zaterdag 20 juni 2026

De Verschrikkingen van het Noorden


Omslag illustratie door Gielijn Escher.






De Verschrikkingen van het Noorden* is een verhalenbundel van Andreas Burnier waarin citaten boven de hoofdstukken zijn gezet en voorin het boek staat een citaat ontleent aan Lucebert: 

en het paard slaat
radeloos
dit alles gade

Een van de thema's in de bundel is reizen. Dit wordt in het verhaal Onderzoeking op het teras verkettert als misplaatste ijdelheid van domoren, maar in het citaat boven de tekst onderstreept Ronald Firbank de zin van kijken juist, zelfs naar zaken zo gewoon als hooischoven op het land: “I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill.” 
     Reizen en rondkijken heeft wel degelijk zin. 
Dat waarnemen gebeurt in dit boek in het Noorden, het Zuiden, onderweg en hier.

Voor de hele bespreking zie ↓
Eerder besprak ik het jongensuur (https://broekfoto.blogspot.com/2026/06/het-jongensuur.html) van dezelfde schrijver.

De Verschrikkingen van het Noorden*
is een verhalenbundel van Andreas Burnier. Eerder besprak ik het jongensuur van dezelfde schrijver. In alle zes verhalen heeft de vrouwelijke hoofdfiguur een andere naam en een andere leeftijd. Toch zou je ze als één personage kunnen zien in verschillende levensfasen.
     Een thema waarop de verhalen samenhangen is reizen. Reizen naar Noord en vooral naar Zuid. De opmerking van de abt in het verhaal Onderzoekingen op het terras is dat reizen geen enkele zin heeft en er slechts is voor de domme massa die even rondkijkt en alleen de buitenkant van de dingen ziet, plaatst deze geestelijke dan ook meteen buiten het bestek van de bundel.

In datzelfde verhaal staat ook de opmerking dat een goed verhaal getekend wordt door het begin en eind. Opvallend is juist dat een paar verhalen in De verschrikkingen ... zo eindigen als ze begonnen. Betekent dit dan dat alles wat er tussenin gebeurde ketelmuziek was, ontwikkelingen zonder belang, of zaken van voorbijgaande aard? Maakt dit ze juist intrigerend (je voelt dat er meer gebeurde dan je las, maar waar de vinger niet helemaal op te leggen is)? 

“Ordenen.” Alleen dat woord is de allereerste zin van het allereerste verhaal Nu ga ik verdwijnen. Het eindigt met: “Kom, we gaan naar huis.” Dat zegt Ella tegen haar vriendin waarmee ze op vakantie is.
    Het is haar opgevallen dat de Griekse tempels vernield zijn door ze in gebruik te nemen als kerk. Die afkeer van het christelijke geloof komt vaker terug. Een mogelijke reden daarvoor is de bekeringsdrang op de onderduikadressen waar de schrijfster als joods meisje verbleef. De apostel Paulus wordt getypeerd als “een onsympathiek eruit ziende joodse man, een ultrarechtse conservatief, geborneerd jegens vrouwen en homoseksuelen, en jegens zijn eigen anti-christelijk verleden.”
     De klim naar de Akroplis vormt het slot van een verhaal dat kronkelt langs vervelende mannen, een magnetiseur, door kroeg en langs kermis. Maar met de woorden 'weer naar huis,' als uitgebreide punt daarachter, maar staat dit ook voor terug naar de gewenste veilige orde?

Het titelverhaal begint met: “Veel vroeger, ik spreek nu van voor de watersnood, lang voordat Griekenland, Italië, Joegoslavië, Sicilië en Malta door mij waren bereisd, was ik voor het noorden niet bang.” Het verhaal eindigt na een korte dialoog met een botte vlieger zo: “Veel vroeger, ik spreek nu van voor de watersnood, was ik voor het noorden niet bang.”
     De Verschrikkingen... speelt in Kopenhagen. Andrea gaat er opzoek naar een bar voor vrouwen. De taxichauffeur die haar er zal brengen, begrijpt haar verkeerd. Ze gaat naar binnen en het duurt even voordat het doordringt dat ze in een bar met prostituees terecht is gekomen. Via een advies van de garderobejongen van een jazzclub, waar ze vervolgens belandt, weet ze toch nog de gewenste gelegenheid te vinden. Niet mis, want Kapitän, Kapitän is de enige openbare bar voor vrouwelijke homo's – 'Lesbians in uitstekend school-Engels' – in heel Scandinavië
     In een Parijse bar komt ze dan weer terecht doordat zij en haar vriendin worden meegenomen door een groep die er tegen betaling de couleur locale verzorgt, zodat toeristen tevreden zijn iets echt authentiek Frans te hebben gevonden.
    Het verhaal Gesprek in de nacht begint met de absurditeit en naarheid van de oorlog. Met diezelfde oorlog eindigt het verhaal ook. Tussendoor zijn de vertelster en haar vriendin liftend op reis. Ook hier is homoseksualiteit weer duidelijk aanwezig (daar is alleen in Onderzoekingen … geen sprake van. Daar loopt de echtelijke relatie tussen man en vrouw spaak). Er worden door de bundel heen nogal wat vrouwen versierd of afgewezen (al is dat laatste lang niet altijd makkelijk, omdat naast irritatie ook de warmte veloren gaat).
     Hoewel niet het hoofdthema van Giovanni en de heksen wordt de strenge bekrompenheid van de samenleving in de verf gezet met de opmerking van een vriend van Connie, de hoofdpersone: “Ons hele sociale bestel is een valstrik, een manier van mensen om elkaar tijd en energie afhandig te maken.” Het goedbetaalde filosofische werk dat beiden doen, betekent volgens de man "geen pest". Anderzijds wordt een zinvolle academische carrière in de verhalen regelmatig als ideaal genoemd. Visies zijn niet gehouwen in marmer, maar zijn beweeglijk en veranderen, zo blijkt. 
    In het verhaal is voor de een het vrouwelijke lief een engel en voor een jongen, de Giovanni uit de titel, doen de vrijende vrouwen aan heksen denken. Daar tussenin komen toerisme en armoede bij het treinspoor op elkaars pad. Misschien wat verwrongen geconstrueerd, maar juist die niet voor iedereen zichtbare ongemakkelijkheid tussen de rijke toerist naast de lokale armoede is soms niet ver van de werkelijkheid.

De oorlog komt regelmatig voorbij. Die oorlog heeft Nicole in Volgend jaar in Jeruzalem vervormd. Ze moest wel dwars gaan doen en Calviniste worden, zoals ze leerde tijdens het onderduiken, om zich af te zetten tegen haar ouders. Als ze over die fase heen is, stapt ze over op het atheïsme, en daarna communisme, totdat ze het heeft gehad met de opstandigheid. Het afzetten tegen de joodse ouders leek noodzaak aangezien hun vrienden, uiterlijk en ideeën voor de puberende vrouw 'moffendreiging' betekende. Jood zijn betekent door blonde slijmreuzen vermoord te kunnen worden. De angst voor iedere schijn van permanentie (wie zich eenduidig vastlegt wordt gedood of affectief verraden), leidde tot een versnippering in de liefde. 

Het zou niet verbazen als in het jaar van uitgave (1967) nogal afwijzend op het boek zou zijn gereageerd. De thematiek van een jongen in het lichaam van een meisje werd benoemd en seks tussen vrouwen beschreven. Het lijkt erop dat door de debuutroman van Burnier Een tevreden lach, die twee jaar eerder verscheen, en waarin dit al werd benoemd, een gemaaid gazon achter was gelaten voor de opvolger. Hoewel. Kees Fens schreef weinig literair over “haar lesbische soortgenoten” en in de Telegraaf had recensent Ab Visser het over het aan “homofilie inherente narcisme.” Niet iedereen vond de bundel even sterk, maar van tumult was geen sprake. J(oke) E. Kool-Smit beschreef de spanningen in het boek en de vragen die nog op het boek losgelaten kunnen worden. In de Volkskrant werd het boek aldus getypeerd:

“Het zijn dus verhalen van een soort dat vroeger schrijnend zou zijn genoemd, maar het is veel gemener: het wringt, het is allemaal vals, het is de terreur van het geniep, die werkt tot in de biologische cellen van het menselijk bestaan.”
Fons Sarneel

Kool-Smit had het wel bij het rechte eind toen ze veronderstelde dat bij herlezen veel meer uit het boek boven zou komen drijven. Al is het maar een eerder gemiste mooie zin. In Onderzoekingen..., wordt gepreekt, gepraat en geblaat, maar uiteindelijk gaat dit voorbij met de woorden bij het vertrek van de moeder en haar kinderen uit de bedompte sfeer: “Aan de horizon achter ons verdwijnt iets.”
     Sommige lezers zoeken liever naar wat hen tegenstaat. Kees Fens vond het citaat boven het eerste verhaal te bekend. Het boek heeft er nogal wat. Citaten. Het begint al met een prachtig motto, geleend van Lucebert ** waarmee de toon voor het boek gezet is. Vijf verhalen beginnen met een citaat in het Engels, Frans (hieronder vertaald) of Nederlands: 

  • Nu ga ik verdwijnen: Het begint met woorden van citatenleverancer bij uitstek, Shakespeare: We are such stuff/As dreams are made on, and our little life/Is rounded with a sleep. (The Tempest) Dat is weer die afstand tot de realiteit die ook het paard van Lucebert al voelde.
  • Gesprek in de nacht begint met woorden boven de tekst van Brunier zelf. De regels passen het boek als gegoten. Ze rollen van de tong en zijn tegelijkertijd wrang en kil. Weer wordt het waardevolle elders gezocht:

De nacht vangt alle stemmen die
in lakens dronken rollebollen. (…)
nu gaan wij rusten:
wij glijden snel naar vreemde kusten
ontwaken aan de achterkant
.

  • Giovanni en de heksen kreeg een citaat uit A Movable Feast van Ernest Hemmingway: “The main thing is that the act male homosexuals commit is ugly and repugnant. In women it is the opposite. They do nothing that they are disgusted by and nothing that is repulsive and afterwards they are happy and they can lead happy lives together.” De ene homoseksualiteit wordt door de man der mannen afgewezen. De andere lijkt te mogen bestaan. 
  • Volgend jaar in Jeruzalem: “Wat men kan zeggen, is dat alles in ons leven verloopt alsof we erin kwamen met een last van verplichtingen, aangegaan in een vorig leven,” uit Marcel Proust, La Prisonnière (vertaald via het internet).  
  • Boven Onderzoeking op het teras onderstreept Ronald Firbank de zin van waarnemen, zelfs van zaken zo gewoon als hooischoven op het land: “I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill.” 
         Reizen en rondkijken heeft wel degelijk zin. Zelfs in die ongerijmde wereld waarin de schrijfster leeft.

Noten:
* De verschrikkingen van het noorden is op de website van de Nederlandse Bibliotheek te vinden als pdf, txt of als scan.
** Het gedicht waaruit deze woorden komen en dat opgenomen was in de bundel De dieren der democratie werd besproken door Hans Andreus in Tijd en Mens jrg nr. 3 (1952), nr. 2: De roepende in de jungle

Geen opmerkingen: