vrijdag 24 april 2026

Ander licht

Rosita Steenbeek schreef de roman Ander licht. Op de omslag staat het schilderij Gezicht op Amersfoort dat in 1671 werd geschilderd door Mathias Withoos. Om deze schilder, zijn familie, leerlingen en met name om zijn dochter Alida onvouwt zich een roman die speelt in de periode 1671-1687. Dat is een periode waarin de Fransen Nederland binnenvielen. Voor het gezin Withoos en entourage betekende dit dat ze Amersfoort ontvluchtten en hun heil in Hoorn zochten.

Hoe oud Alida precies is in de zomer van 1671weten we niet. Haar geboortejaar ligt ergens tussen
1659 en 1662. Haar jonge leeftijd belemmert haar niet verliefd te worden op de oudere leerling van haar vader Jasper van Wittel (geboren in 1653). Die liefde wordt vriendschappelijk beantwoord, maar voor Jasper gaat het schilderen voor. Hij vertrekt in 1675 naar Italiƫ en wordt daar een groot schilder. Het is deze onbeantwoorde jeugdliefde die een draad door het verhaal vormt en tot vervelens toe herhaald wordt. Het is wel een draad die uiteindelijk weloverwogen wordt afgeknipt.

Alida ontwikkelt zichzelf als schilder van planten en komt in dienst van Agnes Block die bij Nieuwersluis een uitgebreide verzameling exotische planten heeft. Op haar buiten aan de Vecht schildert Alida de eerste ananas die in Europa rijpt.* De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Amerika, en een exemplaar staat in een kas op de Vijverhof. In de werkelijkheid is de tekening
verdwenen. Wel is er een ananas geschilderd door Maria Sibylla Merian die ook actief was op hetzelfde buiten en die later (1699 en 1701) naar Suriname zou vertrekken.

Alida kreeg steeds meer opdrachten. Dat blijkt uit de roman, maar ook uit voorhanden zijnde informatie over haar leven. Ze werkte bijvoorbeeld met dertien tekeningen mee aan een serie van negen boeken met 425 tekeningen in opdracht van de burgemeester Joan Huydecoper van Amsterdam en koopman Jan Commelin. De mannen hadden samen de nieuwe Hortus Medicus (de huidige Hortus Botanicus) in Amsterdam opgericht en wilden hun plantenverzameling vast laten leggen.

Zoeken naar Alida en de mensen om haar heen is nauwelijks nodig. Op het internet kom je al snel in een dwaaltuin terecht waar je van de een naar de ander springt, van het ene stads- of bosgezicht naar de volgende tekening met plant, insect of rups.
     Agneta Block en Maria Sibylla Merian* zijn vrouwen die belangrijk zijn in haar ontwikkeling. Zo noemt Maria in een gesprek het voorbeeld van de Christina van Zweden, een Koningin die ongetrouwd bleef en zich helemaal kon ontwikkelen. Deze Maria spreekt tot de verbeelding. Ze heeft onderdak gevonden in een Christelijke gemeenschap van Labadisten in het Friese Wierdum waar men sober leeft en zij de scheiding van haar echtgenoot achter zich kan laten.
     Evenals het leven van Alida en haar omgeving leest het leven van Maria als een verhaal. Ze onderstreept een thema in het boek: dat de vrouw zich zelfstandig en vanuit eigen kracht moet ontwikkelen en de zich aandienende mogelijkheden daarvoor gebruiken. Zowel Alida als Maria kregen van huis uit wel kennis mee die dit mogelijk maakte.

In het boek worden veel schilderijen genoemd (en volgens de verantwoording bestudeerd door de schrijfster), zoals Het laatste oordeel door Jacob van Campen, de leermeester van Mathias Withoos. Het schilderij was bedoeld voor het stadhuis van Amsterdam, maar werd daar geweigerd. Alida bedenkt als reden daarvoor dat deze Christus wel erg van vlees en bloed is met zijn gespierde armen, gebruinde huid en stoere kop. Na het Amsterdamse afwijzen komt het schilderij in Amersfoort terecht.

Maar het boek gaat ook over het mengen van kleuren. Het wonder dat al die kleuren uit de donkere aarde komen en direct, of via bloemen, insecten en slakken, gebruikt kunnen worden als pigment voor het maken van verf. Uit die aarde komt ook het gif dat planten en paddenstoelen kunnen bevatten. Het schilderen daarvan kan een manier zijn om gepassioneerde boosheid te verbeelden, merkt Alida.

Bekende mannen uit de Nederlandse geschiedenis passeren, zoals Vondel, en de ter dood veroordeelde Johannes van Oldenbarnevelt (met een Amersfoortse achtergrond), de gebroeders De Witt die door het volk gelyncht zijn en de populaire admiraal de Ruyter. Steenbeek tekent op dat de De Ruyter tijdens de vermaarde tocht naar Chatham ziek op bed lag en de leiding van de tocht in handen was van Cornelis de Witt. Het is een verhaal dat wat schuil is gegaan achter de populaire geschiedschrijving, maar niet onbekend.

Mannen ontbreken dus niet in Ander licht, maar vrouwen spelen een hoofdrol in het boek. Naast het andere licht in ItaliĆ« (waar veel Nederlandse schilders naartoe trokken, ook in deze roman), zijn de spots dus anders gericht dan doorgaans, meer op hen die er vaak bekaaid vanaf komen. Het is jammer dat dit verhaal wat houterig is geschreven, met meer aandacht voor de historische gegevens dan voor de taal die de lezer voorgeschoteld wordt. Als je daar overheen leest dan is het toch een onderhoudende roman. 

Noot:

* De drie genoemde vrouwen Agnes Block (1629, pp. 417-419), Maria Sibylla Merian (1647, pp. 472-475) en Alida Withoos (ca. 1661, pp. 524-525) worden allen genoemd in '1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis'; samengesteld door Els Kloek (uitgeverij Van tilt: Nijmegen, 2013). Het blijkt maar weer eens dat dit een boek is dat als naslagwerk in de kast moet staan.
     Block was zo trots op haar ananas dat ze er twee maal mee is afgebeeld, over het leven en werk van Merian zijn minstens tien romans verschenen en over Alida Withoos wordt geschreven dat er na haar huwelijk in 1701 geen gedateerd werk meer van haar bekend is en dat dit ook nergens meer wordt vermeld.

vrijdag 17 april 2026

Afrit Akersloot

Carola Houtekamer en Freek Schravesande, een duo NRC-Handelsblad journalisten, schreef Afrit Akersloot met de lange ondertitel: 'Een reis langs plaatsen waar niemand de baas is. Het titelverhaal gaat over het Van der Valk Hotel net boven Uitgeest en onder het dorp Akersloot, 'n dorp dat naar een pontje klinkt.

Van der Valk hotel
Het hotel wordt bestiert door Steve en Sanne. Niet met zoveel buitensporige ziel en zaligheid als zijn ouders er in stopten, maar met zo'n zestig uur per week nog steeds fors. Het verhaal beschrijft een van de loten aan de familie-Van-der-Valk-hotelketenboom (nu al in zijn zesde generatie) en vat in snelle streken het begin en wat daar tussenin lag. Ook de broers en zus van Steve hebben zo'n hotel. In die zin gaat het juist over een familiestamboom vol bazen. Maar het gaat ook over de gasten: de vertegenwoordiger die zijn relaties warm houdt, de directeur die zijn secretaresse warm houdt, het Marokkaanse stelletje dat de vorsende blik van de ouders ontvlucht, de leisuregasten op e-motorfiets, opa en oma met kleinkinderen, leiderschapstrainers etc. Die gasten lijken redelijk vrij in hun doen en laten, ook al wordt niet alles gewaardeerd. Je belandt met de schrijvers tussen hen, het personeel, en daarmee in kringen die je niet kent.
     De opdracht aan journalisten zoals verwoord in de inleiding en die eerder gebruikt werd door Gerard van Westerloo en Elma Verhey, was zoek een plek waar niks aan de hand is, ga zonder plan, spreek met iedereen (niet over ze) en stop pas als je verhaal af is. Hier gebeurt dat.
     Deze eerste reportage is de op een na langste van het boek en belooft veel voor de rest.
Plaats delict
Het volgende korte hoofdstuk speelt in Hardinxveld-Giesendam. Het beschrijft het moeilijke leven van een man die dood en verzwaard in het kanaal eindigde en vergeten had moeten worden. Maar een visser haalde hem boven. Er wordt in en rond het dorp gesproken met mensen die de moord toejuichen, het slachtoffer zagen als iemand die expres kindertjes op de dijk probeerde aan te rijden, en een
ander die juist de mooie kanten van Johan zag en er op wees dat hij cadeautjes voor zijn kinderen meenam. Het gaat over ruzie, de kop en het maaiveld, nieuwkomers in een gesloten gemeenschap en over dat iedereen zijn verhaaltje klaar heeft en dat de kroeg als tamtam werkt.
Industrieterrein
In Nederland zijn overal industrie-terreinen vol prefab loodsen, kantoren, magazijnen e.d. Het zijn plekken waar je nog niet dood gevonden wilt worden. In totaal waren er (in de tijd dat boek geschreven werd) 4.148 met een totale oppervlakte 841 km‘. Er werkten 7.000 mensen bij 265 bedrijven op het hier besproken terrein: de Liesbosch bij Nieuwegein. Samen drinken die dagelijks zo'n 3.500 liter koffie (of wat er op lijkt). Feiten zijn inderdaad deel van het verhaal.
     Veel van de infrastructuur is niet eens van de gemeente; het onderhoud laat dan ook te wensen over. Je ziet op zo'n plek heel veel, maar dus ook
het belang van een overheid.
     Er is van alles van bouwmarkt, hengelsportverzendhuis, tot bordeel en Portugese kerk. Of alle vier duizend terreinen zo kleurrijk zijn? Geen idee, maar een verhaal als dit verandert en verruimt je kijk op dergelijke terreinen.
Schiphol

