Çiler
Ílhan schreef in 2021 de roman Nişan Evi. Drie jaar later werd deze door
Hanneke
van der Heijden vertaald
naar Een zandstorm, zeiden ze.
De vertaalster veranderde daarmee de originele titel die letterlijk Verlovingshuis betekent. In het Engels werd het Engagement
en viel alleen het huis weg.
Na het lezen van de laatste
zin: “Iedereen moet maar geloven wat hij zelf wil,” kan ik de slaap
niet vatten. Mijn hoofd is tussen begin en vooral aan het eind overhoop geschreven.
In de Turkse
titel wordt verwezen naar de belangrijkste plaats, het huis waar de
verloving van Leyla uit Eigenheim en Bilal uit Ginderbuiten gevierd zal worden. De Nederlandse titel
vestigt de aandacht op de zandstorm die steeds terugkomt in het
verhaal, waarbij niet duidelijk is of die nu wel of niet opstak of
dat het een metafoor of een gerucht was, een van de vele vertelsels die rondwaren in Zuidoost Turkije.
Want in dat deel van het land speelt de roman in het
bestek van een dag. Mogelijk kwam de storm aanwaaien uit Ginderbuiten
en veroorzaakte in Eigenheim een ramp. De verhalen van de ooggetuigen
over de zand- of stofstorm tuimelen over elkaar heen, verschillen, spreken elkaar tegen, en verhalen zelfs over een windhoos
die iemand twintig meter door de lucht meenam. De werkelijkheid is in die arena verdwenen.
Beide dorpen
worden bevolkt door twee takken van een familie, in elk een. Binnen het dorp wordt getrouwd, zo is de gewoonte, om de bezitttingen in de eigen tak
te houden. Als gevolg van de inteelt wemelde het van de kreupelen en
gekken. Tussen de twee takken botert het niet en ze wonen niet voor niets apart. Deze verstikkende orde
wordt door de verloving verstoord.
De woorden 'Zo
noemen ze dat in deze streek' of 'Zo zeiden ze' komen steeds terug om een staande dorpse visie te verklaren.
Maar het belangrijkste wat herhaald wordt, is het
vooruitwijzen naar de gewelddadige afloop van de aanstaande verloving.
Dat wordt in ieder hoofdstuk weer kort, soms overduidelijk, soms als
terloops beeld, maar steeds weer dreigend aangestipt; het zijn vele
vingerwijzingen naar een onvermijdelijke fatale afloop.
Het grootste deel van de hoofdstukken vertelt iets over een personage dat erin voorkomt met de naam ervan als titel. Maar dat is geen strikt doorgevoerde structuur. Het
eerste heet naar een product Eau
de Cologne. Op een goed verlovingsfeest moet het geurwater immers gekoeld
aanwezig zijn om de gasten te verfrissen. Maar in Eigenheim is het
niet meer te koop. Broer Halil loopt naar Ginderbuiten om daar tien flessen
te halen. Voor hij gaat krijgt Halil een trap van koe
Bolle, die van hem schrikt als Halil haar uier wil pakken om te
drinken. Hij houdt er hoofdpijn en een wazig beeld aan over. Bolle
heet het tweede hoofdstuk, waarmee het rund titeldrager wordt. In
dat hoofdstuk wordt duidelijk gemaakt dat van armoede geen sprake is
in de dorpen, iedereen zit er warmpjes bij. Even
later wordt dan weer aangekaart dat toch niet iedereen evenveel rijkdom heeft
en het personeel in Ginderbuiten onderbetaald wordt. Zelfs de vrouw
van de dominante Osman moet werken. Daar waar de een genoeg heeft, is de ander ontevreden.
Halil
mag dan een klungel zijn, maar heeft wel de eer dat vijf van de
negentien hoofdstukken zijn naam als titel dragen. Hij steekt
daarmee de machtswellusteling Osman de loef af; die fielt staat slechts boven drie scenes.
Naast inteelt worden de dorpen geteisterd
door corruptie; is de macht gewelddadig of sluit de ogen als die
beter zouden kunnen zien wat er gebeurt om te kunnen ingrijpen; straffeloosheid en rechteloosheid zijn de norm; en om de kans op mislopen te versterken, zijn er veel wapens in omloop. Vrouwen spelen in dit
alles een verbindende en verzorgende rol, baren de kinderen en de
man kan alles met hen doen. Overigens zien niet alle mannen hun
vrouwen slechts als broedmachine.
Om de dorpen heen is de guerrilla
actief. Handig. Daarop kan alles, wat niet loopt zoals het hoort, gestoken
worden. We zitten immers in hartje Koerdistan (een benaming van het
gebied die overigens niet van de pagina's spat in het boek, als ze al
voorkomt heb ik het gemist); een allerminst rustgevend element in de situatie.
Het verhaal eindigt beeldend. Die beschrijvingen zijn geen pretje
om te lezen. Er zijn zelfs aanvallers die achteraf wensten dat ze
niet alle opdrachten van Osman hadden gehoord. De lezer wordt
meegenomen in de gruwelen. Een verrassing zijn ze niet meer na alle
waarschuwingen. Verbazen doet het ook niet vanwege de politieke
situatie van het gebied. Toch komt deze fictie harder aan – of op
zijn minst anders dan een zin als: “Minimaal
3.000 dorpen in Turks Koerdistan zijn ontruimd,” zoals
ik
schreef in een boek over Nederlandse wapenhandel.* In gewelddadige botheid doet het geabstraheerde niet onder voor het literair beschreven specifieke, al gaat het wel om verschillende partijen (krijgsmacht in de wapenhandel zin en door
de Staat bewapende dorpswachten in Een zandstorm...). Bovendien is het
verhaal in Ílhans roman gebaseerd
op gebeurtenissen
uit de werkelijkheid in het dorp Zanqırt
(Bilge in het Turks. Dat betekent opmerkelijk genoeg 'Verstandig') wat dit verhaal nog indringender maakt en de kracht van literatuur laat zien.
