vrijdag 10 juli 2026

here is where we meet

here is where we meet van John Berger begint met een ontmoeting van John met zijn vijftien jaar eerder overleden moeder in hartje Lissabon. De doden blijven niet waar ze achter worden gelaten, vertelt ze hem, en verwoordt daarmee een belangrijk thema in het boek, ze kunnen opduiken waar ze willen.
     Gezeten op een trap laat ze hem zien dat de lift bij Santa Justa als enig doel heeft naar boven te gaan; boven is er het uitzicht en daarna weer de tocht terug naar beneden. Verder niets. Een gratis voorziening om te kijken. Iets dergelijks doet bijvoorbeeld een film ook. Je kijkt en komt weer terug. Kijken voegt ondertussen wel een ervaring toe aan het leven en is zeker waardevol.
     Moeder en zoon hebben prachtige gesprekken, de moeder giechelt, ze bekijken de stad met zijn azuren tegelwanden die afbeelden wat er zoal te zien is in de wereld en ze eten Portugees gebak. Moeder geeft haar zoon de schrijver de dwingende raad om te proberen de waarheid te schrijven.
    Uiteindelijk belanden beide weer op hoogte. Bovenop een aquaduct waarlangs het water de stad inkwam. Ook hier voeren ze een gesprek. Een onderhoud over het zetten van kleine stappen die haalbaar zijn. Als je die ketting van de hond nu eens een wat langer maakt dan kan hij de schaduw opzoeken en zal minder blaffen. Vervolgens hoort de vrouw het vogeltje in de keuken zingen en wordt vrolijker. Ze strijkt met meer plezier, de man voelt zich in zijn overhemd …etc. Het kan mooier en dat is ook wat wij mensen doorgaans wensen. Begin daarom een kettingreactie naar prettiger omstandigheden met een kleine stap. Omwentelingen die afhankelijk zijn van de daarvoor noodzakelijke objectieve omstandigheden worden zo opzij gezet. Maar bij deze praktische aanpak gaat het een weloverwogen kant op. 
Het Soortgelijke aqueduto do Convento de Cristo bij Tomar.

     Als je uit de verhalen wilt kiezen, lees dan de 55 pagina's waarop het volgepakte verhaal Lissabon is geschreven.

Het volgende hoofdstuk speelt in een andere aansprekende Europese stad: Genève. John bezoekt daar zijn dochter die er werkt in een theater. Hij vertelt haar over de ontmoeting die hij had met haar oma. Het geeft aan dat de verhalen niet los van elkaar staan. Dat is ook vrijwel onmogelijk aangezien ze op hoofdzaken autobiografische aspecten bevatten uit het leven van John Berger zelf.
     Vader en dochter wandelen door dat leven; ook hier samen met de doden. Zij reageert niet verbaast op zijn mededeling, maar komt met een vervolg activiteit op het bericht over haar oma. Ze bezoeken het graf van de Argentijnse schrijver en dichter Jorge Borges. Hij ligt begraven in de Zwitserse stad. Borges bracht er jaren van zijn jeugd door en keerde er terug. Nu is hij deel van de stad waar niet alleen de Europese winden samenkomen, maar ook organisaties en mensen uit de hele wereld, inclusief dus de doden.

Ook op de volgende stop, in Kraków, is het een dode die samen met John het verhaal vertelt. Ken is een oplevende schim die John ziet zitten als hij door de Poolse stad loopt opzoek naar een betaalautomaat. Ken is de man die hem in zijn tienerjaren wegwijs maakte door het leven. Hij noemt hem dan ook een passeur (een identieke tekst verscheen onder die titel in 2001 in de New Yorker). Ken leerde hem dat het leven wordt ontdekt door boeken te lezen. Berger dacht na ieder boek dat hij van hem kreeg en dat hij uitgelezen had dat hij dichter bij zijn leermeester stond.
     Nu zitten ze samen op een bankje op een plein en drinken bier in de stad waar de geschiedenis uit de Tweede Wereldoorlog je op de nek valt. Je hoeft alleen maar over de rivier naar het voormalige joodse kwartier te kijken. Berger noemt een getal van 6 miljoen Poolse doden, de helft joden. Nog meer schimmen.

Er is ook een hoofdstuk dat buiten het raamwerk van het boek lijkt te vallen. Dat gaat over vruchten. Ook die vruchten hebben een klank, een smaak, een herinnering, die naar het vroegere leven reikt. Greengages zijn reine claudes. In de zomer liggen ze voor de Turkse winkel, waar ik in Amsterdam fruit, kruiden, bonen en wat groenten haal. Er staat een schaal met die vruchten op de kaft. De groene pruim laat als de jonge John zijn ogen sluit zijn jongensfantasie opleven en herbergt een belofte die nog niet benoemd is.
     Er is nog een Engelse naam die ik niet ken. Dat is de quetsch. In het Nederlands heet die vrijwel hetzelfde, de kwets. Ze is in het Engels beter bekend als de Elsas Damson pruim (zo'n mooie kleine paarse). Het is de vrucht van de zang. Dit doordat de zangvogels in de kwetsbomen bivakkeren of door de glaasjes gnôle, de drank die van de vruchten wordt gestookt en de stembanden in beweging brengt.
    Verder zijn er teksten over de meloen, perzik en kers. Dood is er nauwelijks in de teksten over deze vruchten, maar fantasie, verbeelding en associaties zijn er in overvloed.

De vruchten waren een tussendoortje. Islington (de wijk in Londen) is weer een plek voor mensen van vroeger: een schoolgenoot, zijn inmiddels overleden vrouw, en iemand die er voorheen nadrukkelijk was, maar nu verdwenen en naar elders is vertrokken. Zelfs haar naam is het brein ontschoten. John vraagt naar zijn jeugdvriendin bij man van hun beider kunstopleiding. Hij beschrijft haar postuur, eigenaardigheden en kleding en dan op de valreep komt de naam wer boven, waaraan de nagedachtenis aan haar kan kleven. Hij weet dat ook zij gestorven zal zijn, maar heeft haar toch nog even in deze zoektocht ontmoet. Hij voelde haar hoofd op zijn schouder en een dialoog tussen hen beide weer oppoppen: 
     Hij: “Oslo.” 
     Zij: “Je zei dat het rijmde met eerste sneeuw (snow).”
     Het huis van de oud schoolgenoot is volgepakt met wat door het leven heen is binnengehaald. Alles is keurig uitgestald. Wat bijzonder opvalt zijn de doosjes met plantenzaden, een verzameling klaar voor verzending. En er is het gesprek over de tekeningen van de overleden vrouw van de man. Wat doe ik er mee? Ik kan ze toch niet verbranden of weggooien? Orden ze thematisch, per groep in een enveloppe, op de volgorde die je het beste lijkt, is Johns advies. Zo komt het archiveren, het opbergen, op twee manieren weer terug. Het zat ook al nadrukkelijk in het hoofdstuk rond Genève.

Le pont d'Arc beschrijft de artistieke expressie van de Cro-Magnon, een volk in de Ardeche. Ze leefden 30.000 jaar geleden en beelden in een grot dieren en hun eigen handen af. Gemiddeld werden ze niet ouder dan 25 jaar. Die leeftijd is niets vergeleken met de duur van hun dood sindsdien. De grot is een plek voor een overpeinzing: Het begrip verleden en heden is ondergeschikt aan de ervaring van elders. Iets dat voorbij is, of waarop gewacht wordt, is elders verborgen, op een andere plek.”
     Tijdens het lezen ben ik zelf terug naar
een fietstocht niet ver van dat grottencomplex en herbeleef de stilte en natuurschoon. Geen prehistorische tekening gezien. Het was wel fijn.

Op pagina 161 staat in een zee van ruimte een grote mededeling: “Het aantal levens dat het onze betreedt is ontelbaar.” Verder niets op die pagina. Nog mooier dan Bergers moeder het deed vat deze zin het boek samen. Die mensen komen uit alle tijden, uit ontmoetingen, boeken, films en fantasieën. Alleen zijn is vrijwel onmogelijk, zelfs diep in een berg.
     Tijdens een bruiloft loopt buiten een verloren saxofonist rond die komt spelen. Vijftien jaar eerder was hij tegen een auto opgelopen en daarbij omgekomen. Echt vergeten was hij nooit. De muzikant was ook huisschilder en liet in alle huizen van het dorp een geschilderde tekst achter op de muren waarover hij daarna behang plakte: Winst is klote; De armen gaan naar de hemel; en Leve de rechtvaardigheid.
     Hoofdstuk 8½ is amper 'n pagina lang. Moeder legt er uit waarom ze nooit boeken van haar zoon heeft gelezen, ze leest liever over wat ze nog niet weet. Hem adviseert ze nogmaals slechts de waarheid te schrijven. Je moet wel dezer dagen.

Europa is een prachtig werelddeel met steden vol cultuur op allerlei gebied. Geschiedenis met zijn mooie en zeer lelijke kanten (en dan ontmoetten we nog niet eens het kolonialisme). Maar wie we niet moeten vergeten zijn de mensen die voor en met ons waren, zij die uit onze levens verdwenen, en er alleen oppervlakkig gezien uit vertrokken zijn. Ze hebben nog steeds veel te vertellen. Bij dergelijk treffens staat Berger stil. Het is de gewoonste zaak van de wereld.
     In alle hoofdstukken zitten mooie zinnen, gedachten en ontmoetingen, teveel om te benoemen; als je begint is het als het eerste koekje uit de trommel; er volgen vanzelf meer voorbeelden en woorden. Als je ze wilt, haal ze dan zelf uit uit het boek.
     Lissabon speelt eerste viool in here is where... Dat verhaal toont het thema, behandelt 'n politieke aanpak, en laat zorgzaam de stad aan de Taag zien. Even ga ik de schrijver achterna en zoek naar de lift en het aquaduct en geniet mee. Tijdens het lezen keerde ik er terug naar vroegere bezoeken aan de stad en kwam er mensen tegen met wie ik er verbleef. Berger is dan ook de schrijver van het kijken. Hij doet dit op een plezierige manier.




Geen opmerkingen: