Posts tonen met het label Kamel Daoud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kamel Daoud. Alle posts tonen

vrijdag 22 mei 2026

Zabor


Zabor* is een loodzwaar boek van Kamel Daoud dat zich afspeelt in het dorp Aboekir in het postkoloniale Algerije. Hoofdpersoon Ismaël is er geboren in 1970. De huizen van de Fransen staan er nog en worden inmiddels bewoond door Algerijnen. De Franse begraafplaats is een plek om rond te hangen en wijkt met zijn grafzerken en kelders af van de plaatselijke ruimte voor de doden. 
     Hoewel de dood in het boek zeer aanwezig is, gaat het nog meer over schrijven en over taal. Schrijven is verlichten, bedenkt Ismaël in de avondzon. Als het moet schrijft hij tussen de zerken of nabij een stervende. Het beschrijven van het leven van een iemand die de laatste adem uit gaat blazen, voorkomt dat die persoon dood gaat. De woorden rekken het leven, zo meent Ismaël. 

Hij werkt al jaren aan het boek Zabor. Schriften vol heeft hij inmiddels geschreven in een vreemde taal die de zieken genas en ook
“het prestige van de voormalige kolonisten in stand hield.” Hij maakt notities op nachtelijke rondes tussen de huizen over de personen van het dorp.** Het gaat mis als hij bij het sterfbed van zijn vader wordt geroepen. Zijn gave hapert. De relatie tussen beide is zeer problematisch. Als jongen is hij samen met zijn moeder het huis uitgezet nadat zijn oudste broer Abdel hem ervan beschuldigde dat hij hem in een put gooide. Volgens Ismaël was dat een leugen. Zijn moeder zou in de woestijn achterblijven en hij zou haar nooit meer terugzien. Een Christelijke achtergrond zorgt bij dergelijke ontwikkelingen onvermijdelijk voor het leggen van associaties. 
     Hij werd meegenomen door een oom en kreeg samen met zijn tante Hadjer en opa Hbib onderdak van zijn vader, de rijke slager Hadj Brahim, in een huis onder aan de heuvel, waar zijn vader boven woonde. De herkenbaar (zonder dat de ziekte genoemd wordt) dementerende opa was zijn taal kwijt en daarmee een deel van het leven. Opa zal sterven op zijn schoot als Ismaël veertien is.
      Later begon hij toch het leven van zijn vader te beschrijven, toen die stervende was, pennen alsof zijn zielenheil er van afhing. Dat proces mondt na een leven van verwaarlozing uit in een extase. Een vervoering die je ook als waanzin kan beschouwen.

Tijdens het schrijven van deze bespreking overkomt me wat ook tijdens het lezen gebeurde; de ene passage tuimelt over de volgende, het ene idee over het andere. Welk gegeven, welke ontwikkeling of welk personage moet er hier nu komen in deze tekst? In het verhaal wordt dat tuimelen typografisch gedeeltelijk opgelost door kleinere letters tussen haakjes te gebruiken bij een inval tussendoor of bij wijsheden gesproken door de zogenaamde 'innerlijke hond.' 
     Goed dan, laat ik tante Hadjer nemen. Ze kon niet lezen, ook de ondertiteling niet bij de Bollywood films in het Hindi met haar favoriete acteur
Amitabh Bachchan, waar ze stapelverliefd op was. Ook voor Ismaël gaat de Franse ondertiteling te snel. Het draait erop uit dat hij aan de hand van wat woorden, de beelden en gezichtsuitdrukkingen zelf een verhaal bij de films gaat maken. De verliefdheid van zijn tante gaat zo een ongemakkelijk sensuele rol tussen hen beide spelen. Dat was schandalig en leuk tegelijk, zo constateert hij later. Door deze band wordt ook al snel duidelijk dat er niet voor iedereen evenveel taal is.
      Taal kent vele toepassingen. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt als magisch medicijn in volgeschreven miniatuurboeken die om de nek van de patiënt hangen. Na enige tijd werd de inkt opgelost en het verkregen vocht opgedronken om het lichaam ermee te sterken en bezetenheid te verdrijven. De 5.436 schriften die Ismaël vol heeft geschreven worden dan weer begraven tussen de wortels van de bomen; een manier om het papier terug te geven aan de bron.