De schrijfster woont sinds 2017 in
Nederland,
meer precies in Gouda. Dat is een stad die na Istanboel bijna voelt
“als een
vakantiedorp,"
vertelde ze tijdens een interview.
Çiler Ílhan
(Turkije, 1972) heeft internationale betrekkingen en politieke
wetenschappen gestudeerd in Turkije en een opleiding in
hotelmanagement afgerond in Zwitserland. Ze heeft vier boeken
geschreven. Çiler is daarbij ook lid van PEN-Nederland en PEN-Turkije.
Dat iedereen moet kunnen geloven wat hij zelf wil, was de reden dat
ze met haar man en dochter Turkije verliet. “De
druppel was de aanpassing van het onderwijssysteem, waarin wetenschap
geen plaats meer heeft, de evolutietheorie is geschrapt. Ik heb een
dochter van 7 en gun haar haar eigen zoektocht naar waarheid, zonder
dat de overheid die voorkauwt,” zo verklaarde ze de verhuizing naar Nederland.
In Een Zandstorm... is door de vele rammelende en elkaar tegensprekende
standpunten en visies (aan de waarheid heeft men een broertje
dood), zelfs niet duidelijk hoeveel mensen er omkwamen en wordt duidelijk dat niet iedere krachtdadige onderstreping van een mening ook
gewenst is. De titel van de Nederlandstalige uitgave sluit goed aan bij deze diffuse inhoud.
Nog even terug naar Zanqirt. De directe daders zijn veroordeeld. Dat was gezien de omvang van de misdaad onvermijdelijk. De Turkse staat wast zijn handen na jaren nog steeds in onschuld. Dat laatste wordt in Turkije bestreden.
Noot:
Zie Nederlandse wapenhandel in de jaren
negentig,
door het Platform tegen Wapenhandel (Papieren Tijger: Breda, 1998, p.
97); zie meer recent voor een
vergelijkbare zin
mijn bespreking van War in the age of Trump; the
defeat of ISIS, the fall of Kurds, the Conflict with Iran
door
Patrick Cockburn;
of J.A. Moors et al, 'Voedingsbodem
voor radicalisering bij kleine etnische groepen in Nederland; Een
verkennend onderzoek in de Somalische, Pakistaanse, Koerdische en
Molukse gemeenschappen, ' IVA beleidsonderzoek en advies, p. 74,
Tilburg, december 2009.
vrijdag 18 september 2026
Een zandstorm, zeiden ze
zondag 13 september 2026
Lilac and Flag
Lilac and Flag is het derde deel van John Bergers'
trilogie. In het dankwoord aan het slot van het boek schrijft hij dat
de boeken vijftien jaar van zijn aandacht hebben gekost. Hij zou er
niet aan begonnen zijn als hij niet zelfs al voor het begin de steun
van het Transnational Institute aan de Paulus Potterstraat in
Amsterdam had gehad.*
Het boerenland in de bergen is nog wel
aanwezig in het boek. Er komt zelfs een vertelstem vandaan. Deze
merkt op dat zij die het land met de bus verlieten jager of gejaagde
werden en er niets meer overbleef waarop ze konden steunen of vertrouwen. Er
zijn verwijzingen naar het boerenwerk door fysieke kenmerken te
noemen, te spreken over het melken van geiten, terug te kijken naar
de plaats van oorsprong of daar nog aanwezige bezittingen te noemen,
zoals een houten schuur.
Maar Lilac and Flag leven in de mythische
havenstad Troy, in de sloppenwijk op Rat Hill in eind twintigste
eeuw, niet meer in de tijd van de keuterboer, zoals wordt opgemerkt.
Maar ook de vrouw van de hoofdinspecteur van politie wil weg uit deze rommelige stad. Ze wil maar Tenochitilán
(dat klinkt niet alleen Mexicaans, maar is het ook en daarbij zeer ordelijk)
en haar man (ook met een achtergrond op het land) vindt ze eigenlijk maar een mislukkeling; hij kan niet
eens een airconditioning betalen.
Het leven is zeker hard en
armoedig op de heuvel. Er is criminaliteit en er zijn (gewelddadige)
arrestaties. Sommige vaders verdwijnen er met de noorderzon. De
uitbuiting en armoede zijn er schrijnend. Kortom ellende. Lilac en Flag
geven er toch kleur aan.
Flag heet eigenlijk Succus en werkt op een bouwplaats waar de
voorman de bouwvakkers opjaagt en koeioneert. Flag wordt
ontslagen als hij hem om terechte woede op zijn gezicht slaat. Lilac
heet eigenlijk Zsuzsa en is niet voor een gat te vangen. Levendig en
verliefd trekken ze samen door de stad. Samen bedenken ze plannen en
verdienen geld bij door klusjes uit te voeren voor plaatselijke
criminelen (zoals de broer van Lilac).
De tochten door Troy
zijn verdrietig en mooi. De plekken zijn beeldend beschreven vanaf de situatie in de
cabine van een kraan tot in de 'verhoorkamer' kamer van de politie.
Vrolijk door de levenslust en verliefdheid van de twee en
naargeestig, omdat je ziet waar de van het land naar de stad getrokken
mensen belanden. De vader van Succus opent er de hele dag oesters, en
dat tientallen jaren lang. Je kan het werk noemen. Hooien met de
hooivork is ook niet aantrekkelijk en loodzware arbeid. Maar de hele dag een mes
door de spier van schelpdieren wurmen is een geestdodende en
afstompende bezigheid.
Die zelfde vader is een fan van het
woordenboek. Dat is zijn medicijn tegen de versuffing. Hij leert het
vrijwel helemaal uit zijn hoofd en daarbij ook de afkomst van de
woorden. Een teken van wilskracht. Succus heeft het weer van hem
geleerd. Regelmatig worden woorden ontleed. Mij viel op dat de kraan
komt van het Griekse geranos en dat dit staat voor een vogel op hoge poten. De kraanvogel is dus niet naar het hijswerktuig genoemd,
maar andersom de bouwkraan naar de kraanvogel. Dat we maar weten wat eerst kwam.
De mooie wereld is een droom; een fantasie waar
de wereld die draait om geld is verdwenen. Het is een utopie die
verdwijnt als je wakker wordt. Je kan wel redeneren over het betere,
maar woorden brengen en nemen weg, ze zorgen voor verlichting of
doen pijn; ze bieden geen oplossing. Als je op Rat Hill woont kan je maar het beste een biertje
drinken en gaan slapen.
Het boek eindigt daar waar alles
alles eindigt, met de dood. Nee. Zelfs na de dood. In dat bestaan is er
een groot wit cruise schip voor de doden met ieder een hut naar eigen
wens. Een persoon blijkt daar onvindbaar en moet dus nog in leven zijn. Zo is zelfs
het donkere einde in lichte kleuren geschreven, zoals het hele boek
het mooie naast het lelijke en het fijne naast het nare zet. Lilac and
Flag is een prachtige afsluiting van een drietal boeken over het
verdwijnen van de kleine boer. Dat leven was misschien niet ideaal,
maar het is niet voor het betere ingeruild.
De
trilogie
Pig
Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)
Noot:
*
Ook ik heb op een bescheidener nivo veel aan hen te danken gehad.
Daarom noem ik het graag. Het Instituut bestaat nog steeds en het TNI
is al weer jaren gevestigd in de Wittenstraat in Amsterdam.
zaterdag 12 september 2026
Once in Europa
De hier besproken versie van Once in Europa is een samenwerking met fotografe Patricia Macdonald. Het is tweede deel van John
De hier besproken versie van Once in Europa is een samenwerking met fotografe Patricia Macdonald. Het is tweede deel van John Bergers' trilogie Into their labours over het verdwijnen van de kleine boeren uit Europa. Het eerste deel is Pig Earth (1979) en het derde deel Lilac and Flag (1990).
De drie boeken behandelen de beroepsgroep gebonden aan het land waaraan ze haar bestaan ontleent. Deze boeren worden geconfronteerd met de moderniteit die hun leven op de helling zet en hun hele hele groep uit Europa doet verdwijnen. Het is niet alleen de kleine boer die daarmee verdwijnt, maar ook een levensstijl.
De oudere generatie moet zich neerleggen bij het verlies van de volgende die eruit stapt. Zij kiezen voor een leven dat ruimer is dan dat van hun ouders en minder met het land en meer aan de ontwikkelingen elders in de samenleving en economie gebonden is. Oma kon nog leven van het verhuren van haar bok, die om viriel te blijven 's winters in huis mocht wonen. De dochter doet productiewerk in de dichtbij zijnde stad.
Dit tweede deel speelt grotendeels in
de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het begint met de observatie van
een klaproos, van de harde knop tot de tere uitbundig rode bloem,
“het meest overdonderende scharlaken dat in de velden kan worden
gevonden.” Zo wordt de bloem
op de schaars bedrukte eerste pagina beschreven en afgebeeld als
fraaie bloem in de Franse Alpen en los geschreven van de symbolische
waarde die wij mensen aan de poppy
hebben geplakt. Hij krijgt weer zijn eigen diep rode betekenis. Als
contrast staat een er een foto van helder blauwe licht bewolkte hemel
naast. Kleine uitstapjes zijn deel van het verhaal.
De intelligente Odile de dochter van
een kleine boer is het hoofdpersonage. Het boerengezin waar ze
geboren is, leeft naast een nieuw gevestigde fabriek voor de
productie van een mangaanlegering. De smelterij heeft baat bij de opwekking
van witte steenkool en die is juist in de bergen te winnen. De infrastructuur ervan gaat onvermijdelijk
steeds meer de omgeving overheersen en de boerderij insluiten.
De fabriek trekt arbeiders van elders en zij die van buiten komen
slapen ter plekke in acht barakken voorzien van een letter. Samen
vormen die I N E U R O P A. Er komen er veel meer arbeiders dan
van te voren gemeld, zo heeft de fabriek meer geheimen en
verrassingen, veel meer dan de traditionele gemeenschap had (en die
in Pig Earth zijn beschreven).
Odile wordt getrokken door de
grotere ruimte en gaat in op de avances van een arbeider met een
Oekraïens-Russische (dat kon je destijds nog zonder ongemakkelijk gevoel schrijven) achtergrond.
Deze Stephan kwam terecht in Zweden, werd zeeman; voer, landde ergens
en ging tenslotte werken in de fabriek in Frankrijk. Daar leert hij
de boerendochter kennen. Haar stap uit de eigen groep wordt niet
gewaardeerd door gezinsleden en omgeving. Maar wat ze in haar hoofd
heeft … ja inderdaad dat doet ze en daarvan is ze niet af te
brengen.
Ze gaat elders werken. Haar leven neemt afstand
van het boeren verleden en vindt een plek in de kapitalistische
industriële wereld die zich opdringt, inclusief de giftige vervuiling
waarmee dit gepaard gaat. Ouderschap, liefde, het verlies ervan en weer vinden tekeken haar leven samengevat in een grove schets. Ze kijkt tenslotte voldaan terug.
Er is sprake van
tragiek, tederheid en het openen van de persoonlijke leefwereld. Dat
laatste kan volgens Odile ook zonder Parijs te zien.
Het regent kussen
en liefkozingen dalen neer
tot de vloed van tederheid
het nest overspoelt
zo
dicht de schrijver idyllisch, maar als je gewend bent naar de natuur
te kijken, dan ken je de kwetsbaarheid van het nest.
Deze
versie van het boek valt vooral op door de foto's van Macdonald. Lang
niet altijd is (meteen) te zien wat ze afbeelden. Sommige zijn heel
dichtbij het onderwerp gemaakt, anderen uit de lucht geschoten. Het zijn beelden van landschap
met schaduwen, sneeuw, bomen en er zijn foto's van
gebruiksvoorwerpen, textiel, gebouwen en delen ervan, en met een stuw en
huisjes in het landschap. Vervreemdend zijn er veel. Dat begint al
met het beeld van de koeienvacht op boekomslag. De uitstekende botten
geven de herkenbare vorm aan het beeld. Andere foto's zijn niet te
ontcijferen. Of er is gewoon gras, dat door die gewoonheid een extra
lading krijgt. Angus Macdonald, de man van de fotografe, is piloot
dat maakte de luchtfoto's mogelijk.
De uitbundige
illustratie (waar foto's hele soms opeenvolgende pagina's vullen)
betekent dat je tijdens het lezen door de afgelegen omgeving wordt
gevoerd en als het boek uit is rustig nog een paar keer door het werk
kan gaan om je te verbazen over hoe de realiteit een vervreemdende
impressionistische indruk kan maken.
Berger zocht naar
manieren om zijn vertellingen anders te brengen. Dit is een van de
door hem gebruikte middelen. Intussen zie je een manier van leven
verdwijnen en plaats maken voor een andere economie, waar de
menselijke maat ontbreekt. De tekst is niet nostalgisch, maar wekt
dit gevoel wel enigszins op, terwijl je tegelijkertijd beseft dat de
vrijheid van Odile, niet die van haar moeder was. Wat dat betreft is
een stap vooruit gezet, waard om te beschermen. Met een stinkende
geitenbok in je keuken wonen? Nee bedankt. Giftige productie in je
achtertuin? Doe maar niet. Iets dichter bij de natuur, het milieu,
zullen we onze route moeten gaan zoeken. Dat is wat na het lezen blijft hangen.
De
trilogie
Pig
Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)
vrijdag 11 september 2026
Pig earth
Het boek is onderzoekend, maar verhalend geschreven. Het begint wel met stevig graven in de positie van de keuterboer in een 27 pagina's lange inleiding (op 200 totaal). Conservatief? Volgens Berger is dat een misverstand. Het zit ingewikkelder in elkaar. Het is inderdaad een beroep van omkijken, maar ook van verder op basis van ervaringen uit het verleden. Maar die liggen niet zo stevig verankerd dat er geen plaats zou zijn voor aanpassingen die de werking verbeteren.
De schrijver verbeeld vervolgens een fictieve wereld van die keuterboer in de Alpen. Hij doet dit zowel in proza als poëzie. In het eerste verhaal stap je als lezer meteen het leven in van de koe die aan het einde is gekomen en met een masker voor naar het slachthuis gaat. Op de boerderij neemt een pink de plek op stal van de geslachte koe in. Het rijmt als de seizoenen die ook steeds opnieuw beginnen.
Keuterboer is een scheldwoord in het Parijse waar denigrerend wordt gezegd dat de provincialen terug moeten gaan naar hun geitenpoep. Voor Berger is het juist een wereld om in te stappen en te onderzoeken. Dat kan gaan van de verstopte aanvoer van water uit de bron tot een gedetailleerde beschrijving van de jaarlijkse slacht van het gemeste varken. En zo nog heel veel meer dat gaat tot de tekst die de dorpsonderwijzer op het schoolbord schreef:
Aantijgingen zouden in zand moeten worden geschreven
Complimenten moeten worden gegraveerd in marme
Berger is een intellectueel met
open blik en dat komt soms naar buiten waar je het niet verwacht
zoals bij het geluid van de geitenbok. Dat geluid als van een
doedelzak werd door de Grieken tragos genoemd, waar het woord
tragiek van afstamt. In de verhalen komt de bijzondere positie van de keuterboer ook naar voren. In de stad gaat geld van had tot hand, zo ziet een jonge vrouw die er heen ging om geld te verdienen. Zonder geld kan je niet leven, niet eens water drinken. Met geld kan je alles tot aan het kopen van dapperheid, zelfs als je laf bent. Maar ook in de agrarische gemeenschap in de bergen speelt geld een vervreemdende rol. De boer protesteert tegen de accijns op de drank die hij zelf stookt: “Het betekent dat ik moet betalen, geld betalen voor mijn eigen product.” Zo staat die keuterboer wel naast de markteconomie, maar is er toch ook onderdeel van gemaakt. Hij wordt dit nog meer als hij een kleine trekker aanschaft. Want na de trekker komen de landbouwwerktuigen die er aangekoppeld kunnen worden. De kosten van een trekker staan gelijk aan de opbrengst van tien koeien die elk 2.500 liter melk per jaar geven. Zo is er nog meer geld nodig om te kunnen boeren, moet er geleend worden en verdwijnt inderdaad een type boer die alleen met handen voeten en gewrichten aan het land gebonden is.
Berger
ziet het beroep verdwijnen in de Europese Unie. Hij geeft hem nog een
kwart eeuw en dan zal Europees beleid een einde aan hebben gemaakt
aan deze bijzondere beroepsgroep. Bijzonder omdat hij grotendeels
zelfvoorzienend is en leeft met het ritme van de seizoenen en op
basis van de werkende methoden van vroeger. Maar ook de schoolmeester
in het verhaal The wind hauls too zegt: “Alle boerderijen
zullen op de vlakte liggen.” Een deel van de boeren heeft zich
daarbij neergelegd. Nieuwe fruitbomen worden niet geplant. Die er
staan geven nog vrucht en wie dan leeft, wie dan zorgt.
Het boek
eindigt met een drieledig verhaal over Lucie Cabrol dat bijna de
helft van het boek vult. Het speelt van voor de Eerste Wereldoorlog
tot eind jaren zestig van de vorige eeuw. Lucie wordt ook wel
Cocadrille genoemd want ze heeft een groeistoornis, ze blijft klein. Een
cocadrille komt uit een hanenei dat is uitgebroed in een mesthoop.
Kortom een anomalie van een mens. Klein, maar krachtig, Lucie doet
mannenwerk op de boerderij wat haar status aparte alleen maar verder
onderstreept. Ze heeft blauwe ogen, in de kleur van
vergeet-mij-nietjes, die zich vasthechten aan wat ze zien. Mensen
zijn bang voor haar, omdat ze niet is zoals ze zou moeten zijn.
Alleen twee mannen uit het verzet, maquis, die op de vlucht zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zien dat ze verstandiger is dan haar
omgeving.
Toch wordt ze aan het slot van het eerste deel van
de boerderij verdreven door haar broers en hun vrouwen. Dit hoewel
het ook haar erfgoed is waarop ze boeren en waar zij haar arbeid in
heeft gestoken. In het tweede deel is ze verzamelaarster in het bos
geworden. Ze plukt en raapt producten en verkoopt die naar eigen
zeggen voor goud geld in een stad verderop. Het lijkt nog een stap
terug in de agrarische ontwikkeling. Voor haar is het echter geen
achteruitgang. Ze leeft er ogenschijnlijk eenvoudig, maar met oog op
een leven dat altijd gewenst heeft, en met zand en aarde onder haar
nagels. De tragiek is nauwelijks verhuld.
Pig earth laat een
wereld zien die verdween uit Europa. Misschien hier-en-daar nog
een klein restant, maar het nog maar nauwelijks mogelijk om te leven
als een zelfvoorzienend mens met producten van eigen land en kleine
aankopen uit de opbrengsten van de overschotten. Het is een wereld
die Berger niet idealiseert – de onaangepaste, maar moreel zeker
niet mindere Lucie Cabrol past er niet –, maar in zijn wezen wel
waardeert. Hij leverde er een herinnering aan de recente geschiedenis
mee.
De
trilogie
Pig
Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)
Noot:
* Dedoor mij gelezen versie heeft zeker niet de meest
opvallende kaft. In de tekst heb ik daarom nog twee versies verwerkt.
Die met de koeman: Pantheon, New York, 1979. 1e VS-editie; en de andere van Chatto & Windus uit
1985.
dinsdag 8 september 2026
De scharrelaar
Hoe schrijf je een bespreking van een tijdschrift waarin vijftien verschillende verhalen zijn opgenomen, zowel fictie als non-fictie? Je zoekt bijvoorbeeld een thema om alles bij elkaar te brengen.
De Scharrelaar is een vogeltijdschrift voor lezers. Nummer 2 uit 2019 dook op in een weggeefkast en ik las het als een boek met korte verhalen. De schrijvers zijn afkomstig uit ornithologische kringen, de journalistiek of zijn fictie schrijvers. Het tijdschrift begon bij de uitgeverij Atlas Contact en is overgegaan naar uitgeverij Noordboek en wordt nog steeds uitgegeven.
Het eerste verhaal door Stefan Brijs heet een symfonie voor de kraanvogel te zijn. Het requiem voor de pracht op hoge poten ligt echter op de loer, zo lijkt het als wordt beschreven hoe de kraanvogels uit Navalvillar de Pela verdwijnen. Voor de rijstteelt “werden hele gebieden onder water gezet. Een grote weelde voor de kraanvogels, zo bleek, want na de oogst bleven er nog zoveel korrels op het land achter dat ze er winter na winter een redelijk gedekte tafel aantroffen.” Kortom de positieve gevolgen van een agrarische activiteit. Ja die zijn er ook. Maar de rijst maakte plaats voor duizenden identieke in het gelid staande olijfbomen “als een oprukkend leger dat zich opmaakt om nog meer land te veroveren,” en daarmee het leefgebied van de kraanvogel weg te nemen.
De geboorte van de ooievaar wordt beschreven door Kester Freriks die dit vanuit huis volgt. De ooievaar is een succesnummer. Hij was bijna verdwenen. In 1945 nog 150-160 nesten. Jacht en hoogspanningsmasten worden daarvoor als schuldigen aangewezen, maar die andere belangrijke doodsoorzaak landbouwgiffen als DDT wordt hier niet genoemd. (Mogelijk heeft hij het in zijn boek wel genoemd. Hij had er elders wel aandacht voor.) Maar alla. Het gif is verboden. Hij is weer terug. Bovendien kom ik in het artikel het prachtige woord 'duimveren' tegen, dat zijn de wonderlijk krachtige en soepele veren die de vogel in staat stelt te sturen en te remmen.
