vrijdag 19 juni 2026

het jongensuur

het jongensuur (1969) van andreas burnier (geb. 1931 als Catharina Irma Dessaur) draait rond drie thema's in het leven van het joodse meisje Simone. Zij is negen jaar oud als de oorlog uitbreekt; net zo oud als Burnier dan zelf is (die het boek haar meest autobiografische noemde). In 1940 besluiten haar ouders dat ze moet onderduiken en om het risico te spreiden: gescheiden van hen.
     Het boek is opgebouwd uit zeven hoofdstukken 1940 tot en met 1945, plus een bericht over de verschrikkingen van de oorlog, waar het boek mee eindigt.

In het begin van de oorlog denkt ze: “Ik zou graag blond en protestant willen zijn, zes jaar op één lagere school zitten, en altijd weten wat er de volgende week gaat gebeuren.” Kortom het verlangen naar de witte bevoorrechte positie. Steeds zit Simone ergens anders ondergedoken. De ene keer snap je beter waarom ze weer verplaatst is dan de andere. Ze slaat een voormalig vriendinnetje in elkaar, ze steelt een haas uit de strikken van twee jongens, de buurman liet weten dat hij haar zou gaan verraden bij de Duitsers, en bij het eerste gezin valt ze niet in het pulletje. Catharina had zelf zestien onderduikadressen.

Ze leest op de onderduikreis van alles: De mijn van Zola, Het Kapitaal van Marx, Nietzsche, een bewerking voor kinderen van Don Quichot tot aan katholieke bidprentjes toe. In 1941 lag in het onderduikhuis o.a. Rudolf Steiner, maar: “Ik kende trouwens vrijwel geen Duits”
     De spreuk van Vondel boven de bibliotheekdeur waar haar vader haar aan herinnerde 'Veel weten kan niet altijd baaten, somtijds schaaden,' was niet aan haar besteed.
     Op haar tiende krijgt ze rekenles van een broer van de vrouw in het onderduikhuis. Na een week geeft hij de volgende som op: 8x+5=x+26. “Hij was een groter geleerde dan didacticus,” reageert ze daarop.

Een ander belangrijk thema is de nare kleingeestigheid en het strenge Calvinisme. Dat uit zich op verschillende manieren. Seksuele toenadering door de mannen bij wie ze in huis is, de man die masturbeert terwijl zij naast hem in bed ligt ('n socialist dit keer), de bijbel is waarheid en maat der dingen (zo sterk dat het verboden was iets anders te lezen, omdat zou afleiden van de Schrift), opvoeden met keiharde hand, onderschikking van de vrouw aan de man, en “haat voor alles wat vitaal of zelfs maar warm was.” Vaak begrijpt Simone niet wat de achterliggende reden zou kunnen zijn. Jonge Duitse soldaten bij haar laatste onderduikadres laten haar pornografie zien. Nicht gut is haar reactie. In het dorp ervoor sloeg de meester jongens in het kolenhok en betaste er meisjes. 

Ook schreef ze in het jongensuur over over een meisje dat denkt jongen te zijn (genderdysforie). Haar moeder lijkt dit niet te begrijpen, maar “ze denkt toch zeker niet dat ik later ga trouwen en mijn hele leven verdoen met afstoffen en koken en de plee schrobben?” Als Simone bloed plast (menustreert) dan weet ze dat het niet gelukt is om voor de pubertijd een jongen te worden, zoals ze stellig van plan was. Hoe langer dit nog duurt hoe moeilijker het zal zijn. Als troost laat ze de kapper een jongenskop knippen. Een jaar eerder ging ze er als vanzelfsprekend nog van uit dat ze jongen zou worden en een schoolmeester of een schrijver en dat ze zou trouwen met haar vriendinnetje uit Veendorp. Kort daarna kruipt haar rok op en ziet ze dat ze meisje is en voelt zich belachelijk.

Zij is ervan overtuigd dat God bij haar geboorte een fout heeft gemaakt. En als ze, ondanks kortgeknipt haar en een jongensachtig figuur, tijdens de zwemuur voor jongens wordt ontmaskerd en het bad uitgestuurd, maakt dit haar verdrietig. Het sekseonderscheid wordt nog steeds opgeklopt, maar was destijds veel groter; daarover in het jongensuur geen misverstand. Er is niemand aan wie ze haar kwaadheid en ontgoocheling na het afwijzen kan toevertrouwen. Toen ze na de oorlog haar moeder voor het eerst weer ontmoette vroeg die: “Wie is die jongen?” Maar in het zwembad zou haar kort geknipte koppie niet helpen om tegelaten te worden tijdens het jongensuur.

Opvallend is dat de roman een omgekeerde chronologie volgt, van de laatste ontwikkelingen naar vroeger. Zo weet je dat Simone de oorlog is doorgekomen en een meisje is dat jongen had willen zijn. De hoofdstukken per jaar geven informatie over deze wens en zo begrijpt de lezer allengs meer waarom ze mee wil zwemmen met de jongens. Ze accepteert haar meisjes lijf niet.
     Het is inmiddels een gewoon thema geworden, maar Burnier schreef er al in de jaren zestig over. Zij kende dit uit haar eigen leven. Ze kreeg al op haar derde een hekel aan zogenaamde vrouwendingen.
Ze zou meester worden (hoogleraar criminologie), schrijver en ze zou trouwen niet met een vriendinnetje, maar met de zoon van antroposofen (daar is Steiner weer). Het huwelijk duurde acht jaar tot aan de scheiding. Catharina werd Andreas. Ze leefde na haar huwelijk toch met een vrouw, ook toen dat nog taboe was en betekende daardoor veel voor de emancipatie van homo's.
     
Vader, moeder en Simone zouden wel alle drie de oorlog overleven. Als erna in Zanddorp de vrouwen worden kaalgeschoren die 'fout' waren, dan vraagt Simone: “En de mannen die fout waren?”

Geen opmerkingen: