houders hebben teveel pijn en ellende veroorzaakt, dat is niet meer goed te maken.

***

Neighbourhood Tales
van Dewi Anggraeni is een bundel met verhalen en werd in 2001 gepubliceerd. Ze gaan over buurtbewoners, toeristen en voorbijgangers. Ze gaan ook over buren, omdat de personages uit verschillende landen komen die bij elkaar liggen, met name uit Indonesië, Australië en in een geval de verre buur Sri Lanka. Anggraeni zelf leeft in Melbourne en is geboren in Jakarta.

De verhalen zijn zowel in het Indonesisch als Engels geschreven en in beide talen opgenomen in de bundel. Paranormale zaken spelen een hoofdrol, zoals doden die dromen van de levenden bezoeken, een beschermende kris, een vervloeking van generaties, het weten wat je kan weten, en het geforceerd zoeken naar zingeving in Oosterse religie om uit een vastgelopen huwelijk te raken.

Aangezien de teksten in beide talen door de auteur zelf zijn geschreven, werden het ook geen letterlijke vertalingen. De intimiteit van een relatie – nauwelijks expliciet te noemen, het gaat om een erectie en noemen (niet meer dan dat) van het genot van het klaarkomen – wordt in de Indonesische versie weggelaten. Koosjer staat niet in de Indonesische tekst om halal te beschrijven. Die verhalen in twee talen hebben ook het voordeel dat als ik twijfel of Javaans niet Indonesisch moet zijn het gebruik van bahasa Jawa bij die passage in de Indonesische tekst duidelijk dat het inderdaad om Javaans gaat.

Beide versies hebben een verklarende woordenlijst. In de Indonesische lijst staan maar weinig woorden die ik niet ken. De bellbird moet ik wel opzoeken. Het is de honingvogel en in de verklarende Indonesische tekst staat dat hij klinkt als een bel. De veel kortere verklarende lijst bij de Engelse versie bevat veel meer begrippen die ik niet ken. Dat Gatotkaca Gandrung de naam is van een traditionele liefdesdans is, heeft betekenis voor het verhaal, had het niet in de lijst gestaan dan was dit aan me voorbij gegaan.

Op Lombok kocht ik ooit een kaart van twee naast elkaar gelegen meren. Toen ik hem liet zien aan de studenten bij wie ik een week in huis bivakkeerde, merkte ik op dat ik me kon voorstellen dat mensen er vroeger magie in zagen, die twee kleuren water pal naast elkaar. De reactie was afwerend. Destijds nam ik aan dat het was, omdat ze niets met die Kris van Pusaka nonsens te maken wilden hebben. Misschien trapte ik wel op een terrein waar ik weinig van begreep. Of vonden ze me maar een domkop dat ik op Lombok een beeld van een natuurverschijnsel op Flores kocht.

Na het lezen van dit boek realiseer ik me dat ik er naar had moeten vragen. Net zoals het Australische paar in een verhaal had moeten vragen of de gasten wijn wilden bij het eten en niet aan nemen dat ze als Indonesiërs automatisch moslim waren en de islamitische spijsvoorschriften zouden volgen. De Indonesische staatsideologie geeft ruimte aan boeddhisme, christendom, confucianisme, hindoeïsme, en de islam.

De verhalen zijn verhaaltjes met een plot en met het paranormale heb ik niet zoveel. Je denkt al snel aan een lesboek. Een miskoop? Het lezen zonde van de tijd? Nee dat ook weer niet. Het boek is niet alleen tweetalig, de schrijfster staat ook met een been in Indonesië (Java) en het andere in Australië en schrijft met veel gevoel over de (Indonesische) migrant en Australische autochtoon. Zo waarschuwen de verhaaltjes voor valkuilen op het kronkelige pad op weg naar wat meer begrip voor de ander en jezelf. Toch aan de roman die ik van haar las beleefde ik meer plezier.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.




zaterdag 1 februari 2020

Boeken in januari


Laatste boven

Bette Dam is een 1,88 meter lange Nederlandse journaliste die in Op zoek naar de vijand; het verhaal van een terrorist die een vriend wilde zijn zocht naar informatie over moellah Omar, de boomlange leider van de taliban. Zoektocht kan je hier letterlijk nemen. De tocht begon met het opschrijven van de namen van Afghanen die in 2001 betrokken waren bij het verdrijven van de taliban. Dam zou die mannen stuk voor stuk spreken. Zo werd ze ook op het spoor van moellah Omar gezet. Maar haar belangrijkste vraag is of de oorlog te vermijden was geweest.

