Posts tonen met het label António Lobo Antunes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label António Lobo Antunes. Alle posts tonen

zaterdag 28 augustus 2021

Boeken in augustus


 Laatst gelezen boek boven.

De bomen van A. Alberts veroorzaakte in 1953 een polemiek in literair Nederland. Het verhaal was volgens gezaghebbende critici te mager van taal en inhoud. In de Volkskrant werd het dan weer een klein meesterwerk genoemd. Twee maanden later komt de krant zelfs met een artikel over de polemiek waarin een lans voor het boek wordt gebroken. De Indonesische krant de Nieuwsgier* tekent op dat Alberts het rationele imaginair maakt en andersom. Over het algemeen zijn de recensenten enthousiast over de niet opgesmukte schrijfstijl op een paar voorname critici na.

Het verhaal gaat over Aart, een zevenjarig jongetje dat met moeder en zusje in een groot koud huis buiten komt te wonen. Al spoedig intrigeren de bomen hem, hij is niet bang om er tussen te verdwijnen, zoals zijn zusje van hem verwacht. Wel vermoedt hij dat het de woonplaats van de reuzen is en misschien zijn de bomen zelf wel reuzen. Hij ontwikkelt een bijna mystieke relatie met de bomen van het nabij gelegen bos.

Niemand krijgt echt vat op die relatie; Aart zelf niet, een onderwijzer die zijn speciale relatie tot de bomen ziet niet en Alberts zelf niet. Misschien komt zijn zwager er het dichtste bij. Hij leert Aart kennen als hij 17 is en vindt hem zonder daarbij verwaand te zijn een grandseigneur. Hij zegt dat het lijkt alsof Aart aan het hoofd staat van een troep volgelingen. Hij vindt hem zelfverzekerd en hoewel stil, toch niet gesloten. In zijn zeer korte studententijd laat Aart zien voor de duvel – in de vorm van een woeste dronken eeuwige student – niet bang te zijn. Zijn plaats is echter niet waar men om de nieuwe studenten te ontgroenen ze, de feuten, behandelt als minderwaardige beesten. Het neerbuigende heeft geen vat op hem, maar hij vertrekt wel. Zijn plaats is tussen de bomen en op de boerderij van zijn moeder.

Het is aan de lezer om zich af te vragen wat de bomen betekenen en of ze meer behelzen dan levend hout dat onder zijn bast water naar de bladeren voert. Of dat ze een metafoor zijn voor de verknochtheid aan wat in de jeugd de fantasie opriep, de leefomgeving maakte, een oorsprong waar je niet van los komt. Aart keert uit de stad terug. Zoals zovelen die de stad de rug toe keren als ze wat ouder worden en terug gaan naar waar ze vandaan komen. Alleen doet hij het al als student.

Of misschien zijn het toch gewoon De bomen. Ze zijn immers machtig in hun grootsheid, zijn soms ouder dan alle mensen die leven, ze hebben hun plaats in het landschap, buigen alsof ze knikken, ritselen alsof ze praten, maken mompelende geluiden en ze bewegen mee met jouw beweging, maar blijven toch achter in het bos. Niet vreemd om daar op een geheel eigen manier aan verknocht te raken. Maar juist dit niet weten is de kracht van het boek. Zoals ook de halve zinnetjes die heel veel betekenis hebben, er een klein meesterwerk maken.

Noot:
* De Nieuwsgier was een Nederlandstalig ochtendblad dat in Batavia/Jakarta uitgegeven werd. J.H. Ritman (die voor de oorlog het invloedrijke Bataviaasch Nieuwsblad uitgaf en tijdens de Japanse bezetting werd ingeschakeld bij de Japanse voorlichting) was de mede oprichter en vanaf 1947 hoofdredacteur. De krant verscheen van 1945 tot 1957, als opvolger van de krant van het Tanah Abang-kamp, Tanah Abang Bode. De Nieuwsgier hield in 1956 op te bestaan als een Nederlands orgaan. In januari 1957 kwam de krant onder een Indonesische redactie te staan en zou op 28 januari een adres aan de Staten-Generaal publiceren van Nederlandse gasthoogleraar constitutioneel recht aan de Universitas Indonesia in Jakarta Pieter Drost (die daarbij samenwerkte met journalist Willem Oltmans die zelf al eerder een stuk over de kwestie publiceerde in de Indonesian Observer) omtrent de overdracht van Nieuw-Guinea, het huidige West Papua/Irian Jaya, aan Indonesië. In oktober van 1957 vertrok Ritman met zijn vrouw naar Nederland, zoals vrijwel de gehele Nederlandse gemeenschap. De naam van de krant intrigeerde me en de zoektocht leverde een weinig verhelderende en fouten staande wiki op. Met veel gezoek werd een zijstraat een forse noot.

Volgende bespreking onder foto.



De andere KANT van de ZEE door António Lobo Antunes is een uitermate donker boek. Er is sprake van angst, moord op individuele en grote schaal, inzet van napalm, verkrachting, kindermisbruik, semi-slavernij, vrouwen haat, racisme, een gestorven kind, dierenleed, stand rechterlijke executies, en verwrongen geesten. Het is een boek die de Portugese aanwezigheid in Angola niet mooier maakt dan hij was. De schrijver was er zelf als militair arts en zou later psychiater worden. Ook dat draagt bij aan zijn schrijverschap.

Het boek vertelt de levens van drie personen en hun omgeving. Hoofdstuk 1, 4, 7, 10 etc. gaan over de plantage dochter en haar kindermeisje Domingas. De hoofdstukken 2, 5 etc. over de gewestbeheerder van Marimba en zijn voor een paar dekens gekochte albino vrouw, waarmee hij in een cafeetje aan het vrijwel uitgestorven strand van Namibe terecht komt. Drie, 6, 9 tot 21 gaan over een kolonel die het doet met de vrouw van de generaal tot hij aan de kant geschoven wordt en ingeruild voor de Kapitein en zijn vrouw waarmee hij nog nauwelijks contact heeft. Elk wordt in zeven hoofdstukken van steeds nieuwe kleine laagjes voorzien, want “je vergeet toch eigenlijk nooit iets.” De oude verf blijft zitten, de nieuwe gaat er overheen, door de gaten die erin vallen komt het kinderleven toch weer boven. De een komt weer terecht in Portugal en wil ondanks alles terug, de ander smacht in Afrika naar het moederland.

