Posts tonen met het label Ousmane Sembène. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ousmane Sembène. Alle posts tonen

vrijdag 21 november 2025

De vrucht van de schande


De vrucht van de schande van Sembène Ousmane draait om een incestueuze zwangerschap in een kleine traditionele dorpsgemeenschap waar eeuwen oude waarden en normen hooggehouden worden en de mens er aan ondergeschikt is. Net als veel andere boeken van de schrijver/regisseur is ook dit (door de man die wel de vader van de Afrikaanse cinema is genoemd) oorspronkelijk een filmscript, in dit geval van de korte film Niaye. “Met film, de taal der beelden op het witte doek, bereik je natuurlijk een veel groter publiek in Afrika. Het medium film, geluid en beeld, is een vervolg op de orale cultuur. Men hoort en ziet,” merkte hij op in het Nawoord bij Taaw; Een jeugd in Dakar. 

Nergens hoopt zich de aarde op
van je graf
Het boek opent met een tekst opgedragen aan een oude overleden vriend en vervolgens een gedicht Bij de dood van Sarr Pathe waaruit blijkt dat die jeugdvriend is omgekomen  in 1954 als militair in Franse dienst. Ousmane beweent dat Boca Mbar Sarr Pathe zonder graf verdwenen is en dat Afrika hem geen onderdak bood.
    De vrucht... 
is van 1966 en hoewel het herdenken van vroegere vrienden lief en mooi is, kan de vraag gesteld worden of een dergelijke opening de roman past. Het is immers twaalf jaar geleden dat Sarr Pathe omkwam.
     Een antwoord op die vraag is de aanwezigheid van Tanor Ngoné Diob in de roman. Tanor is een mataglap veteraan, ook uit het Franse leger en de broer van het zwangere meisje. Tanor speelt – en daarmee ook de oude vriend – een rol in de zijlijn en kort voor het eind zelfs in het middelpunt naar de vermoedelijk trieste afloop en het open einde van het verhaal.

De roman opent met de stem van de schrijver die de kritiek op zijn boek voor wil zijn. Hij vreest dat de reactie is dat je sommige zaken niet moet willen vertellen, omdat dit het 'zwarte ras' (een raciale term die in 2025 niet meer gebruikt wordt, MB) te schande zou maken. Hij brengt daar een retorische vraag tegenin: “wanneer zullen we eens ophouden om ons gedrag niet te accepteren en goed te keuren vanuit ons MENSELIJK IK, maar vanuit de kleur van de ander. Je moet immers bepaalde dingen, feiten en gedragslijnen tot je door laten dringen, om je te verdiepen in de mens. Niet alleen vanuit intellectuele belangstelling, maar omdat alleen zo uit de oude, verdoemde wereld, de zo lang verwachte, zo lang gedroomde nieuwe wereld zal verrijzen.” En ook in dit boek van Ousmane speelt de vrouw bij die ontwikkeling een belangrijke rol. 

De gebeurtenissen zijn gesitueerd in Santhiu-Niaye, een gehucht in het golvende gebied dat Niaye heet en ligt tussen de weg van Dakar naar St Louis en de Atlantische Oceaan. Thiès is de dichtst bij de nederzetting liggende grote stad om bijvoorbeeld een priem te kopen. Pagina's lang wordt het desolate gebied geschilderd, als hard, heet en leeg. Er was geen school, geen kliniek en geen politiebureau. Een maal per jaar kwam de Europese belastinginner langs. Maar het gebied werd ook getekend door de kleur van het jonge gras en de zonsondergang die nooit verveeld. Er worden mais, gierst, pinda's, maniokwortels en aardappelen verbouwd. De bevolking is traditioneel en bid vijf maal per dag. Om dat te onderstrepen worden de namen van de gebeden genoemd: zoals het tweede gebed yoryor, het derde toucasane, vierde timis en vijfde tisbar.

Tanor werd met trots door zijn vader het Franse leger ingestuurd en vocht in Indochina en de Maghreb (Marokko en Algerije). Hij leerde er te doden. Hij komt niet als man, maar als wrak weer thuis zo ziet de moeder. Ze was trots toen hij ging, maar krijgt een gek terug. Vervloekt zij de oorlog, meent moeder Ngoné vanuit de pijn die ze voelt.
    In het kleine dorp is zijn ongehuwde zus Khar Madiagua Diob zwanger. Allereerst krijgt Atoumane, een landarbeider voor het natte seizoen, de schuld in de schoenen geschoven; hoe hard hij ook ontkent. Het is alleen de schoenmaker, de griot, van lagere kaste maar met uitgesproken meningen, Déthyè Law, die hem gelooft, verdedigt en verborg voor hen die op hem jaagden. De arbeider die een van de meest woeste gronden bouwrijp had gemaakt, wordt niettemin uit de dorpsgemeenschap verjaagd en zijn akker geconfisqueerd.
     Maar haar vader is de vader, zo flapt Khar er opeens uit.

Als lezer zit je onder de kapokboom bij de gesprekken, het redetwisten en het spelen van yothé. Het is een omgeving die aanspreekt, maar waarvan je tegelijk ook weet dat die zover van je af staat dat het moeilijk zou zijn je er een houding te geven. De Westerse lezer is hier een buitenstaander in een wereld die erg van de zijne verschilt. Uit Taaw haalde ik een woord dat ik kende door het Indonesisch voor arm mens. In De vrucht.... is 'adda' omschreven 'als het stelsel van regels in het leven van onze vaders. In Nederland vanuit Indonesië bekend als adat, dat stamt van het Arabische adah met dezelfde betekenis. De aanwezigheid van dat bekende gewoonterecht, zorgt ervoor dat de situatie dichterbij komt, maar tegelijkertijd ook verder weg komt te staan. Het is meedogenloos om conservatief te bewaken wat was en is, ook als dat mensen kwetst. Hier is dat beschadigen letterlijk zo. Op iedere inbreuk “staat de doodstraf, of verstoting uit de gemeenschap.” Niet alleen de vader, ook zijn vrouw en dochter krijgen de schuld van het bezwangeren. En allen moeten de consequenties voelen. 

Hoewel vader Guibril Guedj Diob uit een goede adellijke familie stamt, wordt hij uitgestoten uit de gemeenschap, zijn vrouw wilde nog met hem over de zwangerschap van hun dochter praten, maar hij snauwt haar af. Zij kan de schande niet dragen, bedrogen te zijn door haar eigen man, en doet wat de traditie gebiedt. Als het kind geboren is, neemt Tanor zijn eigen maatregelen. De dochter wordt verbannen met het advies: loop naar de zee en sla daar linksaf. Dat is de richting van Dakar uit (hier ook Ndakaru genoemd). Het kind moet de naam van haar oma krijgen en niet van haar opa, meende de grootmoeder. Ze liet ook de sieraden aan haar kleinkind na, zelfs als dit een jongen zou zijn (wat ze hoopte) om het te helpen. Ze koos hiermee voor een nieuwe handelswijze, weg van het vastgelegde, het gangbare gedrag. 

De vrees was aanwezig in het dorp dat Santhiu-Niaye uit zou sterven omdat steeds meer jonge mannen naar de stad verdwenen, maar ook doordat hele families uit het dorp vertrokken. De schoenmaker stelt dat Allah niet houdt van water dat niet stroomt en wil zich kunnen uitspreken. Hij stelt dat als hij moet kiezen tussen Allah en de waarheid, hij kiest voor de waarheid. De griot wil niet bang zijn en zijn mond houden, daardoor wordt de menselijke geest onvruchtbaar. Aangezien hij de ruimte niet krijgt, besluit ook hij het dorp te verlaten naar een plaats waar de waarheid het kind is van een eerlijke geest en geen privilege dat afhankelijk is van afkomst. De traditie doet het dorp de das om en stort mensen in de moeilijkheden. Niemand die dat zo goed onder ogen ziet als de schoenmaker, de griot die met deze functie ook man van het woord is, namelijk dichter en zanger.
     Terwijl een dorp verderop, Keur-Malamine, zich naar de weg verplaatste en zo zes decennia na het verschijnen van het boek nog te vinden is op Google maps, is (het mogelijk fictieve) Santhiu-Niaye niet meer terug te vinden. De traditie brengt niet alleen de vrouw, maar ook de traditionele samenleving zelf in de problemen; ze organiseert haar eigen ondergang. De schoenmaker paste daarvoor.