'Een zomer rondhangen op Schiphol,' heet het volgende hoofdstuk. Het is verdeeld in negen sub-hoofdstukjes. Het linkt passief: rondhangen. Hoewel het werk van de journalist nauwelijks wordt genoemd – en eigenlijk alleen als stoorzender bij het werk – begrijp je als lezer dat je niet vanzelf mee kan kijken in de ruimte van de luchtverkeersleiders; dat spreken met de observant in burger pas kan na herhaalde verzoeken; en in de bagageafhandeling zien ze liever geen vreemden. Toch wordt ook vanuit die krochten over Schiphol gesproken.
     Maar ook daklozen – Iris:
“Ik dacht al wanneer komt ze bij mij” – en schoonmaker Ali komen aan het woord. Schiphol is geen Nederland. Dat zie je meteen. Het is een vluchtige stad met gladgeboende straten en glazen wanden, winkels met drank, peperdure diamanten en IT-consumententech. Zoals Schiphol zijn er nog honderden anderen plekken, veel maar op een paar uur afstand. Maar Stad? 
     Is Schiphol niet vooral een lawaaierig 'logistiek proces' om tientallen miljoenen mensen, hun bagage en vracht snel en vervuilend van A naar B te brengen? Ik denk het vooringenomen wel. Bij schrijfster Tokarczuk kwam ik al eens 'de topografische reispsychoanalyse' tegen om het snelle reizen door de lucht te kunnen begrijpen en om aan die duiding geld te verdienen. Het beeld van het vliegveld als een stad, blijft wankelend overeind, maar wel als net niet kloppende metafoor.

Camping
Daarna naar Brabant, een camping met vaste bewoners in stacaravans. Zo'n camping waar je uitgerust met een klein tentje meteen ziet dat je er niet past, en vaak ook niet wilt passen. Hier loopt het flink mis. De eerste inleidende alinea sluit af met de zin: “Ze heeft zojuist een moord gepleegd.” Ze is Lenie H. Ze schoot met een Heckler & Koch pistool de campingbaas in zijn gezicht om vrijwel niets: een akkefietje, onvrede met alles en bijna iedereen, en uit een soort melige verveling. Schiet jij of schiet ik, overlegde ze met haar vriend vlak voordat zij het deed. Richten en een kleine knik met de wijsvinger en de partner van de campingbaas blijft achter met haar twee zoons. Een week werk, met als resultaat schrijnend portret in negen pagina's. 

Haagse volksbuurt

In de Haagse Spoorwijk is armoede troef (het gemiddelde maandinkomen lag er met €1.500 p.m. bijna en kwart onder het Nederlandse gemiddelde van €1.933), er is een afkeer van gezag (in volgorde van aversie: de gemeente, het Binnenhof, de EU, woningbouwvereniging Vestia en de politie). Maar er is ook boven gemiddeld veel saamhorigheid (wat elders in het land noaberschap is gaan heten, alsof het alleen op het platteland voorkomt).
     Een moeder van zes zonen had haar huis altijd openstaan voor hen en hun vrienden. Uit die huiskamer zou de Quote 500 bende geboren worden. Een groep die inbrak bij de extreem rijken en gepakt zou worden. Het heette een slag voor de georganiseerde criminaliteit. Er wordt om gelachen in Spoorwijk. Niets is hier georganiseerd, zegt de wijkfilosoof:
“Misdaad niet, relaties niet, kinderen niet. Het komt op je pad.” Moeder, de Haagse versie van Ma Baker, moet vertrekken van Vestia, maar de bewoners startten een handtekeningenactie voor haar. “Op de lijst staan namen van alle nationaliteiten. Er is niemand die haar iets verwijt. 'Het is een hele lieve vrouw'.” Het zijn woorden uit een andere wereld met eigen mores. Intussen wordt het aangelegde parkje zo deugdzaam bewaakt dat vrijwel niemand er komt. Regels en normen van buitenaf kunnen de plank flink misslaan.
     Er is meer. Er zijn Centraal Aziaten en Oost-Europeanen die 's morgens heel vroeg met busjes gehaald worden om voor een grijpstuiver te werken. Iets later worden de inpakkers en plukkers voor in de kassen opgehaald en nog weer later de mensen met een net wat beter baantje, heftrucchauffeur wordt in dit verband genoemd. In het algemeen geldt hoe later op de ochtend je vertrekt, hoe beter je positie. Maar uurlonen zijn voor die hele klasse van arbeiders zonder (normale) status extreem laag.
     Weer dompelen de schrijvers de lezer onder in een onbekende wereld, de wereld van het dorp in de stad. Daar waar een Arubaanse ex-marinier zich niet liet wegpesten door de buurtschoffies, waar moeders het bindmiddel zijn, omdat de vaders vaak vertrokken. Waar pas bij een weerbaarheidstraining wordt geleerd dat je ook 'nee' tegen je kinderen kunt zeggen.
     Je weet zeker dat er veel meer van dit soort stukken geschreven kunnen worden en dat ze er toe doen.

Borssele
Afslag Akersloot sluit af met een verhaal om een dagje rond te gaan hangen bij de kerncentrale in Borssele. Het werd maar een moment. De schrijvers kwamen er per lift en de liftgever vond dat de journalisten beter met hem mee konden gaan. Zo werd het hoofdstuk een verhaal over een Italiaan die in Zeeland terecht was gekomen. Dit voorbeeld van gastvrijheid die het plan wegvaagde, was wel de kortste en minst interessante van de zeven rapportages.

De stukken zouden zomaar voorstudies voor (delen van) een roman kunnen zijn. Ze lezen ook in deze rapportage stijl al fijn weg. Het aanrommelen zonder deadlines, zonder voortgangsrapportages, en zonder outlines vooraf, leveren een kijk op de wereld naast je, die je misschien niet ziet, maar door dergelijke stukken wel meer gaat zien. Achter een krantenbericht, zoals 'Vrouw vermoord campingbaas om onbekende reden,' blijkt een verhaal schuil te gaan met meer kanten dan gedacht. Georganiseerde misdaad blijkt een enorme overdrijving en raakt kant noch wal en daarmee komt de verkeerde oplossing.
     Niet de Staat-maar-de-Straatjournalistiek slaat vaak door naar rapportages waarin een microfoon onder de neus wordt geduwd van iemand die 'Weet ik veel,' zou kunnen zeggen, maar uit zelfrespect of teveel eigendunk toch liever met een mening komt, ongefundeerd of niet. Hier is ook de samenleving aan het woord, maar wel in vorm die het waarde geeft en de lezer inzicht en context. Ik heb het boek gelezen zoals ik ook romans lees. Meer van dit.


donderdag 16 april 2026

Puzzelstukjes




Als ik begin met dit stukje heb ik nog geen idee of het ook op het blog zal worden gezet. Maar ik merk wel dat ik het schrijven en steeds weer bijschrijven nodig heb om zaken rond mijn gezondheid van me af te zetten en te overzien. Je moet wel vermijden dat door zaken op te merken en zwart-op-wit te zetten ze opdringerig haken in het bewustzijn en groter worden dan in de bewegelijkheid van de realiteit. Maar los hiervan ...

