Posts tonen met het label Adriaan van Dis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Adriaan van Dis. Alle posts tonen

woensdag 24 september 2025

Een barbaar in China


Een barbaar in China, is geschreven door Adriaan van Dis. Op het titelblad is aan de hoofdtitel toegevoegd Een reis door Centraal-Azië. De reis gaat echter grotendeels door China. Hij begint in Hong Kong, en eindigt via Xinjiang (Oost-Turkestan) en Tibet in Pakistan. Met twee kaarten in de hand kunnen we zijn reis en oude handelsroutes vergeleken worden.
    Een barbaar verscheen in 1987. In nog geen half jaar tijd kwamen er zeven drukken.  Ik haal het boekje uit een weggeefkast aan de ringvaart om de Haarlemmermeer.

Van Dis volgt grofweg een van de zijderoutes. Hindernissen zijn er onder andere door de bureaucratische regels en beperkingen. Na veel gepraat en overtuigingskracht kan hij zelfs een traditionele zijderupsboerderij bezoeken, waar de eigenaar de eitjes onder zijn kleren bewaart om de ontwikkeling ervan te bespoedigen. Een ander voorbeeld: Als hij zijn treinkaartje niet meer heeft wordt hij zelfs samen met een groepje zwartreizigers gearresteerd en tegen een bedrag weer vrijgelaten. Het is allerminst een gladjes verlopende toeristische tocht.

Al in de inleiding maak ik een aantekening bij de opmerking dat met de zijderoute ook de boekdrukkunst naar Europa kwam. Was die dat dan geen vinding van Johannes Gutenberg (uit Straatsburg/Mainz) of van  Laurens Janszoon Coster uit Haarlem? Nee die vonden het drukken met losse gegoten loden letters uit. De Chinees Bi Sheng vond al vier eeuwen eerder het drukken met losse letters uit, maar gebruikte hout en later porselein.

Een alinea als bovenstaande doet geen recht aan het meereizen met Van Dis. Hij haalt stempels, zit in treinen en rammelende busjes met andere passagiers. Hij vraagt zich af waarom men lacht om de tegenslag van anderen. Hij eet en drinkt en zoekt een plek om te slapen. Je gaat bijna veertig jaar geleden met hem mee op reis door het China van toen. Niet op feiten- en kennisjacht.

Het boekje is verdeeld in vijf etappes door het land dat net open is gegaan voor het toerisme, maar hier-en-daar nog steeds gesloten is, al wordt dit niet vaak openlijk gezegd maar verborgen achter smoezen. Ook de Chinees zelf is nog niet open. Die kijkt wel uit. Opgepropt in een busje komen de gesprekken wel los, ook met de Oeigoeren, waaruit blijkt dat de verhoudingen met de Han-Chinezen al gespannen zijn. En in het Westelijk gelegen Kashgar wordt zelfs de staatstijd genegeerd: “Pas om half tien ratelen de luiken van de bazaar.”

De Kirgische, Oezbeekse, Tadjiekse en Oeigoerse vrouwen zijn nauwelijks te zien in het straatbeeld. Ze werken niet. Han-Chinese vrouwen wel en
“overal zijn kinderen aan het werk, zij knippen koper in repen, verhuizen vracht op hun karren, rollen kleden uit en venten kebab en liang fung. (…) kinderen spekken hier de beurs,” en ze zijn er in grote getale en er is geen sprake van abortussen op late leeftijd of zelfs meisjes-zuigelingenmoord bij de minderheden. Maar ook niet het pronken met de kinderen, zoals Van Dis in Oost-China veel tegenkwam.

Van Dis regelt in Kashgar zijn rit om de bergen naar Pakistan over te gaan voor 800 yuan
and shoe. Later blijkt het hierbij de chauffeur niet om schoenen te gaan, maar om you. Na een mep loopt dat met een sisser af. Onderweg ziet hij de graven versierd met linten, stukken yarkensstaart, lamsvel, en kleine zakjes waarin een bladzijde uit de koran zit gevouwen, ook de graven van Tibetanen. “Boedhisme en islam vinden elkaar over het graf,” merkt de schrijver op met een positieve noot.

Marmotten worden vanuit het voertuig geschoten en onderweg uitgedeeld om diensten te vergoeden. Ook Adriaan krijgt een geweer in handen gedrukt en moet schieten. De volgende dag gaat dat geweer onder zijn stoel per ongeluk af. Maar Van Dis en zijn chauffeur gaan verder zonder heisa uit elkaar. In het Pakistaanse Karimabad doet hij zijn persoonlijk eetstokjes weg (voor de hygiëne gekocht, zodat niet de slecht schoongemaakte van de eetgelegenheden zelf hoeven te worden gebruikt) en koopt ze terug als hij ze daar de volgende dag in een winkel ziet liggen.

De barbaar heeft in zijn net geen 100 pagina's lange reisverslag vol sfeer, empathie, overwegingen en kleine opmerkingen vooral een verhaal geschreven over mensen met hun onhebbelijkheden, humor, levenslust of juist apathie. Eigenlijk is het een boekje waar je niet over moet schrijven, maar dat je fijn weg moet lezen om weer in het China met een raam dat net een beetje open ging, terecht te komen.

maandag 30 december 2024

Palmwijn

Palmwijn van Adriaan van Dis is het boekenweekgeschenk voor 1996 en opent met een overlijdensbericht van een vrouw die leefde op een eiland voor de Afrikaanse kust en zichzelf in leven hield met tekeningen die ze opdringerig aan toeristen verkocht. In het In Memoriam wordt ze opgehemeld: internationale erkenning voor haar werk, verlies voor het eiland en een opmerkelijke verschijning. “Je las zo dat die journalist zich wat op de mouw had laten spelden.” Het is het begin van een duik in het leven van Susan Courtland.

Daarvoor komen we eerst nog langs ene William, een Brit die op hetzelfde eiland het Ecologisch Centrum bestuurt dat hij zelf opzette. Het is een zwartkijker. Er is alleen maar vuiligheid:
“Schadelijke verdelgingsmiddelen, giftige drijfgassen, inferieure machines, alle rommel die het Westen voor eigen gebruik had afgekeurd, werd zonder gêne naar de derde wereld geëxporteerd.” Om Afrika zuiver te houden heeft William een hele lijst regeltjes opgesteld waar zijn gasten zich aan moeten houden; een lijst die maar blijft groeien. Een van die regeltjes is: Drink geen palmwijn, het is slecht voor de bomen. Als iedereen het zou drinken gaan alle bomen dood.

Susan maakte op de eerste dag dat ze het eiland aandeed al kennis met de wijn. Het bracht haar in andere werelden, letterlijk en figuurlijk. Ze gaat al snel helemaal onder in de door water omringde wereld met optreden aan de haven tot een bezoek aan een vluchtelingendorp. De wijn blijft tijdens haar leven op het eiland, ze heeft een hallucinerende werking en het maakt verdoofde emoties wakker. Ze zegt dat het ook haar doden levend houdt, zoals haar door de oorlog verminkte zoon, die zichzelf met een kogel doodde.

Susan wil helpen, ook op het eiland, maar doet het schijnbaar zonder positief resultaat. Dat is een belangrijk thema in Palmwijn: kan je wel helpen, of moet je wachten tot de bewoners het zelf op- en aanpakken? Susan moet constateren dat de mensen helpen niet haar kwaliteit is. Of ze het per ongeluk toch goed heeft gedaan, – tegen hoge kosten aan menselijk verlies –, blijft in het midden. Wat wel als een paal boven water staat, is dat het zonder kennis van de lokale omstandigheden zeker niet gaat.