Dieren trekken door het verhaal als bedreigende wezens. De snerpende vleermuizen uit de mangobomen op het erf, de hyena's die door de vlakten zwerven en slepen met lijken, de mandrils met hun verwrongen lijven, de krabben die dreigend steeds weer het strand opkruipen, krekels die het verleden oproepen en zelfs de aap die aan een paal is vastgelegd heeft iets engs als hij bruut gedood wordt. Voor wie nog niet heeft begrepen dat kolonialisme meer kapot maakte dan je lief was ook voor hen die hen die de bezetting en het plunderen moeten uitvoeren, die kan lezen hoe de opstand tegen de katoenplantage eigenaren onder leiding van de kolonel wordt neergeslagen op een manier die alleen mogelijk was, omdat de zwarte bevolking niet als volwaardige mensen werden gezien.

De ambtenaar heeft nauwelijks contact met zijn gekochte vrouw. Men oordeelt dat hij om te leven zoals hij leeft met haar, aan de rand, zelf neger is geworden. Soms heel even is er een voorzichtige aanraking, maar meestal kijken haar ogen weg, toch ook één keer ineens het woord 'Liefste.' De plantage dochter houdt zich tot het einde aan Domingas vast. De buren in Portugal zeggen: “Ik had niet gedacht dat ze zo dol was op dat zwartje.” De vrouw van de kolonel krijgt een innige liefdesrelatie met de vrouw van de generaal. In de opgebouwde narigheid is buiten de geijkte structuren licht te vinden. Zelfs de militair vindt in de dood geborgenheid bij zijn familie.

Het boek beschrijft met name de periode in 1961, het neerslaan van de opstand geleid door de 'profeet' António Mariano die zijn volgelingen wijsmaakte dat Portugezen maar met water schoten dat niet zou doden. Het was de vooravond van de Anjerrevolutie in 1974. De ambtenaren en militairen die het regime van Salazar hadden moeten verdedigen waren in de oorlog om de koloniën uitgewoond en afgemat. Het zou in Portugal, aan de andere zijde van de zee tot een verbetering leiden het verdrijven van een potentaat. Het is niet alleen een prachtig geschreven boek – met zeer weinig punten en eigenzinnige taalkundige constructie, die de werkelijkheid knap benaderd – maar ook een boek over recente Europese geschiedenis. Geen geschiedenis die trots maakt, maar hier wel mooi en indringend is verteld.

Volgende bespreking onder foto.

Duif op dak in Lissabon.





 
Uit Lente van Ali Smith kan je veel teksten als de volgende halen: “Zaken kunnen veranderen na verloop van tijd, wat onbeweegbaar lijkt, is vastgepind, of besloten in het leven kan veranderen en openen, en wat ondenkbaar is en onmogelijk op het ene moment is eenvoudigweg op een ander tijdstip.”

Vroeger als ik naar het Station fietste stond op een muurtje waar je recht op afreed een slogan gekalkt: 'Een nieuwe lente een nieuw geluid.' Dat is waar dit boek over gaat. Dat is de lente. De zaak kan dood lijken, maar de kale takken dragen al leven in zich. Je moet dat leven wel durven benoemen en dan zijn er kansen.

In dit derde deel van de serie minder kunst – hoewel Charly Chaplin uitgebreid wordt neergezet als vluchteling (McCarthy dook al eerder op deze maand, in Bittere tijden) en uitgerust met de humor die partijen bij elkaar brengt –, maar wel enorme kwaadheid ten opzichte van het hemeltergende vluchtelingenbeleid opgesloten in gebouwen ingericht als gevangenissen, maar die toch niet zo worden genoemd. Gebouwen waar mensen worden ontmenselijkt en waar je neerbuigend over mag doen. Doe je mond open met de kracht van een kind lijkt Smith te stellen.

De schrijfster maakt zich ook boos over de vriendelijke diensten die ons onbaatzuchtig verder helpen in het leven, maar wel onze gegevens omzetten in data die handig inzetbaar zijn om gericht te verkopen of dit nu producten zijn of politici die de op maat gemaakte persoonsgerichte marketing goed kunnen gebruiken. De bibliothecaresse woont in een bus, een illustratie van het gegeven dat het voor steeds meer mensen in de neoliberale samenleving een droom is om een dak boven het hoofd te hebben.

Smith neemt ook boekenlezers de maat als ze stelt dat die lezen omdat je houdt van literatuur, om de tijd te doden, de boeken die verhalen vertellen die je laten voelen dat je gevoel hebt, die je enorm bewegen, meer nog die maken dat iets belangrijks hebt begrepen over de politiek, de tijd waarin je leeft. Wordt ik aangesproken? Wat wil ze dan?

Dat is duidelijk: spring op de trein, kom in beweging, schilder dat muurtje weer vol en ga in tegen een wereld die de werkelijkheid omzet in handelen en waar bekommernis een woord is dat de macht niet kent. Het is vooral een motiverend boek iets te ondernemen, niet als kip zonder kop, maar onderbouwd. Maar dan nog kan je zaak verraden worden door verongelijkte mensen die menen dat zij de dupe worden van hulp aan anderen. Rancune is blijkbaar een sterk gevoel.

Smith bindt heel wat katten de bel aan. Of de bestsellers van Smith zo ook gelezen worden? Geen idee. Dit was mijn laatste deel van de serie van vier romans die je ook los kan lezen (met het vierde Zomer ben ik begonnen). En passant krijg ik nog mee dat 'slogan' afstamt van de Keltisch woorden sluagh-ghairm die het onder de wapenen roepen betekenen. Aanvuren doet dit boek; niet tot oorlog maar om empathisch in het leven te staan, een leven waar alle mensen tellen.

Zie voor andere delen: 
Autumn, Winter, en Summer
Er zijn Nederlandse vertalingen.

Volgende bespreking onder foto.