Er kwam onverwacht een kwartet bij: een kwartet met chronische kwalen. Twee extra kreeg ik dit jaar al. De suiker had ik inmiddels als minnetjes afgedaan, mijn huisarts noemt het al een paar jaar 'glucose gevoelig'. Zelfs wist ik dat met veel fietsen de boel onder controle zou blijven. Zo niet dan zou de gevoeligheid flux gewoon weer diabetes worden. En zo bleek het in februari ook te gaan. (Dat ik dit wel voelde maar niet mat kwam doordat de strookjes over de houdbaarheidsdatum heen waren en niet meer zo goed werkten. Oh wat dom.)
     Vanaf vandaag (20/2) ga ik proberen weer net wat langer te trappen op de hometrainer en daarmee zal mijn lichaamsgewicht ook wel weer afnemen en vervolgens de hoeveelheid suiker in mijn bloed.

De longarts meende dat ik moest kijken of ik over drie maanden weer op het oude conditie niveau zou kunnen zijn. Het was een gesprek waar door een knalwoord mijn aandacht was verdwenen. Misschien dat ik daarom ook niet meteen reageerde met de visie dat ik dat niet zou halen, zelfs helemaal gezond zou dat me niet lukken.
     Vijf maanden nauwelijks sporten, betekent vijf maanden weer opwerken (die heldere verhouding heb ik overgenomen van Annemiek van Vleuten). Heus ik vergelijk me niet met de krachtpatster uit Wageningen, maar op een lager nivo doe ik mijn voordeel met haar ervaring en schema. Zelf heb ik sinds 2022 ook heel wat meegemaakt met het weer opvijzelen van de conditie. Ach en dan kijkt zo'n arts naar mijn verweerde gelaat met grijze baardje en schat me in als oude man die moet bewegen voor zijn gezondheid. Maar 5 x per week 50 km a 48-50 km/uur op de hometrainer en dan nog ruim 200km buiten op een gewone fiets a 20 km/u is niet top, maar wel serieus sporten. (Nog voor de lente begint heb ik wel weer mijn buikspieroefeningen en het bidonheffen op het gewenste niveau. Het hometrainen moet nog wat krachtiger worden (meer weerstand), maar de duur is ook al weer naar een uur. In april zal het caloriĆ«n verbruik p/u al wel weer op de doelstelling zitten, zo verwachtte ik, maar heb dat toch niet gehaald. Met een paar minuten meer trappen lukte het. Nee ntevreden ben ik niet.)
     Terug naar de arts. “Nee mijnheer dat streven heb ik laten vallen. Ik was van plan om over drie maanden van Basel naar Milaan te fietsen. Dat gaat niet, zo heb ik al bedacht. Ik ben daarvoor dan niet voldoende sterk.” Dat had ik kunnen zeggen. Ik antwoordde wat vaags en mompelde nog wat. Hij schreef een aanpak, waarin een leven lang een vervelend medicijn.
     “Is dat nodig,” vroeg ik om nog eens te laten merken dat ik geen voorstander was van pillenslikkerij.
     “Ik kan het U niet verplichten,” antwoordde hij en “door uw andere kwaal bent U extra gevoelig. Het is aan U.”
     Om zijn deskundigheid kon ik als mislukte kok en falende journalist niet heen. Hij heeft er vele jaren voor op school gezeten, gestudeerd, geschreven en co-schappen voor gelopen. Maar niet meteen slikken, maar wat sputteren zou een andere aanpak op kunnen leveren. Helaas. Met drie zoektermen kwam ik vrijwel meteen bij medisch tijdschrift The Lancet terecht en dat rapporteerde over een onderzoek dat zijn verhaal staafde. Een leven lang dus. Na drie maanden weer terug om te controleren of het beter gaat. Een tienrittenkaart en restant eigen bijdrage in mijn portefeuille om uit te geven en af te stempelen. Het gaat allemaal op. De kwaal die er onder ligt, krijgt iets meer aandacht en als het nodig is meer dan dat. We zullen zien. Voorlopig maar een kwartaal genieten van de lente en een paar weken zomer en zelf eens kijken waarom een preventieve behandeling - waar ik helemaal niet op zit te wachten - ook achterwege gelaten kan worden.