Dan een sprong terug in de tijd naar de cel waar Rosa Luxemburg brieven schreef over de vogels buiten de muren. Gevogelte waarmee ze een band kreeg. Marja Vuijsje beschrijft het met liefde. Zelf pak ik Briefe aus dem Gefängnis van de Rote Rosa weer eens uit de boekenkast. Je stuit bijna als vanzelf op vogelteksten:
“Gestern höre ich plötzlich von drüben über die Mauer, die unseren Hof von einem anderen Gefängnisterrain trennt, den bekannten Gruß, aber so ganz verändert, nur ganz kurz und eilig dreimal hintereinander „Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä“, dann wurde es still. Mir zuckte das Herz zusammen, so viel lag in diesem eiligen, fernen Ruf, eine ganze kleine Vogelgeschichte. Das war nämlich eine Erinnerung der Blaumeise [pimpelmees] an die schöne Zeit des Liebeswerbens im Vorfrühling, wo man den ganzen Tag sang und lockte; jetzt aber heißt es den ganzen Tag fliegen und Mücken sammeln für sich und die Familie, also nur kurz eine Reminiszenz: „Ich habe keine Zeit – ach ja, es war schön – Frühling ist bald zu Ende – Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä –! – – –“ Glauben Sie mir, Sonjuscha, daß mich ein solcher kleiner Vogelruf, in dem so viel Ausdruck liegt, tief ergreifen kann.”
Brief uit gevangenis van Wronke, gericht aan Sonja Liebknecht, 23 mei 1917Vuijstje haalt meer vogelfragmenten uit de brieven. Maar laat zien dat in de brieven ook aandacht is voor een rapport over het verdwijnen van zangvogels in Duitsland. Het maakt Luxemburg verdrietig. Kan ik beter andere zaken uit het artikel over de brieven halen, zoals de opmerking gericht aan haar ex-geliefde, Hans Diefenbach? Ze schreef hem dat ze na het horen van een roodborstje besloot hem te schrijven en daarbij niet iedere kleine belediging als boekhouder te bewaren. Maar duidelijk is: ook hier staat de vogel onder druk. Rosa noemt het verdwijnen in een adem met de moord op de inheemse bevolking van Noord-Amerika.
Is dat verdwijnen het overkoepelende thema? Dat kan toch niet zo zijn? Dit als verbindende schakel zien zou inderdaad droevig maken. Er is even de geruststellende fantasievogel van schrijfster Hedda Martens en het gebruik van vogels in films en boeken, waar Koos Dijksterhuis zich aan stoort. Je hoort ze zingen, roepen, gieren als ze al vertrokken zijn, ze zingen overdag het lied van de nacht, of ze krijgen de verkeerde naam. Ernstig? Ja, “omdat er zoveel onbegrip en onverschilligheid uit blijkt. Dat de mensen, ja zelfs schrijvers en regisseurs, meer geven om automerken en voetbalclubs dan om raven en uilen...”
In
het verhaal van Alexander
Reeuwijk
over de vogel collectie van Walter Rothschild verdwijnen weliswaar
vogels, maar hier gaat het om balgen (voor het bewaren geprepareerde
vogels) die werden gestolen door klassiek fluitist (en vliegbinder)
Edwin
Rist.
Maar die vogels was het leven al eerder afgenomen. Dat telt dus niet
bij het verdwijnen.
Op Nólsoy gedijt het stormvogeltje juist goed,
omdat er geen ratten leven en omdat zo te houden wordt het eiland
bewaakt met houten tunneltjes met inkt erin, waardoor ratten sporen
na laten als het eiland zouden bereiken. Er is nog geen spoor gevonden en de drunnhvíti
kan op het eiland in de Faeröer archipel oud worden.
Ernst Jansz (voormalig zanger en toetsenist van Doe Maar) blijkt ook bioloog te zijn. Hij beschrijft hoe hij een uit het nest gevallen torenvalk met succes weer terugbrengt. Misschien te mooi om waar te zijn, maar mooi als het zo is.
Het door mij gekozen thema is dan al langzaam weggesleten. Het komt geforceerd over, en de twijfel slaat toe of het juist gekozen is, maar dan komt Jean-Pierre Geelen, Volkskrant journalist. In Toptijd wordt niet eens over een soort gesproken. In het algemeen vallen vogels “ten prooi aan opwarming, ontbossing, verdroging, bestrijdingsmiddelen en stropers. En anders wel de vinkentering.” Ik ben weer terug bij de trieste realiteit. Het is de kunst ondanks dit alles te blijven genieten van wat je toch nog tegenkomt; optimisme is een plicht. En dus klampt hij zich vast
“aan een vaag vertrouwen in een ommekeer, dat verstand en inzicht zullen zegevieren, dat boeren hun bermen weer laten begroeien met wilde planten, dat niet elk insect meer bestreden wordt met alles vernietigende chemicaliën, dat het grondwater op de weidegronden weer gewoon aan de lippen van de laatste grutto mag staan.”
Als
je dan toch nog naar de overgebleven vogels wilt kijken dan is de inventarisatie door ornitholoog Rob
Bijlsma
een hulp die duidelijk maakt op welke afstand je kan komen voordat
een een vogel op- en wegvliegt. Die vluchtafstand is keurig per vogel
weergegeven in tabellen. Het lijkt alsof je de slechtvalk het
minst en het goudhaantje het beste kan benaderen, maar het vogeltje
met de gouden streep op de kop bevindt zich horizontaal misschien dichtbij voor hij opvliegt (1 meter), vertikaal zit het doorgaans in de
boomkruin.
De tabellen zijn overzichtelijk, maar 't
verhaal over de fluiter laat meer sporen na. De anekdote speelt rond
een wandeltocht in Drenthe waarvoor een eet- en drinkgelegenheid met generator in
het bos werd opgezet pal naast het nest van de genoemde fluiter. Die
vogels bleven vervolgens weg; ze stopten de zorg. Toen de zaak weer
ingepakt en opgeruimd was, bevatte het nest vier lijkjes en twee
afgekoelde eieren. Het 10 gram zware vogeltje dat overwintert in het Congo-bekken maakt mogelijk maar één
broedsel in het leven.
De schrijver merkt op, geheel tegen
de gangbare visie in, dat hij vreest dat het in de natuur zijn niet
leidt tot benul hebben van de aanwezige levende have. Sterker nog hij stelt dat
gezien dat “de
gezwinde pas, of – indien in groepsverband – het kwettervolume,
valt af te lezen dat natuur toch vooral een groen decor is. (…) Dan
is verstoring zo gepiept.”
Ik vrees dat hij voor een groot deel gelijk heeft.
In een bezoek aan Hoy
(Orkney-eilanden) vliegen de stoere grote jagers over, maar blijkt
daar een mens verdwenen, omdat er geen plaats was voor de ongehuwd zwangere vrouw. De bevruchter (een walvisvaarder) vertrok na de daad,
en liet Betty Corrigal achter in de streng Christelijke gemeenschap.
De eilandbewoners lieten merken dat zij fout zat. Zij doodde
vervolgens zichzelf. Betty leefde in de zeventiende eeuw. Ze is in de vorige herbegraven en sindsdien herhaaldelijk bezongen.
Dit mens verdween, maar de grote jagers zijn gebleven.
Het laatste artikel gaat over een boek met fraaie tekeningen van duiven, en niets dan duiven, door Pauline Knip-Rifer. Alexander Reeuwijk heeft het samen met Hay Wijnhoven een paar jaar nadat hij dit artikel schreef opnieuw uitgegeven. Twee van Knips prenten zijn in De Scharrelaar opgenomen, de zonnekraagduif (m) en de groene muskaatduif (m). Van de Mauritaanse blauwe duif wordt vermeld dat die het niet gered heeft. Hij stierf omstreeks 1840 uit.
Een vogel die er uitbundig wel is, de fazant, wordt in veel vogelboeken uitgelsoten omdat hij na alle jaren dat hij hier loopt en fladdert nog steeds niet inheems zou zijn en bij de Nederlandse vogels zou horen. Saskia van Loenen neemt met kracht afstand
van deze bekrompenheid. De scharrelaar gaat zeker ook over nog levende vogels. Ze krijgen juist kleur op de veren. Er is duidelijk noodzaak om zuinig op het gevogelte te zijn. De vogel die de uitgave zijn naam gaf is uitbundig blauw en is zelden in Nederland te zien. Hij leeft in Midden- en Zuid-Europa en sierde de eerste uitgave van dit fraaie tijdschrift. Hij is juist van de rode lijst gehaald!
Noord
Beleidskader Natuur Waddenzee; Advies over de ecologische onderbouwing, Ecologische Autoriteit, april 2026Het pad langs het mooie witte strandje bij de boot naar Vlieland was afgesloten voor de aanleg van een duiker voor een open verbinding naar de Waddenzee, maar een beetje doorzetter kon er nog wel langs. Daar lag een roeiboot naast het klein schorrenkruid, een plant even rood als de boot zelf. De drukte, zeker in de duinen tussen Egemond en Callantsoog en op Texel bij De Koog was wel eens wat veel, maar het was mooi en fijn dat ik de tocht gemaakt heb. |
vrijdag 4 september 2026
Tjies
De verhalenbundel Tjies (1958) is geschreven door Vincent Mahieu (pseudoniem van Jan J. Th. Boon die ook Tjalie Robinson gebruikte en nog het e.e.a.). Tjies is het koosnaampje voor een buks met een .22 kaliber die in de verhalen wordt gebruikt bij het jagen, het tonen van mannelijkheid, een soort Willem Tell actie en die zelfvertrouwen geeft.
Een wapen biedt daarnaast ook ontplooiingsmogelijkheden: “Hardheid maakt plaats voor gehardheid, wreedheid voor barmhartigheid, met de macht om te doden leert de jongeman leven te sparen,” zo beweerd het schutblad. Mahieu is niet voor niets zoon van een in Indië geboren KNIL-beroepsmilitair. Zijn moeder is van Engels-Javaanse geboorte. Die diverse afkomst zou later een belangrijk deel van Boons leven kleuren.
Jan Boon ging in 1911 als baby mee naar Nederlands Indië om er vervolgens 44 jaar te wonen. De verhalen in Tjies spelen in die Nederlandse kolonie. In het boek zoeken jongens naar een houding in het leven; op blote voeten, ravotten, zwemmen in de kali (rivier) en jagen en het op een gegeven moment toelaten en weer afstoten van meisjes.
Een van de terugkerende thema's is het zoeken naar gevaar en spanning om het leven te kleuren. In het geval van de jonge vrouw Didi – die voor haar mannelijke leeftijdsgenoten in stoerheid en optreden niet onderdeed – leidde deze roekeloosheid ertoe dat ze zo afgeranseld werd door een Japanner dat ze aan de gevolgen (een hersenbloeding) stierf. Ze zou daarmee een voorbeeld zijn voor ouders, schrijft Mahieu: “(...) wie slecht leeft, komt slecht aan zijn eind. Haar leven zij hiermee aan alle verstandige ouders en jonge dochteren ten voorbeeld gesteld.” Je zou het als ironie willen zien, maar daarvoor geeft de tekst geen enkele aanwijzing. Haar onbesuisdheid bestond er uit dat ze haar man in het Jappenkamp eten kwam brengen. Dat irriteerde de Japanner.