Werk van Peter Gentenaar in de Bonifatiuskerk, Oldeberkoop


De Domela passie van Meindert Talma is een rijk geïllustreerd
boek en CD tegelijkertijd.
Us ferlosser zo werd Ferdinand Domela Nieuwenhuis genoemd. De dominee, communist en uiteindelijke anarchist kon met rust en overtuiging redevoeren alsof het preken waren. Van de messiaanse Domela zijn prachtige prenten opgenomen in het boekje. Dit passiestuk is uitgegeven een eeuw nadat Domela, de Heiland voor vele socialisten, op 18 november 1919 in Hilversum overleed.

Liederen met teksten als: De Vreze des heren is het begin van de wijsheid, en Wees altijd een mens van overtuiging, worden gevolgd door een lied over Jezus. In dit lied wordt ook beschreven hoe twee gestorven echtgenotes teveel waren voor de dominee (later zou ook nog een derde overlijden) om nog te blijven geloven en hij nam afscheid van de kerk, maar nooit van de sobere en belangeloze Jezus. Volgens de inleiding paste hij die Jezus van Nazareth aan naar zijn eigen beeld in zijn levensvervulling om de aarde tot hemel te maken.

illustratie uit boek


De muziek sleept als rinse appelstroop en de stem van Talma is genepen. Die stem sluit uitstekend aan op teksten als 'Ik deug niet voor gezelschap en conversatie,' maar je moet er wel even aan wennen. Het koor zingt wel met een vrolijke strijdbaarheid: 'Vrijheid voor allen, recht voor allen.' Dit om de nieuwe mens aan te zetten om afscheid te nemen van de bedompte sfeer van de kerk, een van de vijf k's waartegen gestreden moet worden. Die andere zijn koning, kazerne, kroeg en kapitaal.

Domela! Domela! galmt het koor keer op keer. CD en boekje zijn een prachtige en beknopte inleiding op het leven van die gebaarde man die begin vorige eeuw zovelen inspireerde. Hier en daar worden woorden gebruikt die niet rijmen van de taal van een voorganger van de arbeiders, zoals inherent, conversatie en vooroordelen. Die woorden zijn te eigentijds of taal voor de welgestelden.

Volgende bespreking onder foto.

Mario Vargas Llosa's Bittere tijden is een boek over Guatemala, United Fruit en de Amerikaanse invloed om het land naar de eigen hand te zetten. In het boek wordt van de geschiedenis een roman gebrouwen met een sterke boodschap. Hoe lees je een dergelijk boek over een geschiedenis, vooral een waarvan je weet dat ze gruwelijk was en nog decennia gevolgen voor de situatie van een heel land zou hebben? Eén ding is zeker de schrijver hoefde de werkelijkheid niet aan te dikken.

Bittere tijden begint na het verdrijven van de dictator Jorge Ubico in 1944. Twee presidenten, Juan José Arévalo en Jacobo Árbenz Guzmán proberen vervolgens democratie en een eerlijker verdeling van welvaart en grond op poten te zetten. Árbenz wil een kapitalisme met een sociaal gezicht invoeren naar voorbeeld van de Verenigde Staten. Al snel ontstaat er een sterke tegenbeweging. Hoe dit verloopt en nog belangrijker hoe het zo ver kwam is het verhaal van deze roman.

Beduimeld
In het Vooraf staat de belangrijkste opmerking van het boek: Public Relations zijn het belangrijkste politieke, sociale en economische wapen van de twintigste eeuw. Met een juiste campagne kan je hele samenlevingen naar je hand zetten en zeker als er dan nog een machtig apparaat van een supermacht, met een portie ideologie en nog meer meedogenloosheid zijn hele samenlevingen een speelbal. Neem aan de hand van Vargas Llosa een duik in een pijnlijk stuk Midden-Amerikaanse geschiedenis, bevolkt door indrukwekkende en wat beduimelde personen. Verfrissend is die sprong niet, het zijn niet voor niets bittere tijden, onderhoudend en leerzaam is het wel.

Venijn
Twee mannen bundelen hun krachten. Het zijn Sam Zemurray en Edward L. Barnays. Ze zijn respectievelijk oprichter – die de banaan niet had uitgevonden, maar er wel voor zorgde dat die exotische vrucht eind jaren veertig wel deel uitmaakt van het dieet van miljoenen mensen in de Verenigde Staten – en PR-man van United Fruit. Barnays zou met zijn theorieën de democratie in de praktijk ontkrachten. Na het hoofdstuk Vooraf horen we niet meer van hen, maar hun venijn doet zijn werk. Dat begon met de resultaten van een studie in Guatemala door Barnays. Hij stelt dat de Regering in Guatemala het communisme bestrijdt en dat het juist de buitensporige liefde voor de democratie is die een gevaar vormt voor United Fruit. “Dit mijne heren, is goed om te weten, niet om het hardop te zeggen.”

Diskrediet
De irreële angst voor het Guatemalteekse communisme komt aldus Barnays goed uit om de democratische regering van Guatemala in diskrediet te brengen. Arbeidsrechten, belasting betalen, en het toestaan van concurrentie, het zou United Fruit schaden en daarom zet het bedrijf een campagne op waarin gelijktijdig de Amerikaanse regering en de publieke opinie worden bewerkt. De PR machine van United Fruit blijkt in staat het pleit te winnen. De Regering van Árbenz wordt al snel, en vrij algemeen, gezien als satelliet van Moskou en moet dus met alle macht bestreden worden. Zelfs een rapport van de CIA uit Guatemala Stad (1952) waarin duidelijk staat dat Árbenz geen communist is en een land wil opbouwen volgens het model van the New Deal kan hier geen verandering in brengen.

In de verf
Vervolgens werd een heel land de vernieling ingewerkt. De Amerikaanse politiek zou tot een serie staatsgrepen en tot een burgeroorlog leiden die in 1960 begon en zou tot 1996 duren met 200.000 burger doden tot gevolg. De doden zijn aldus verschillende bronnen op wiki voor 93% toe te schrijven aan de door de Verenigde Staten gesteunde militairen. In Bittere daarvan de voorgeschiedenis.

Het verhaal is echter ingehouden. Enkele passages zijn gruwelijk, maar over het algemeen wordt narigheid vanaf afstand beschreven. De Amerikaanse ambassadeur Peurifoy wordt wel in de verf gezet, maar ook hier deed de werkelijkheid niet onder voor geromantiseerde versie. Zo krijgt Peurifoy, die eerder een rol speelde bij het aan de macht brengen van de Griekse kolonels, van zijn collega in Panama Leddy te horen: “We gaan er hier voor 100 procent voor, van hoog tot laag, om af te komen van die schoft en niet te stoppen tot dat is bereikt.” Dit citaat komt uit een Amerikaanse openbaar gemaakte tekst over de CIA politiek in Guatemala.

Pers
Verschillende keren wordt in de roman de vraag gesteld waarom de kwaliteitspers de voorgehouden broodjes aap in zijn kolommen opnam, ook de kwaliteitskranten. Llosa noemt in dit verband bijvoorbeeld de New York Times die een rechtse gewelddadige couppleger, Castillo Armas, een held, redder van de vrijheid in Midden-Amerika, en een voorbeeld voor de wereld noemde. De PR doet blijkbaar zijn werk en de vrije pers is er niet tegen opgewassen. Ook in Nederland zie je de Koude Oorlogstaal in bijvoorbeeld het Algemeen Handelsblad dat beweert dat United Fruit het land wordt uit gepest door het onhaalbare arbeidsvoorwaardeneisen te stellen. Ja mensen mogen zich organiseren in vakbonden, ja het bedrijf moet eindelijk belasting betalen. Dat de Koude Oorlog gaande is en in de Verenigde Staten zelf een vreselijke jacht op politieke tegenstanders is begonnen kan dit enigszins verklaren, maar ook dan blijft de vraag waarom journalistiek zo gemakkelijk mee buigt met bewust in de markt gezette en onware verhalen?

Wapenhandel
Zelf sla ik aan op een verhaal over een in Bittere tijden beschreven wapenzending aan het leger van Guatemala om zich te verdedigen tegen de aanvallen van de door de VS en de Nicaraguaanse dictator Somoza gesteunde opstandelingen die worden geleid door kolonel Castillo Armas. De wapens die het Guatemalteekse leger koopt (ondanks een door de Verenigde Staten afgekondigd embargo), komen van de Tsjechische Skoda fabrieken en worden Polen op een Zweeds schip geladen, de Alfhem, met naam genoemd in de roman. In Amigoe di Curcacao uit mei 1954 wordt het voorval beschreven. Hier was een wapenembargo een wapen in handen van de machtige partij, en onderdeel van een onderdrukkende politiek, bedenk ik me tijdens het lezen. De ene partij in een conflict wel bewapenen en de andere wapens ontzeggen is zuivere machtspolitiek. Er is veel meer wapenhandel informatie in de pers verschenen rond dit conflict, zoals een bericht over een onderschepte zending Belgische jachtgeweren met een Frans schip. (Kort geleden schreef ik over recente leveranties via Rotterdam van Tsjechische munitie aan Guatemala, waar het nog steeds rommelt.)

Personages
Het zijn niet alleen de verhalen die uit de werkelijkheid komen. Ook veel van de personages zijn in de kranten uit die tijd terug te vinden. Dat geldt voor presidenten, maar ook hoge militairen die een belangrijke rol spelen in het boek, zoals kolonel Enrique Trinidad-Oliva. Trinidad-Oliva is handlanger van Abbes García en samen leggen ze Castillo Armas om. García is een eerste klas vuilak en knapt voor de Dominicaanse dictator Rafael Trujillo in Latijns Amerika wel meer zaakjes op, totdat de Baas in 1961 bij een aanslag wordt gedood. Voor de deskundige in moordaanslagen en martelingen lijkt er dan geen rol meer te zijn, totdat hij als laatste klus de Tonton Macoutes van Haïti gaat opleiden.

Marta of Gloria
De hier gegeven visie op de dood van Armas is anders dan gangbaar. Zijn dood wordt doorgaans toegeschreven aan een bewaker van het paleis. De Guatemalteekse journalist Tony Raful, waar Llosa mee samenwerkte, beargumenteert in zijn boek dat het inderdaad die paleiswacht was, maar dat Tony Abbes García de man achter de schermen is om de aanslag te organiseren. Vargas LLosa heeft die bewaker er tussenuit gehaald. Een belangrijke bron voor Raful zijn stelling is Gloria Bolaños, die in het boek Marta Borrero Parra wordt genoemd. Marta is beeldschoon en wordt door García naar de Dominicaanse Republiek gebracht. Ze leeft in de werkelijkheid nog steeds in Miami, maar dus onder een andere naam. Het is het weer een spel met fictie en werkelijkheid. De roman eindigt in de jaren zestig met nog een een laatste hoofdstuk, Nadien, waarin de schrijver zelf aan het woord komt als hij verslag doet van een interview met Marta. Ze heeft zich dan net ingezet voor de campagne van President Trump.

Nadien
In dit Nadien geeft Mario Vargas Llosa zijn oordeel over de gevolgen van de vuile politiek in de jaren vijftig. “Om kort te gaan, de Amerikaanse interventie in Guatemala vertraagde de democratisering van het continent met tientallen jaren en kostte vele duizenden doden, omdat ze er toe bijdroeg dat de mythe van de gewapende revolutie en het socialisme in heel Latijns-Amerika populair werd. Minstens drie generaties jongeren hebben gedood en zich laten doden voor de zoveelste onmogelijke droom, radicaler en rampzaliger dan die van Jacobo Árbenz.” Dat Vargas Llosa geen linkse radicaal is wisten we al, maar los daarvan snijdt deze kritiek een mythe aan flarden; het relaas dat het vrije westen, per definitie de voorvechter is van mensenrechten en democratie.

Het is een knap geschreven boek. Door de wisseling van perspectieven blijft het je aandacht opeisen en de sterke link met de werkelijkheid geeft extra spanning. Je mag een roman niet met geschiedschrijving verwarren, maar als de meeste personages aan de werkelijkheid ontleent zijn, dan is dit wel waar je snel toe neigt. Het boek heeft me door dit alles naar de keel gegrepen.

United Fruit werd gecompenseerd voor door staatsgrepen en het economische beleid onder de beide socialere presidenten geleden schade, zo wordt in Bittere Tijden gesteld. De schade die de slachtoffers leden is niet in dollars is uit te drukken. Voor hen waren in de echte wereld maar amper fondsen beschikbaar.



Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.



woensdag 1 januari 2020

Boeken in december

Foto gemaakt op 30 augustus 2012, niet ver van Tomar in Portugal. Overal zijn idioten. Of het kut en lul (pinga & concha) een commentaar is op de extremistische juichkreet?



Isaac Asimov blikt met Ik, Robot in de toekomst. Een toekomst waar het zware werk en het denken wordt gedaan door intelligente robots. In het boek komt per hoofdstuk een robotkwestie aan de orde. Dit loopt van de hechting aan een oppasrobot door het meisje waarop hij let tot vier machines die het wereldbestuur voor hun rekening nemen. Daartussendoor: een vastlopende robot, die essentieel is voor het werk, maar ook het overleven van de menselijke bemanning bij een mijnbouwproject in de ruimte; een robot die gedachten kan lezen, wat tot onvoorziene complicaties leidt; en nog wat andere psychologische, technische en wiskundige robothoofdbrekens.

Het sciencefiction boek is geschreven in 1950. Inmiddels is de robot al lang aan zijn echte opkomst in de samenleving begonnen. Als ik de bespreking zit schrijven komt er een artikel in mijn email box binnen over de redactierobot van RTL-nieuws die een hogere productie heeft dan welke collega ook. Die robot is wel heel anders dan de bijna menselijke robots van de 21ste eeuw uit het boek van Asimov.

Het boek beschrijft in negen hoofdstukken die elkaar chronologisch opvolgen de ontwikkeling van de robot. Een journalist van de Interplanetaire Pers tekent het verhaal op uit de mond van de door hem geïnterviewde  robotpsychologe Susan Calvin. In al die hoofdstukken spelen de drie wetten der robotica die Asimov bedacht een doorslaggevende rol:
1) Een robot mag een mens geen letsel toebrengen of door niet te handelen toestaan dat een mens letsel oploopt;
2) Een robot moet de bevelen uitvoeren die hem door mensen gegeven worden, behalve als die opdrachten in strijd zijn met de Eerste Wet; en
3) Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, voor zover die bescherming niet in strijd is met de Eerste of Tweede wet.
Ondanks deze voorwaarden denkt Powell, een van de mannen die voor het bedrijf United States Robots & Mechanical Men Corp. problemen bij robots opspoort: “Mathematisch gedroedel achter de tekentafel was niet altijd de meest geruststellende bescherming tegen de feiten die de robotica opleverde.” Zo zijn er wel meer kritische kanttekeningen. Als het voor onderzoek handig leek om (om voor goed geld) het tweede deel, vanaf of door, uit regel 1 te verwijderen, gaat die robot zeer eigenzinnig optreden. De boodschap: bij robotica moet je niet willen marchanderen.

De drie wetten zijn nu nog steeds een belangrijk uitgangspunt bij robotkunde in de reële wereld. Door het hele boek heen zijn ze vrijwel gebeiteld in marmer. De wetten zijn ook noodzakelijk om de robots door de sceptische bevolking geaccepteerd te krijgen (op een handje vol na dat zich blijft verzetten). Uiteindelijk verdwijnen de fouten uit de robots door hun steeds sterkere rekenwerk. Effecten van oppositie tegen robotica worden door hen verwerkt in berekeningen die moeten leiden naar een gewenste oplossing; een heilstaat voor mensen onder de hoede van machines.

Mogelijkheden van robotica zijn in het boek groter dan nu in de huidige realiteit. Zo passeer je voor interstellair reizen de dood, een val de stilte in van “een wereld zonder beweging en met geen enkele gewaarwording. Een wereld van schemering, van gevoelens ontdaan bewustzijn, een bewustzijn van duisternis en van stilte en van een vormeloze worsteling.” Donovan de directe collega van Powell hoort daarbij in het vagevuur een preek over hel en verdoemenis, zo'n preek die hij al eens in het echt hoorde.
Een ander voorbeeld is de humanoïde robot, gemaakt door menselijk vlees en een huid op een skelet van siliconen plastic te laten groeien. Met een aangepast brein is het moeilijk mens van robot te onderscheiden. Er is wel controle op de productie van breinen, maar (ook dat komt bekend voor) een afgedankte robot zou wel eens door de mazen kunnen glippen.

Tegelijkertijd zijn andere zaken kleiner dan tegenwoordig. Letterlijk als het gaat om geldsommen: dertigduizend dollar (valuta die ondanks alle veranderingen blijkbaar behouden bleef) voor een enorm kundige zelf handelende robot. De beeldbelverbinding tussen mensen, de visofoon, is kwalitatief niet zo sterk als de huidige mobieltjes. Het geeft aan dat je de beschreven situatie niet letterlijk moet nemen, maar als verhalen die je blik naar de huidige maatschappij kunnen verfrissen, want duidelijk is dat we op de drempel van een nieuwe economische fase staan; via technologie en digitaal, van stoom naar machine intelligentie. 

Nationalisme verdwijnt in Ik, Robot om plaats te maken voor een wereld van vier samenwerkende zones, waarin machines berekenen wat nodig is en opdrachten geven. In het laatste hoofdstuk gaat, Stephen Beyerley, de hoofdcoördinator van de wereld (zelf waarschijnlijk een robot) de vier zones langs om te bestuderen waar geconstateerde fouten in de orde vandaan komen. Kleine fouten onstaan daar waar mensen dwarsliggen, zo blijkt. Deze mensen worden zachtjes aan de kant geschoven. Een geautomatiseerde technocratie zorgt voor iedereen en kan individuele tegenstand daarbij niet gebruiken. De robot als redding. Het is een mooi vergezicht, maar naast een hulp in het productieproces en administratie, ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich momenteel ook in de richting van militaire en bewapende toepassingen en de drie wetten vervagen nog voor ze in de praktijk getest zijn.

Ronald Giphart mag aan de door de Openbare Bibliotheek uitgegeven en door mij gelezen versie een slothoofdstuk toevoegen. Het gaat over menselijke vrijheid versus de controle ten bate van iedereen door de machine. Het is leuk, geschreven met hulp van een computer, maar voegt weinig aan het oorspronkelijke boek toe. Dit tiende hoofdstuk sluit af met de zinnen uit de pen van de machine: “Wij zijn de toekomst. We zijn er voor eeuwig. Wen er maar aan.”

***

Dragon On Our Doorstep: Managing China Through Military Power door Pravin Sawhney en Ghazala Wahab beschrijft de rammelende militair strategische positie van India met betrekking tot China. Het boek eindigt met de zin: “We zijn het aan de geschiedenis en geografische ligging van India verplicht een strategische speler op het wereldtoneel te worden.” India is ver van dat doel verwijderd, blijkt uit het boek. Het zou zelfs niet staat zijn een oorlog met Pakistan te winnen. Dat heeft in belangrijke maken met het feit dat militaire ontwikkelingen nauwelijks een rol spelen in de landelijke politiek. Er is dus geen inzicht, maar ook geen organisatie, geen militair industriële basis, en conflicten die het land verzwakken worden niet opgelost.

De schrijvers zijn vooral negatief over de stand van zaken. Het boek is echter niet een oproep voor meer geld, maar voor meer beleid. En een enkele keer voor meer terughoudendheid in militair of repressief beleid. Zie voor meer Broekstukken.

***

George Perec schreef met de De dingen een wonderlijk boek over het stel Sylvie (22) en Jérôme (24). Ze groeien op met de luxe die begin jaren zestig ontstond. Ze hebben een goede opleiding (beide psychosocioloog) en werk om voldoende inkomen te hebben, maar wat je niet vastlegt. Ze houden zich bezig met eten met vrienden en praten over boeken en films, veel mooie dingen om hen heen kopen en demonstreren tegen de oorlog in Algerije, omdat ook dit laatste bij de live style hoort. Ze menen “dat hun leven slechts de onuitputtelijke som van fortuinlijke momenten was en dat zij altijd gelukkig zouden zijn, omdat zij verdienden het te zijn, omdat zij vooralles open wisten te blijven staan, omdat het geluk in hen huisde.”

Het is wel de bedoeling dat je na je dertigste voor een vaste baan gaat, anders lig je er uit en wordt het leven moeilijk. Sylvie en Jérôme willen hun vrijheid vasthouden, maar moeten steeds kortere eindjes aan elkaar knopen. De vriendschappen verbrokkellen om hen heen. Perec loopt zelf tegen de dertig als hij het boek schrijft en de observaties die hij doet en de vragen die hij stelt, passen bij zijn eigen levensfase.

“Ze waren uitgerangeerd, aan het eind gekomen van het halfslachtige parcours dat zes jaar lang hun leven was geweest, aan het eind van die aarzelende zoektocht die hen nergens heen had gevoerd en hun niets had geleerd.” Ze vluchten naar een baan in Sfax, een stadje met een paar grote straten in Tunesië aan de Middellandse Zeekust. Alleen Sylvie werkt er als onderwijzeres. Ze aarden er niet. Het leven is te weinig stads en niet zo avontuurlijk als het op afstand had geleken. Perec leefde daar zelf ook een jaar in een soortgelijke situatie, ook zijn vrouw was onderwijzeres. Silve en Jérôme zouden terugkeren en zich ook gaan voegen naar de vaste en verwachte patronen. Dat kan aangenaam zijn, maar de kans is groot dat het ronduit smakeloos zal zijn.

Er zit geen dialoog in het boek. Op iedere pagina begint een groot aantal zinnen met Zij ... of Ze …. Het schept afstand tussen schrijver en personages. Het zorgt er ook voor dat de zinnen los op je afkomen als de kogels uit een machinegeweer. Ik ga houden van dat korte woordje ze en vraag me af hoe dat in het originele Frans is gegaan. Zijn er meer woorden dan ils?

Karl Marx mag het boek afsluiten met een zijn woorden over het pad naar waarheid. Ze zijn alleen nogal vreemd vertaald. Een Engelse versie van de tekst begrijp ik beter dan het Nederlands van de vertaler van dit boek. Dit is mijn poging: “Het zoeken naar waarheid moet zelf waarachtig zijn; waarachtig onderzoek is ontwikkelde waarheid, de losse elementen ervan komen bij elkaar in het resultaat.” Dat is ook wat in dit boek geprobeerd wordt.

***

Het is december en iedereen die niet het menselijke equivalent van een labrador is, weet wat dat betekent: harnas aan en blik op oneindig. Van de macrobiotische nicht die bij het Kerstdiner een allergie-aanval veinst tot de oudoom die al over zijn diensttijd begint nog voor de eerste seksistische grap gemaakt is – de feestmaand speelt zich grotendeels af op de ruïnes van menselijke gewenning,” lees ik in een tekst van Roxane van Iperen. Het citaat doet me denken aan het boek dat ik net uit heb, Dans der verdoemden door António Lobo Antunes.

De hier genoemde voorbeelden van het menselijk onvermogen in familiesfeer vallen in het niet bij wat ik daar lees over de liederlijke familie die in een landhuis bij het Portugese dorpje Monsaraz, niet ver van Évora, samenkomt en waar de grootvader van de familie op sterven ligt. De Portugese revolutie die de rechtse dictatuur van Salazar aan de kant zette is nog maar net achter de rug als het verhaal speelt.

Het is een familie waar een geesteszieke moeder een dochter krijgt van haar zwager. Dat is dezelfde man waar ook haar dochter een kind van krijgt. Hij blijft van geen vrouw af, behalve de zijne, en lokt opzichtig personeel en andere familieleden naar een bed of donkere hoek. Hij is niet de enige die zich misdraagt. Er is in het boek sprake van intimidatie, verkrachting, geweld, hebzucht, doodverklaren van de voor mishandeling vluchtende echtgenote en misbruik van het kromme recht.

Op de achtergrond viert het dorp feest met vuurwerk, drank, hapjes en een stier die er is om uiteindelijk afgemaakt te worden. Dat rund moest nog wel even wat mensen op de horens nemen want: “Als er geen bloed vloeit is er geen bal aan, komt er geen kip kijken. Wie ziet er nou niet graag de ellende van een ander?” En daarmee is ook het motto voor het sombere verhaal geschetst door de schrijvende psychiater die Lobo Antunes is.

“Zouden ze elkaar echt niet zien of willen ze elkaar niet zien, horen ze elkaar echt niet of willen ze elkaar niet horen, net zoals de nacht zich doof houdt voor de duizend-en-een geluiden van de nacht, voor de paniek van het vee en de stier die wordt doodgestoken op de slotdag van het feest.” Het zijn de woorden van de dochter van de zoon van de stervende; 'n zoon die overal imaginaire treinen ziet en speelgoed exemplaren laat rijden, zelfs onder het sterfbed van zijn vader door. Die bruut wacht net als het beest op zijn dood. Als-metaforen zitten overigens in de roman als maden in een dode hond. Irritant veel.

Eén voor een komen de familieleden aan het woord. Maar ook de notaris die de overdracht van de bezittingen onder dwang regelt, krijgt een hoofdstuk. Bezittingen die er niet meer zijn, omdat de stervende zijn geld jarenlang heeft verbruid aan drank, gokken en prostituees. Hij heeft alles minstens een keer verpand of verhypothekeerd; ook wat er niet is. De bezittingen bestaan slechts uit schuldpapieren.

Als de al genoemde zwager de povere bezittingen van zijn uit het huis verdreven dochter vernielt dan is dat zo indringend beschreven dat de woede in mijn lijf kruipt en ik denk ram hem eruit, hoe dan ook. In dat hoofdstuk is het enige moment te lezen dat de linkse ontwikkelingen – door die dochter – heel kort positief worden neergezet: “(…) en ik dacht: In ieder geval zijn de arbeiders niet meer zo gedwee als vroeger, ze eisen meer loon, mopperen, protesteren.” Dan verandert het beeld weer langzaam, door de intrigerende en intimiderende zwager, in de dreiging en waanbeeld. Het geweld in het huis en gedegenereerde familie is voor de meesten veel dreigender en reëler dan de waanbeelden over Cubanen die met lange messen de grootgrondbezitters komen afslachten.

Een ideaal boek voor bij de kerstboom. Er zullen maar weinig mensen zijn die in zo'n hel moeten leven. Dat is dan een troost in deze donkere dagen. Mensen die denken dat ze het zonder politiek, politieke organisaties en vakbonden kunnen redden, moeten maar even tot zich door laten dringen dat dit verhaal nog geen 50 jaar geleden speelt en dat wat de Thierry's, Borissen en Donalds nu af willen breken het overgrote deel van de bevolking beschermt tegen uitbuiting en mishandeling zoals hier beschreven.

***

In Habitus van Radna Fabias begin ik als ik nog maar net de roman over de Last Poets uit heb (zie hieronder). Het eerste gedicht heet wat ik verstopte. Het is een aanklacht tegen onder meer de  bullshit die ook die Amerikaanse dichters benoemden. Het spreekt over de stekels op de akkers, want op het barre land van Curaçao geen veld zonder geschiedenis. Zouden die Laatste Dichters Wat ik verstopte willen lezen? Het is immers een aanvulling op hun werk en klaagt niet alleen de stekels van de geschiedenis aan, maar ook de mompelman die over zijn auto staat gebogen en erin wroet met zijn vingers om er 's avonds weer mee op stap te gaan langs de barretjes en de vrouwen achter tralies. Het voegt toe, omdat hier de stem van de vrouw direct uit de vrouw te horen is, haar stem: de verzuchting over alles en allen en de angst voor de nacht en voor het aangevoerde stof.

Mij brengt dit gedicht direct terug naar waar ik was als jong matroos. Met een papieren beker bier in een oude Amerikaan over de wegen van Curaçao. Zuipen bij een marineman en zijn vrouw die achter hun huis de cocaïne zien droppen. Het heftige aquardiente drinken bij de oude kerel die het witgoed verkoopt onder de rook van wat toen nog het marine watersportcentrum in Boca St. Michiel was (het is daar nu een leuke plek voor een (tweede) huis). En inderdaad die vrouwen achter tralies, van jong tot ouder. Ik trok er langs als de jonge militair die ging “voordat hij wist hoe hij in elkaar hakende vragen moest stellen.” Hadden we niet in plaats van één NBCD-oefening deze bundel* kunnen lezen en dan bespreken, in groepjes uiteen? Onze plaats bepalen voordat we zouden landen aan die stijger midden in het Schottegat? Bovendien zou dit ook voor na de thuisreis zijn waarde hebben gehad. Nee, natuurlijk niet, die bundel was er nog niet. Was hij er wel geweest dan paste hij niet in ons midden, want ook toen waren die ideeën er wel - in een weinig andere wereld - voor wie ze wilde horen, misschien niet zo fraai verwoord, maar wel hoorbaar. En hij past er nog steeds niet. Ook daarover gaan de gedichten: over de claim op alles voor wie genoeg heeft voor groen gras; glimmende velgen; zwemmen met dolfijnen; dwepen met bruggen; spelen op littekens in het landschap; safari zonder wilde dieren; doen alsof; de eigen wens tot maat aller dingen maken; leugens kopen die nooit echt vullen; en over het ongemak te willen en kunnen zijn wie je bent.

Heus het is niet alleen een tropisch eiland in Habitus dat onderste boven wordt gehouden, want 12.000 km van thuis metaboliseert sneeuw tot tranen om dit witte goedje te begrijpen en wordt een flatgebouw opgetild waar 436 Turken wonen met schoenen bij de voordeur. De Nederlandse straat wordt gedragen, omdat ze op mijn rug paste, omdat ze zo opgevoed is. Daarvoor maakte ze een jas van de stropdassen van ongelukkige zakenmannen voor de mensen die bibberden. Het kan wél: oppakken wat anders moet. Vrouwen zijn hier en ook daar zo kneedbaar dat ze niet meer begrijpen wie ze zijn. Ja, het gaat ook over het Nederlandse deel van het Koninkrijk, een land met een ellenlang menu met daarop wat wel en niet mag, wat wel en niet moet, wat wel en niet fijn is. Ja, het gaat ook over het land van rijp en ijzel.

Het is een bundel voor een mens die niet bang is voor serpenterende bewegingen: angst dempt de schoonheid / dat werpt weer licht op waarom schoonheid schaars is. Het is ook een boek om de makamba (een woord dat ik in die afgelopen 37 jaar niet vergeten ben) wakker te schudden die denkt dat hij er hoort, maar niettemin een rood mens is die zich rond laat rijden door breed glimlachende negers, omdat ooit lang gelden men meende het ene stuk land voor het andere te mogen ruilen.

