vrijdag 5 augustus 2022

Boeken in augustus


Laatst gelezen boek boven.

Ali Smith neemt in Companion Piece vandaag en gisteren als onderwerp, net als in haar eerdere romans. In dit boek is de coronasamenleving in Engeland belangrijk, een land waar het politiek bestuur zich er niet al te druk om maakt en al helemaal niet om de achterblijvende gezondheidszorg. De schrijfster noemt juist de NHS, de Britse gezondheidszorg, in haar dankwoord. Toch treedt de ziekte niet te brutaal op de voorgrond.

Er is weinig afstand tussen wat beschreven wordt en het leven van de lezer. Zelfs de reclames komen zoals ze op TV zijn met de opgewekt kijkende families die hun groenten uit de geleverde dozen halen. Wat er gisteren in het nieuws verteld werd, lees je nu al in een literaire roman. Dat gaat bijvoorbeeld over repressieve maatregelen en verdronken vluchtelingen in het Kanaal. 

Smith kijkt ook naar kunst en beschrijft het in haar boeken. In dit boek is dat onder andere een tiental pagina's uitleg van een gedicht van e.e. cummings waarin dood achterstevoren wordt gespeld (TH A E D in het Engels, in het Nederlands zou het omkeren niemand opvallen): “En nu glimlach je zelfs naar de dood, zie je wel hoe krachtig een gedicht is,” zegt de hoofdpersoon, de schilderes Sand.

Een roman kan afstand nemen van de dagelijkse levensgang. Die beweging start hier met een vreemd telefoontje van een voormalige klasgenote (haar werd dat gedicht uitgelegd) waarin een oud en vakkundig gesmeed slot wordt beschreven: enig in zijn soort en een metafoor voor leven dat gesloten is (lock is ook in het Nederlands verbonden met covid in lockdown). Het mechaniek is eeuwen geleden gemaakt. Het geeft schrijfster de kans terug in de tijd te stappen op zoek naar een antwoord op een vreemde vraag uit hetzelfde gesprek.

Curlew of curfew? Moeilijk te vertalen 'wulp of avondklok' geeft alleen de betekenis weer. Dat de woorden op elkaar lijken en toch niet met elkaar te maken hebben is ook van belang. Die vertaling wordt nog moeilijker, omdat het woord curfew in het boek ook een oude betekenis volgt; het tijdstip dat de vuren op een werkplaats, zoals een smidse, werden gedoofd.

De avondklok is een naoorlogs fenomeen geworden. Het is een van de covid-verschijnselen, net als mondmaskers en afstandhouden. Er zijn ook mensen die denken dat zij niet ziek worden; dat zij geen rekening hoeven te houden met anderen en hun levenswijze op kunnen leggen: 'Doe gewoon we kennen elkaar'. Die mensen duiken ook hier op. Er zijn anderen die dat wel doen en letten op zieken en ouderen. Dat zijn ook de mensen die kijken naar het balletje veren waarin een snavel is verstopt om zonder anderen te beschadigen toch geestelijk gezond te blijven.

In de boeken over de seizoenen werd uitgebreid geschreven over de gierzwaluw. In Companion piece staan wetenswaardigheden over en beschrijvingen van de wulp; de trekvogel die niet altijd echt vertrekt. God heeft vermoedelijk gekeken hoe lang en dun hij een snavel kan maken, zo lijkt het als je naar haar kijkt. Het is de moeilijkst tam te maken vogel en toch lukt het hier. Het is ook de vogel die waarschuwt bij onraad. Die verdwijnt en weer terugkomt en dan weer verdwijnt. Het is het balletje op een bed. Ze geeft een teken dat het leven weer doorgaat.

Er is nog een dier dat een hoofdrol speelt en dat is de hond Shep van Sands vader. Die laat, net als de wulp, het leven weer beginnen; haalt het van het slot. Het is de eerst genoemde kameraad in het verhaal. Hondengezelschap is legendarisch: To the rescue he came.

Een hello volstaat ook om een herstart te maken het leven in. Dat woord komt van … (oh nee lees zelf maar, daar gaat een kort hoofdstuk over). Op gepaste afstand blijven, betekent niet dat er niets kan en moet. Zonder relaties tussen mensen wordt de wereld immers armoedig.

Companion piece is een geslaagd en gelaagd literair onderzoek in tijden van corona. Deze bespreking sluit af met de meest luie opmerking die je als bespreker van een boek kan maken: Ik zal dit boek zeker herlezen. Zo weet ik ook zeker dat ik dan dingen zal lezen die ik nu gemist heb. Een fijn boek.

Volgende bespreking onder foto.

Laatst gelezen boek boven.

Sánder Márai's roman De meeuw pakte ik vanwege de titel van de stapel nog te lezen boeken. Wat kan er mis zijn met een boek dat zich siert met de naam van deze gewone, maar oh zo sierlijke, brute en inventieve vogel? De flaptekst was genoeg om het bij mijn bed te leggen.

Het boek van de Hongaarse schrijver verscheen in 1943. Het speelt drie jaar eerder en op de achtergrond dreigt de oorlog ook dichtbij los te barsten: de oorlog die verder weg al huizen vernielde en steden ontoegankelijk maakte. De hoofdpersoon is een vijfenveertigjarige ambtenaar. Die weet vrijwel als enige van de dreiging voor Hongarije; hij schreef er een nota over. Wanneer het verhaal precies speelt is onduidelijk. Parijs is al ingenomen (dat was juni 1940) en waarschijnlijk is het kort daarna aan de vooravond van de Tweede Scheidsrechterlijke Uitspraak van Wenen in augustus van dat jaar. Dat betekent dat Hongarije al deel uitmaakte van de Duits-Italiaanse fascistische invloedssfeer en stukken van Tsjechië en Oekraïne had ingenomen. Delen van Roemenië werden kort daarop ingelijfd. Hongarije is door het bondgenootschap met de Asmogendheden zelf geen oorlogsgebied.

Deze context speelt als een buiten het boek staande schim en werpt er een donkere schaduw over. Of het mooi is dat de exacte gang van de lokale geschiedenis voor het overgrote deel weg blijft van de pagina's? Is het erg dat het leven van de schrijver mist, bijvoorbeeld dat hij een Joodse vrouw had en het antisemitisme geen rol speelt. Het geeft het boek een andere diepgang. Een terloopse opmerking over de Eerste Wereldoorlog (bij het begin moet de ambtenaar negentien jaar oud zijn geweest) laat voelen hoeveel er meespeelt; hoe anders je in een oorlog kan staan.

Tijd
“En er is geen menselijke kracht die nog kan veranderen wat eenmaal is begonnen, omdat het onmogelijk is om anders te handelen, omdat oorzaken, argumenten, meningen en feiten de mensen gedwongen hebben het te laten beginnen,” lees ik al in de eerste pagina's van het boek en ook: “Tijd beschikt over de eigenschap niet meer los te laten wat zij eenmaal in handen heeft gekregen: als een waanzinnige houdt zij alles wat zij eenmaal in haar netten heeft kunnen strikken in een dodelijke omhelzing.” Dit is een stap verder dan 'gedane zaken nemen geen keer', maar meer wat eenmaal in werking is gezet dat krijgt een beweging van zichzelf. Dan al weet ik dat het boek mogelijk zal botsen met mijn eigen ideeën. Immers je kan ook uitgaan van het gegeven dat de tijd onverbiddelijk voortschrijdt, misschien niet lineair, maar voor stervelingen wel naar de rand, maar op die weg ruimte herbergt zaken om te buigen. Het lot geeft je misschien meer of minder middelen, maar je staat niet met lege handen.

Meeuwen
Hoe ben ik de meeuw uit de titel tegengekomen? Bij een brug over de Donau zitten ze. De man zijn de meeuwen nog nooit opgevallen. Hij ziet ze pas doordat zijn gast ze ziet. De vogels vlogen om onbegrijpelijke ideeën of mededelingen op “alsof iemand hen een boodschap heeft ingefluisterd.” Ze krijgen menselijke eigenschappen en lijken zich omlaag te storten als 'zelfmoordenaars' (een terugkerend fenomeen in het boek en de schrijver zou zichzelf op late leeftijd doden.) Net als het vrouwelijke bezoek van de man, kwamen de witte vogels uit het Noorden; uit Noorwegen het land van mijn moeder zegt Aino Laine, de Finse waarmee de ambtenaar het hele boek optrekt. Hij vindt de meeuwen doelloos. Zij vindt dat ze leven met grote kracht. De man vergelijkt haar met een meeuw, een vrouw met het instinct van een trekvogel; ze komt als een meeuw uit het Noorden en heeft bijna meedogenloze meeuwenogen, denkt hij. Zij ziet de tederheid van hun bewegingen.