Je kan palmwijn bijvoorbeeld verbieden om te voorkomen dat het tappen van het vocht de bomen uitmergelt, maar dan zoeken bewoners illegaal naar afgelegen exemplaren die nadat ze sterven niet worden vervangen. Een kwestie van een stap voorwaarts en twee terug. Of zoals een vriendje van Susan zegt:
“dat soort hulp maakt de boel alleen maar kapot. (…) omdat de blanken er geleerde theorieën op na houden en over moderne technologie beschikken en bulken van het geld denken zij dat zij het beter weten.”

Een van de mooiste zinnetjes uit het boek is: “Ik ben geen jullie.” Van Dis neemt je met zijn kijk op de wereld in en dat is een wereld waar het niet altijd makkelijk is, maar wel waar zaken voorbijkomen die er voor mensen echt toe doen.

Commerciële uitgave. De cover geeft
een ander beeld dan zich in mijn
hoofd ontwikkelde tijdens het lezen.

Ongemakkelijk is bijvoorbeeld de constatering dat slachtoffers van misdaden uit het verleden (slavernij, uitbuiting en racisme) een eigen verantwoordelijkheid in het heden hebben, naast recht op de hulp bij opruimen van vuiligheid van eerder door de veroorzakers ervan, de verantwoordelijken ervoor. Zoals hier de olie-industrie deed, gedwongen door milieuactivisten. Maar je hoeft niet passief te blijven omdat je geleden hebt. De meeste mensen doen dat ook niet; ze vallen, staan op en gaan weer door. De verteller raakte op het eiland de illusie kwijt dat hij anderen moest redden. De novelle doet je denken over de verschillen tussen de woorden redden, helpen, betrokkenheid en samenwerken.

Palmwijn is een echte Van Dis; geschreven door een heer, met observaties van een afstand, maar tegelijkertijd prettig gewoon geschreven en dichtbij mensen.

vrijdag 29 november 2024

Naar zachtheid en een warm omhelzen





Naar zachtheid en een warm omhelzen is het meest recente boek van Adriaan van Dis.* Het gaat over Ommie, een oma die eigenlijk de dienstbode van zijn opa is. Hij wordt als negenjarige in hun huis opgevangen, omdat thuis in Scheveningen de opvliegendheid van zijn vader de gezondheid van de negenjarige Adriaan aantast. Die vader is een man met een Indisch oorlogstrauma. We kennen hem al uit Indische duinen.

Zijn opa is een herenboer die van de boerderij naar een woning in de stad verhuisde. Een man die op stand leeft en optrekt met de plaatselijke notabelen. Het speelt in het land van mijn jeugd. De opa en de voorvaderen van Adriaan van Dis komen uit Fijnaart en ook
zijn moeder is er geboren. De Fendert noemden we in Dinteloord, waar ik tussen mijn tiende en achttiende woonde, het dorp iets verderop. Breda wordt in het boek als nabije stad genoemd en er zijn de zware klei, suikerbieten en er komen artikelen voorbij met bijvoorbeeld de kop 'Diep treurige toestanden op de coöperatieve suikerfabriek'.** De locatie klinkt daardoor regelmatig vertrouwd. De sociale stand en omgeving minder. Zijn opa Huibert heeft een bel die hij luidt als er iets gebracht moet worden door Ommie: een glas, een hapje of een maaltijd. Zij draaft dan meteen op. Ze leven samen in het huis door afstand te houden en op zijn best samen de krant te lezen. Tijdens de oorlogsjaren was de band hechter. In het huis zaten onderduikers en er was daardoor een gezamenlijk project.

De kleine Adriaan ontrafelt tijdens zijn verblijf het hele spannende verhaal van oorlog en verzet. Hij gebruikt zijn verrekijker*** Maresch om wat verborgen blijft bloot te leggen. Dat gaat van het tikkende been van een Italiaanse moeder die dagelijks voorbij komt tot de kamer in het huis waar niemand ooit komt, maar die er ruimtelijk gezien wel moet zijn. Ommie praat liever niet over die nare oorlog. Voor Adriaan, ook Sproet of Adje genoemd, is het een onderwerp van toenemend belang. De oorlog van de ouderen wordt de oorlog van de (klein) kinderen. Dat zie je daaraan. Ommie probeert met sprookjes en wijze opmerkingen de hardheid te verzachten en meestal op haar woorden te letten om het intrigerende ervan voor Adriaan niet te versterken. Tegelijkertijd haalt ze wel een leraar voor hem in huis, die ze kent van het verzet. Het is een man die er juist veel over praat en er door getormenteerd is. Het wakkert de interesse van Adje alleen maar aan.

Het boek is ook een speurtocht naar Ommie. In een park reflecteert de schrijver Van Dis op dit graven in het verleden. Het geeft hem gelegenheid zaken van toen te vergelijken met moderne ontwikkelingen en te verwijzen naar oorlogen van nu. Met name die van Rusland tegen Oekraïne voert en de steeds grotere aantallen Russisch of Oekraïens sprekende (Van Dis hoort het verschil niet) mensen die hij tegenkomt. Hij beschrijft de oorlog als spel op afstand, waarvoor de wapens op het internet geprijsd zijn, zodat je kan storten voor de gedeeltelijke aankoop:
“De collateral damage van een vernietigde kleuterschool en een paar afgeerukte armen en benen nemen de geldschieters op de koop toe. Doen? Doen of niet doen? De vraag stellen is een luxe.” Het lijkt een pleidooi voor leveren, alsof er één antwoord is, en niet een genuanceerder reactie: bijvoorbeeld het ene wapen wel, het andere niet of alleen tegen bepaalde voorwaarden. Je kan het ook luxe noemen dat wapens het debat bepalen en diplomatie veel minder. Elders in het boek wordt de atoombom op Japan het begin van het einde van de Japanse bezetting van Indonesië, “daar danken wij ons leven aan,” laat hij zijn moeder zeggen. Ook hier zijn andere inzichten mogelijk. Ommie zegt dan weer dat de angst dat de Rus komt, opgeklopt is en dat de mensen elkaar bang maken.

De genoemde afkeer van oorlog van Ommie en de geestelijke wonden van zijn vader krijgen door die reflecties een vertaling naar een oorlog in het heden. Even verder op staat de tekst Vrouw Leven Vrijheid, de slogan voor vrouwenverzet in Iran en Koerdistan (verfrissend zelfs in Perzische 'kriebels' geschreven) om aan te geven dat speldjes grotendeels verdwenen zijn, maar er nog steeds teksten voor op T-shirts zijn zoals deze tekst uit Iran of bijvoorbeeld de naam van Ajax.

Het heden en opgediepte documentteksten worden in vet gedrukt en gezet in een heel ander lettertype dan de rest van de tekst. In een film zou dit een abrupte beeldwisseling zijn van zwartwit naar kleur en ook nog eens met een andere cameravoering. Ondanks het grove onderscheid tussen de teksten, staan ze niet ver van elkaar en is er geen sprake van een gekunsteld onderscheid. De man van in de zeventig op het bankje is een oudere versie die terug kijkt naar zijn jongere ik waaruit de huidige Adriaan is gegroeid. De verbinding tussen die twee is een eerbewijs voor de invloed van Ommie op zijn leven en de band met haar.

Een boek waar het veel over oorlog gaat, vertelt met de titel naar zachtheid en een warm omhelzen al dat oorlog niet het antwoord kan zijn. Toch zijn liefde en aandacht voor wie de mens die je ontmoet minstens even grote thema's. Het boek speelt grotendeels in de jaren vijftig, maar heeft zeker ook betekenis buiten die plaats in de tijd. Je gaat van Ommie houden om hoe ze was. Ze stond klaar voor iedereen, ging moeilijkheden niet uit de weg, had wijze lessen (zoals: ontdek het kind in het gezicht van oude mensen, het kind dat mooi was en dromen had) en was een wandelend sprookjes boek met voor iedere situatie een vertelling. Overigens worden die sprookjes nog even aan de huidige normen getoetst. Bomen waren er om om te hakken, jagers die dieren doden doken regelmatig op en huizen waren levenloos, zoals haar eigen huis.