Door die swap liggen beide boeken nog dichter bij elkaar; dat over de mannen uit Harlem en de vrouw met de zoute tong die zich door de wind op laat hitsen. Het is een kijkje in de put, een blik op de telkenmale overreden hond, en dat ook een man een mens is met pijn (soms weet hij zelfs waarom). Of over de man die zegt de R in jouw naam is van R. Kelly, de sporter die een te jong blaadje lustte. Ja, het gaat ook over liefde, donker en ironisch, de liefde als een geasfalteerde snelweg het asfalt is nog heet, maar ik denk niet aan een ander. De gedichten graven de zielen bloot van zwart, van rood (die doorgaans blank worden genoemd), van man, van vrouw, van vreemde, familie en van leegte.


* Nog steeds heb ik moeite een tekst te schrijven rond een dichtbundel. Moet ik opzoek naar het verhaal of thema dat de verschillende gedichten bindt? Moet ik duiden wat ik onder de oppervlakte tref? Moet ik duiden wat ik niet zie? Fijn veel woorden en regels verwerken? Moet ik zo'n bundel gewoon lezen zonder er later iets over te schrijven? Dat is het gemakkelijkst en dat lezen zonder schrijven doe ik ook nog wel. Er zal nog veel in zal zitten dat ik niet zag.

***

De laatste dichters van Christine Otten is een boek vol geweld: van repressie, straatvechten, revolutionair geweld, knokpartijen onder tieners, tot heibel onder collega's. Het meest indringende – om niet te zeggen misselijk makende – geweld is de incestueuze bruutheid van de vader die onder een cafétafeltje zijn handen in het broekje van zijn tienjarige dochter laat verdwijnen, voor de ogen van de schoenpoetser Jerome (de latere Last Poet Umar) die een jaar ouder was dan het meisje. De vriendschap tussen beide kon dit niet dragen en brak. Jeugd en brekende levens lijken in het boek bij elkaar te horen. Het lijmen duurt decennia.

De laatste dichter gaat over de Last Poets. Je kent ze wel van Niggers are scared of revolution en hun invloeden op de hiphop muziek. Ik kende ze ook van de documentaire over hun leven, gemaakt door de zoon van de schrijfster, Daniel Krikke, die ik vorig jaar zag. Die zoon bracht zijn moeder als elfjarige op het spoor van de Last Poets en dit leidde dus tot een documentaire door hem en een boek door haar. Vele gesprekken stonden aan de basis van de film en aan de basis van het boek nog meer. Er waren fragmenten die ik woordelijk kende. Ze werden in beeld en op papier gebracht.

De laatste dichters is een vreemd boek om te lezen in het Nederlands. Het beschrijft New York en ook Zuidelijke staten spelen een voorname rol. Het voelt voor mij niet als van buiten af geschreven, maar van binnenuit en dus met de Engelse taal in het hoofd. Het gaat geen zaken uit de weg, waarmee de Nederlander niet of nauwelijks geconfronteerd is, zoals revolutionair belastingheffen, het gewapend verdedigen van vrijplaatsen en onbeschaamd racisme, en heft daarbij geen vingertje. Die Engelstalige sfeer wordt nog eens versterkt doordat de gedichten van de Last Poets en fragmenten daaruit onvertaald zijn opgenomen. Inmiddels is er ook een engelstalige versie, maar die kwam twaalf jaar na de Nederlanstalige. Dat deze Amerikaanse geschiedenis eerst tot een indringende Nederlandse roman werd geschreven, is een aanwinst voor ons taalgebied.

Die Nederlandse versie kwam er al in 2004. Maar het boek is actueel gezien de identiteitspolitiek van het moment. De volgende dialoog haakt in op dat debat: Weet jij wat voor kleur jouw huid heeft? / Natuurlijk hoezo? / Nou? / Wat? / Zeg het dan. / Zwart. / Zwart? / Blauwzwart? / Kijk eens goed. / Wat bedoel je? / Ik bedoel dat ik precies weet wat voor kleur ik heb. Iedere seconde van de dag, van de nacht. Altijd ben ik me bewust van mijn kleur. Soms lijkt het net of ik alleen maar mijn kleur ben. Alsof ik mezelf verstop onder mijn kleur, alsof ik verdwaal. Met andere woorden racisme verstikt de open blik, maar als je er het mikpunt van bent kan je het niet ontkennen. 

Het verhaal bestrijkt een periode van eind jaren zestig tot het begin van deze eeuw. Het is bijna onvermijdelijk dat je dan omkijkt, gaat evalueren. “Je waagt niets wanneer je alleen maar voor winst gaat, wanneer verliezen geen optie meer is. Misschien waren wij in de jaren zestig wel niet goed genoeg voorbereid op verlies,” staat in een brief aan Last Poet Felipe Luciano waarin zijn kandidaatstelling voor de gemeenteraadsverkiezingen van september 2001 wordt besproken. Deze variatie op 'Wie niet waagt, wie niet wint,' is een opmerking om even op te kauwen. Zeker als een paar regels verderop wordt gesproken over een plan om met machinegeweren de drugs dealers de buurt uit te schieten omdat drugs de revolutie ondermijnden. Of valt dit dan onder roekeloosheid en avonturisme en niet onder het wagen als afleiding van wegen (dat handelen met overleg inhoud).

Otten zei tegen Micha Cohen in Vrij Nederland: “Ik ben geïnteresseerd in de wisselwerking tussen het grote maatschappelijke gebeuren en het intieme leven.” Dat is ook wat in dit boek gebeurd. Regelmatig kruipten de woorden onder je huid, omdat je situaties bij jezelf of in je omgeving herkent, dat kan gaan om maatschappelijke ideeën, maar ook om gevoelens of ervaringen. Er schuilen bijvoorbeeld ervaringen achter de opmerking: “Mensen gaan heus niet meer van je houden, omdat je gelijk hebt. Zo simpel is het leven niet.” Toch sluit het volle boek positief af met de opmerking dat “als je niet bang was werd je vanzelf beloond en voelde je dat je bestond, voelde je dat je bestond.” Het klinkt als de American Dream, waarin blijkbaar een herhaling, als bezwering, noodzaak is omdat afwezigheid van angst ook geen garantie biedt.


Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.
bosrankzaad