Ondertussen werd wel weer een puzzelstukje gelegd in het verhaal dat begon met een oog. Voor dat oog kijk ik iedere dag in drie sessies een aantal keren scheel naar een draakje. Twee maanden lang. Later kwam daar een stippen kaart bij. Nog drie maanden oefenen. Van iedere stip maakt mijn schele oog er twee. De lijn die er door loopt vormt een kruis dat ik door mijn oogspieren te spannen kan verschuiven. Ik vind het echt een geweldig leuke oefening. Wat je ziet is, is wat je wilt zien. Een lijn en niet twee maal zoveel stippen. Dat de rechte lijnen vervormd worden; letters op een pagina lijken te dansen en meer op Bengaals dan op Latijns schrift lijken, maakt dat dat ene oog meer last dan goed lijkt te doen. Maar het geeft nog een beetje een indruk van diepte, maar verder vooral last. Begin 2027 mar eens kijken hoe het verder moet: jampotje op, of juist donkerglas om het minder te gebruiken? 
     De medicijnen die ik tegen vocht in mijn netvlies gebruik, wilde de app van het andere ziekenhuis niet slikken. (Het leek er zelfs op alsof dat alles buiten hun beeld bleef, terwijl klachten die al van de kwalenlijst afgevoerd waren, maar een geschiedenis in hetzelfde ziekenhuis hadden wel gememoreerd werden). Iets gaat er fout met de informatie overvloed in de app gedreven gezondheidszorg. Opletten maar.
    Begin maart bij de tandarts: doorschemering, waaronder niet ƩƩn, maar twee gaatjes in ƩƩn kies. Het zou eens niet uitbundig zijn. Maar om positief af te sluiten: ik werd door medici “een vitale man” genoemd die “spreekt in volzinnen” en is uitgerust met allitererend “mooie lange longen”, en “wat kunt u goed scheel kijken,werd me gezegd en bij de in China en Iran geboren tandartsen had ik “het goed gedaan, maar het lijkt me vooral zij bij mij.
     En die kwalen? Volgens de een valt dit wel mee: “Ik heb het zelf gehad,” of “Ik iemand die het ook had, heeft weinig om het lijf,” en “Oh heb je dat.” En nee, bij mij is het niet zo ernstig, maar ik heb twee mensen dood zien gaan in mijn naaast omgeving aan een van die kwalen. De twee andere ziektes waren zware gevallen. Het is bijna of de leken van deze wereld op grond van eigen ervaring of die in hun omgevig zien hoe erg jij getroffen bent. Je zou al die scanners en artsen zo af kunnen schaffen en bij hen langs kunnen gaan voor een diagnose. Dat heb ik dan weer geleerd. 
     Anderzijds werd me pijnlijk duidelijk dat wat me overkwam ook moet worden gerelativeerd. Op dat oog na is het verder allemaal oplapbaar of voorlopig nog niet alarmerend; een tijdelijke dip. Nu weer verder de schoonheid van het leven in om tegelijkertijd met zoveel mogelijk kracht het lelijke te bestrijden (ik wil het blijkbaar toch niet laten). Als ik dan toch over mijn eigen persoontje wil schrijven, laat ik dan het mooie dat ik de afgelopen twintig jaar meemaakte bekijken en verwoorden en eens kijken hoe ik geworden ben wie ik ben. .

vrijdag 10 april 2026

Fair Play

Fair play (1989) is een boekje geschreven door Tove Jansson. Het speelt grotendeels op een eiland van de Finse Scherenkust, een van de mooiste gebieden van West-Europa. Jonna en Mari wonen er elk aan een kant van een appartementencomplex. Via de zoldergang kunnen ze elkaar bereiken. Beide zijn kunstzinnig, de een graficus de ander schrijft en tekent.

Het boek bevat foto's van de schrijfster die vooral bekend is van de verhalen over de Moemins en anderen wezens in hun bijzondere leefwereld. Fair Play is geen fantasieverhaal, maar gaat over de twee vrouwen, hun relatie en wat ze beleven. Marja Pruis beschreef voor de Groene Amsterdammer onder meer de overlap tussen fictie en werkelijkheid. Is het een verhaal, een roman, of zijn het losse verhalen? Of zijn het losse verhalen die samen een op de werkelijkheid gebouwde roman vormen? Dat laatste lijkt me.