Adriaan van Dis doet het zelf ook, verhalen geven aan Hamzo en Ricardo, de jongens die de bank in het park met hem delen.
“Weet je wat verzin een opa. Dat zijn de beste,” zegt hij. “Doe je ogen dicht, dan zie je hem.” Het werkt, de straatwijze jongens doen het “heel braaf.” Ze slaan er vervolgens wel een slaatje uit. Opa's geven een zakcentje, nietwaar. Ook hij geeft de lezer wijze lessen en doet dat met woorden van de vrouw die hem opving. Volgens Ommie heeft zijn vader ondanks alles zachtheid in zijn ogen, een zachtheid die hem beangstigd, zoals zoveel mannen bang zijn voor die kwetsbaarheid. Om de oorlog in te gaan moet je die angst overwinnen of negeren. Dat het leger een man van je maakt, kan ten koste gaan van de rekruut en zijn gezinsleden. Dat spreekt zeer sterk uit deze autobioroman.

Grootvader is niet alleen een hork, maar ook laconiek, zelfs als snelheid geboden is blijft hij kalm en de de telefoon vermijden om hulp in te roepen. Waar is al die haast voor nodig?
“Zelfs een klok die stilstat geeft twee keer per dag de juist tijd,” zo geeft hij als, weliswaar mooie, dooddoener om zijn rust op te gronden. Hij zou er 92 jaar mee worden, lees ik op de stamboomsite. Maar de kleine Adriaan zou door de over-flegmatische houding van zijn opa niet gerust gesteld worden en wilde verdwijnen; uit het leven weg krimpen. “Het verlangen me te verschuilen en onzichtbaar te zijn heeft me nooit verlaten,” luidt een zin van een tekst uit het heden. Ommie zou inderdaad weer beter worden, nog tien jaar leven, en haar geruststellende houding naar anderen behouden. Ze was meer dan zacht en omarmend, ze stond voorbeeldig voor de ander en voor haar moraal. Van Dis heeft met dit werk over haar en de kwalijke gevolgen van oorlogen een teer en fijngevoelig boek geschreven.

Noten:
* Het kreeg onlangs de NS publieksprijs, maar ik las het al in september en schreef ook de bespreking toen al.
** Ik heb naar de artikelen gezocht in Delpher en op het internet, maar ze niet kunnen vinden. Naast het genoemde haalt Van Dis ook 'Schromelijk onrecht de arbeidersklasse aangedaan', uit een enveloppe met artikelen uit 1929 en 1930 over armoede en hooghartige en bikkelharde directeuren met daarin onderstreepte zinnen als 'Kapitaal en Kerk zijn broer en zus.'
*** Ook in Palmwijn krijgt de verteller een verrekijker van Susan, de protagoniste. Het was:
“Een erfstuk van haar vader.”


zaterdag 7 mei 2022

Boeken in april



Laatst gelezen boek boven.

Laatst gelezen boek boven.

Reading in the Dark van Seamus Deane pakt je meteen bij de lurven. Korte hoofdstukken (met maand en jaar als ondertitel) laten tussen eind jaren veertig en begin jaren zestig (met een korte terugblik in 1971) een intelligente jongen aan het woord. Hij groeit op in Derry, Noord-Ierland.

Het verhaal vertelt over het gezin, de omstandigheden in een katholieke buurt, maar vooral over het geheim dat zo'n zware tol eiste van hem en zijn familie. Waar is iedereen gebleven? Wat gebeurde? Wie weet meer? Wie wist wat? Het is een zoektocht.

Je moet het boek lezen. Het is prachtig geschreven en een belangrijk verhaal over de betekenis van familiegeheimen voor de onderlinge verhoudingen. Het is bovendien geschreven in de context van een deel van de West-Europese geschiedenis waar repressie, conflict en verzoening een belangrijke rol speelden. In tijden van oorlog kunnen we daar niet genoeg op reflecteren.

De titel komt van het lezen met het licht aan voor het slapen gaan; totdat de oudste broer Liam zegt dat het uit moet. De hoofdpersoon en verteller leest het boek The Shan Van Vocht (fonetisch Iers voor De Arme Oude Vrouw, een metafoor voor Ierland). Het gaat over de Ierse rebellie van 1798.


De moraal van een in Reading in the Dark verteld verhaal is dat mensen in kleine plaatsen grote fouten maken. Niet groter dan elders, maar er is wel minder plaats voor. De belanrijkste verhalenvertelster, tante Katie, is zelf slachtoffer van zo'n fout.

Of Deane nog meer romans heeft geschreven? Het antwoord op die vraag is: nee. Hij schreef wel gedichten en literatuurkritiek. Zijn leven werd bij zijn dood, een jaar geleden, beschreven in the Irish Times.

Volgende tekst onder foto.



Laatst gelezen boek boven.

De zilveren kogel van A. Alberts is een wonderlijke roman. Hij speelt in Schotland (in de periode 1679-1689) en beschrijft de strijd tegen het invoeren van de Anglicaanse staatsgodsdienst en de koning het hoogste gezag in geloofszaken te geven. Deze oppositie zou zelfs tot gewapende, opstanden leiden van de Schotse calvinisten, de Convenanters. Ze verrekten het hun eigen geloofsvrijheid af te zweren.

In een boek waarin heksenverbranding, illegale preken, de band tussen Republiek der Zeven Provinciën en Schotland, Engelse repressie en zelfs een niet te sentimentele liefde op de rol staan, speelt symboliek een voorname rol. De zilveren kogel is het enige wapen wat tegen de leider van de Engelse troepen, Claverhouse, kan worden ingezet, aangezien hij een pact met de duivel heeft gesloten, aldus de roddels. Zowel die geruchten als de kogel (het slothoofdstuk is zelfs getiteld: De zilveren kogel) spelen een prominente rol in de plot.

De Nederlandse schrijver Hans Warren schreef in een bespreking het boek wazig te vinden, zonder duidelijke ontwikkeling van karakters, onvolledig en een enkele keer juist te uitvoerig. Dat Claverhouse, de ene keer John Graham wordt genoemd en andere keren de officier, de ritmeester, en later meneer Dundee is onduidelijk volgens de Zeeuwse schrijver. Al die benamingen worden echter door Alberts geduid. John Graham hield hem al langer bezig. Alberts schreef eerder al over de commandant van een deel van de Engelse troepen in Schotland.

Mij viel een passage op over de eeuwige strijd tussen de eigenwijze protestanten. Als de Convenanters na een militair overwicht, toch een smadelijke Nederlaag hebben geleden is de verklaring daarvoor van een teruggekeerde man tegen zijn vrouw dat de inname van Glasgow twee dagen duurde. “Waarom? Omdat onze leiders het niet eens konden worden over de te volgen strategie? Omdat ze bang waren in een hinderlaag te lopen? Margaret je zult het niet geloven maar het was, omdat ze het niet met elkaar eens konden worden over de dankdienst, die in de Grote Kerk zou moeten worden gehouden. Wie zou voorgaan. Wie tot het gehoor zouden worden toegelaten. Op welke tekst zou worden gepreekt. Twee volle dagen lang, terwijl die stad daar onverdedigd voor ons lag.”

Het is een verschijnsel dat in Nederland tot tal van kerkgenootschappen heeft geleid. Het hakketakken op vierkante centimeter is niet beperkt tot de Bijbel, politieke stromingen vooral aan de progressieve en linkerkant hebben er ook last van en vechten vaak liever in eigen kring over de aanpak van de strijdwijze dan samen op te trekken.

Ondanks scenes met mist, was het verhaal helder, en niet onduidelijk zoals Warren wat chagrijnig beweerde. Het is misschien niet Alberts' beste boek, maar een literaire duik in de geschiedenis van Schotland is mij best bevallen. Niet perse omdat Willem III van Oranje, “de Hollander,” een prominente rol speelt in de afloop van het verhaal, maar ook omdat het wel fijn was mee te trekken door de Schotse heuvels. Al maakte de oranje tint het wel interessanter en relevanter voor een Nederlandse anti-monarchist.

Volgende tekst onder foto.


Laatst gelezen boek boven.

Het boek ligt op de stapel boeken die hier gestaag het huis binnenstroomt: Indische duinen van Adriaan van Dis; ik had het nog niet gelezen. De persoon Van Dis zie ik graag opduiken in praatshows; hij probeert meestal een gesprek te voeren, vragen te stellen, frisse gedachten te verwoorden. Dat gebeurde ook dertig jaar geleden in dit boek.

Een ouder boek lezen heeft voordelen. De alternatieve gedachten over geneeskunde komen uitgebreid aan bod en gaan niet over de afgelopen covid-jaren die dit debat op een bekende manier kleurden: “Ada slikte geen pijnstillers, ze wilde haar lichaam niet vervuilen. Geen chotherapie, geen oepratie, het ging om de kwaliteit van leven. Alleen de natuur mocht haar helen; iscador-injecties, een maretak-elixer. Zoals de maretak de boom verstikt, zo moest dit de kanker verstikken. Een symbolisch geneesmidel van de antroposofen. Helaas mijn zuster was geen boom,” denkt hoofdpersonage en verteller Nathan tijdens het sterven door kanker van een van zijn drie zussen. Je zou haar nu een Wappie kunnen noemen.

Indische duinen is een familieverhaal over een uit Indië repatrieerde vrouw met de dochters Jana, Ada, en Saskia en zwanger van Nathan door haar tweede man en reisgezel Justin. De zin “Wie het in Holland wilde redden, moest veel slikken,” zou een motto van het boek kunnen zijn. Maar je moest overal veel slikken; ook in de Jappenkampen, als emigrant, als ongehuwde, als blauwe of pinda, als vrouw, als zoon, als vader of dochter. Je moet dapper zijn om het leven te leven of een uitweg te zoeken, niet alles willen zien, conflicten mijden, of er de humor van in willen zien. Wrang, boeiend, het komt allemaal voorbij.

De verwikkelingen zijn ingenieus neergezet met gedachten, belevenissen, brieven en ontmoetingen. Zo ontstaat tot in de epiloog een steeds gedetailleerder beeld van de familie, van het gezin, maar vooral van Nathan. Hij speelt ook nog even de oom voor zijn neefje in een moshpit in Paradiso tijdens een metal concert. Een beeld dat de schrijver vreemd genoeg niet misstaat; je ziet tijdens het lezen Van Dis verwonderd meespringen. Er zijn films waar een regisseur zich uitleeft met beelden van een dansvloer, dat gebeurt hier met woorden.

Het is zo'n boek waarvan ik denk dat iedereen het al eens gelezen heeft, behalve ik, en aan de ideeën erover heb ik niet veel toe te voegen. Er zijn stukken bij die ik prachtig vind. Hoe tuig je een nieuw familielid op: “Familie. Je wordt gemaakt, in liefde, geilheid of verveling. Je vreet je aan je moeder vet, je wilt eruit, de koek is op, de knapzak bast. Je scheurt je los, de stront komt mee en je laat haar bloeden van de pijn. Het eerste kamp ligt achter je.” Een weinig subtiele verwijzing naar de Jappenkampen. De Bersiap periode krijgt een niet politiek correcte draai. Het was niet de revolutie van de Republiek. Het was ook niet simpel wij tegen zij. Hier wordt gesteld dat het de Britten en de Australiërs waren die na de oorlog veel erger tekeer gingen dan de Jappen. Dat zegt Els een eveneens naar het moederland gekomen vriendin van Ada. Tempo dulu met een bite.

De natuurbeschrijvingen van Van Dis daar struikelde ik ook in andere boeken al over. Hier buigt bijvoorbeeld de duindoorn onder zijn last aan oranje bessen. Adriaan ga eens echt kijken, zou ik willen roepen. De takken buigen niet onder de enorme vracht die eraan hangt. Voor zeemist of zeevlam – een van de mooiere natuurverschijnselen aan het strand – gebruikt hij een heel aantal woorden die ik nog niet kende, zoals zeenevel of zeerook. Een welkome buit voor een strandvonder als ik.

De Hollandse duinen lijken op cake zegt Saskia bij aankomst in Nederland. Het zijn de duinen met grote woningen erlangs die vrij worden gemaakt om de stroom aan rijksgenoten die Indië ontvluchten op te vangen en daardoor de Indische duinen uit de titel worden.

Volgende tekst onder foto.

Laatst gelezen boek boven.

Weer wordt Zuid-Amerika vernietigd. Het continent wordt door God opgepakt en samengevouwen. Het verdwijnt van het aardoppervlak, net zoals aan het slot van De morgen loeit weer aan. Hier gebeurt het in de eerste tekst van Mengelwerk uit De hemel is van korte duur, verzameld werk van Tip Marugg (1945-1995). Beide teksten lijken weggelopen uit het bijbelboek Openbaringen. Ze zijn vergelijkbaar, maar verschillen ook. De 'Mengelwerk versie' is politiek meer uitgesproken en geeft een blik op de toekomst, zoals blijkt uit de laatste zinnen:

“Eens zal daaruit [uit een doorschijnend diertje] een nieuw continent ontstaan. Een nieuw Zuid-Amerika, dat ditmaal niet door een kromme navelstreng verbonden zal zijn met het noorden. Een Zuid-Amerika zonder grootgrondbezitters, zonder legerkolonels en zonder rooms-katholieke bisschoppen; zonder het Spaans als voertaal.”

Drie jaar later In De morgen loeit weer aan luidt de laatste zin: “Alleen mijn honden zullen de knal horen en al de Caraïbische eilanden, waarvan de geologen altijd al vermoed hadden dat zij de vorm hebben van een paddenstoel, zullen afknakken van de aardschors en drijvend worden voortgesleept in de woest kokende maalstroom, om daarna het een na het andere te verdwijnen in de neerzuigende wieling van de waanzinnige zee.”

Mengelwerk zijn verzamelde teksten van Marugg die elders zijn gepubliceerd of waaraan hij nog werkte. De vernietiging van Zuid-Amerika stond bijvoorbeeld in een Amigoe bijlage (31 mei 1985) samen met de gedichten 'Lilith', 'pa mira, ma isla bashi' [om de leegte van mijn eiland te schouwen], en vertalingen van verzen uit Lao Tse's Tao Tse Cing.

Boek dat nooit verscheen

Voor een volgend boek, dat er nooit is gekomen, schreef hij: De leguaan en de overlevende (ondertitel: romanfragment. Het verscheen in Preludium). Hij kondigde de prominente rol van het prehistorische dier al aan in een lang interview met Cees Zoon voor de Volkskrant (dat een week later in Amigoe zou verschijnen,
zie pagina 6 en 7). Het thema is bekend; het zijn, half zijn of niet (meer) zijn en dat gedoopt in drank en met beelden van een eiland met de grote groene leguaan als metafoor voor de wegduttende, maar ook roekeloze, mens. Ook een volgende tekst in de verzameling is bedoeld voor komend werk gaat over het opgroeien van een jongen in de wijk Otrabanda. Het is een sfeertekening over het huis van de jeugd, straten, mensen, winkels en kroegen.

Papiamento

Marugg schreef in het Nederlands en het Papiamento. In een van de opgenomen teksten klaagt hij dat die taal nog steeds geen uniforme spelling heeft en dat dagbladen schrijven voor semi-analfabeten. De als Mengelwerk opgenomen teksten in het Papiamento zijn vertaald. Een verhaal over jagen in het woeste westen van het eiland: Den mondi di Klof (in de wildernis van Klof) stamt uit 1950 en werd meer dan een halve eeuw later (2008) vertaald door Lucillle Berry-Haseth.
“Op een avond als deze dwalen er boze geesten op de aarde rond,” zo wordt de verteller, een jager gewaarschuwd. Het laat zien dat de schrijver dezelfde thema's en situaties steeds opnieuw vertelde. De donkere nacht in een woest natuurgebied kwam immers 38 jaar later weer terug in aanloeiende morgen.

Schrijven

Op verzoek van journalist Jos de Roo ging hij voor Amigoe recensies schrijven: “het werden stillistische meesterstukjes,” vol ideeën die nog steeds zeer prettig lezen. Na De straten van Tepalca leek zijn schrijversbestaan verder stil te staan; en was slechts de vage belofte van een nieuwe roman. De mythe gaat dat het vuur en de versnipperaar zijn belangrijkste lezers waren.

Spot en lof

Hij schrijft een lovend artikel voor het gedenkboek bij het zilveren jubileum van het Peter Stuyvesant College. Het artikel mist de bijtende spot die in andere artikelen veelal de uitsmijter is. Hoewel hij wel voorspelt dat de scholieren met wilde haren en elektrische gitaren brave burgertjes zullen worden die inkomstenbelastingfomulieren zullen invullen. Hij geeft ze ook mee dat het in het leven draait om kennis, seks, geld en eerbied voor de evenmens. Een ander gedenkboek bespreekt hij. Het is het officiële gedenkboek Oranje en de zes Caraïbische parelen. Het wordt gesmoord in lof; de opmerking dat het boek zelfs voor hen die het niet kunnen lezen de moeite waard is, zet alle complimenten op losse schroeven. Een recensie van Dorstig paradijs van Adriaan Hulshoff,* dat in belangrijke mate op het eiland speelt, wordt afgesloten met de zin dat de schrijver wellicht verdienstelijker werk zou hebben verricht “indien hij de boot naar Curaçao had gemist.” Een artikel over de schrijver Kurt Vonnegut is wel positief van toon – en maakt nieuwsgierig. Maar Vonnegut's laatste boek Slapstick krijgt op een lullige manier een veeg uit de pan. 

Kunst, eilandsleven, literatuur zijn de onderwerpen waar Marugg zich als schrijver van artikelen mee bezig houdt.

Artikelen

Voor de man die in zijn eerste roman schreef dat hij de krant van artikelen voorzag, lijkt het aantal opgenomen epistels gering. Hij schreef die artikelen voor de krant van Shell en ook nog eens met tegenzin. Hij stopte zo snel hij kon met dat werk. Dat broodschrijfsels buiten de opgenomen selectie vallen, ligt voor de hand. Maar is er ander werk weggevallen? Een snelle zoektocht maakt duidelijk dat dit niet zo lijkt te zijn. Wat ik tegenkom (uit de Stoep, Amigoe) staat in het boek en daarin is veel meer opgenomen dan ik kan vinden, zoals werk uit de
Papiamentstalige middagkrant La Prensa (die eind 2017 failliet ging). Al zoekend kom ik een bespreking van de Nederlandse uitgave van delen uit de dagboeken van Virgina Woolf tegen; Veertig keer prachtig wordt eentonig. Met 458 bedrukte pagina's niet het dunne boekje dat Virgina Woolf zelf voorzag, zo constateert de criticus scherp. Maar ook een lovend artikel duikt op, zonder de kenmerkende spot, over dichter Norman de Palm. Dat artikel staat op dezelfde pagina in Amigoe, als een bespreking van zijn hand, dat is een boek over het laatste levensjaar van Tolstoj. De Nederlandse Bibliotheek heeft nog wel een aantal artikelen over zijn schrijverschap die niet in het boek staan. Daarin is wel een viertal portretten opgenomen.

Jammer is het te lezen dat Marugg de aandacht voor zijn werk in Nederland ziet als een soort positieve discriminatie:
“Ze zullen daar denken: Toch al heel wat, dat iemand op Curaçao een pen kan vasthouden!” De auteur die in twee talen van het Koninkrijk schreef, heeft niet veel getypt, maar zich met drie romans wel een volwaardige plaats in de Nederlandse literatuur verworven en heeft die met zijn taal, stijl en visies enorm uitgebreid. Een schrijver om niet te vergeten.

* Pseudoniem van Jo van Amers-Küller. De schrijfster ontdook met dit pseudoniem een publictieverbod vanwege verwijtbaar handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit was tijdens het schrijven van de bespreking nog niet bekend.

***

Bron
De reden dat ik De Hemel is van korte duur aanschafte was dat Boelie van Leeuwen de verzen van zijn vriend Tip prees in Schilden van Leem (geheel aan Marugg opgedragen). Dit maakte me nieuwsgierig. In de bibliotheek kon ik de gedichten niet vinden en ook online is er maar weinig van zijn poëzie aanwezig of te koop.

In
Dagblad Amigoe di Curaçao van 29 december 1945 staat een artikel over de laatste uitgave van literair tijdschrift De Stoep. Van Marugg staat daarin (p. 44) het gedicht Bezoek. Dat is “een vreemd gedicht, dat qua taal wel sterk is,” schrijft de krant. Vierenveertig jaar na verschijnen wordt het genoemd in een artikel in Amigoe over het afscheid van professor in de literatuur wetenschap J.J. Oversteegen. Hij struikelde over de gezellige titel boven het toch dramatisch gedicht.

Het lot, de donkere nacht, eenzaam en allenig, de dood, een vleug magie, en vermoedelijk een slok bij het schrijven van de eerste versie. Het is al herkenbaar Marugg in zijn eerste gepubliceerde gedicht. Alle verzamelde gedichten samen laten zien dat de schrijver graag spotte, met zichzelf, en met de wereld om hem heen. Hij tastte naar de meestal voor hem niet bestaande God, het wezen van het eiland, leefde met een zoon die er nooit was geweest, vond geborgenheid in schoot, armen en het donker van de nacht en houvast in het schrijven.

“In het donker kun je beter in jezelf kijken. Maar ik geef ook de voorkeur aan de nacht omdat licht dingen blootlegt die ik liever verborgen houd, ook voor mezelf. In het licht zie je jezelf scherp, zie je dingen die ik niet wil weten. Ik geef toe, het is vluchtgedrag, ik ontvlucht mensen en dingen. Het is een laffe daad, er is niets heldhaftigs aan,” stelt de mysterieuze schrijver van Curaçao, die de Nederlandse literatuur verrijkt met exotische romans van een ongewone kwaliteit en existentialistische gedichten.

In het artikel over Norman de Palm (zie boven) schrijft Marugg:
“gedichten zijn een reikhalsing en betasting, geen karategreep of militaire omsingeling.” Een lezer die op de laatste bladzijde van een boek “het mysterie geliquideerd willen zien, moet een detectiveroman lezen.” Reikhalzen en betasten, je leest ze in Marugg's gedichten terug. Ze onderzoeken een dunne streng naar het leven, soms is dat rijk, soms is dat broodmager, zoals Marugg zelf. “Schraal van lijf als een torero,” schrijft Van Leeuwen over de heremiet van landgoed Pannekoek.

De gedichten nodigen uit om delen ervan te citeren en te voorzien van betekenis, zoals in een bijzonder prettig leesbaar
artikel over de heruitgave van zijn bundel Afschuw van licht in 1976. Het lijkt de meest aangewezen manier om een gedichtenbundel of -verzameling te bespreken. Toch vind ik het moeilijk. Marugg schrijft niet alleen wat er staat, maar er ligt ook een onuitgesproken wereld achter de gedichten, die meer is dan hijzelf. Misschien klopt het wel wat een journalist over hem schreef: hij is het eiland. Een deel van het eiland althans. Die sfeer krijg je mee als je de gedichten leest. Niettemin toch een paar voorbeelden.

Over zijn afkeer van mensen en vooral de nietszeggende gesprekken:

Een deel van mijn leven dan
is geheel naar wens verlopen
Ik heb Jan en Alleman
weten te ontlopen.

(1981)

Een gedicht uit hetzelfde jaar beschrijft een lege ruimte in het bestaan van de witte man op het zwarte eiland, het kind gedood voordat het volwassen werd. Lees
Weekendpilgrimage er maar op na. Het is de ruimte die hij door het schrijven lijkt te willen opvullen.

I
n de steek gelaten
gefouilleerd tot op de huid

schreeuwt hij eenmaal luid
en is daarna voor immer afgesloten.

Manhaftig maakt hij zijn lippen
zingenottelijk rood
maar sterft een schrale dood
zonder beurt te krijgen.

Als kind slaapt hij in
droomt hij van kleurkrijt en kralen
maar zal de morgen halen
met leeglopen handen.

Er is een lege plaats
van wie nooit hier is geweest.

(1981)

Een gedicht vol eenzaamheid geschreven door de man voor wie kleur een belangrijke rol speelt.

Het artikel, waarin de gezellige titel van het eerste gedicht Bezoek onder de loep ligt, vervolgt met de vertaling ervan in het Papiamento voor een Curaçaos gehoor. Voor hen was de betekenis meteen duidelijk.
Bishita betekent niet alleen bezoek, maar ook naderend onheil. Die rijkdom gaat voorbij aan de Nederlander die deze taal niet kent. Dat maakt bescheiden, maar zonder terughoudendheid zou ik wensen dat iedere schrijver beloond zou worden met zo'n mooi verzameld werk.

Volgende tekst onder foto.


Laatst gelezen boek boven.

De verhalen in Annie Proulx's Bad Dirt; Wyoming stories 2 spelen allemaal op het platteland. Wyoming is de dunst bevolkte staat van de VS; er wonen ruim een half miljoen mensen, minder dan in Amsterdam, en het is zes maal groter dan Nederland. Het klimaat is er extreem.

Bij het eerste verhaal gaan we mee met een wildwacht, Creel Zmundzinski, die een gruwelijke hekel heeft aan mensen die zonder vergunning of mededogen dieren jagen; zeker als ze jonge elandkalfjes verweesd achterlaten. Hij was immers zelf een wees. Creel werd tot het werk verleid door Orion Horncrackle, de directeur van het Wild en Vis Departement, die de jongens uit het weeshuis iets bij wilde brengen over de natuur: de directeur van het tehuis leek het onbegonnen werk, maar die zat er naast. Orion weet de jongens wél te inspireren. Wildwacht Creel krijgt bij het compromisloze bestrijden van arrogante jagers en de stropers hulp van buiten. Dat is in een notendop het boek: sociaal bewogen, oog voor mens en natuur en soms een vleugje magie naast (keihard) realisme.

Geschiedenis

The Indian Wars Refought tekent de geschiedenis van een klein stadje. Het verhaal wordt samengebald tussen de bouw en het verdwijnen van een opvallend gebouw waar een advocaten dynastie zich ontwikkelt met een praktijk gericht op de spraakmakende gemeenschap, politici en oliebaronnen, maar ook de immer bankroete Buffalo Bil. Via filmblikken, trouwen en hertrouwen, komen we terecht bij indianenreservaten, een restant van de geschiedenis die onder die van de Verenigde Staten ligt, en de brute onderdrukking van de inheemse bevolking.

Doorsijpelen

Het tricle-down effect gaat over een aan lager wal geraakte man, die drinkt, rookt en zijn leven ineenweeft met korte baantjes bedoeld om zijn barschulden af te betalen. Hij heeft alleen nog een vrachtwagen met oplegger. Die zet hij in om hooi te halen voor een paardenfokster (van Red Cheerios, een paardenras met witte ringen om de ogen, maar wat ik niet kan vinden) die daar nog maar nauwelijks aan kan komen vanwege de droogte. Het is een verhaal van domheid en misére. Van het doorsijpelen van welvaart is alleen letterlijk sprake, aan de toog van een bar.

Natie

Wat voor meubels zou Jezus kiezen is een lang verhaal over een boer die tegen de klippen op – en tussen hippe nieuwe omwonenden – zijn bedrijf overeind houdt. Het land wordt geteisterd door droogte. Hij heeft teveel werk en te weinig geld. En hij wordt bovendien verlaten door innemende vrouw en zoons. Het water en de grond raken vergiftigd door schaliegaswinning (het komt in meerdere verhalen terug). Toch is de liefde voor de boerderij de sterkste emotie die hem ooit trof. Vietnam is een goede tweede. Hij verbaast zich wat dit met mensen deed. Tegen een teruggekeerde vriend zegt hij je bent niet oud, je bent net zo oud als ik. Het antwoord yeah valt als een steen en tekent met die vier letters een heel ellendig verhaal. 

Uiteindelijk blijkt dat zijn noestige arbeid geen plaats heeft in het collectieve bewustzijn van het land. Dan breekt er iets. Zo wordt het verhaal groter dan de boerderij, groter dan de federatie en gaat het opeens via een prachtig filmisch beeld over hoe een natie wordt vormgegeven. In dat bewustzijn ontbreekt ook Vietnam. Primitieve indianen en kranige cowboys zijn er wel.

Import

Hippe omwonende zijn er ook. Vanuit de drukte van New York verhuizen ze naar een kleine beeldschone plek in Wyoming. De staat is ook aantrekkelijk, omdat er weinig belasting op bezit en zelfs niet op inkomen wordt geheven. De huizen zijn er wel duur. Het leven is ruig, zelfs gewelddadig en beangstigend voor stadse mensen. Er wordt een hele tris aan ongeciviliseerde gewoonten opgesomd waar de import van de Oostkust zich aan stoort. Anderzijds wordt het paar door de dorpsbewoners niet geaccepteerd. De vrouw uit Man crawling Out of Trees gaat ook in de leegte nog steeds volledig op in badkamerontwerp. De man ontwikkelt een sentimentele verhouding met de natuur, die hij zelf in de weg zit.

Voedertafels voor de vogels worden door de beren gesloopt. Ongerept is het ook al niet; een pompbediende wijst naar de winning van gas als reden voor vervuiling en vergelijkt het inspuiten van vloeistof en het winnen van de fossiele brandstof als het gebruik van een prostitué door industriële ontwikkelaars. Elders in Bad Dirt heeft een bewoner het aan de stok met een grootgrondbezitter.

Kleurplaat

De verhalen zijn ontstaan in een staat. Ze maken me nieuwsgierig en ik reis wat rond in Google Maps en reis over slechte wegen in een land dat voor de helft eindeloos vlak-glooiend is en half bergachtig, met Yellow Stone Park als een van de attracties. Onderweg zie ik de caravans als woning, ze zijn omzaaid met troep en veel oude vrachtwagens, zoals Proulx ook beschrijft.

De bars van het kleinen fictieve Elk Tooth (80 inwoners) spelen een rol in meerdere verhalen. Ook personages als Creel komen we in een latere verhalen weer tegen. In een staat met zo weinig inwonenden moet dat ook bijna wel. Een verhaal over een man die wanhopig zoekt naar werk en daarbij een stuk verderop twee vroegere klasgenoten tegenkomt, met inmiddels vier kinderen, is het zwartst gekleurd. Zelfs in een fabel over dassen speelt een knijperige boer een grote rol. Er is een toverketel voor nodig om het goed te hebben.

Verhaal voor verhaal tekent zich een beeld af. Het is alsof de kleurplaat van de staat langzamerhand van gedetailleerder lijnen wordt voorzien en de vlakken worden ingekleurd. De elf verhalen samen geven een weinig rooskleurig beeld van Wyoming, maar laten daarmee ook de Verenigde Staten zien waar een grote groep mensen maar nauwelijks kan leven.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.

woensdag 28 februari 2018

Boeken in februari

Verder waar ik vorige maand bleef met Kleine Herinneringen van José Saramago. Terug naar het stukje Portugal waar ik wel eens fietste. In het boek de terugblik van een tachtigjarige schrijver op een leven onder het dictatoriale Portugal van de generaals en Salazar en het verdwijnen van de olijfbomen – schuilplaats voor hagedissen – uit zijn jeugd.

Saramago werd als jongetje het vriendje van een rijke onhandelbare jongen die bij de door de jonge José opgevoerde capriolen vrolijk werd, maar hij mocht als fratsenmaker vertrekken nadat hij het Lyceum had ingeruild voor een opleiding tot bankwerker.

Oorspronkelijk had Saramago het boek willen noemen naar het schilderij Verzoeking van Jeroen Bosch (je weet wel met die vliegende vis) en “zichtbare en de onzichtbare, de monsters en de verhevenheden van de geest, de wellust en de nachtmerries, alle verborgen verlangens en alle geuite zonden” moesten er een plaats in krijgen. De schrijver besefte dat dit boven zijn krachten ging.

Het boek We kill because we can; from soldiering to assassination in the drone age van de Amerikaanse filosofe Laurie Calhoun (recensie ook op Ravage Webzine) is te dik door de vele herhalingen van onder andere de centrale boodschap. Haar motto is dat tirannieke middelen, zoals het gericht vermoorden van verdachten zonder procesgang, niet de vrijheid, democratie en vrede bevordert, maar deze juist ondermijnt (p. 285).

Wel goed om dit in je hoofd te houden in een tijd dat er alleen al binnen de Amerikaanse overheid verschillende moordlijsten circuleren. De schrijfster vliegt helaas wel eens uit de bocht bij het overbrengen van die boodschap. Dat kan zijn vanwege radicale overdrijvingen (zoals vergelijkingen met het nazisme) of onwetendheid (bijvoorbeeld over Europees terrorisme na 1945).

Doelselectie proces

In de Nederlandse uitgave van Militaire Spectator las ik een helder
artikel over het 'doelselectie proces' (zo heet het daar) vanuit oorlogsrechtelijk standpunt. Het maakt duidelijk wie binnen een situatie van een gewapend conflict tot doelwit mag worden verkozen en welk debat er woedt om de definitie van directe deelname aan vijandelijkheden te verbreden (p. 29-30). Dat is het criterium om burgers te mogen doden.

Echter, Calhoun bestrijdt dat de oorlog tegen het terrorisme (altijd en overal) kan worden gezien als oorlog en pleit voor de inzet van arrestatie en het voor een rechter brengen van verdachten. Ze geeft voorbeelden aan van gevallen waar dit mogelijk was maar toch bewust voor moord werd gekozen. Ze betwijfelt ook de kwaliteit van operationele inlichtingen op grond waarvan iemand doelwit kan worden. (Overigens in diezelfde Militaire Spectator tevens aandacht voor een aspect van biometrische inlichtingen.)

De ondertitel van het boek, from solidering to assassination in the drone age, draagt de boodschap die mij nog het meest dwarszit. Niet alle, maar een deel van de militaire inzet wordt vervangen door drones. Aan de andere kant gaan de oorlogsvoorbereidingen ook door.

Calhoun heeft maar weinig oog voor de context (ook niet voor de vele soorten drones die niet dodelijk zijn, maar daarmee niet onbelangrijk). Het zou een andere boodschap van haar boek ondergraven: moed is geen noodzakelijke kwaliteit voor militairen die nooit bloed zullen zien. Daardoor, en door het vergroten van de afstand, zal er minder terughoudendheid zijn om naar dit geweldsmiddel te grijpen.

Het militaire kwaad

Daar zit veel waarheid in, maar ze benoemt zelf ook de duizenden gedode Amerikaanse militairen in Irak en Afghanistan en de geestelijk en lichamelijk gewonden. Die zijn als soldaat ingezet met geweer en voertuig. Het boek leidt aan een euvel dat veel voor komt bij gerichtheid op een specifiek wapentype, zoals clusterwapens, drones etc. Het weekt die wapens los van het militaire systeem. Zo komt de ellende die ze aanrichten beter uit de verf en een politieke deeloplossing misschien dichterbij.

Maar niet die wapens zijn het militaire kwaad, ze maken er onderdeel van uit. De bommen die Arabische regimes vanuit Amerikaanse en Europese vliegtuigen op Jemen gooien, doden ook anoniem, zonder proces, zonder dat men zich kan overgeven. Uiteindelijk gaat het om wat er achter het militaire denken zit: wie wil wat controleren en tegen welke prijs?

In die voortzetting van de politiek met andere middelen spelen ook 'gewone' vliegdekschepen, bommenwerpers en tanks een rol. Niettemin is het pleidooi van Calhoun – maak een einde aan het wanstaltige buitenrechtelijke moorden met drones – een noodzakelijke, want het zal zich uiteindelijk tegen ons zelf keren. (Ik schreef eerder een recensie over het boek Kill Chain.)

De derde toestand van Amos Oz gaat over een smoezelige man, Efraïm of Fima. Hij maakt zich drukker om woorden dan om de realiteit. Hij leeft op de zak van zijn vader die rijk is geworden door het opzetten en bestieren van een cosmeticafabriek. Beide omringen zich met vrouwen. De vader als rokkenjager. De zoon vraagt zich af waarom ze op hem afkomen.

Altijd en overal is het Israëlisch Palestijnse conflict aanwezig. Fima zegt dat het opgelost moet worden in het belang van – ja ook hier weer – Israël en de Israëlisch zelf.

Soms lijkt het boek over mij te gaan: leeftijd klopt; het slonzige; veel woorden, te weinig wol; en een ogenschijnlijk doelloos bestaan. Maar ik heb uit medeleven zelfs geen kakkerlak begraven in een bloempot. Ook klets ik niet tot gekheid toe een werkelijkheid om me heen die niet bestaat. Bovendien is er geen vangnet naar een rijk en ordelijk leven. De drang naar geborgenheid en volop wakker willen zijn, is wel herkenbaar.

Het is pas mijn tweede Oz, maar ik zie veel wat ook voorkomt in De droom van de verrader. Ook dit speelt in de bovenste lagen van de samenleving, inclusief Ben Goerion (ditmaal als malle buurtbewoner), vreemde man-vrouw verhouding, wandelstok met zilveren knop etc. Beide zijn boeken die nog in je zitten als je ze spijtig genoeg al uit hebt.


China en Amerika, botsende supermachten

Om een oorlog te vermijden dient er meer door de VS en China te worden samengewerkt, gebruik te worden gemaakt van gezond verstand en welbegrepen eigenbelang te worden onderkend.

(recensie op Ravage-Webzine)

Botsendesupermachten; China en Amerika op ramkoers? (Nieuw Amsterdam, 2017) van Jan van der Putten is zo'n boek dat al in het hoofd van de schrijver moet hebben gezeten en eruit komt op het moment dat het echt nodig is. Ervoor waarschuwen dat supermachten mogelijkerwijs met elkaar op de vuist gaan als de één – ook letterlijk – steeds vaker in het vaarwater van de ander gaat zitten. Stoere mannentaal is niet gewenst, maar 'de Verenigde Staten schijnt conflicten nodig te hebben na de Koude Oorlog', schrijft Van der Putten.

De Chinese president Xi houdt er ook al een stalen imago op na. In een helder kernachtig betoog gaat de schrijver te rade bij Thucydides. Deze Griekse legeraanvoerder en geschiedschrijver van de Peloponnesische Oorlog van ruim 400 v.Chr. schreef als eerste over de volgens hem onvermijdelijke valstrik voor een botsende opkomende en zittende grootmacht om zich te verliezen in oorlog. Xi stelde dat deze strik alleen gespannen wordt 'als grote landen keer op keer strategische misrekeningen maken.' (p.23)

Superieur Amerika

Soms maakt Van der Putten zich overduidelijk boos. Zo schrijft hij dat de Amerikanen zo heilig in hun eigen uitzonderlijkheid geloven dat ze zich niet voor kunnen stellen dat anderen niet neervallen in aanbidding voor hun superieure waarden en beschaving. (p.81) Fan van Trump is de schrijver allerminst. Hij veronderstelt wel dat het mogelijk is dat de Amerikaanse president een rol speelt, waarna andere kunnen binnen harken waar het daadwerkelijk om draait, zoals 'grotere defensiebijdragen van de bondgenoten.' (p.83)

Van der Putten's oplossing om de valstrik naar oorlog te vermijden, laat zich samenvatten in meer samenwerking, gebruikmaking van gezond verstand en het onderkennen van het welbegrepen eigenbelang. Deze cocktail van antibiotica werkt binnen internationale relaties prima tegen vrijwel alle ontstekingen, maar de patiënten moeten de kuur wél willen slikken.

Jammer dat het boek geen voetnoten bevat. Alleen Chinese publicaties worden wel eens genoemd om aan te geven dat de schrijver gebruik heeft gemaakt van Chinese staatspropaganda. De lezer wil wel degelijk weten waar een gegeven vandaan komt. Helaas bevat het boek op militair vlak fouten en leemtes. Japan geeft bijvoorbeeld niet meer uit aan defensie, het is zoals altijd 1 procent van het bruto binnenlands product (en ja, dat stijgt).

Japan heeft ook al decennialang een groot leger (ook al worden de legeronderdelen daar 'zelfverdedigingsmachten' genoemd). En het herkauwen van het THAAD (Terminal High Altitude Area Defense) en raketschildverhaal heeft weinig zin als je er niet wat dieper op in gaat. Nieuw is het raketschild in de regio allerminst. Al in 2001 werkte ik mee aan het boek Melting the Iceberg waar het raketschild voor Oost-Azië een van de onderwerpen van is.

Hiaten

Waarom wordt in een boek bestemd voor de Nederlandse markt in het hoofdstuk over de conflicten in de Zuid-Chinese Zee niet genoemd dat de militaire scheepsbouw voor Vietnam voor een groot deel in Nederlandse handen is? (Damen Shipyards) Aangezien de economische groei van China het hoofdbestanddeel is van het boek dien je toch ook te vermelden dat bedrijven in de haven van Rotterdam steeds vaker met het Chinese bedrijfsleven te maken krijgt waardoor de invloed van China op de haven toeneemt en Chinese logistieke reus Hutchison Port Holdings delen van de haven in handen heeft. Een kwart van alle containeroverslag in Rotterdam komt uit China of is bestemd voor het Aziatische land.

Wat me vooral opvalt is dat er slechts acht boeken in de geraadpleegde literatuurlijst van 79 boeken worden vermeld die geschreven zijn door auteurs met een Chinese personalia, waaronder Sun Tzu met zijn Art of War, terwijl slechts twee van die auteurs in China werkzaam zijn, een in Singapore en vier in de VS. Dat moet toch ook anders kunnen, zeker in een boek van een auteur die op knappe wijze probeert evenwichtig over beide supermachten te schrijven.
Op de dag dat ik het boek uitlas kwam ik het artikel The China Reckoning van Kurt M. Campbell en Ely Ratner (Foreign Affairs, mrt/apr 2018)* op internet tegen. Hierin bepleiten de schrijvers een bescheidener aanpak vanuit Washington. De VS moet China niet willen veranderen, dat werkt niet. Er moet een meer realistische politieke benadering ontwikkeld worden. Desondanks las ik een VS-centrisch artikel voordat men tot die conclusie komt.

* Er wordt in dit artikel een Chinese deskundige geciteerd, Jisi Wang. Hij zegt: “It is strongly believed in China that . . . Washington will attempt to prevent the emerging powers, in particular China, from achieving their goals and enhancing their stature.”)

Vijf verhalen van Luigi Pirandello in Het naakte leven, een boekje van de HEMA uit 1987. De verhalen zijn uit het Italiaans vertaald door Antohonie Kee. Pirandello had in de jaren tachtig naam gemaakt door de film Kaos. Hierin werden vijf van zijn novellen verhaald. Eén ervan, De Kruik**, zag ik ooit als toneelstuk op het dan nog echt ongepolijste Westergasterrein.

Pirandello vertelde taferelen uit het dagelijks leven met een vreemde twist. Dit wordt doorgaans met oog voor detail, fijnzinnigheid en humor gebracht. In dit boekje zie je dat onder meer in Tante Michelina, een tweede moeder die begeerd wordt door de zoon van haar man zijn eerste vrouw; bij Mijnheer Aardbeving die uitlegt hoe zijn heldenstatus na reddingsacties zijn leven verknalde; en Met andere ogen gaat over een vrouw verstrikt is in een liefdeloos leven en dat pas door heeft als ze een foto vindt van de eerste vrouw van haar man.

Korte verhalen vertellen is hier tot kunst verheven. Niet voor niets won Pirandello de Nobelprijs voor literatuur.

(** Over feodalisme en een man die bij het herstellen van een enorme olijvenkruik aan de binnenkant vast komt te zitten.)

Over de gekte van een vrouw van Astrid Roemer kreeg ik van een vriendin voor mijn 25e verjaardag. Onlangs heb ik de boeken op alfabet in de kast gezet en kwam ik het weer tegen. De Rainbow Pocket zag er gelezen uit, maar er gaan geen lampjes branden en het is toch geen boek dat gemakkelijk van je afglijdt. Een kado dat ik niet op waarde schatte? Mogelijk.

Liefde, moederband, tropensymboliek, drank, magie, geweld en seksualiteit en relaties in alle vormen en tussen verschillende geslachten van verschillende kleur en geloof, trekken met elkaar op. De dokter, dominee en schoolinspecteur zijn machtswellustelingen. Een verkrachting van twee lesbiennes op een een strand van Curaçao gaat terloops voorbij op een litteken op de rug van de verkrachter na.

De gekte van de vrouw is de gekte van de samenleving. Deze zin pikte ik eruit: “Nooit zal ik vergeten hoe een stad kan staren, wanneer iemand ontsnapt aan haar bekrompenheid.”

Zo'n boodschap houd ik mezelf ook wel eens voor: “De wereld staat in brand en jij bent alleen met jezelf bezig.”(69) Ik pik hem hier van In het buitengebied van Adriaan van Dis. Van Dis is zo'n man om van te houden. Die in al zijn pedanterie niet pedant is, maar iemand die de spot met zichzelf weet te drijven en betrokken bij de wereld en mensen om zich heen. Ook in dit boek.

Maar het was de tijd die me dwong: de wereldoorlog in de kranten dwong me kleiner te gaan denken. Aan de vluchtelingenstroom kon ik niets doen en met de patriotten aan de macht was mijn schrijven fluisteren geworden. Maar ik kon wel één kind met een tafel gelukkig maken.”(56) En ook dat haalde niets uit.

Een beetje pedanterie zit er wel in, zeker als de hoofdpersoon beschrijft de rivier in te willen lopen met een jas vol stenen.(21) Dat is wat Virgina Woolf deed. Ach er zijn mindere exemplaren om je aan te spiegelen. En je hoeft niet met alles origineel te zijn. Zelfmoord komt voor de liefhebbers in dit boek ook in andere vormen voor. De Binnenstem fluistert de hoofdpersoon in wanneer het zou kunnen. Het gebeurd niet. De neiging wordt bezworen. Een jeugdvriendin maakt er wel een einde aan. Keurig georganiseerd. Het is desondanks best een grappig boek over het menselijk onvermogen.

Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken. Dat valt deze maand samen met ...

... iedere woensdagmiddag fiets ik naar het strand, neem een duik en fiets weer terug. Op Facebook plaats ik later vrijwel altijd een aantal foto's. Eén of meer daarvan plaats ik hier. Maar ook vandaag haalde ik het strand niet.