Wel vaker in de roman lopen hun visies uiteen, ondanks de 'Fins-Hongaarse verwantschap'. Zij meent dat het leven “uit meer bestaat dan alleen bestaan. Soms bestaat het leven uit handeling.” Het verhaal speelt in zijn huis waar de meubels nog staan. Het huis waar zij opgroeide in Helsinki is platgeschoten (door de Russen in de Winteroorlog die eindigde in maart 1940). We hebben erover gelezen, zegt de man. Oorlog ken je pas als je het hebt meegemaakt, zegt zij.

Massa
Als de man iets nuttigt in een espressobar (die hij beschouwde als een van die modieuze gelegenheden die als paddestoelen uit de grond schoten) vergelijkt hij de aanwezigen met de vogels: “Hierover hebben de wijsgeren van de nieuwe tijd hun alarmerende verhandelingen geschreven, over deze massa, die geen zwijgende en sombere volksverzameling binnen de poorten van de fabriek is, maar een massa die overal te vinden en te ervaren is. (…) deze tierende, woekerende onpersoonlijkheid die over alles een mening ten berde brengt, maar praktisch nergens benul van heeft en opgeschrikt, fladderend en flikkerend, doelloos en gedesoriënteerd een richting voor haar bruidsvlucht zoekt.” Als je denkbeeldig even meeknikt met deze tirade, omdat je het bijvoorbeeld herkent van Twitter, dan is dit gelijk een teken dat je neigt naar een elitaire positie en weer moet landen. Lezen – ook van oudere belegen romans – vormt.

Avonturenromans
De ambtenaar die een nota rond de Hongaarse positie met betrekking tot de oorlog schreef, spuit zijn woorden in een eindeloze stroom, alsof hij zelf de logge rivier is die Boeda en Pest scheidt. Terwijl het vatten van de hoofdzaken toch zijn werk was. Ergens meldt hij dat je hem als obsessief kan zien en daar lijkt het inderdaad op. Zijn eindeloze exposés gaan bijvoorbeeld over uit meer dan een persoon bestaan en terugkeren uit de dood. Márai spot met deze gedachtenstroom als hij de ambtenaar laat afgeven op fantasierijke avonturenromans, waarin alles kan, ook het onmogelijke en onwaarschijnlijke. Toch voegt hij daar meteen nog de vraag aan toe of het misschien juist de literatuur is die wereldvreemd is; schrijven dat terugschrikt voor het onregelmatige leven.

Stroperig
In de ellenlange monologen wordt bijvoorbeeld stilgestaan bij de gedachte of mensen binnen het lot dat de geschiedenis voorzet wel kunnen handelen. Op het niveau van contacten tussen mensen mogelijk, maar in het grotere geheel is de mens speelbal en zijn de ontwikkelingen te groot om invloed op te hebben, zo is de visie. De mens plooit zich naar die omstandigheden. Het is een overdenking die in de woestenij van de Europese oorlog - kort na de vorige Wereldoorlog - voor de hand ligt, maar de tekst, het denken, gaat zo traag, zo stroperig dat het nog net niet ging vervelen. Misschien gaat het tachtig jaar later te langzaam en te weinig doelgericht.

Enige Golf
Op een dag komen de mensen elkaar tegen, denkt de man, als verre troost in oorlogstijd, “maar nu is alles nog erg duister.” Ook Aino Laine gaat als een meeuw zigzaggend weer die donkere wereld in, over brandende steden en duistere landschappen. De vraag blijft wie de vrouw in de witte bontjas met daaronder de elegante zwarte jurk zonder opsmuk is. Ze spreekt haar talen, kan uitermate goed observeren en luisteren, weet van de hoed en de rand en bivakkeerde in kringen van de hooggeplaatsten. Haar naam die vertaald Enige Golf betekent, gaf haar al een speciale positie. Golven rollen immers eindeloos, zijn nooit alleen, en komen de een na de ander tot ze verdwijnen. De vraag wie ze was en of ze was dat intrigeert ook nog lang na het lezen van de laatste woorden.

Volgende bespreking onder foto.

Peper



Laatst gelezen boek boven.

Liefde en puin van Hans Fallada heeft een wat vreemde titel. Ja het laatste van de vijf verhalen gaat over liefde en is deel van de Trümmerliteratur (een begrip dat na een paar lessen Duits op de avondschool al op het programma stond en dat de literatuur duidt die op de puinhopen van het Duitsland van na de oorlog is gebouwd). Sterker nog het is er een helder voorbeeld van met de pakkende zinnen:

“Natuurlijk lachen ze allebei – te midden van afgunst, tussen het puin. Want ze hebben allebei dit ene leven,. En je kunt niet vroeg genoeg beginnen om het te vullen met liefde en geluk.”

Maar de andere vier verhalen zijn geschreven voor de oorlog, in het interbellum. Twee ervan gaan over het leven op landgoederen, met zijn machtsverhoudingen. De andere twee vertellen over de gevolgen van de economische malaise in de jaren dertig.

Het boek is samengesteld om mensen kennis te laten maken met de schrijver. De verhalen zijn interessant, maar wat vooral opvalt is dat ze helder zijn, alsof ze geschreven zijn in de taal van vandaag. Het eerste verhaal De trouwring speelt in een omgeving die van heel vroeger is, een landerij van ooit, maar toch modern overkomt.

Liefde en puin is mooi uitgegeven en uit te lezen in de tijd die een voetbalwedstrijd duurt of een aflevering van een serie. Gewoon die tijd nemen. Doen!

Volgende bespreking onder foto.

Laatst gelezen boek boven.

“Zo was de loop der dingen: Omdat iedereen er niets aan kon doen, kon niemand er iets aan doen.”

Ademschommel van Herta Müller gaat over het overleven in een werkkamp in Rusland. In 1944 veroverde Stalin het Roemenië van de fascistische dictator Antonescu. De bondgenoot (zie ook toevalligerwijs mijn vorige bespreking) van Berlijn zou de steven wenden en nazi-Duitsland de oorlog verklaren. Het land zou bovendien instemmen met een bijdrage aan de wederopbouw van Rusland door het sturen van mensen uit de Duitssprekende Roemeense minderheid naar werkkampen. De moeder van Müller zou er vijf jaar zitten. Dit had een grote invloed op de jeugd van de schrijfster.

Dit boek van Müller is vooral gebaseerd op gesprekken met de dichter Oskar Pastior, een man uit haar geboortedorp. Ze sprak hem vanaf 2001 regelmatig over zijn ervaringen. De wens groeide om er samen een boek over te schrijven. Pastior stierf in 2006 en dat zette een streep door dit plan. De schijfster had al wel vier schriften met aantekeningen. Nadat ze afscheid had genomen van het idee WIJ als schrijvers kon ze een jaar later ALLEEN de roman Ademschommel schrijven. De details uit de gesprekken zijn er een wezenlijk deel van.
Het boek zou verschijnen in 2009; het jaar dat Müller de Nobelprijs voor de literatuur won.

De hoofdpersoon Leo Auberg was opgelucht om na de Tweede Wereldoorlog als zeventienjarige naar het Russische werkkamp in het Donetsbekken te gaan om aan zijn geboortegrond te ontvluchten. Al snel, zelfs al tijdens de dagenlange reis in de volgepakte goederenwagon, wordt die opluchting ingeruild voor een overlevingsstand. Hij belandt in een kamp waar de hongerengel de baas is. Pas als in het laatste, vijfde jaar, betaald wordt voor de dwangarbeid kunnen de bewoners weer wat vlees op de botten kweken. Dan zijn er al honderden van gebrek gestorven. Lichte kost is het niet.

Het overbrengen van zo'n berg narigheid vereist veel schrijverschap. Zonder stilering, alleen de kille feiten, dat zou niet gaan. Waarom zou een zin als deze te behappen zijn: “Wanneer het vlees aan je lichaam is verdwenen, wordt het dragen van je botten je tot last, het trekt je de grond in.” Veel beeldender kan je uithongering niet beschrijven, compacter ook niet. Leo zocht tijdens het eindeloze appel naar een wolk met een haak om zijn botten aan te hangen en te vergeten dat hij er was. De ellende wordt taal, zoals taal ook in het kamp onderdeel van het overleven wordt.

Boetseren met woorden en zinnen is continu aanwezig. Dat kan heel klein zijn, zoals de uitweiding over melde, de plant die je jong kan eten om je magere rantsoen aan te vullen maar die in de zomer bitter begint te worden. Of door het zoeken van woorden die het negatieve ombuigen naar iets wat prettiger is. De geuren in de fabriek worden voorzien van woorden: eetwoorden en vluchtwoorden. Zelfs 'schoensmeer' kan zo'n woord zijn en
“derivaat klonk troostrijk”.