En Khar en haar dochter Véhi-Ciosane Ngoné Thiandum? We weten het niet. Ze rijden mee met een vrachtwagen die zand komt halen aan het strand. De tocht gaat vermoedelijk naar Dakar. Ousmane wil ons echter niets beloven; een goed leven kan hij niet voorspellen, daarvoor zijn de tekenen van de tijd niet gunstig. Misschien gaat Véhi naar school en leert ze lezen, maar de kans is groot dat moeder en dochter zelfs dat ontzegd wordt. Misschien dat de dochter op een weinig effectieve manier en slecht geleid in opstand komt of dat de moeder zich weet te verstoppen in haar eigen drama. Meer niet. Voor een rooskleuriger beeld moeten we over de horizon van hun leven kijken.
     Even mogen we meeleven en ter inspiratie de kreet horen van oma, gericht aan haar kleindochter: “opdat je het ontstaan van een nieuwe wereld zal voorbereiden. Want het is uit de gebreken van een oude, afgekeurde wereld, dat deze nieuwe wereld, waar zo op gewacht en zo van gedroomd wordt, geboren zal worden.” 

Vrijblijvend is het lezen van Ousmane niet, verdiepend wel. 


Zie voor een samenvatting van Ousmanes werk: Jan Kees van de Werk, 'Sembène Ousmane: ‘Ik weiger mezelf te verkopen,’ Bzzlletin, september 1990.

vrijdag 3 oktober 2025

Taaw; een jeugd in Dakar



In 1986 landde ik aan het eind van de middag op het vliegveld van Dakar. Mijn rugzak pakte ik van de band en met een medepassagier ging ik naar de stad. Hij ging naar een peperduur hotel. Ik ging met
Africa on a shoestring opzoek naar een goedkope slaapplaats. Het werd donker en er was niets vrij in mijn prijsklasse.

“Kom met ons mee,” vroegen een paar jonge mannen, in een straat waar lijf aan lijf mensen lagen te slapen. De keuze was buiten blijven dwalen of gokken op de goede afloop. Zo kwam ik in een donker café in een volkswijk en sliep in een klein kamertje met drie anderen. De volgende ochtend werd mijn bescheiden rijkdom de basis voor een aantal afgedwongen goede borden vleesmaaltijd in een eettentje, en dat als begin.

Die volkswijk van destijds kwam ik weer tegen in de Taaw; een jeugd in Dakar van Ousmane Sembène. De novelle is de verwerking van een filmscript van zijn hand uit 1970. Hij verscheen in 1987 in het Frans. In 1992 kwam de Nederlandse vertaling. Sembène was een man van het woord, maar hij kende als regiseur ook de kracht van het beeld. Dat komt hier samen.

Het verhaal is op een losse manier geschreven. De vader van Taaw is een man die zijn woede afreageert op zijn zoon en zijn vrouw. Die vrouw kan niet anders dan tegen de gewoonten in, haar lot in eigen hand nemen. En dat doet ook de vriendin Astou van Taaw om te voorkomen dat hij zijn vaders kant opgaat en zij slachtoffer wordt. Het verhaal heeft daarmee een duidelijke boodschap, maar is niet extreem dwingend geschreven.

Een rijke man zegt tegen Taaw:
“En jij mijn jongen, heb jij vandaag al gegeven? Vergeet niet dat Allah je morgen in het hiernamaals drievoudig zal vergoeden wat je vandaag aan een miskine geeft.” Het woord miskine kende ik in het Nederlands niet, de vertaalster Nelleke van Maaren blijkbaar wel. Zelf kende ik het als orang miskin in het Maleis. Ook daar betekent het een arme. Het wordt in het Frans (ook in straattaal) gebruikt en is afkomstig uit het Arabisch. Blijkbaar is het vanuit het Midden-Oosten zowel oost- als westwaarts verspreid.

Een tiende van het boek bestaat uit een nawoord door redacteur Jan Kees van de Werk van uitgeverij In de Knipscheer. Die tekst is gebaseerd op gesprekken met de schrijver in Rotterdam, Noordwijk en Dakar. Hij zegt daarin dat hij geen lid van een partij meer zal worden en dat ideologie sectarisch en vernauwend werkt. Voor de schrijver die eerder actief was in de Franse communistische beweging een opmerkelijke boodschap. Wel vindt hij dat schrijvers de taak hebben het bewustzijn van het volk te vormen, maar ook:
“Mijn boeken geven geen enkele politieke oplossing maar voeden door hun beschrijvende karakter wel het bewustzijn van de lezer en dus de politiek op lange termijn.”

De rol van vrouwen in zijn leven en in de Senegalese samenleving komt in de gesprekken uitgebreid aan de orde:
“Mannen hebben de macht, daar hebben ze ook voor gestreden. Waarom zouden ze die dan delen? Daar moeten de vrouwen voor vechten.” In dit boek geeft hij daarvan voorbeelden om zo mee te werken aan die verandering.

De schrijver die in 1923 in Ziguenchor (Casamance, het Senegalese deel zuidelijk van Gambia) werd geboren zou in juni 2007 in Dakar overlijden. Uit zijn geboortestad Ziguenchor herinner ik me het aangename gesprek dat ik zelf had met Seymabou, de uitbaatster van een kleine winkel, niet veel meer dan een loket met een tafel en wat stoelen ervoor. Zij was een jonge vrouw die haar leven in eigen hand wilde nemen en mij daar buiten een prettig gevoel gaf. Haar naam en adres staan nog achter in de genoemde reisgids. 

Een aangenaam gevoel geeft ook deze novelle uit diezelfde tijd door zijn hoopvolle en aansporende boodschap.

woensdag 16 augustus 2023

God's bits of Wood


Wat een boek. God's bits of Wood (1960) door Sembène Ousmane laat de magie van het schrijven zien. Al na een paar pagina's beland je op een open ruimte tussen hutten van de Bambara in Bamako. Je leert de vrouwen er wat kennen. In dat eerste hoofdstuk word je meteen ook een broeierige vergadering van de vakbond binnen gebracht. Het vakbondslokaal is gevuld met strijdbaarheid (meer dan overleg) voor de staking die de andere dag moet beginnen. Om die staking en de betrokkenen draait het verhaal.

Van Bamako gaan we in het volgende hoofdstuk naar Thi
ès. De stad was destijds (1947/8) een knooppunt voor het spoor en zou het hart van de staking zijn. De voornaamste spoorlijn van de staking loopt door Frans West-Afrika van Koulikoro aan de Niger (iets voorbij Bamako) naar Dakar aan de Atlantische Oceaan. “Bijna duizend mijl aan staal dat zo'n miljoen vierkante kilometer van het Afrikaanse continent bij elkaar brengt.”*
 

Ousmane is een bijzonder schrijver. In 1923 werd hij geboren in Senegal. Hij stapte in de sporen van zijn vader en werd visser. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vissers uit Dakar een positieve rol spelen bij de voedselverstrekking in deze roman. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog nam de jonge man dienst in het Franse leger en vocht in Italië en Duitsland. Na de oorlog was hij kort terug in zijn geboorteland, maar realiseerde zich dat hij om schrijver te worden terug moest naar Frankrijk. Het werd Marseille, waar hij havenarbeider, lid van de Communistische Partij en vakbondsactivist werd en waar hij begon te schrijven aan een flink oeuvre (enkele van die boeken werden verfilmd met Ousmane als regiseur).
Fotocollage over spoorwegstaking
door Omar Victor Diop (1980)


Militairen

Tussen de hutten werd al gewaarschuwd voor de reactie op de staking. Er was ervaring van tien jaar eerder. De ellende van destijds wordt doorgetrokken naar de komende staking. Dat blijkt niet ongegrond. Na de Tweede Wereldoorlog was er nog steeds dezelfde grotendeels blanke elite en sprake van dedain naar de plaatselijke bevolking. Het leger trekt op om de stakers
wat aan het schrikken te brengen, verklaart de regionale spoorweg directeur (die zijn positie had verworven op grond van het neerslaan van de staking van 1938 en later de steun aan het Pétain regime), en als les dat je als zwarte niet net zoveel moet willen als de blanke werknemers krijgen. Pensioen voor zwarten, kinderbijslag, lachwekkend in de ogen van de blanke leiding. Onder andere een baby wordt de dupe van het geweld, nog niet eens expres, maar slachtoffer van de chaos door het ingrijpen. Het hoopje mens kroop op de verkeerde tijd naar de verkeerde plaats. Er zouden overigens acht doden vallen tijdens die eerste schermutseling. De spoorweg directeur ontkent ze allemaal.

Vrouwen
Er zijn soldaten met geweren met bajonetten en er is traangas, er is de menigte, en er is die baby. Jongeren gooiden stenen naar de soldaten en er zijn de vrouwen die de mannen te hulp komen met knuppels, ijzeren staven en flessen. Het is niet het enige voorbeeld van de strijdbaarheid van de vrouwen in het boek. Die inzet wordt versterkt door lege keukens en hongerige kinderen. Ze gaan zelfs voor 't eerst mee naar de vergaderingen (in Bamako) om zich als slachtoffer van de stakingsbrekers te laten horen, een optreden waar ze trots aan ontleenden. Ze zijn onverschrokken, maar de acties lopen wel eens stevig uit de hand. Maar er is ook een vrouw die een man een klap in zijn gezicht geeft als hij haar op de billen klopt, een reactie die
“tot dan ongezien was.” De vrouwen ondernemen zelfs een grote actie, tegen de zin van een aantal mannen, ze zijn er immers om hun man te ondersteunen, niet om zelf initiatief te nemen. Maar er is ook support: “Als de vrouwen hebben beslist, is het aan ons ze te helpen,” zegt een man. Dat is niet alleen correct, het is hier ook een van de stappen naar uiteindelijk een positief stakingresultaat. De inzet zou ook de ruimte van de vrouwen zelf figuurlijk en letterlijk vergroten. Het is ook een vrouw die het boek afsluit met de gezongen zin uit de Legende van Goumba: "Maar vrolijk is de man die strijdt zonder haat."

Tekst loopt door onder clip

“Rechtop lopend in de verlaten straat begon hij luid te een oude Bambara hymne voor de grondlegger van het Malinese rijk te zingen, de Soundiata.”


Honger als wapen
Het sluiten van de waterdistributie en het verbod om etenswaren aan de stakers en hun familie te verkopen, waren een belangrijker machtsmiddel in handen van de machtshebbers en hun netwerk dan de inzet van het leger. “Echte tegenslag is niet slechts een zaak van honger en dorst; het wordt veroorzaakt doordat er mensen zijn die willen dat je hongerig en dorstig bent,” zegt een moeder die samen met haar kinderen, slachtoffer is van deze aanpak. Het zijn niet alleen de stakers en hongerigen waarmee compassie is. Er is ook een hoofdstuk lang medeleven met een bewaker die leeft in zijn herinneringen en wél doorwerkt tot hij van de honger en eenzaamheid (niemand bezoekt hem meer) niet meer kan.

Krak
Doordat er geen graan meer is, wordt ook de houten vijzel gemaakt in de stronk van een omgezaagde boom niet meer gebruikt. Die bakt in de hete zon en staat verder stil. Je hoort het ruisen van de wind in de bomen eromheen, maar niet meer het ritme van de stamper. Wat je ook hoort is zo nu en dan een krak als er weer een barst in het hout schiet dat niet meer wordt gesmeerd door de olie uit het graan. Dat is een droge metafoor waar het drama nauwelijks verhuld achter verborgen ligt.

Visie
Het boek zit vol terloops uitgesproken strategische overwegingen en reacties op de actie. Van korte opmerkingen als dat deze staking is als de strijd van eieren tegen stenen, tot de constatering dat wat begon met euforie later stuit op zware afwegingen en tegenslag (al kan figuurlijk de rug rechthouden ook dan weer energie geven) en dat visie van de betrokkenen bij de staking veranderd is. Zo komen de spoorwegarbeiders erachter dat de machines grote invloed hebben op wie ze zijn. Maar de machine
“was niet van hen, zij waren van de machine. Toen het stopte werd die les duidelijk.” (Ergens duikt zelfs de bijna klassieke frase op “eigenaars van de machines” die tegenover de stakers staan.) Een terugkerende aanbeveling is dat je aanmerkingen en visies meteen geeft als daar ruimte voor is en dat niet laat om dan later te gaan mopperen op wat fout gegaan is en jij al voorzag.
    Op de achtergrond (ondanks zijn afwezigheid in het overgrote deel van van de roman) is de persoon Bakayoko constant aanwezig. Als hij dan toch in levende lijve opduikt, prikt hij de leugens van de spoorwegmaatschappij eenvoudig door (als blijkt dat er geen kennis is van lokale talen zoals het Wolof, dan doet hij dat wel in het Frans).

Vreemd?
Huishoudens liepen door de staking spaak en dat maakte de centrale positie van de vrouwen erin duidelijk. Bovendien lieten de gekwelde mannen de vrouwen zien dat ook voor hen verandering op komst was. Dat persoonlijke activiteiten in het kader van de staking gevolgen konden hebben voor duizenden mensen gaf daarbij een gevoel van eigenwaarde. Van een andere orde is de constatering dat uit Europa stakingsbrekers werden aangevoerd, maar dat anderen daarvandaan, waaronder de Franse vakbond CGT, juist solidariteitsbijdragen stuurden om de actie door te kunnen zetten:
“Is dat niet vreemd?” vraagt iemand logischerwijs (temeer aangezien de Senegalese spoorwegvakbond niet bij die bond was aangesloten).

Gehoorzaamheid
De woede en acties van de bevolking zorgen voor angst bij de witte bevolking “met de rode oren” (zoals ze werden getypeerd). Maar luisteren naar de eisen van de stakers gaat hen veel te ver. Pas als het echt mis dreigt te gaan, wordt een kleine opening geboden rond de eis van loonsverhoging. Maar je kan die onwetende zwarte kinderen toch niet alles geven wat ze wensen; dus geen pensioen en geen kinderbijslag. Op het spoorwegkantoor naar de stakers luisteren gaat al te ver, want de werkers zijn niet meer dan inferieure onderhorigen “slechts geschikt voor gehoorzaamheid.” Los van de materiële eisen is het afkalven van dit racistische principe met de bijeenkomst op het spoorkantoor in Thiès al enigszins begonnen. Overigens wordt terloops gemeld dat de reden om voor een oplossing te gaan ook de komende pindaoogst is. Die aardnoten moeten vervoerd worden. De handelaren en producenten oefenen daarom druk op de spoorwegen uit om snel tot een oplossing te komen.

Lof
Er is veel lof over dit bijzondere boek uit te storten. Het is boek vol betekenis. Er zijn mooie observaties, grappige en droevige anekdotes, mooie zinnen, nieuwe gedachten, er zijn romances en roddel, er is een gruwelijke gevangenis, een pleidooi tegen haat, etc. Het speelt in een andere dan de bekende (Westerse) wereld, en het laat Frans gewelddadig kolonialisme zien (al krijgen de communisten de schuld) en de beschrijving van een staking en de gevolgen ervan geven het boek een extra betekenis. Onderlinge relaties tussen personages spelen een voorname rol, maar vooral ook heeft de beschreven samenhang tussen de bevolking als geheel een functie bij het gaande houden van de actie.
    Zelfs de constructie van de roman is simplweg mooi. De hoofdstukken spelen in verschillende plaatsen langs de spoorlijn, steeds met hun eigen situatie en personages. Zo verwoorden de afzonderlijke teksten de uitgestrektheid van het spoor. Goed om die reis te hebben meegemaakt.

Welk recht
Bij het lezen vroeg ik me (tegen beter weten in) regelmatig af met welk recht de Fransen daar te keer gingen (hadden ze een inburgeringsdiploma of verblijfsstatus of leden ze aan de misvatting dat het hun recht was het leven elders te vernielen.) De in de roman meest uitgesproken redenen die de opstelling rechtvaardigen waren dat de negers net kinderen zijn, de Fransen het land hebben ontwikkeld en dat de ondoorgrondelijke wegen van God ook hier een bedoeling hebben. Die redenen mogen driekwart eeuw later bij het grofvuil. Ook in het boek zijn er al velen die er geen snars van geloven. Dat geloof werd ook niet versterkt door de imams en priesters die er alles aan deden om de staking te ondermijnen.

Het is goed om de reis langs het spoor te hebben meegemaakt, om te zien dat de gezamenlijke actie sterk genoeg was om veel van de eisen binnen te halen, tegen veel te hoge kosten, dat wel. Maar dat kan je de stakers niet kwalijk nemen. Deze reis verschuift het beeld van de verhouding tussen Afrika en Europa en daar zouden velen hun voordeel mee kunnen doen. Dus. Lees.

Noot:
*
Tijdens een vergadering was er ook een vertegenwoordiger uit Saint-Louis, de stad in het noorden van Senegal en destijds eindpunt van een andere spoorlijn. Dat suggereert dat de staking breder was dan de Daker-Niger lijn. Sterker nog hij leefde ook in Ivoorkust, Guinea en Dahomey (het huidige Benin).