Een groot deel speelt in Finland: in het atelier van Jonna, het huis van Mari, in een bootje of achter de TV waar ze een film bekijken. Maar er wordt ook gereisd, zoals naar de grote stad Phoenix waar ze in hotel Majestic verblijven. Het is een hotel met een kleine,
oude portier, een heel oude liftbediende (het hele hotel is op leeftijd), en het levendige kamermeisje Verity; dat los van die functiebenaming toch groot is, met rode wangen, en een bos zwart haar. Ze vat haar taak om de kamer in orde te brengen nogal ruim en met speelsheid op. Als de twee zeggen dat Phoenix een doodse stad is dan neemt zij ze mee naar Annie's bar waar de hit 'A horse with no name' uit de jukebox komt.
     Net als in alle andere hoofdstukken loopt alles net wat anders dan je verwacht dat het zou moeten lopen, verschillen de gesprekken van de gesprekken die je kent, en wordt gefilmd wat niet geflimd kan worden, maar slagen sommige beelden niettemin goed. 



Op de voorkant staat een tekst van schrijfster Ester Freud: “Een boek over liefde – teder, excentriek en uiterst onafhankelijk van geest. Het voelt als een voorrecht het te mogen lezen.” Het is een een tekst die het boek past als een schipperstrui, met daarin wat gaten. Ik zou schrijven “liefde, frictie en vriendschap – teder, soms ook wat direct, bot, exentriek, en uiterst...”. Het is een prettig boekje, waarin valse opsmuk is verdwenen en dat grotendeels speelt in een beperkte ruimte, maar waar toch heel veel gebeurt.

Er is een storm en de boot van Jonna, de Viktoria, ligt op het water aan vier touwen. Zal die boot het houden? Niet zinken? Zeker als het bij de stevige wind ook gaat stortregenen is die kans groot en dan kunnen de vrouwen hem niet meer bewaken. Hoe diep is het water op die plek, liggen er stenen waartegen ze kapot kan slaan, is het rustig daar beneden? Naast deze metaforische vragen vertellen beide vrouwen grotendeels langs elkaar heen over de mooie avonturen met en van hun vaders, die allebei Viktor heetten. De Viktoria zou de storm overleven. Het hoofdstuk, schijnbaar een miniverhaal, gaat over meer dan deze haasje-over-beeldspraak, zoals over oplossingen zoeken (en niet vinden), het niet nodeloos praten, maar ook over het vergeten zijn aan de vaders vragen te stellen om meer over ze te leren. Er waren andere bezigheden die de aandacht opeisten toen ze jonger waren, zoals werk en verliefd zijn:
“Maar we hadden het toch best kunnen vragen”.

Voor de heruitgave van het boek schreef de Schotse schrijfster Ali Smith een inleiding. In een tekst van acht pagina's pluist ze het boek uit en zet de schrijfster neer met haar eigen woorden:
“Werk is het belangrijkste voor me. En daarna liefde.” Het is een citaat dat Mari, maar ook Jonna typeert. Jansson schreef elf boeken specifiek voor volwassenen. Smith noemt de Janssonstraditie: over niets bijzonders gaan en toch over alles. Tegelijkertijd gaat Fair Play niet gering “over hoe je oude manieren van kijken kunt afschudden, dingen anders kunt zien, verlost kunt raken van wat 'hopeloos conventioneel' is en dat vervangen door iets hoopvollers,” zo stelt Smith. Bewonderend schrijft ze over hoe de relatie tussen de beide vrouwen wordt beschreven. Fair Play is een kunst.”

Tove Jansson’s met partner Tuulikki PietilƤ bij hun
huisje op Klovharu. (Foto opgenomen in boek, hij is ook
in kleur op het internet te vinden.)


Op de voorpagina een tekening van Jansson. Achterop staat ze zwemmend met wat op het eerste gezicht een geweldige badmuts lijkt, maar een bloemenkrans is. Beide beelden en een aantal foto's in het binnenwerk krijgt de lezer erbij. En dan zit ook het karakter met een K, de lange Wadyslav nog in het boek. Hij is een poppenmaker en -speler van 92 jaar met schijnbaar eindeloze hoeveelheden energie die meent dat het enige dat van belang is: “niet moe worden, nooit ongeĆÆnteresseerd of onverschillig raken of je kostbare nieuwsgierigheid verliezen – dan sta je jezelf toe te sterven. Zo simpel is het, nietwaar?” Amen.