De taal in Aboekir had niet de bedoeling de wereld te ontcijferen, maar was gevuld met macht, het weergeven van kennis en de regels rondom bezit. Ismaël, die later Zabor wordt, wil die taal anders gebruiken. Het boek vertelt hoe klein de taal thuis is vergeleken met de taal op school. Thuis lijkt de taal vuil, flets en banaal. De taal van school blijkt uiteindelijk ook zijn zwakheden te hebben. Hij bevatte veel woorden voor doden, het verleden, plichten en verboden, maar weinig treffende woorden voor het leven van alledag. Die schooltaal was thuis dan ook als een vis op het droge. 
     Het gaat in het dorp waar nauwelijks boeken zijn, en veel van de bewoners analfabeet, ook over lezen. De schriften met de teksten over stervenden die Sabor schreef, hebben allemaal een werkelijke boektitel. In het boek staan er op een pagina een aantal bij elkaar:
In de ban van de ring, het prachtige Een zeeman door de zee verstoten, De pest*** e.a. Door het boek heen worden er zo tientallen boektitels vermeld. Die gaan daardoor bestaan. De tekst in de schriften die Ismaël erbij schrijft is wel nieuw en anders. Stiekem komen er zo toch een paar planken met boeken de roman van Daoud binnen geschuifeld en belanden in het dorp waar weinig andere boeken dan de Koran zijn. 1001 Nacht is ook zeer aanwezig. Maar Zabor is andersom bedoeld dan deze beroemde raamvertelling; niet om het leven van de schrijver/vertelster te redden, maar zoveel mogelijk levens van anderen.
     Een veel genoemd boek is Robinson Crusoe dat wordt geanalyseerd er waarop voort wordt geborduurd. Nog aanweziger is de Koran. Dat boek begint met de opdracht: Lees! Waarom niet 'Schrijf!' vraagt Ismaël zich af en wat valt er te lezen als er nog niets geschreven is? Er zijn voorbeelden te over hoe beknellend Ismaël de islam ervaart; het geloof waarvan zijn vroege naamgenoot volgens de overlevering de oorsprong was.
    Hij schrijft in de taal van de voormalige kolonisator – die hij leerde door de erotische getinte thriller
Het vlees van de orchidee te lezen –, daar komt dan nog bij dat hij (als zoon van een slager) geen vlees eet, flauw valt bij het zien van bloed, sceptisch staat ten opzichten van de Koran, en hij verliefd is op een uitgestoten vrouw met twee dochtertjes die niet toevallig Djemila heet (in de Koran staat deze naam voor schoonheid van gedrag.) Hij valt duidelijk uit de toon. Met het loslaten van de Koran en rituelen daaromheen krijgt Zabor ook steeds meer de overhand over Ismaël. De conflictstof ligt voor het oprapen. De schrijvende protagonist, is dan ook beducht voor de imam die de tekst van de Koran volgt waarin staat: “En de dichters worden gevolgd door de dwalenden/Zie je niet dat zij in iedere vallei ronddwalen.../...en zeggen dat zij dat niet doen.” Maar deze voorgangeer blijkt hem echter te helpen als dat nodig is.

Als iemand in een put wordt geduwd dan doemt als vanzelf de Bijbelse snoever Jozef op, die het ook niet kon vinden met zijn broers. In Zabor zit een verwijzing naar hem met de opmerking dat in de Koran een geschiedenis met afgunstige broers goed afloopt voor het slachtoffer. Jozef zou door de gemene treiterij en wat tussenstappen een voorname positie verwerven aan het Egyptische hof. Jozef is de enige niet die hier genoemd wordt met een vermelding zowel in Koran en bijbel.
Ook Jonas komt er in voor. De schrijver zelf leeft ook tussen beide religieuze werelden.
    Ismaël blijft ook aan de zijkant van de samenleving staan als zonderling. Heel even als hij naar eigen zeggen iemand in leven houdt met zijn woorden is er waardering voor hem, maar vaak zelfs dan niet. Zijn naam doet aan een ander verhaal denken. Ook hij wordt immers met zijn moeder de woestijn in gestuurd. Niet door Abraham maar door zijn vader, de slager, die zijn vrouw en zoon afdankt. Dat laat littekens na waarvan de genezing
– indien al mogelijk – niet evident is. 

