Posts tonen met het label Hella S. Haasse. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hella S. Haasse. Alle posts tonen

zaterdag 26 oktober 2024

Transit


Transit was het boekenweekgeschenk voor 1994. Het is geschreven door Hella S. Haasse en speelt in Amsterdam. Het begint op het Centraalstation. Het heeft de sfeer van de jaren tachtig, met junks, poep, punks, fietswrakken en vrijgevochten jeugd. Het is het derde geschenk door de schrijfster; in 1948 schreef ze Oeroeg, haar debuut.* Sindsdien volgde een stroom boeken. In deze uitgave vullen die een pagina. Er zouden er nog meer verschijnen, zelfs nog na haar dood in 2011 werd werk postuum uitgegeven.

De hoofdstukken lijken een strakke structuur te hebben. Het eerste heeft als titel Zondag, net als het laatste hoofdstuk. In acht dagen (en wat terugblikken) beschrijft het boek het verhaal van Xenia, die zichzelf liever Iks noemt, en die na een trektocht van 1½ jaar weer terugkeert naar de stad.

Na Zondag volgen dagboekaantekeningen van een oude man die zich heeft opgesloten in een huis vol boeken en met herinneringen en gedachten. Iks vindt er tijdelijk onderdak om opzoek te gaan naar de vrienden die ze eerder achterliet: Daan en Alma.
Na Maandag volgt weer een titelloos dagboekhoofdstuk met de overdenkingen van de man. Maar als je die vorm herkent dan is hij verdwenen.

Na Dinsdag komen de gedachten en beschouwingen van de
jonge vrouw op die plek binnen de structuur. Daar wordt de titel Transit onderstreept. Het draait om de passage van het beleven van een ongecompliceerd avontuur dat zichzelf ontvouwt en laat ontdekken, naar het evalueren van mensen in de omgeving, en het overdenken van stappen in het leven. Of anders omschreven: het lever dat verandert van een vlak stripverhaal op een strook die eindeloos werd afgerold, naar een besef van veelvormigheid.

“Ze werd nieuwsgierig naar dingen die ze eerst gewoon voor kennisgeving had aangenomen. Vroeger had het haar niet uitgemaakt waar ze was, waarheen ze ging; alle omstandigheden leken, voor haar gevoel, overal in wezen gelijk. Maar door die plotselinge drang om meer te weten, ontdekte ze nieuwe ruimte.”

Dit besef wordt samengevat in de woorden van de oude man: 'Onvermogen om dimensies te beseffen ontmenselijkt.' Die frase krijgt wel meteen een aparte invulling als werk van Breitner wordt vergeleken met het werken achterop de Amsterdamse vuilniswagen. Als je hem even door het hoofd laat spelen dan begrijp je hem en zie je hoe een blik vanacher op de treeplank en het schilderwerk van de Amsterdamse impressionist samenvallen. Het inzicht leidt ook tot de gedachte dat het zoeken naar die gelaagheid de kracht van drugs verklaart: “Roes hief het gevoel op een vlak mens te zijn.”

Na een paar dagen met de oude man gaat ze zelf filosoferen. De verhouding wordt gelijkwaardiger. Vanaf Woensdag loopt de structuur bijna geheel via de dagen van de week naar Zondag. De man is minder zeker dan hij wil tonen. Zijn plek voor de dagboekaantekeningen in de structuur van Transit is hij dan al kwijt. Wat ervoor terugkomt is het samen met Iks lezen van oude, nogal sombere en zwartgallige aantekeningen die hij maakte over de Parijse Commune van 1968, daarin:
“Er bestaat een uit onmacht geboren onverschilligheid, die een vorm van zelfbescherming is. Door onverschillig te zijn, wordt men in zekere zin onkwetsbaar. Door zich buiten de actualiteit te plaatsen, kan men zich immuun maken voor de toenemende rationalisering en mechanisering, en voor het razende tempo waarin dat allemaal gebeurt. Zo duldt men achtervolging en marteling, leert men de verschrikkingen van oorlog verdragen, en ook – verontrustend feit – het lijden van anderen.”
De man die zichzelf heeft opgesloten in zijn huis, sterker nog in een kamer van zijn huis, beschermd door gordijnen en boeken, waar hij zich voorhoudt dat hij niet kan lopen, die man schreef als reactie op de Parijse Lente dat we misschien bang moeten zijn voor de “onverschillige passieve zombie.”

Nog twee keer komen zijn dagboekaantekeningen. De laatste keer zeer kort, als hij beseft dat hij het contact met de jonge vrouw heeft bedorven. De jongere is de oudere voorbij gegaan in denken en doen; de verhoudingen zijn veranderd. Xenia (betekenis: vreemdeling/gastvriend) komt afscheid nemen, maar
laat hem niet zitten; ze beschermt hem juist. Net zo min als ze haar oude vriend Daan in de steek laat. Ze gaat erop af. Ze neemt een positie in, omdat het moet; het stripverhaal krijgt vorm met haar in de rol van klein miertje op doorreis naar de confrontatie met een vormeloos glibberig monster.

Noot:
In 1948 zou Hella Haasse Oeroeg schrijven dat werd verkozen tot boekenweekgeschenk schrijven. Ook in 1959 schreef ze het geschenk, een essay onder de titel Dat weet ik zelf niet. Jonge mensen in boek en verhaal. Een paar jaar eerder, in 1956, vertelde ze In mijn boek van vroeger en nu net als zes anderen over haar ervaring als lezer. 

Dat weet ik zelf niet; Jonge mensen in boek en verhaal

Dat weet ik zelf niet; Jonge mensen in boek en verhaal* door Hella S. Haasse is geen boekenweekgeschenk als gebruikelijk. Het is een tocht door de literatuur opzoek naar hoe over kinderen wordt geschreven. De schrijfster was op grond van lezingen die ze over het onderwerp hield door het CPNB gevraagd hierove te schrijven. Het verzoek resulteerde in het geschenk voor 1959.

Het essay, zo wordt het genoemd, begint met de stelling dat de jeugd – o jee – “nog nooit zozeer een probleem geweest is als in onze tijd.” Zeg nu niet dat dit altijd al zo geweest is, voegt ze aan die constatering toe. Er is iets wezenlijks veranderd. Vroeger werden jongeren volwassen in een wereld die niet wezenlijk anders was dan de wereld van hun ouders. Ze werden die wereld ingegroeid. Regels waren duidelijk en vastomlijnd. Dat is niet meer. En dat wil Haasse aantonen door voorbeelden van kinderen in de literatuur. Ze graaft daarbij diep, zo'n 3.000 jaar gelden begint haar zoektocht. Ze volgde inderdaad het gymnasium, in Jakarta, toen het nog Batavia heette. Dan start je als vanzelf in de oudheid met de Illias waar in een kind op de arm van zijn moeder al gezien wordt als de machtige krijger van de toekomst die “de bloedige wapenuitrusting torst van zijn gedode vijand.” Verder is het kind in die tijd letterlijk onvolwassen; het staat op een lagere trede van ontwikkeling.

Bespreking loopt door onder illustratie.
In de vroeg middeleeuwse literatuur bestaan kinderen niet als personen, maar worden ze opgevoerd als archetypen die komen met een verlossend verhaal. Bijvoorbeeld als een kind dat uitverkoren is om beproevingen te doorstaan en hoop biedt aan de ouderen. Eeuwen later in de Gouden Eeuw worden meisjes als Sara Burgerhart beschreven om meisjes de les te lezen over een wereld die ze nog niet kennen en hun onbedadigheid achter zich te laten en wijs de wereld in te gaan. Het is Jean Rousseau die weer later het kind meer plaats geeft door te pleiten voor het ontwikkelen van de aangeboren zuiverheid. Rousseau zorgde ervoor dat schrijvers, in navolging van zijn voorbeeld, over hun eigen jeugd gingen schrijven, bijvoorbeeld over de vlegeljaren tussen kindertijd en volwassenheid. Zo kwam er weer meer ruime voor het kind.