Het boek barst uit zijn voegen van de mooie zinnen. “We waren allemaal anders dan we waren,” blijft haken. De honger maakt blind net als het gedwongen samenzijn. Kan het treuriger? Of deze zin: “Ik weet niet waarom tot grijs verouderd roze zo strelend en betoverend mooi is, niet meer mineraal maar droefvermoeid als mensen.” Ze wordt gevolgd door de vraag of heimwee een kleur zou hebben. (Het genoemde grijs is de kleur van slak die in de winter warmte gaf.)

De honger is constant aanwezig. Als Leo besluit zo lang mogelijk te genieten van een bord soep merkt hij dat de honger als een hond achter de schotel zit en vreet. Het bord soep krijgt hij van een vrouw waarmee hij een stuk steenkool wilde ruilen voor wat aardappels. Ze nodigt hem binnen en het blijkt dat haar zoon na verraad van de buren naar Siberië is gestuurd en Leo aan die zoon herinnert. Hij voelde zich ongemakkelijk en kon het niet verdragen om twee mensen te zijn,
“twee gedeporteerden, dat was mij teveel.” Hij was zichzelf al een last te veel. De overdenking van de kampbewoner maakt dat het over meer gaat dan mooie woorden.

Het verhaal over een zwakzinnige vrouw doet hier nog een paar scheppen bovenop. Kati-de-platon snapt niet wat straf is. Ze leeft in haar eigen wereld. Haar disciplineren is onbegonnen werk. Ze vermurwt hiermee uiteindelijk de kampcommandant. Hij laat haar doen waar ze goed in is: de vloeren dweilen. Zelfs de honger heeft geen vat op haar. Ze heeft het bedelen niet nodig. Ze steekt haar hand in een mierenhoop en likt de zwarte handschoen als voedsel op. Zou er manier zijn om het onmenselijke van de kampen beter neer te zetten dan aan de hand van Kati?

Net als Oskar Pastior zou ook Leo Auberg zestig jaar later zijn verhaal vertellen. De vijf jaar in het werkkamp zouden Leo nooit meer verlaten en zijn leven losslaan. De honger maakte gek, steeg naar de hersens, drukte maag en borstkas samen. Ook Pastior werd ten diepste geraakt en bleef kwetsbaar in Roemenië.

Vreemd was dat ik vele pagina's het gevoel had over een vrouw als hoofdpersoon in plaats van over een man te lezen, hoewel die mannelijkheid wel benoemd werd. Kappersbezoeken, veel aandacht voor kleding (maken), inlevingsvermogen, aandacht voor anderen, fijngevoelig, het zal allemaal wel meegespeeld hebben in mijn mislezen, maar ik kan er de vinger niet op leggen hoe het precies kwam. Waren het de tonen in de tekst die ik onbewust associeer met vrouwelijkheid? Het was al doorgedrongen bij de opmerking dat Leo maar met moeite zijn drang kon bedwingen om een collega kampbewoner te strelen in een zeldzaam moment van gelukzaligheid, liggend op geel zand onder een blauwe hemel. Mogelijk zit daar een reden of is het de vrouwelijke auteur die stukjes vrouw in haar man schreef.
Anderzijds verdween door het hongeren het HIJ en ZIJ. Ze
“zijn niet mannelijk of vrouwelijk, maar objectief neutraal zoals objecten – waarschijnlijk onzijdig.” Het doet er – hier helaas door de omstandigheden – niet zoveel toe als dat het verschil wel eens opgeklopt wordt. Mannelijk en vrouwelijk blijken weer eens dicht bij elkaar te liggen.

Zonder Herta Müller had ik dit verhaal niet gekend. Inmiddels woont de schrijfster in Berlijn en maakt teksten door te schuiven met uitgeknipte woorden. Er is een prachtige documentaire over haar schrijverschap, de Duit-Roemeense afkomst en de littekens die ze opliep tijdens Ceausescu dictatuur. Hij zat onlangs in Zomergasten. Die documentaire was ook de reden dat dit boek een paar weken geleden geleend werd in de bibliotheek.

Het lezen op die schommel was twee weken lang een heftig avontuur.

Volgende bespreking onder foto.

Laatst gelezen boek boven.

Oil, the State and War van Emma Ashford onderzoekt welke rol olie speelt in de buitenlandse politiek van staten. Ze doet dit op een heldere en ook voor geïnteresseerde leken goed te volgen manier. Daar waar de draad dreigt te verdwijnen, komt een handige herhaling of samenvatting.

Het is belangrijk niet alle olielanden over een kam te scheren, maar ze per type te bekijken is een centrale stelling in het boek. De olie exporterende landen worden gesplitst in een drietal typen, waarbij de derde groep een soort bonus type krijgt*:


Typen oliestaten

► Olie afhankelijk

Olie-inkomsten meer dan 10% BBP.

► Grote producent

Jaarlijkse olie-inkomsten meer dan $ 1.000 per inwoner

► Super producent

Olieproductie groter dan 2 % van de wereldwijde oliewinning.

→ Super exporteur

Meer dan 2% wereldwijde oliewinning en een netto exporteur.

Olie als wapen

De schrijfster ontkracht het idee dat olie (of gas) als wapen wordt gebruikt tegen vijandelijke staten en dat waar dit wel gepoogd wordt het vrijwel altijd mislukt. De diffuse manier waarop de oliemarkt wereldwijd is opgezet maakt het moeilijk om olie als wapen te gebruiken.

Het oliewapen definieert ze als de inzet van grondstoffen als een middel bij onderhandelingen door een exporteur, inclusief het gebruik van prijs manipulatie en embargo's. Een handig overzicht (1941-2020) laat zien waar dit gebeurde en of dit het gewenste resultaat opleverde of faalde. In maar een paar kwesties was sprake van een succes, zoals gedeeltelijk de olieboykot tegen Zuid-Afrika.

In alle andere gevallen gaat het deze eeuw om gebruik door Rusland tegen landen voortgekomen uit de Sovjet Unie (met een gezamenlijk leidingennetwerk) en een voormalige bondgenoot Tsjechië. In 2006 zette Rusland het 'oliewapen' in tegen Oekraïne. De kraan werd gesloten, “de eerste oorlog van de 21ste eeuw,” citeert Ashford Le Monde. Maar het zou niet langer dan vier dagen duren en moet volgens de schrijfster, die wars blijkt te zijn van sensatiezucht, op grond van beschikbare informatie niet getypeerd worden als geopolitiek verhaal, maar meer als een voortdurend meningsverschil over prijzen en schulden. Het was het begin van een serie maatregelen, tegen Georgië, Moldavië, Wit-Rusland en Tsjechië. In alle gevallen zou het gaan om geopolitiek vermengd met economie. Ze constateert dat Rusland dan wel agressief was met het gebruik van het energiewapen, maar er weinig succes mee had. Een waarschuwing was het terugblikkend wel, zo erkent ze (het boek verscheen in de zomer van 2022).

Oorlog om olie
Ook oorlog om olie komt maar zelden voor. De twee meest genoemde voorbeelden: de invasie van Irak in Koeweit (1990, per abuis wordt 1991 genoemd); en de Japanse inname van Nederlands Indië in 1942 draaien niet uitsluitend om olie, maar ook om de positie van het regime en nationale veiligheid. “Er is weinig onderbouwing om aan te nemen dat olierijke landen zijn aangevallen voor hun grondstoffen,” stelt de schrijfster. “Staten moeten zich zorgen maken om voldoende middelen voor komende militaire mobilisaties, maar onderzoek suggereert dat methoden die uitgaan van de markt of indirect van aard zijn vaak effectiever zijn dan oorlog.” Kortom je kan olie ook zonder oorlog beheersen.

Gevoelig voor oorlog

Is er dan wel een verband tussen olie enerzijds en buitenlandse en militaire politiek en oorlog aan de andere volgens Ashford? Ja maar mogelijk niet zoals gedacht. Alle olielanden hebben een ding gemeen, ze zijn sneller geneigd om oorlog te gaan voeren dan landen zonder deze rijkdom. Daarvoor zijn verschillende redenen. Een olie producerend land kan de staatskas vullen zonder een beroep te doen op burgers (er hoeft dus niet te kiezen tussen brood of bommen); het kan wapens kopen en er een hoge militaire begroting op na houden. Bovendien valt er door de olie-inkomsten een grotere taart te verdelen. Sterker nog ook als de olie-inkomsten weer teruglopen, dan blijven deze uitgaven overeind en doen dan een excessief beroep op de overheidsinkomsten. De olielanden besteden duidelijk meer dan hun gelijken zonder olie. Verder lezen
kan hier

Volgende bespreking onder foto.