De tocht brengt de lezer naar verre uithoeken van het land, waar volgens gangbare normen voor veilige journalistiek de pers niet onbeschermd moet willen komen. Ze gaat naar het huis waar Omar als jongen woonde. Naar het erf waar hij moellah was tussen het verdrijven van de Russen en de machtsovername door de taliban in 1996, naar de kelder waar hij uiteindelijk zijn macht overdroeg en naar nog een ruime handvol andere plaatsen. Dam reisde al dan niet onder de bekende blauwe boerka, en de plaatsen die ze bezocht worden lees hier verder

***

Coen Peeters schreef met Kamer in Oostende een boek over de bekendste badplaats van België. Hij maakte er meer van dan een stad aan de kust waar toeristen komen en gaan. Hij schreef een verhaal over kunst, leven, dood, visserij, vergankelijkheid, vriendschap en meer, en zijn geliefde vrouw komt er vandaan.

Kort, bondig en accuraat is het boek beschreven op de achterflap, een zeldzaamheid. Daar waar ik zocht naar een woord om de schrijfstijl te benoemen en strandde bij poëtisch, een woord dat dichtbij kwam, maar waar ik niet helemaal tevreden over was, daar komt die flap met het preciezere fijnzinnig. Die flap plak ik dan ook maar bij deze bespreking.

Twee mannen, een schrijver en de schilder Broucke, doen onderzoek in Oostende. Ze lichten tegels waaronder schedels, kijken achter allang gesloopte gevels, en vragen zich af of ze onderzoekers zijn, deel van de stad of nog steeds toeristen. Ze waren er rond in een prettige sfeer en met veel liefde voor de kunsten, mensen en gebouwen: “Allebei hebben we dat hongerige kijken, een gejaagdheid vooral, het plezier van vormeloze gedachten uitwisselen, schoonheid zoeken, mekaar uitlachen zonder een mondhoek te vertrekken.”

Vanzelfsprekend is die liefde en vriendschap er ook voor de zee; die mag zelfs een paar hoofdstukken de ik-figuur zijn en komt via schilderijtjes van Koen Broucke – die model stond voor de Broucke in het boek – regelmatig in beeld.

Het onderzoek en de aantekeningen werden een boek, maar wat hield het zoeken in, hoe werd het gedaan? Er is een gereedschapskoffer met een stemvork, loep, en “een fijn hamertje om de gang van zaken ongemerkt een tikje te geven.” Maar ook is er fascinatie, nieuwsgierigheid, plicht, dwangmatig gedrag, ontsnappingsdrift, een onbepaald verlangen en de onderzoekers gaan geen enkel gesprek uit de weg.

In hoofdstuk 28 kom ik Charlotte [Van den Broeck] tegen. Die kende ik al van de presentatie van haar boek in een televisie programma. In Kamer in Oostende heeft ze het over de architect van het postgebouw Eysselinck die door tegenkanting bij ontwerp en bouw en ook twee maanden na de dood van zijn vriendin een einde aan zijn leven maakte; het thema van haar boek Waagstukken, zelfdoding na mislukte projecten door architecten. Het verscheen in oktober 2019 en het dus niet zo dat Peeters naar hetzelfde programma keek als ik. Hij kwam de hier wat pretentieus overkomende jonge dichteres tijdens háár onderzoek in Oostende tegen. Ook in haar boek speelt die ontmoeting met de schilder en schrijver, 'de Koenen' genoemd (inclusief architect Koen Syngel), tijdens dezelfde stadswandeling een rol en daar komt die andere kant er dan weer zonderling vanaf. 

De stad en zijn gebouwen veranderen constant, de enkele keren terugkerende Oostende kenner De Kuyper verklaart het: “Het is de rattrapage, de nervositeit om mee te zijn, waar mensen en steden in randgebieden wel vaker last van hebben. Het is een koorts, een rusteloosheid die wil dat je constant vervelt, groeit, vernieuwt en vernietigt tegelijk.”

De eerder genoemde schedels zijn van de mensen die omkwamen bij het beleg van Oostende 1601-1604 met 150.000 doden, aldus Broucke met een hoofd vol jaartallen en andere cijfers, als de schrijver hem voor het eerst tegenkomt.

Wat het boek vooral doet is je nieuwsgierig maken naar de Oostende achter de Zeedijk met zijn appartementen en uitspanningen. De schrijver leerde er een collega kennen, Duribrieux, waar hij in het begin van het boek nog niet van had gehoord. Aan het eind van het boek is het hotel waar Duribrieux woonde en werkte, met zijn 34 kamers, de maat van stad en onderzoek en het komt ook aantal hoofdstukken uit op 34. Als ik er nog eens door Oostende fiets zal ik een andere stad zien. Je zou de schrijver en schilder er voor moeten kunnen bedanken.

***


Dewi Anggraeni is een personage uit de Maharabarata, de van oorsprong Indiase vertellingen, die ook al vroeg in het Javaans zijn vertaald. De mythische Anggraeni is mooi als een engel, loyaal, vrijgevig, vriendelijk, geduldig, goed gemanierd, aantrekkelijk en zeer toegewijd aan haar echtgenoot.

Het boek The root of all evil is geschreven door een Indonesische schrijfster met dezelfde naam. Deze Dewi Anggraeni is naast schrijfster ook onderzoekster. Ze werkt op het raakvlak tussen de Australische en Indonesische samenleving en schrijft zowel in het Engels als Indonesisch, vertaalde boeken, is correspondent geweest voor Indonesische kranten en was onderzoekster aan de Monash Universiteit in Melbourne.

In een getekende roman, the Chinese Whispers, van Rani Pramesti’s uit 2014 kwam ze ruimschoots en indringend aan het woord. Ik had nog nooit van haar gehoord, maar door dit portret wist ik dat ik haar wilde lezen. Het werd The root of all evil, haar eerste boek, gepubliceerd in 1987. Het bracht me naar het Jakarta van de jaren tachtig. Een groeiende stad in beweging die door de ogen wordt gezien van Komala. Je ziet de brede weg met stalletjes erlangs, je proeft de roedjak; het is een boek dat leeft.

Kom woont in Australië, met haar haar Australische man en twee kinderen, maar is terug omdat haar vader ernstig ziek is. Ze kijkt met afstand naar de Indonesische samenleving waarin mensen hun plaats moeten kennen: armen zijn arm en afhankelijk en vrouwen een aanhangsel van de man.

Vrouwen worden herhaaldelijk ook de oorzaak van alle kwaad genoemd. “Vrouwen zijn grappig,” zegt Narshih, de jeugdvriendin van Komala, “als de man onbetrouwbaar is dan zullen ze de betrokken vrouw de schuld geven en laten ze de man met alles wegkomen.” Om dit gegeven draait het verhaal in belanrijke mate.

In de ruim zes weken Jakarta komt Kom ook haar jeugdvriend tegen. Ze blijkt dan zelf ook niet helemaal een engel en ook op andere vlakken valt dit tegen. Je kan denken dat er heilige helden zijn, maar dat zal altijd tegenvallen, zo waarschuwt haar vader. Denken dat je boven het falen staat, laat je juist falen, want je zal niet begrijpen wat je ziet en horen wat gezegd wordt. De roman rekent zo af met de perfecte Dewi uit de Maharabarata. De Dewi uit the Chinese Whispers van 37 jaar later hoor je er al wel in terug.

De 'oorzaak van alle kwaad' frase wordt ook een keer gebruikt met betrekking tot geld en dit van christelijk geloof doordrongen boek wordt daarmee waarschijnlijk gerefereerd aan een tekst van Paulus aan Timoteüs (1 Timoteüs 6:10, Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht.) Geld heeft niet alleen negatieve kanten. Men koopt er onrecht mee af zo blijkt uit het boek, maar het is ook nodig om te leven, zo wordt realistisch gesteld. Recht komt echter met idealen, want niet alles is te koop.

Dus zoek iets verder naar oorzaken van problemen dan het gemakkelijk de schuld bij armen en vrouwen te leggen. Kijk naar de machten achter het onrecht. Maar kijk ook naar de maatschappelijke positie van slachtoffers, anders kan je je hand wel eens overspelen, ook als je niet wilt handelen om te behagen, maar om het juiste te doen. Komala leert dat laatste al doende tijdens haar bezoek aan Jakarta.

***


Al jaren spaar ik langzaamaan de boekenweekgeschenken bij elkaar. De laatste die ik kocht 'Rondom het boek, 1936,' onder redactie van Roel Houwink leest als een catalogus voor het product boek, maar wel zonder verluchtigende plaatjes. Hoewel bijna zonder plaatjes, want er staat ook een fotoreportage in over de productie van het boek met een een beschrijvende tekst over het hele proces, met riemen papier en drukletters.

Naast dit hoofdstuk is er ook een hoofdstuk over het boek in het algemeen, waarin is beschreven waarom we moeten lezen. De schrijver immeers verstaat de kunst om ons méér wakker te maken en daarmee ons medeleven, bewustzijn van het geluk en onszelf te vergroten. Er zijn er die trotsch zijn dat ze geen tijd hebben om te lezen, stelt de schrijver vast: “Ze vinden dat een bewijs van mannelijken en zakelijken ernst.” Die mensen vergissen zich niet alleen zielig, maar ook onzakelijk, want het boek, de letter, is overal en bepaalt gedachten en daden, zo zet hij de niet-lezers in de hoek.

Alle andere hoofdstukken gaan over een segment van de uitgegeven fictie, non-fictie, lectuur en literatuur, met nadruk op de roman. In 1935 verschenen er 267 romans (1934: 294) en 335 vertaalde romans (1934: 360). De oogst aan gedichten was minimaal, verschillende schrijvers klagen daarover. Een gepland hoofdstuk over poëzie is daarom zelfs niet verschenen, omdat de schrijver ervan, Dirk Coster, de zin daarvan bij de magere opbrengst niet zag. De wel beschreven segmenten zijn divers: boeken over het buitenleven; stichtelijke lectuur; beeldende kunst; Scandinavische letterkunde; kinderboeken; filosofie; detectives; over muziek; Friesche boeken; maatschappelijke strijd; en nog een paar onderwerpen. Allemaal met zoveel mogelijk titels om de lezer naar leeszaal of boekhandel te sturen.

Het zijn vaak de eerste regels van een hoofdstuk, waarin de schrijver zich ten buiten gaat aan een eigen visie, die het meest interessant zijn. Zo wordt in de bijdrage over de Friese literatuur geschreven dat aansluiting bij de wereldliteratuur het gevaar in zich draagt van “ontnationaliseering.” Garmt Stuiveling is de enige die het woord NAZI in zijn bijdrage opneemt, veel anderen hebben het over onrustige tijden, alleen in het hoofdstuk over Scandinavische literatuur wordt ook duidelijk stelling genomen.

***


Het laatste rendez-vous van Iwan A. Boenin is een verhalenbundel die de lezer laat reizen in de (agrarisch) Russische wereld van vroeg 20ste eeuw.
De landarbeider denkt op zijn sterfbed aan de ontluikende liefde voor de vrouw die hij door altijd te werken nauwelijks heeft gezien, en sterft met een glimlach om de lippen. De jonge vrouw die haar vaders oogappel is laat zich bezwangeren door een man waarvoor ze gewaarschuwd is, bijt van zich af en merkt woedend dat een misstap makkelijk begaan wordt. De man die het niet meer weet, loopt weg bij zijn geliefde en schiet zich uiteindelijk een kogel door zijn hoofd. Het verhaal met een liefde uit vroeger dagen in een roeiboot op een donker meertje achter het huis, las ik al in de verhalenbundel Moderne Russische verhalen (door Arthur Langeveld en Madeleine Mes), maar dat is mijn vakantieboek en daar ben ik nog in bezig.

Er is een verhaal over het sterven van Voltaire, de Franse denker en Godsdienst scepticus. Zijn lichaam wordt het huis uitgesmokkeld en snel begraven voordat iemand er een religieus stokje voor kan steken. Hart en hersenen worden bewaard als relikwieën (een verhaal dat overigens verzonnen is). Er is nog meer dood. De dood van de man, dat angstwekkende wezen, waarmee na het sterven niemand meer iets te maken had en niemand die nog bang voor hem was. De dood van Lika, de vrouw binnen een mislukte liefdesverhaal, geënt op het leven van de schrijver zelf. De dood van de Amerikaanse rijkaard die al in het begin van zijn twee jaar durende vakantie – waarin hij zijn geld inzet om iedereen voor hem te laten lopen – sterft in het hotel op Capri waar hij net aankwam. Na zijn dood doet het geld zijn werk niet meer en moeten zijn vrouw en dochter het hotel zonder egards verlaten. Met twee woorden is het boek samen te vatten; er zijn verhalen over liefde en over dood, soms trekt de dood samen met de liefde op.

Lika is veruit het langste verhaal, je zou het eerder een novelle of korte roman noemen. Het begint bij en in Moskou en eindigt in de buurt van Koersk, zo'n 500 km naar het zuiden. Het mondaine leven in de hoofdstad past de hoofdfiguur, Arsenjev, niet en zijn liefdesleven loopt er uit het spoor. Hij is gewoonweg een hork. Mij irriteerde de figuur vanwege zijn negatieve, niet actieve, weinig sensitieve en botte houding. Hier en daar leeft het verhaal even op, de langste periode is er als de geliefden naar het zuiden trekken. Ook daar lopen de levens al snel uit elkaar en Lika verdwijnt. Een eerder avontuur van Arsenjev met een andere vrouw had hij afgewezen: “Tot op deze dag denk ik aan dat ogenblik terug met de pijn van een groot verlies.” Wie kijkt nooit met dergelijke weemoed om.

Nog niet eerder heb ik zo mooi en met plezier over alle geluiden die spreeuwen kunnen maken gelezen. Ik kan het fragment niet meer terugvinden en daarom zoek ik op het internet. Daar blijkt dat Boenin regelmatig, zoals in het verhaal Galya Ganskaya, over de kwebbelende spreeuwen schreef. Nu het toch over vogels gaat. Het boek zit vol Nederlandse woorden die ik niet ken: “In de rozentuin tjokken de vette lijsters,” en op het dak zitten “sneeuwwitte duiven te streuvelen tegen het zonnetje.” Het zijn wel heel beeldende woorden.

Op het passagiersschip waarmee de rijkaard zijn reis vanuit de Verenigde Staten begon, danst een paar al jaren de sterren de hemel. Ze spelen betaald voor verliefd paar om de sfeer te verbeteren, maar de dansende jongen had iets van een bloedzuiger en het verveelde dit paar allang om hun zalig namaak-leed te etaleren. Niemand wist dat diep onder hen, op de bodem van het donkere ruim, het lijk van de miljonair stond. Liefde, dood en leed, maar het schip vaart met ronkende motoren die worden gevoed door kolen, die zwarte stokers op het vuur gooien. De mens wikt, maar het lot van het leven beschikt, is het terugkerende thema.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.
Nederland legt weg aan naar Engeland om Brexit te ontkrachten. Reders protesteren.