Ismaël voelde zich verantwoordelijk voor de levens van zijn dorpsgenoten, voor het hele dorp. Schrijven verbindt leven, geeft inzicht en haalt wat verloren leek te zijn weer terug, zo onderstreept Zabor. Uiteindelijk verwaaien zijn volgeschreven pagina's en ligt zijn vader dood, zonder dat hij nog bij de stervende is geweest. Zijn manisch schrijven heeft vader niet gered. Schrijven blijkt geen wondermiddel dat leven vasthoud of de doden opwekt. Schrijven is belangrijk, maar minder dan de man is gaan denken in zijn waanzin die voortkomt uit zijn gemakeerde leven in een knellende omgeving. 

De versie van Zabor die ik las, kwam van de bibliotheek. Een vorige lezer heeft er een boodschappenbriefje in laten zitten voor eenvoudige etenwaren en een fles wijn. Met enige fantasie is op de achterkant daarvan een deel van een foto van een muur in Aboekir te zien. Er zijn mensen die dergelijke lijstjes sparen. Het is ook taal, ook schrijven, en in zijn simpelste vorm ordenend, maar het gaat niet de diepte in zoals gezocht door Daoud in zijn boek. Zoveel diepte dat bij het lezen soms de vraag opdook of het niet teveel losraakte van de werkelijkheid. Maar dat is precies wat Ismaël/Zabor overkomt en wat hem treft in het laatste deel: De extase. De woestijnwind neemt zijn schriften mee en de bladen vliegen door het dorp. Hij is ontworteld; de waanzin nabij. Zijn schrijven heeft geen greep op het leven gegeven.
     De opdracht vooraf laat zien dat dit in de werkelijkheid van de schrijver anders ging:

Aan mijn vader Hamidou
Die me zijn alfabet naliet
Die zo waardig stierf
Dat hij zijn dood versloeg.

Het boek is geschreven in drie steden: Oran in Algerije, Tunis en Perugia in Italië, waar hij onderdak vond bij de Civitella Ranieri Foundation. In Algerije zijn alle boeken van Daoud inmiddels verboden en zijn visie op de geschiedenis van het land en de islam wordt hem niet – om het zwak te formuleren – in dank afgenomen. Vanwege woede over de roman Zabor werd het graf van zijn vader vernield. Zijn laatste boek, Houris (rondom een vrouw die in de burgeroorlog van de jaren negentig werd verminkt), schreef hij in Parijs. Algerije had hij inmiddels moeten verlaten. Het is schrijven op het scherp van de snede wat hij doet.

Noten:
*
“Volgens de islam is de Zabor een van de heilige boeken die vóór de Koran zijn geopenbaard. Het wordt vaak vergeleken met de Psalmen,” zo wordt vermeld op de pagina met de colofon. Bijna de helft van die psalmen wordt toegeschreven aan David, de herdersjongen die koning werd. Er is een wiki met meer uitleg over de paralellen tussen beide. De Engelse uitgave heeft als titel Zabor, or The Psalms.
** Dit verzamelen van informatie over personen is later een delicaat onderwerp geworden, aangezien in zijn laatste roman
Houris sprake is van informatie verkregen door het medisch geheim te schenden, tenminste dat wordt hem aangewreven. Sowieso staat zijn schrijversloopbaan bol van uitgesproken meningen en is als gevolg daarvan vol van de strijd en controverses. Ook in Zabor neemt hij geen blad voor de mond.
*** Albert Camus (van De Pest) stond ook aan de basis van zijn succesvolle eerste roman Moussa of de dood van een Arabier die De vreemdeling vanuit lokaal perspectief liet zien.

woensdag 31 juli 2019

Boeken in juli


De trein naar Pavlosk en Oostvoorne is een verhalenbundel van Toon Tellegen over zijn opa. De verhalen zijn met zijn bekende vederlichte handen geschreven. Hij verbindt waarheid en fantasie; in Oostvoorne is immers in de verste verte geen trein te vinden. In Pavlovsk (bij St. Petersburg) wel, maar daarvandaan zijn opa en oma gevlucht naar Nederland en het zal geen reisdoel meer zijn.

Toon Tellegen, schrijver van Nederlandse pareltjes, is het kleinkind van een vluchteling voor de revolutie van begin vorige eeuw. Die komst verrijkt Nederland nu met verhalen uit St. Petersburg en met petit histoire over de tsaar die in een van de verhalen in zijn been wordt gebeten door een hond, waarop de tsaar alle honden uit het hele land laat afmaken.

Tellegens verhalen in dit boek beschrijven een man die in zijn hoofd leeft met daar waar hij vandaan komt en met wie en wat hij daar kende. Zo schildert Tellegen een man die handelaar was in huiden en levensmiddelen met een blik op het Rusland van voor de revolutie. Opa vertelt verhalen over de dood. Vertel die jongen toch mooie verhalen en niet zulke sombere, zegt zijn oma dan. Nederland was eerst zijn markt en later zijn toevluchts- en verbanningsoord.

Zo ontstaat ook een beeld van de jongen die luisterde, opschreef en uit die verhalen een aangenaam leesbaar tijdsbeeld creëerde. Bovendien maken ze duidelijk van wie de schrijver zijn rijke fantasie erfde.

Slot van het eerste en tevens titelhoofdstuk:

Zo rijden wij door de nacht – mijn grootvader, mijn moeder
en ik,
en praten zachtjes met elkaar
over dingen die we nauwelijks weten
en wat wij wel en wat wij nooit moeten vrezen,
en over later praten wij
en over vroeger
en de geur van oude boekenweekgeschenken over de zomer en de verte
en het verschil tussen zachte en ruwe berken
en over het geruis van de zee
en het land om ons heen
tot wij alleen de wielen nog horen,
de wielen van de trein naar Pavlovsk en Oostvoorne.

***

Op de kaft van de versie die ik lees zijn afgebeeld een bord witte bonen in tomatensaus, een indianentooi, een vogel, de stars and stripes, poolbiljartballen en naast nog wat kleinigheden een reclame bordje met Brown's Beans Best By Test. Al die attributen komen terug in het verhaal en Brown's eettentje speelt er een centrale rol in. De locaties: spoorlijn, pompenfabriek, en bar achter een luik bovenop een hooizolder, ontbreken op die cover van The torrents of Spring door Ernest Hemingway. Zoals er in het verhaal ook delen zijn weggelaten die wel gebeurd zijn.

Het boek is gepubliceerd in 1926 en bedoeld als parodie op werk van tijdsgenoten (met name het boek
Dark Laughter van Sherwood Anderson). Om te kunnen beoordelen wie en wat precies op de hak genomen wordt, in de nogal typische stijl die Hemingway hanteert en die kunstmatig gewicht geeft aan minder gewichtige zaken, is kennis van de Amerikaanse literatuur uit begin vorige eeuw nodig. Maar een goede parodie is meer dan alleen dat. Het boek kan ook op zichzelf staan.

Er passeren belangrijke thema's zoals het effect van de gevechten in de Eerste Wereldoorlog op personen, de onhandigheid om te gaan met relaties, en de afstand tussen wit en zwart (waarbij ook de 'indianen' horen). Het is een hallucinant boek en om dat te smaken hoef je Hemingway's tijdgenoten niet te kennen.

     Een passage waarin tijd en stijl een nadrukkelijke rol spelen. “Obviously, walking was not the solution of their problem. Walking was alright in its way. Coxey's army. A horde of man, seeking work, pressing on towards Washington. Marching man, Yogi [een van de hoofdpersonen uit het boek] thought. Marching on and on and where were they getting? Nowhere. Yogi knew it only too well. Nowhere. No damn where at all.” Op het moment dat Yogi dit denkt, loopt hij op met twee 'indianen' die in hetzelfde wrakke schuitje zitten als hij.

Als Hemingway niet zo'n groot schrijver zou zijn geworden dan was de novelle vast vergeten. Nu is het een onderdeel van een groot oeuvre. In het voorwoord staat dat, door zich af te zetten tegen pretentieuze schrijvers uit zijn tijd, hij met het scheppen van die afstand een weg voor zijn eigen schrijverschap open legde. Andere schrijvers die wél vergeten zijn.

***

Weken heb ik in het boek gelezen, iedere dag een of twee hoofdstukken. Blij was ik dat ik er wat zinnige woorden over kon schrijven. Maar als ik het document met besprekingen van in juli gelezen boeken weer open, zie ik dat er niets van die wijze woorden over is: ze zijn niet bewaard. In eerste instantie kan ik zelfs niet meer bedenken welk boek het was. Het was al weer naar de bibliotheek. Een foto van de cover had ik nog niet bewaard. Geen tekst, geen vouw in een pagina om me te helpen. Ik wordt verplicht om te graven in mijn geheugen.

Dat graven brengt boven dat het
Er is in Rome iets gebeurd van Sándor Márai was. Een boek over gewone mensen (maar toch veelal uit de gegoede kringen) op de dag dat Julius Ceasar is vermoord. Ieder uur zijn, per hoofdstuk, anderen aan het woord die rondhangen of werken in de badplaats Baiae bij Napels. Het begint met slaven die het nauwelijks kunnen geloven dat de keizer verdwenen is en bijna aan het slot bespreken een uitgever en een schrijver hoe ze de brieven die Cicero aan de schrijver stuurde zo kunnen redigeren dat niet de dictatuur, maar de dictator de reden is voor zijn kritiek op Rome.
     Zo stelt die schrijver zich meteen al in dienst van de nieuwe heerser. In datzelfde gesprek wordt ook de opzet voor Er is in Rome iets gebeurd bedacht. Een boek dat twee millennia later wordt geschreven. Veel van de kritiek die Márai er in verwoord kan dan ook gelezen worden als verwijzing naar recente misstanden, die van alle tijden zijn of die verwijzen naar zijn geboorteland Hongarije.

Op de achtergrond van het gesprek tussen schrijver en uitgever is een bacchanaal gaande compleet met dobbelpartij die uitmond in de dood van een van de twee spelers. Een advocaat maakt een opmerking dat alles om geld draait dat naar pis stinkt; een courtisane waterde inderdaad over de op de speeltafel achtergebleven goudstukken. Cicero komt eraf als een ijdeltuit en op de dag dat Ceasar – die overigens nergens in het boek bij naam wordt genoemd – vermoord wordt, zijn de meesten al weer bezig met hoe de dood van de keizer hun leven kan beïnvloeden en zoeken naar mogelijkheden om daar zo voordelig mogelijk uit te springen. Cynisme voert in het boek de boventoon.

De woorden van advocaat Gaius over de aard van de mens, de visie op de burgeroorlog en de dictatuur van Sulla zijn me een beetje ontschoten, maar het verbaast me hoeveel weer boven komt tijdens dit gespit onder mijn hersenpan, terwijl er echt niets meer over was.
     Mijn verdwenen bespreking eindigde met een opmerking over de doornappel herinner ik me weer. Die plant wordt in het boek genoemd als ingrediënt voor een tegengif dat de aanwezige medicus in zijn koffer heeft. De doornappel kwam ik eerder al tegen als drug voor jongeren op Java in de roman
Man Tiger van Eka Kurniawan. Hier thuis bloeide hij op het balkon. Tussen alle cynisme van de wereld, kon de mooie lila bloem ervan me verheugen. Zo is deze bespreking meer een zoektocht in mijn eigen brein dan in het boek van Márai geworden. De vraag welt op wat de lezer van deze bespreking aan dat graven heeft.