De negentiende eeuw brengt andere kinderen dan die van Rousseau naar de literatuur. De Napoleontische tijd en de industrialisatie veranderde de maatschappij en daarbij kwamen de mishandelde en uitgebuite kinderen op het toneel. Er werden wezen opgevoerd die in de hemel eindelijk warmte en liefde vonden of het kind bleken te zijn van rijke en voorname ouders. Langzaamaan wordt het kind mens in de literatuur. Nog wel onvolwassen, maar in ontwikkeling. Woutertje Pieterse leert het verschil tussen woord en mening: “wel nog juist bijtijds om niet z'n naïviteit te doen overgaan in domheid.” Ook de Kleine Johannes maakt een dergelijke ontwikkeling door: van jongetje met een elfje in de tuin, als zoeker naar het ware boek (nee niet de bijbel, die “geeft niet genoeg anders zou er rust zijn onder de mensen en vrede. En die zijn er niet.”), vervolgens samen met cynicus Pluizer en de verstandige Dr. Cijfer, naar een jongeman die een nieuw ideaal zoekt, dat van de goede mens.

De negentiende eeuw heeft een andere jongere opgeleverd. Een kind dat niet meer een onvoltooid grensgeval is naar de latere volwassene, maar dat laat zien dat het kind anders is en in een andere wereld leeft en dat het door die eigen wereld heen moet, de pubertijd, om volwassen te worden. Het kind heeft nog de onverantwoordelijkheid als voorrecht. Maar het kind wordt door schrijvers ook vaak opgevoerd om weemoed naar een verloren onschuld te beschrijven: “in een hartstochtelijke poging om de nederlaag van het volwassen worden, van het compromis, te ontgaan.” Het kind heeft dan wel een eigen wereld gekregen, maar die is een spiegel voor de volwassenen, bijna een gebruiksvoorwerp, zo leidt ik af uit de tekst van Haasse. Dat kind zelf is het automatisme van de vanzelfsprekende drang naar de volwassenheid kwijt. Het kan leven. Maar moet zich dan wel zelf afvragen wat dat betekent.

Bespreking loopt door onder illustratie.

Het motto van dit geschenk wordt gevormd door een Tartaars sprookje, waarin een jongen niet weet hoe hij mens moet worden. Dat is aan het eind van het boek nog steeds niet duidelijk, maar dat de jongeren van eind vijftiger jaren meer te kiezen hadden, en ook moesten, dan hun voorgangers wordt duidelijk gemaakt aan de hand van Frits van Egters die zegt in de Avonden: “Ik leef. Ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren”? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.” Zo ontworstelt hij zich aan de benauwende omgeving van zijn ouders. Vanzelf gaat het niet meer. Daar zit het probleem dat Haasse in de eerste regel van het essay noemde. Kinderen zijn geen onaffe mensen meer die automatisch doorgroeien naar de wereld van hen die wel af zijn, de volwassenen, naar de wereld van hun ouders. Een boek dat streng leek te beginnen, vindt juist de ruimte die er is en door steeds meer jongeren ingevuld kan worden (Haasse beseft dat door maatschappelijke verschillen ook die mogelijke vrijheid verschilt in grootte).

Het werk is chronologisch ingedeeld. Zowel illustraties als opgevoerde personages en schrijfsels volgen de tijd van de geschiedenis. Als je de genoemde boeken zou gaan tellen. Dan kom je gemakkelijk over een honderdtal vermelde titels heen. Zo heeft Haase veel mooie karakters en boeken uit de Amerikaanse, Engelse, Franse, Nederlandse en Russische literatuur door haar essay kunnen strooien of het nu gaat om Remi van Hector Malot of een kind dat Tsjechov opvoert en dat belet dat een kakkerlak wordt doodgeslagen
“Wie weet heeft-ie wel kindertjes...”.

Noot:
* Dat weet ik zelf niet is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, txt of als epub. Het boek is geïllustreerd met portretten van jonge mensen uit de beschreven periode (zie tussen tekst).

Oeroeg





Oeroeg
het boekenweekgeschenk voor 1948 heb ik altijd op afstand gehouden, omdat ik genoeg dacht te hebben van de Nederlandse koloniale tempo doeloe literatuur, waar bijvoorbeeld de pinda katjang heet en de gepeperde fruitsalade met ketjap roetjak. Maar aangezien ik me voor heb genomen alle geschenken te lezen en bespreken, ontkom ik ook niet aan dit boek waarin een vroegere eigenaar op de daarvoor bedoelde lijn heeft geschreven Hella S. Haasse.

(later door de lezer in te vullen:)
Bij de officiële uitslag bleek dat

Hella S Haasse
__________________________________________________

de auteur is van de novelle ,,Oeroeg”.
Oeroeg is haar roman debuut en bekender geworden als romantitel binnen de Nederlandse literatuur dan als geschenk.* Bovendien werd Haasse een grote schrijfster. Mijn schoonmoeder hield van haar boeken (en
Een van de vele commerciële uitgaven.

van een kritische houding ten opzichte van het Nederlandse
kolonialisme in Indië). In mijn kast staat een versie van mijn schoonvader. Het is het enige boekenweekgeschenk dat ik uit een van hun kasten haalde. Andere geschenken hebben het blijkbaar niet overleefd. Ook daarom moest ik het boek wel lezen.

Het verhaal draait om twee jongens: de zoon van een administrateur, en Oeroeg de zoon van werkploegleider Deppoh. De jongens zijn aan elkaar overgeleverd en trekken tijdens hun jeugd met elkaar op. De verteller heeft minder band met zijn eigen ouders dan met het gezin van zijn vriend, zo denkt hij.

De vriendschap geeft de schrijfster ruimte om wrijvingen binnen het apartheidssysteem van de Nederlandse koloniale samenleving met zijn neerbuigende houding ten opzichte van Indonesiërs bloot te leggen. Ze doet dit met een gevoelige pen, niet eendimensionaal, en in een stroom aan woorden die weinig opsmuk nodig heeft om toch spannend te zijn. Er zijn zelfs geen hoofdstukken en nauwelijks witregels; het verhaal boeit door zijn delicate stijl.

Als ik het boekje pak dan bedenk ik me dat het geschreven zal zijn in de tweede helft van 1947. Op dat moment was sprake van de oorlog tussen de Republiek Indonesië en de koloniale overheerser, op dat moment in de vorm van wat eufemistische de Eerste Politionele Actie is gaan heten
(die ook opduikt in het slot van het boek met een voorzichtige kanttekening) en een daarop volgend staakt-het-vuren waarin wel het recent veel besproken Bloedbad van Rawagede plaatsvond. 'Als het boek van Haasse geen aandacht aan de oorlog besteedt dan kan ik het niet goed vinden,' zei een streng geweten in mijn hoofd.

Die zin is stilgevallen tijdens het lezen. Oeroeg is een novelle waarin Nederland afscheid neemt van Indonesië. De jonge Oeroeg kiest tegen het Gouvernement en voor de nationalistische beweging.
“Ga weg. Je hebt hier niets te maken,” zegt hij ten slotte tegen de zoon van de administrateur op de plek die hun verhouding verbeeld, een donker meer tussen hellingen en bomen. De verteller heeft dan al steeds minder touwtjes in handen en de inlandse vriend – die misschien vooral gezelschap voor de alleen staande jongen was – krijgt steeds meer branie en een eigen gezicht. Zijn zogenaamde vriend, begreep hem slechts oppervlakkig. De jongen van de dessa verliest steeds meer zijn ingetogenheid. Hij wordt zelfbewuster; eerst door zich geforceerd Nederlands voor te doen; later door te kiezen voor de gewone Indonesiër op het land. Ook bij Oeroeg thuis is de zoon een hoge mijnheer geworden, waarvoor een stoel gehaald moet worden, en waardoor hij zich afstandelijk verheft boven de familie. Het amicale dat er leek te zijn, is verdwenen.

Haasse tekende daarmee al voordat Nederland de Republiek erkende een portret waarin afscheid werd genomen van de ongezonde koloniale verhoudingen. Een gedachte waaraan bijna ¾ eeuw later nog niet iedereen is gewend. Bovendien stelt ze fijntjes dat ook het vrije Amerika geen alternatief was voor het door de Hollanders bestuurde Indië. Ook dat land was niet vrij van onderscheid naar
“ras en rang” Dat het boek niet 'De zoon van de administrateur', maar Oeroeg heet, is betekenisvol. De schrijfster maakte een keuze.

Noot:
* In 1994 zou Hella Haasse weeer het boekenweekgeschenk schrijven, wederom met een langzaam verschuiven van de verhoudingen tussen de protagonisten. Ook in 1959 schreef ze het al: een essay onder de titel Dat weet ik zelf niet. Jonge mensen in boek en verhaal. Een paar jaar eerder, in 1956, vertelde ze In mijn boek van vroeger en nu net als zes anderen over haar ervaring als lezer.