Laatst gelezen boek boven.

De dood van Artemio Cruz door Carlos Fuentes werd in 1991 in literair tijdschrift De Gids besproken als veronachtzaamde literatuur. Waarom werd de schrijver in Nederland zo slecht gelezen? Dit terwijl hij toch met Gabriel García Márquez, Mario Vargas Llosa en Julio Cortázar de boom van de Latijns-Amerikaanse literatuur vormde, zo vroeg hoogleraar Spaanstalige literatuur Maarten Steenmeijer zich af.

Kort daarop zou de aandacht gestaag groeien tot ongeveer 2017 (zie grafiek). De Rainbow Pocket, uitgegeven in 1996, die ik las is daar een uiting van. Zo'n boek is ideaal voor het genereren van aandacht en voor de kleine beurs, maar minder geschikt voor de (oudere) lezer. Ruim 400 kleine dicht bedrukte pagina's maken het opnemen van de hier en daar moeilijk te volgen experimentele stijl van Fuentes niet gemakkelijk. Het is de inspanningen wel waard.

In 2012 zou
Cees Zoon in de Groene Amsterdammer schrijven dat het onmogelijk is Mexico zelfs maar beginnen te begrijpen zonder Fuentes te lezen. Het boek over de lotgevallen van Artemio Cruz was in zijn oeuvre zijn grootste meesterwerk, schreef Zoon. Het boek beschrijft hoe Cruz zijn deelname aan de strijd tijdens de Mexicaanse revolutie opklopte en verdraaide om zijn eigen status op te poetsen. Hij was deel van een bende corrupte zakkenvullers en machtswellustelingen.” De idealen van de revolutie werden gecorrumpeerd. Die visie is nu gemeengoed. In 1962 nog niet.

Nexis: Boeken & Carlos Fuentes.

Het bedrog van de puissant rijke krantenmagnaat was niet alleen voor het land slecht. Ook voor zijn relatie met vrouw, dochter en zoon. Zelfs de relatie met de liefde van zijn leven werd gebouwd op een idyllische mythe. De man is een fuik van leugens ingezwommen. Maar als hij op zijn sterfbed de ervaringen in zijn leven naloopt, dan merkt hij op dat als hij in de achteraf verdoezelde situaties oprecht had gehandeld, hij minder ver was gekomen en sterker nog al vroeg de dood had gevonden.

Een deel van het verhaal speelt in het Spanje waar Franco net de Spaanse revolutie heeft verslagen. Fijn dat we dezelfde taal spreken, is een opmerking gericht naar het Mexicaanse personage dat meevocht (je komt hem vanzelf tegen als je het boek leest). Het is een subtiele sneer naar de internationale brigades. Onomwonden wordt ook kritiek geleverd op de krijgskundige inzichten en moraal van de strijdkrachten van de republiek. De anarchisten worden eenvoudigweg als een stelletje defaitisten afgeserveerd. (Al eerder in het verhaal leerden we dat het bestuderen van Bakoenin en Kropotkin ons nergens brengt). In het boek is het Spanje van de fascisten overigens niet veel meer dan een podium voor de verwikkelingen binnen het verhaal.

Het is echter het sterfbed van Artemio, zijn herinneren, zijn denken, zijn kijken, zijn voelen, en sterven dat centraal staat. Een sterven dat een nieuw begin is en pas afgerond als alles ophoudt: het leven, de aarde, en als het heelal verdwijnt. Het is magisch realisme met een vleug medische wetenschap, biologie, en natuurkunde. Bovendien is Artemio's legaat een aanklacht tegen alles wat mis is in Mexico – “niet één land, maar duizend landen met één naam” - met zijn hebzuchtige leiders, onderworpen vakbonden, nieuwe grootgrondbezitters, Noordamerkiaanse investeringen, gevangengezette arbeiders etc etc. Artemio zou er vandaag de drugsbaronnen ook in opnemen.

De dood van Artemio Cruz was weer een boek waar de schrijver door zijn gebruik van de taal probeert het spreken en denken van mensen te vangen. Een gesprek vermengt zich met flarden van zinnen elders uit dezelfde ruimte. Korte of langere observaties blijven zich in het hoofd herhalen en zinnen rijgen zich aaneen tot een brei waaruit een deel van het verhaal ontspruit. Elders ontvouwt zich het leven en het sterven in korte zinnen afgesloten met ...


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.

Uit deze roosachtige komt een aardbei. Het is bijna poëzie die alleen nog opgeschreven moet worden.


maandag 18 juli 2022

Boeken in juli


Laatst gelezen boek boven.

Hotel World van Ali Smith kreeg ik cadeau voor mijn verjaardag. Het was gekocht omdat de gever me de laatste roman van Smith wilde schenken, maar die niet kon vinden. Dat boek heb ik inmiddels ook in huis, van mijn moeder gekregen (komt later hier nog aan bod). Fijn om met Hotel World weer een boek met een opdracht te krijgen. Dit keer:

Maar we moeten. Optimisme is een plicht.
Geschiedenis is een kronkelrivier. Overal
stroomt water, vindt nieuwe wegen
​door ze zelf te maken. Geloof wat je weet.


Het is de laatste strofe van
Wat je weet door Justus van Oel. Mooi.

Is er een verband tussen deze opdracht en het boek over leven in het hotel waar vrouwen rondhangen, werken of sterven? Hotel World is geschreven in 2001 door een schrijfster die graag aanhaakt bij de wereld van vandaag. Eenentwintig jaar lijkt een eeuwigheid geleden. Het was een tijd dat ik me kon verdiepen (naast de aandacht voor de oorlog in Atjeh) zonder dat er alles verdringende zaken speelden. De woorden uit de opdracht sluiten een poëtische overdenking van 12 weken oorlog in de Oekraïne af. Een oorlog met wel een alles opzij zettende kracht. Het hoofdstuk voor Hotel World uit 2022 zou nog geschreven moeten worden. Er is vast een verhaal te bedenken over een jonge Oekraïense vrouw die verzeild raakt in het hotel waar haar tijd verstrijkt. Ze is er gekomen, omdat …. nee laat ik dat niet doen, aan de hand van mijn fantasie op de loop gaan met het boek.

Als ik opzoek waar ik voor het slapen gaan in het boek ook al weer over las, dan kom ik een zin tegen die blijft hangen: “Hotel World is a postmodern novel, influenced by modernist novels.” Smith schrijft zelf in de roman dat het speelt in de postmoderne Britse maatschappij. Een van de personages draagt “kleren die gezegend zijn met de geur van geld, niet te koop in dit deel van het land, zelfs nu niet in het nieuw postmoderne Groot-Brittannië.” Die woorden alleen maken van de roman nog geen postmoderne fictie (of juist niet). In de aangehaalde wiki zin worden postmodern en modernisme naast elkaar gebruikt. Wat betekenen ze?

Postmodern is in de filosofie (volgens wiki):
“een door twijfel en relativering gekenmerkte wereldbeschouwing die het bestaan van een absolute waarheid ter discussie stelt.” Modernisme zoekt dan weer op grond van kennis of waarnemingen juist naar gefundeerde beweringen over de werkelijkheid.

Ali Smith laat – merk ik op na het lezen van haar serie rond de seizoenen en op grond van dit boek – veel stemmen aan het woord om de alledaagse werkelijkheid te onderzoeken, beschrijven, en er een positie in te nemen. Ze zoekt naar 'waarheden' zelfs in het boek dat speelt in het postmoderne Groot Brittannië van Tony Blair. Geld is dik of dun, waardeloos of waardevol, meer een herinnering dan een betaalmiddel, of zelfs een schroevendraaier. Maar zeker minder waard dan liefde en genegenheid. In de neoliberale maatschappij van begin deze eeuw was dat al een betekenisvolle boodschap. In Hotel World keren vrouwen, geld en tijd steeds terug. Denk aan die eindige tijd en mis de liefde niet, lijkt het overkoepelende motto. Gehuld in flitsende kleren, met de nieuwste snufjes kan dit je ontgaan en compassie verdwijnen achter dure hebbedingen waaraan je vast zit. In haar latere boeken zit meer uitdrukkelijke aandacht voor maatschappelijke onderwerpen (verdeling van rijkdom, klimaat, Brexit, vluchtelingen en zelfs voor vredeactivisten). Die boeken kwamen dan ook nadat de schrale luwte verdween.