***

Kamel Daoud gaat in Moussa of de dood van een Arabier een pennenstrijd aan met De Vreemdeling van Albert Camus. De vermoorde Arabier in het boek van de Franse schrijver is nauwelijks een personage. “Het woord Arabier werd 25 keer gebruikt, in het boek, maar nooit een naam.” Alsof hij er niet toe deed. Dat zet Daoud recht door, Haroen, de broer van het in 1942 vermoorde romanpersonage twintig jaar later te laten vertellen: “mijn broer had beroemd kunnen zijn als jouw schrijver zich alleen maar verwaardigd had om hem een voornaam te geven.”

Het verhaal wordt verteld kort na de bevrijdingsoorlog die het land in een slagveld had veranderd. Na die oorlog “vrat de rest van het land de aarde en het restant van de hemel op, evenals de huizen, de palen, de vogels en alle diersoorten die zich niet konden verweren.”

Zijn moeder zoekt al jaren naar de moordenaar. Alle straten van Algiers doorkruist ze, ook die waar de Franse vreemdelingen wonen. Pas veel later komen Haroen en zijn moeder erachter dat er een boek bestaat over de moordenaar van Moussa, ene Meursault. “De hele wereld kende de moordenaar, zijn gezicht, zijn blik, zijn portret en zelfs zijn kleren … behalve wij tweeën.” Het is de studente Meriem, die een scriptie over De Vreemdeling wil schrijven en naar zijn familie heeft gezocht die hen informeerde. Zij geeft Haroen een versie van het boek.

Hij vindt het verhaal absurd. Zijn broer wordt niet alleen naamloos maar ook leugenachtig weggezet omringt door mensen die niet in staat zijn meer dan twee zinnen te formuleren en meer dan vier woorden achter elkaar te zeggen. De in De Vreemdeling opgevoerde zus bestaat niet en is een allegorie of een walgelijk in elkaar geflanst excuus. Het strand waar zijn broer is vermoord bestaat ook al niet echt.

Haroen heeft Frans geleerd om een paar artikeltjes over de moord op zijn broer te kunnen lezen. Het heeft hem ontwikkeld tot een man die nergens bij hoort. Hij sloot zich niet aan bij het verzet en zat als jongen in de klas als een van de twee zonder schoenen. Hij gelooft niet in God. Wat is een Arabier, vraagt hij zich af. Waar is het land waar ze wonen? Haroen voelt zich geen Arabier, “zoals ook het negerdom alleen bestaat in de blik van de blanke.” In zijn wijk was je moslim, verder niets. En zelfs dat is Haroen niet. Zijn moeder houdt hem kort. Voor haar is hij niet meer dan een middel in functie van het bestaan van zijn broer.

Haroen vermoordt op zijn beurt een Fransman, die ook niet erg gekleed wordt neergezet. De man wordt bekneld tussen twee verhalen en door Haroen neergeschoten met twee kogels uit een toevallig gevonden revolver. Haroen zoekt meteen naar rechtvaardigingen. Het was geen moord maar een teruggave. Dat de man geen moslim was, maakte dat hij gedood mocht worden. Dat is een zwakte bod, begrijpt Haroen onmiddellijk, want hij is zelf ook geen gelovige.

Door de pennenstrijd komt Moussa niet echt tot leven, veel is er niet meer om over hem te vertellen, maar datdoet wel Haroen wiens leven kapot werd gemaakt door de moord op zijn broer en verbetenheid van zijn moeder hem in te zetten om Moussa weer tot leven te wekken.




Ik lees met moeite, maar wel graag. Het voordeel van een boek is dat als je er in zit dat relatief lang duurt. Dat maakt het makkelijker leesbaar dan losse artikelen. Vanaf 31 januari 2018, op de laatste dag van de maand, zet ik kort (het moet het lezen zelf niet in de weg staan) op een rijtje wat ik las. Want ook bij het onthouden kan ik wel wat steun gebruiken.