Het boek is beïnvloed door modernistische romans, staat in de aangehaalde wiki-zin. Dat betekent dus dat je een postmodern boek aldus de lemmamakers kan schrijven met modernistische technieken. Hier gaat het dus om het gebruik in literaire stromingen en niet over alledaagse filosofie. Wat betekenen ze in die context? De definitie van modernisme haal ik uit een scriptie van Dewi Beulen over het karakter van twee boeken van Smith, waaronder Hotel World. Modernisme “verwijst in eerste plaats naar de ontwikkelingen binnen de experimentele literatuur van de vroeg twintigste eeuw die bedoeld zijn om los te komen van traditionele versvormen en verteltechnieken om nieuwe methoden te vinden die passen bij het leven in een stedelijke, industriële omgeving en tijdperk van de massa.”

Voor een beschrijving van postmoderne literatuur vlucht ik maar weer naar wiki. Deze “stelt ironie centraal omdat het nastreven van orde en zin onwaarschijnlijk wordt geacht. (…) De gebeurtenissen volgen niet uit elkaar, maar vinden simultaan plaats, of als ze na elkaar plaatsvinden, is er geen direct verband te leggen. Het maakt niet uit waar iets begint en hoe het begint, hoe de gebeurtenissen met elkaar verbonden zijn, waar en hoe het eindigt.”

Beulen komt in haar scriptie tot de conclusie dat de bestudeerde boeken van Smith een voorbeeld zijn van metamodernisme, een vorm van literatuur die pendelt tussen modernisme en postmodernisme, en een “structuur van gevoel” bevat. Is dat het gevoel dat je beleeft als je vanuit het donker een verlichte kamer binnen kijkt en beseft dat men jou vanuit het licht niet kan zien en jij de mensen in de verlichte huiskamer wel? Dat een klik van de lichtschakelaar dat plotsklaps kan veranderen? Dat is wel het gevoel dat boeken op kunnen roepen. Ook dit boek. Dat je meekijkt naar wat mensen doen als ze rondlopen en binnenkijken, zoals de verwende Penny en de dakloze Else, die eigenlijk Elspeth heet. Tijdens die tocht in de donkere buurt vraagt de dakloze Else aan Penny naar de betekenis van het woord rebbigot. Het is een woord uit een gedicht en verkeerd onthouden, eigenlijk is het re-begot (wedergeboren). Influencer Penny had deze avond daarop een kans, maar ze laat hem schieten. Dat ze niet weet wat het woord betekent onderstreept dit en die streep is een keuze van de schrijfster tegen de liefdeloze maatschappelijke orde. 

Ben ik geholpen met de zoektocht naar de betekenis van de literaire begrippen? Wel en niet. Wel omdat ik er iets nauwkeuriger naar heb gekeken en weet dat ook deskundigen er geen gat in zien om het een in het ander over te laten stromen tot een mengsel. Niet geholpen, omdat ik belandde in een debat uit een verdwenen tijdperk en uiteindelijk terecht kwam in een stroming die zo complex en wijd is als de delta van de Amazone; vrijwel alles past er in, als het maar niet premodern is en zelfs dat kan ironisch gebruikt toch ook. Ook niet, omdat het 't boek niet dichterbij heeft gebracht. Ik las een modern boek, dat postmodern en metamodernistisch genoemd werd, met verbanden tussen alle personages, die direct of indirect te maken hebben met het dramatisch verongelukte kamermeisje van het hotel.

Ik lees tenslotte een zestiental woorden die het leven samenvatten. Leef, hou van, en ga met een uithaal
      Wooooo-hooooooo oo o.
Ook daarin kan je geloven als je het weet.

Volgende bespreking onder foto.

Een week puzzelen en dan heb je 29 haaien voor je liggen. De vis die al 450 miljoen jaar geleden leefde.




Laatst gelezen boek boven.

The old men and the sea van Ernest Hemingway kreeg ik cadeau op het strand van IJmuiden van mijn oudste zoon voor mijn 51e verjaardag. Onlangs herlas ik het vanwege een ander boek, Ontij (zie hieronder) dat op de omslag naar de oude man verwees.

Het boek kan opgedeeld worden in drie delen (hoewel van hoofdstukken geen sprake is): een inleiding die speelt in het Cubaanse vissersdorp; het vissen op de marlijn die de omslag siert; en een slot waarin de oude man bijkomt in het dorp waar mensen naar elkaar omkijken.

De man is oud maar tevens taai. Ooit was hij een krachtpatser, een kampioen in het handjedrukken in de zeemanskroegen tot in Marokko aan toe. Hier vecht de lijnvisser, in zijn eenvoudige bootje, zijn strijd met de natuur.

Hoewel hij de haaien haat, houdt hij van de marlijn die hij ving, bijna als van een vriend. Hij praat ertegen, maar dood hem toch. Het spijt hem. Maar hij ziet het als een noodzakelijke zonde; nodig om de kost te verdienen en anderen te voeden. Als het een zonde is dan is alles een zonde, zo bedenkt hij. Die strijd van de visser is uiterst actueel, maar ook zo getypeerd, achterhaald. We zijn als zoogdier immers onmiskenbaar een deel van de natuur, we staan er niet naast of boven, maar strijden wel met onze mede natuurgenoten.

Hoewel het leeuwendeel van het verhaal zich als eenakter op zee afspeelt, is er aan de wal de jongen die de visser verzorgt, van hem houdt en de visser van hem. Hij zegt op zee verschillende keren: “Ik wide dat de jongen hier was.” Dat is om zijn hulp bij visserstaken, maar ook om emotionele redenen; hij mist zijn maatje. Het maakt het boek wezenlijk anders dan Ontij.

“Nu is het niet de tijd om te bedenken wat je niet hebt. Bedenk wat je kan doen met wat je hebt,” overweegt de visser. Voordat je zelfs maar kan bedenken dat dit een platitude is, komt er: “Je geeft me veel goede raad. Ik ben het beu.” Die twee laatste zinnen geven wat een cliché was opnieuw kracht.

PS Al eens eerder postte ik de animatie door Alexander Petrov naar het boek van Ernest Hemingway, The Old man and the Sea. “Even tijd? Twaalf minuten? Kijk dan,” zette ik erbij. Dat advies herhaal ik met plezier.


Volgende bespreking onder foto.



Laatst gelezen boek boven.

A. Alberts was een man van weinig woorden; ook in de laatste novelle die hij schreef De vrouw met de parasol. Die vrouw is de frivole Aafje, de vrouw van Pieter. Pieter is de mislukte en dwalende zoon uit een kleinburgerlijke handelsfamilie. Zijn broers kopen hem het bedrijf uit zodat hij hen niet meer voor de voeten zal lopen.

In de Volkskrant omschreef
Arnold Heumakers het boek als een impressionistisch schilderij. Van dichtbij zie je vegen en vage vlakken, van veraf zie je het hele beeld. Dat is ook hoe Alberts de taal gebruikt, hij schildert met dunne strepen. Hij laat de lezer veel ruimte om zelf in te vullen. Het beeld van een vrouw met een parasol brengt je direct bij Monet. Het beeld van het schilderij wordt ook door Alberts genoemd: Aafje herinnert zich dat Pieter haar zag als een vrouw die liep op een schilderij.

De woorden vertellen niet alleen van veraf, maar ook met je neus op het doek verhalen. Als de kleine Pieter – het zoontje van Aafje en Pieter – eindelijk gestopt is met het opnieuw en opnieuw en opnieuw zingen van een kinderliedje, vraagt hij:
“Is pa in de schuur?”
Aafje antwoord:
“Waarom ga je niet weer zingen?”
De toon is in elf woorden gezet.

In 2018 begon ik met het schrijven van notities over de boeken om niet te vergeten wat ik las. Sommige van die beschrijvingen werden opgepikt door anderen en ik ging verder uitweiden om die lezers meer te bieden. Soms graaf ik daarvoor naar informatie. Bij non-fictie meer dan bij fictie, maar ook bij verhalen uit verbeelding zoek ik achtergrond over schrijver, vertaler, situatie en lees ik boekbesprekingen van middelbare scholieren (vaak informatief, maar
in dit geval veel fouten en een voorbeeld van klakkeloos overnemen).

Over De vrouw met de parasol las ik bespiegelingen uit de dagbladen. Je kan zo'n recensie bijna voorspellen. Het begint met: Alberts schrijft zuinig, inderdaad net zoals ik begon, bijna alsof het een stilzwijgende afspraak is. Mogelijk volgen dan wat verwijzingen naar het leven van de auteur, maar zeker naar zijn filosofie. De personages worden gefileerd en het verhaal wordt samengevat in een door de recensent gewenste context. Het laat je zien hoe beroepslezers zijn mysterieuze schetsen duiden. Meestal steek je er wat van op. Leo Oomens van het AD had een mooie ontmoeting met de auteur rond dit boek. Het voegde informatie toe aan de besprekingen.

Het hervertellen zou me mogelijkheden geven om nog meer te zeggen over de rampzaligheid van personen als Pieter die alles om zich heen uit domheid meesleuren de vernieling in. Het eerste de beste Duitse kamermeisje of professor ziet het meteen “
so eine Dummheit” en draait hem de rug toe, maar hijzelf weet het niet. Zelfs een vrolijk stappende vrouw met een parasol is niet opgewassen tegen een man die voor of achter je loopt, maar nooit naast je, met een leeg hoofd en alleen kortstondig aandacht voor alles, zonder onderscheid. Die niettemin toch alles verliest, ook zichzelf.

Maar zou ik dat breekbare verhaal beschrijven, dan zouden er scherven van afbreken. Dat niet alleen, verrassingen in het verhaal zouden verklapt worden. Daarom haal ik er wel voorvallen en gedachten uit, maar zonder het verhaal neer te pennen. Een geheugensteuntje dat mogelijk mensen prikkelt het boek te lezen.

Mis hier geen zin, mis geen woord, en zie een schilderij opdoemen met reisbestemmingen in Europa; een dramatische slot; en met meer of minder subtiele gedachten en emoties die uit de tekst spreken of er onder sluimeren. Dit was de laatste novelle van de schrijver van het weggelaten woord. Nog net zo mooi als hij begon. De vrouw met de parasol eindigt met de ultra korte zin: Stil.

Het boek verscheen in 1991. Voorjaar 1995 zou
Alberts de P.C. Hooftprijs krijgen: En dat alleen maar wegens het vertellen van een aantal verhalen, want daar komt het toch in de grond op neer,” aldus de schrijver zelf. In december van dat jaar zou hij op 84 jarige leeftijd voor altijd helemaal stil worden.

Voor mij komt hier een einde aan een seriebesprekingen van zijn door Van Oorschot uitgegeven boeken.

Volgende bespreking onder foto

Laatst gelezen boek boven.

Het is niet verwonderlijk dat Ontij door Tomás González vergeleken wordt met de De oude man en de zee, de novelle van Ernest Hemingway. Het koppelen aan een succesnummer is niet alleen verkooptechnisch handig, maar ook om de inhoud te duiden. Ook hier speelt het verhaal in een vissersboot. Er wordt gevist op dezelfde Caraïbische Zee; hoewel ver naar het Zuiden aan de kust van Colombia. Het verhaal speelt ook in een kort tijdsbestek, niet drie dagen, maar slechts 26 uur.

Er zijn ook grotere verschillen. Zo zijn er in Ontij drie vissers: een vader en twee zoons, Mario en Javier. De strijd wordt niet gestreden met een de verbeelding prikkelende vis – hoewel ook dat in een vissersboot onvermijdelijk voorkomt –, maar tussen de zoons en de oude lul. De vader ziet beide nakomelingen als een stelletje lamzakken en schat ze slechts sporadisch voor even op waarde, al ziet hij dat dan als gevolg van zijn goede invloed. De visser van Hemingway heeft meer waardering voor zijn jonge opvarende.

Aan de wal heeft de vrouw Nora als zijn vrouw en als moeder van die twee zoons. Ze heeft een psychotische stoornis. Volgens het verhaal door zijn optreden. Soms wordt ze vastgebonden op bed. Mario heeft het meest contact met haar en begrijpt zijn moeder het best. De vader heeft ook een jonge vrouw en bij haar een zoon om aan zijn echtgenote en zijn oudste zoons te ontsnappen.

Javier leest veel. De boeken worden gekocht in de stad of meegenomen door de gasten in het hotel van zijn vader.
González refereert aan de hand van Javier naar Shakespeare in zijn verhaal. Een koningsdrama is het daar op zee. Het lijkt me te hoog gegrepen.

De schrijver is geboren in Medellin. Hij was barman in een nachtclub in Bogotá. Later fietsenmaker in Miami, en vrij lang journalist in New York. Als Colombiaan uit het binnenland is de zee in veel van zijn romans een centraal element. Hij heeft een groot ontzag voor het golvende water:
“hoogmoed, de pretentie de zee te kennen, heeft al sinds bestaan van de zee en het begin van de geschiedenis voor rampen gezorgd.”

In Nederland heeft hij een toegewijd vertaler, Jos den Bekker. Die herschepper liet me struikelen over een terugkerend gebruik van het woord 'heb' waar 'heeft' hoort te staan, zoals hij “heb gelijk”. Er is een groot aantal personen uit verschillende delen van Colombia die zo spreken. Voor een schrijver die niet van opsmuk houdt, vond ik het te gekunsteld. Den Bekker is echter een ervaren vertaler die dergelijke accenten in de taal niet zomaar aanbrengt. Het is sappig Noord- en Zuid-Hollands. Uitgeschreven was het echter ongemakkelijk.*

Dat González steeds opnieuw duidelijk maakt dat er verstoorde relaties zijn tussen vader en zoons, vader en echtgenote, werd me wel eens teveel. Een dag op zee had mooier kunnen zijn als wat zuiniger was geschreven.


* Nadien merk ik dat ik steeds meer ben gaan letten op het verhaspelen van werkwoordvormen binnen dialecten. Dat hebben González en Den Bekker toch maar mooi voor elkaar.

Volgende bespreking onder foto.
  Laatst gelezen boek boven.

Satanstango van Lászlo Krasznahorkai is geschreven in de kleur van een nooit gewassen tafelkleedje in een oudbruin café, maar dan nog smoezeliger; het is geschreven alsof je in een vervallen molen twee meisjes aan een vuurtje de hoer ziet spelen, omdat er niets anders mogelijk is; het is geschreven in een wereld waar mensen aan hun lot worden overgelaten en hooguit hooghartig gecontroleerd worden door het bestuur; en het is geschreven met zuigende teksten alsof je over een Oost-Europese modderweg in de herfst gaat waar men wacht op de vorst om de weg weer hard en begaanbaar te maken.

Hier is dat wachten, het wachten op de verrijzenis van Irimiás, de zwerver met dubbele agenda en het image van een verlosser. De mythe rond zijn persoon is versterkt door het verhaal dat hij dood is wat de jongen van het verlopen gezin Horgos rondbazuinde. De kroegbaas gelooft echter niet dat doden weer levend kunnen worden. Hij wordt geteisterd door satanische spinnen die overal hun webben weven. Hij gelooft in de kracht van cijfers; voorraad en winstberekeningen. Die cijfers hebben werkelijk kracht in het boek, want nergens is enige alinea te bespeuren, de hoofdstukken zijn aaneengeregen zinnen. Vrijwel uitsluitend waar gerekend wordt zijn de regels niet uitgevuld. Of het is bij het Onze Vader of bij liedjes, zoals hier een laatste stukje volkslied dat het verhaal uitstekend past en zo typografische leven geeft aan de tekst:

't lot heeft ons niet steeds behoed,
Breng ons thans een blijde tijd!
Hebben wij niet reeds geboet...


De afgeschreven dokter houdt alles in de gaten. Hij heeft een ziekelijke neiging alles te zien en alles te noteren (voor elk persoon in het vervallen dorp een schrift). Zijn notities gaan over “de in opbouw zijnde satanische orde.” Zijn leven is gedrenkt in drank en gehuld in sigarettenrook. Hij ziet door een spleet in het gordijn de – ondanks alles toch – kleurrijke dorpelingen langskomen, zoals bijvoorbeeld Halics in zijn jas waaruit alle soepelheid verdwenen is en die hem niet niet beschermt tegen “de kletsgrage wateren van het noodweer, maar veeleer, zoals hij vaak zei, 'tegen innerlijke regens die gauw fataal kunnen worden'.”

Als de dorpelingen in slaap vallen wordt de lezer getrakteerd op een potpourri met in elkaar grijpende dromen die zich allengs minder van de regels aantrekken. De punten verdwijnen achter de zinnen en dan gaan de woorden aan elkaar plakken erkwameenmannnekeaandatzei. Langzaam loop je vast in de tekst, inderdaad, als op een modderweg. Krasznahorkai speelt blijkbaar graag met dergelijke vormen. In een ander boek gebruik hij geen hoofdletters en punten bij het begin en einde van zinnen. Hier raast de tekst dus zonder alinea indeling door en ontstaat er een wanorde waarin alles zich in het vorige en volgende verstrikt. Het past de visie van de schrijver dat de mens meestal niet veel betekent en door gebrek aan verbeelding en kennis blijft zitten waar hij zit en slechts wordt gedreven door primitieve behoeften.

Er is wel beweging achter op een voortrazende vrachtwagen; in weer en wind over een uitgestorven weg zonder weloverwogen plan. De tocht van de berooiden, hongerigen en geradbraakten gaat doelloos en op goed geluk de wijde wereld in, zonder ook maar een vermoeden te hebben wat er aan het einde wacht. Zelf beschikken over het reisdoel was uitgesloten. Nee dat werd bepaald door een rammelend, aftands en schokkend vehikel. Zo luiden de gedachten van Futaki, de manke denker.

Hij liep even om de hoek van het gebouw en ging piesen bij de kale acacia, en toen hij tussendoor even nar de hemel keek voelde hij zich verschrikkelijk klein en weerloos, en terwijl de urine onophoudelijk met mannelijke kracht uit hem stroomde, werd hij ineens weer door droefheid bevangen,” zo wordt zelfs het urineren literatuur. En er zijn de woorden van Petrina, de hulp van Irimiás: “zo-even heb ik begrepen dat er tussen mij een kever, een kever en een rivier, een rivier en een schreeuw over die rivier, geen enkel verschil is. Alles functioneert in het luchtledige en zonder zin, opgehangen en dwangmatig slingerend in een tijdloze beweging,” voor dergelijke zinnen lees je zelfs een boek zonder alinea's; ook als je wel zin in het leven ziet.

In een app-bericht dat ik zelf verstuurde merkte ik op: “Wat een leven. Gelukkig is in mijn boek van het moment nog troostelozer.” Want dat is het. Het boek beschrijft het leven van troostelozen. Het gaat over hen waarvan zelfs de hoop dunner is dan het stoffige vlies over een plas. Al luiden ook in de ellende ergens klokken – nauwelijks hoorbaar, nauwelijks vindbaar, nauwelijks bereikbaar – “een reeds verloren gewaande melodie van hoop.”


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.

woensdag 29 juni 2022

Boeken in juni - deel 2

Bij het schrijven van dit gedichtje wist ik nog niet dat Hayoung Choi de winnares van de competitie zou worden.
Twee jaar later zie ik haar zus, de violiste Songha Choi, optreden  met in de halve finale een intense en indrukwekkende Bartók  (Sonate n. 2)
. De finale komt nog.


Laatst gelezen boek boven.

Taming Sino-American rivalry
van Feng Zhang & Richard Ned Lebow heeft een opvallende titel. Niet een zoveelste variatie op de Thucydides val* genoemd als opmaat naar de onvermijdelijke kladderadatsch, maar een zoektocht naar een oplossing: het temmen van het conflict. Het boek valt ook op omdat de ene schrijver professor is in Engeland en de ander in Guangzhou, China.
Los van de Oekraïne kan ik het niet lezen. Maar het gaat over een dreigend conflict aan de andere kant van de wereld; tussen de voor Europa belangrijkste bondgenoot aan de ene en de belangrijkste handelspartner aan de andere kant.

Er zijn volgens de auteurs altijd diplomatieke mogelijkheden om een ramkoers te vermijden. Voordat de schrijvers bij de diplomatie zijn, brengen ze de lezer langs de beleidsmatige en militaire fouten die China en de Verenigde Staten maakten, afschrikkingsstrategieën, vertrouwenwekkende maatregelen en dit alles omlijst met een zee aan kennis en feiten; teveel om mee te nemen in een bespreking.

Vertoog
In de Verenigde Staten vindt al enige tijd een flinke verschuiving plaats op het gebied van de verhouding met China. In 2007 was die relatie nog niet vijandig. De landen werkten samen op het gebied van klimaatverandering en het intomen van de Iraanse nucleaire macht. Acht jaar later was dit weg. Wat ging er mis, vragen de schrijvers zich af. De Amerikaanse militaire aanwezigheid in Azië werd verdubbeld zoals het Pentagon in 2012 aankondigde. In China werd deze verschuiving gezien als onderstreping van de analyse dat een belangrijk deel van de Amerikaanse elite China wil belemmeren een concurrent op het wereldtoneel te worden.

Analisten in de Verenigde Staten stelden vast dat flink doen naar China inmiddels zowel binnen links als rechts in bon ton is. Het is de strijd tussen het vrije liberale systeem en het repressieve.
China zou streven naar het vervangen van de Verenigde Staten als wereldleider. Het boek is geschreven in september 2019. Sindsdien wordt het Chinese gevaar alleen maar steeds sterker benadrukt. De antwoorden van Beijing op de Russische invasie van Oekraïne heeft dit nog versterkt. Beijing schuift steeds dichter naar Moskou. Een nieuw blok ontstaat.

De City on the Hill waar men weet en bepaalt wat goed is voor de wereld (waar men zijn zelfvertrouwen haalt uit die overheersende macht en elke scheur aan de bevolking weet te verkopen als een gevaar) staat tegenover Beijing dat wat het beschouwd als zijn historische rechtmatige positie weer in wil nemen na de grote vernederingen van de 19e eeuw.                                                Zie voor de hele bespreking hier.

* De schrijvers stellen dat de Thucydides val de geschiedenis en de oorzaken van het conflict foutief uitleggen; het was niet zozeer de angst voor de militaire macht van Athene die tot oorlog leidde, maar de hang aan de eigen leiderschap status van Sparta.

Volgende bespreking onder foto.


Laatst gelezen boek boven.

Boeken verdienen het om te reizen,” is als opdracht geschreven voorin Monterosso mon amour, het boekenweekgeschenk geschreven door de in Genua wonende Ilja Leonard Pfeijffer.

Wordt ontevredenheid tevredenheid als je er bij neerlegt? valt Pfeiffer in de eerste zin met de deur in huis. De ideeën tuimelen de eerste pagina's als golven over je heen, steeds weer, steeds meer. Gelukkig neemt dit in tempo af en komt een zeer leesbaar boek tevoorschijn.

De schrijver laat zich weer niet onbetuigd om zijn uiterlijk, inhaligheid, het uithangen van de hautaine intellectueel, en sociaal gedrag op de eigen hak te nemen. Hij speelt andermaal een rol in zijn schrijfsel: doet een voordracht op een boekenweeklezing in de bibliotheek van een kleine stad; en hij schrijft het verhaal. Een belangrijke rol. Want pas als het verteld wordt, bestaat het.

Het is een Covidperiode-boek, omdat het 't Europese begin ervan beschrijft. Het is een nostalgische novelle omdat een eerste jeugdliefde, een onderwaterliefde, een belangrijke rol speelt. Het is oudere dames literatuur, omdat het 't weinig om het lijf hebbende leven van een vrouw op leeftijd beschrijft – die zo mooi onafhankelijk en avontuurlijk begon – (ken je doelgroep). Het is een reisboek en die reis gaat naar het Monterosso uit de titel. Dat is een strandplaats niet ver van Genua.

Carmen, de vrouw van de met vroegpensioen afgevloeide diplomaat, heeft tijdens het volgen van haar man opgemerkt dat de steden op drie continenten waar hij gestationeerd was (Cotonou in Benin, Wellington in Nieuw-Zeeland en Lima in Peru) geen geheimen verborgen die de moeite waard waren om ontsluierd te worden, “dat alles in wezen overal hetzelfde is en dat er nergens ter wereld genoeg te ontdekken valt om de verveling te verdrijven.” Voor een reisroman een zin die werkt als zeepresten in een glas bier.

De vrouw is een huwelijksleven lang gevlucht naar tennisbanen en in glazen sherry. Pas als ze een belofte inlost komt er leven. Aan de keukentafel van een B&B in het Italiaanse stadje met 1.500 inwoners blijkt dat er zelfs daar verhalen zijn. Je weet ook dat dit idee van reizen de schrijver zelf vreemd is door wat hij al schreef en de programma's die hij maakte. Hij leeft niet in een bel die van plek naar plek geblazen wordt. Hij breekt liever de glanzende zeeplaag.

De schrijver van de opdracht voorin mijn exemplaar kreeg het op het vliegveld van Eindhoven en schreef er een mooie bespreking over. Tijdens het lezen vouwde hij er twee ezelsoren in; het heeft er inmiddels vier (ik maakte de andere twee om het citaat over het reizen niet vergeten en ook niet om het gedicht van Vasalis op te zoeken waarnaar verwezen wordt). Het boekje stuurde hij me op vanuit Bologna. Zo werd mijn exemplaar ook letterlijk een reisboek tussen Italië en Nederland.

Steen

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.



M. Vasalis
In: Vergezichten en gezichten (1954)

Volgende bespreking onder foto.



 Laatst gelezen boek boven.

Nog geen tien jaar oud was ik toen de Rolling Stones een beroemde toer door de VS maakten; een jaar of 16 toen ik met mijn vriendje Frank naar de Stones platen van zijn oudere broer Piet luisterde; twintig toen een dienstplichtige matroos wasser – en de bassist van de scheepsband – met veel enthousiasme een bootleg van een concert in Rotterdam liet horen (ik heb het bandje nog); en bijna zestig toen diezelfde wasser me een door hem geschreven testprint van zijn boek opstuurde over de Stones toer van 1972. Hoetjes werkte 22 jaar aan het boek.

Je zou het ook een driedubbel dikke zwaar geïllustreerde glossy kunnen noemen met toegangskaartjes, knipsels, brieven, affiches en foto's, veel foto's, geschreven in een taal waar nauwelijks remmen op staan en met metaforen waarin alles tussen Sitting Bull, smörgåsbröd en Dantes Inferno opduikt. De vormgeving is uitbundig en soms wat slordig, maar dat hindert niet. Foto's staan daar waar ze in de chronologie horen. Hoetjes is hierbij geholpen door ene Dave, die in 1972 een Stones poster kocht en inmiddels weet welke foto waar en wanneer is genomen, vaak beter dan de fotografen zelf. Zo leg je als fan muziekgeschiedenis vast alsof je een historicus bent.

Volledigheid
Want een fan is de schrijver, een onvoorwaardelijke zelfs. Geen overdrijving wordt geschuwd: de top van het universum, het grootste ooit, concert zonder gelijke etc. Dit alles gespeeld door de beste rock & roll band van de wereld. Hoetjes schroomt echter niet missende geluidseffecten, schriele gitaren of uit de maat spelen te benoemen. Hij kan het weten; wat er gezegd is, wat er gespeeld werd, of dat het vals was of niet op tempo. Het staat er allemaal in, voor vrijwel ieder optreden van de toer. In handige kadertjes zie je welke nummers waar gespeeld werden en of er bootlegs van zijn of niet. Alle bootlegs zijn beoordeeld op kwaliteit en volledigheid. Soms mist de drum, soms wordt er doorheen gekwekt, soms is de kwaliteit zo slecht dat een opname alleen voor de volledigheid waarde heeft.

Een zoveelste geweldig gespeelde Brown Sugar is niet genoeg om de aandacht vast te houden. Gelukkig geeft het boek ook een beeld van de tijd. Voor het concert in Boston dwaal ik af naar een vliegveld met onvoldoende personeel. Hoe actueel. De opgelopen vertraging was de opmaat naar een vechtpartij met een opdringerige fotograaf en de arrestatie van Jagger en Richards door een politieagent die nog nooit van de Stones had gehoord. Ze hadden geluk: de politie in Boston had al dagen de handen vol aan opstandige Puertoricanen. Ze kunnen er niet ook nog een Stones concert bij hebben dat niet doorgaat met rellende boze bezoekers als gevolg. De heren werden op een minime borgtocht vrijgelaten. Verhaaltjes zoals dit houden het boek levendig.

Bespreking gaatdoor onder foto.


Jasje
Je duikt met 330 pagina's twee maanden de Stones in. Interviews, anekdotes, alles voor een totaalbeleving. Tourbook '72 had een vat met gestampte feiten kunnen zijn, maar daarvoor leest het te prettig. Het is een gids door de toer; een recensie van minuut tot minuut, on en off stage. Voor ik ga lezen heb ik eigenlijk maar een ding waarvan ik hoop dat het er in staat. Een verwijzing naar het concert van Aretha Franklin in januari van het toerjaar. Ik wordt niet teleurgesteld. Het wordt aangevoerd als achtergrond voor een paar keer gospel in het voorprogramma. Maar er is veel meer. Zelfs overzichten van gitaren en versterkers staan er in. En er is het groene leren jasje van Keith Richards dat in Seattle door Jagger van het podium werd gegooid en in New Orleans door een fan teruggegeven. Er is ook een lading boomstammen die op de limousine van Stevie Wonder viel. De soulmuzikant speelde het voorprogramma tijdens de toer. Er valt ook een van zijn concerten uit. Zijn drummer gaf er de brui aan, omdat hij niet tegen het controlfreakerige gedrag van de multi-instrumentalist kon.

Politiek
Naast deze muzikantenberichten lees ik ook dat Angela Davis werd vrijgesproken: fucking great, zo zei Mick Jagger van de band die toen al main stream was geworden erover op het podium. Davis was een vrouw die wapens kocht, gebruikt bij een dodelijke schietpartij. Dat ze betrokken was bij de voorbereiding werd niet bewezen. Ze werd in Sweet Black Angel bezongen op het in 1972 verschenen album Exile on Main Street. Andere tijden. De Vietnamprotesten, die hevig waren op het moment van de toer, spelen nauwelijks een rol in het boek. Rond het concert in Albuquerque worden de paar dagen geweld genoemd die ontstonden bij politieoptreden tegen een blokkade door studenten, waarbij acht gewonden vielen. Het Watergateschandaal komt in een bijzin voorbij. Er is meer aandacht voor de inmiddels vergeten rage van het frisbeegooien. Als een Canadees, Mr. D, gefrustreerd vanwege de koop van valse kaartjes met zwaar vuurwerk een vrachtwagen van de Stones in Montreal wil vernielen dan krijgen we een verslag alsof Hoetjes er zelf bij was, zo levendig. Een krantenbericht rept van extremisten. Er was meer glasschade in de straat dan aan de vrachtwagen. De afscheidingsbeweging Front de Libération de Quebéc was het niet volgens een politieman, dan zou er niets meer over zijn van de vrachtwagens. Muziek, de rest is bijzaak. Geruststellend.

Bootlegs
Het boek speelt in de wereld van de bootlegs, de illegale opnamen. Toch krijgt Mick Jagger bij Record Paradise in Los Angelos alle bootlegs van de Stones die aanwezig zijn gratis mee als hij er binnenloopt. Hoetjes spreekt iemand die de shows in Detroit heeft opgenomen en gefotografeerd, maar zowel de bandjes, foto's als negatieven hebben een recente verhuizing niet overleefd. Leg ze toch in een winkelkarretje en neem ze mee langs de stoffige wegen, schreeuwt Erwin zijn onbegrip van de pagina's. Steeds komen er nieuwe opnamen uit 1972 bovendrijven, die beter zijn dan wat er was. Het roept de vraag op hoelang er nog mensen zijn die uit een stapel oude cassettebandjes een parel uit 1972 weten op te vissen. Hoetjes herinnert iemand aan een vergeten tape van het concert in Chicago. Hij beschrijft de netwerken en methodes om muziek uit te wisselen.

Soms was er een vrouw zwanger van opnameapparatuur om die binnen te krijgen (San Diego). Als ergens in het publiek een microfoon gezien wordt dan is er de kans dat je bij het verlaten van het optreden je zakken om moet keren. Beter om je bandjes dan even bij een ander onder te brengen. Het komt maar zelden voor, zoals in Denver en St. Paul/Mineapolis dat er geen bootlegs zijn. Er is ook nog onuitgegeven officieel materiaal dat de schrijver wil zien.

Fans
Het is een boek voor en over fans. Ik ben geen fan, waarom pakt het me dan toch? Het is onder andere het grote enthousiasme waarmee het geschreven is. Het boek gaat ook over de fan Hoetjes. Hij stamt uit een tijd dat de bootlegs nog over de post werden toegestuurd in enveloppen met stempels en postzegels en een tijdperk dat je muziek nog luisterde over boxen en koptelefoons voor sukkels waren. Dit werk stijgt boven het gewoon fan zijn uit. Hier wordt iets toegevoegd aan de toer zelf. Het is wel heel uitputtend denk ik af en toe tijdens het lezen. Het is alles en nog net iets meer. Maar niemand verplicht me het hele boek leeg te drinken en toch doe ik het. Aan het eind ben ik overtuigd: dit is de grootste rock & roll band van de wereld geweest. Nou ja bijna geweest. Ze houden het eindeloos lang vol, nu al zestig jaar. Deze week staan ze nog een keer in Amsterdam.

De test print is 1½ kilogram aan Stones wetenswaardigheden. Ze wordt verpakt en verzonden voor € 25 (op Marktplaats kom ik het al tegen). Dat is goedkoper dan evenveel Stolwijkse oude kaas. Het boek gaat over van alles en nog wat, maar toch vooral over de sfeer en de gespeelde muziek tijdens de concerten. Door het gedetailleerde boek van Erwin J. Hoetjes kon ik er nu een halve eeuw later in gedachten heen.

Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.