In een ander geval is de branie van een invalide jongen – die om zijn daden bewonderd werd – de oorzaak van zijn dood door een auto-ongeluk. Een ambtenaar springt uit de band en zwemt in de rivier – wat iemand van zijn stand eigenlijk niet doet. Als het misloopt, is hij aangewezen op hulp van de flirtende buurvrouw. Hij schudt haar af en vervolgt zijn leven liever via de weg van braafheid en kalmte. De achterdeur naar de kali* wordt afgesloten en hij leeft verder met zijn eigen vrouw die iedere dag de hele middag slaapt en tot 's avonds laat leest.
Gevaar en dikwijls ook geweld botsen met orde, overleg en rust.
In het geval van de in de Kali zwemmende man lijken hij en zijn vrouw beide tevreden met de terugkeer naar de kalmte. Maar er is ook een bazige echtgenote die aan haar eindje komt en waar nauwelijks iemand een traan om laat. Of een domme maar beeldschone getrouwde vrouw waarop een alleenstaande bestuursambtenaar een oogje heeft. Dit laatste leidt tot een conflict waar de dreiging van een schot met Tjies in de lucht hangt.
Zo'n dertig jaar geleden kwam ik Mahieu voor het eerst tegen en raakte onder de indruk van zijn schrijven. De branie, de niet altijd even correcte visies, de belangrijke rol van vuurwapens, het uit de weg gaan van emotionaliteit, het lijkt hem allemaal van me af te stoten. Maar doet dit niet. Al in de eerste paar verhalen viel me de intimiteit op die hij beschrijft, de visies die hij ontwikkelt om het leven aan te kunnen. Het lijkt inderdaad alsof juist door het gevaar op te zoeken, ook de ruimte voor andere emoties en prettiger relaties mogelijk wordt.** Het boek stoot af en trekt aan. De schrijver is hard, maar ook open. Zo schrijft hij: “Alle mensen zijn buitenstaander van alle vormen van leven, vaak zelfs van hun eigen. Daarom neem ik niemand iets kwalijk.” Bij de slaafse verhoudingen (met werk, kinderen, baas, religie, etc.) zijn er de slappe redeneringen die het gedrag moeten goedpraten, maar “tenslotte is er voor alles wat te zeggen.” Last leidt juist tot nieuwe wegen in het leven. Die ruimte zit ook meer contemplatief in: “Hij wist wat hij wist te goed om zich ooit ergens kwaad over te maken.” Als de woede om de wereld met kennis getemd kan worden, is het dan ook andersom zo dat een gebrek aan cognitieve grip die boosheid juist kan aanwakkeren? Of de schrijver het antwoord heeft? Hij houdt niet van al te hoogdravende visies, want dan “snap je achter niet meer wat je vóór begon.”
Intussen krijg je nogal wat beelden mee van de omgeving, zoals een klein straatje. Dat straatje begon zonder naam en werd Gang Bantoe genoemd, niet meer dan een steeg aan een grotere weg met wat huizen eraan. De steeg ontwikkelt zich en wordt laan en vervolgens weg. “Ikzelf groeide met het gangetje mee: toen het gang heette, heette ik 'Peng', of 'Koetjai' of ' Séh, jongén!'; toen de naam 'laan' werd heette ik Mahieu of 'Ouwe', en toen de naam 'weg' kwam, heette ik mijnheer Mahieu en was ik 'Weledelgeboren'.” Deze Gang komt vaker voor in het boek, maar er zijn ook de weg naar het strand, de straten waaraan de bomen staan om te klimmen. Je wordt het Nederlands Indië van Boon binnengevoerd. Hij observeerde wat hij zag en reflecteerde op zijn eigen jeugd.
Hoewel verhalen over jongeren de hoofdmoot vormen, zijn er ook over volwassenen. Toen Mahieu ze scheef was hij zelf ook al veertiger met ervaringen. Een verhaal als De Pagger (een gevlochten erfafscheiding) en de burenruzie die daarover ontstond is tegenwoordig bekend van De Rijdende Rechter. Hier is er een man in Batavia die in brieven aan zijn buurman zijn eigen gelijk beargumenteert en de ander die uit de hoogte afgemeten de onzin van de hele affaire onderstreept. Deze posities worden ook nog eens versterkt door het verschil in maatschappelijke status tussen beide heren. In het verhaal over drukkerij Quick en Co gaat deze ten onder aan hebzucht en verschillende idealen van de twee leidinggevende en hun echtgenotes. In De Maaltijd wint de hond het pleit en vult zijn buik. (In een eerder verhaal werd een hond opgehaald door de hondenvangers.) Deze hond meent dat de mens hem wel wat toe zal stoppen, omdat ze barmhartig is. De zwerver die het vindt bot waarover een ruzie ontstaat, ziet deze menselijke trek als een bespottelijke gedachte, want dan zou ook hij immers geen honger leiden.
Het
zijn vaak de uitersten, die de verhalen kleuren en ze boeiend maken,
ook als je barmhartigheid juist wenselijk
vindt, of als je denkt dat een wapen niet leidt tot medeleven, maar
de kans op ontsporing vergroot. Mahieu gaat niet alleen het gesprek
met de lezer aan, maar ook met zichzelf en daarbij komen hardheid en
inleving samen.
Noten
:
*
Die rivier wordt Tjiliwoeng (Indonesisch Ciliwung) genoemd en loopt
nog steeds door hartje Jakarta, en destijds door Batavia.
** In
de tijd dat ik het boek las, bekeek ik een uitzending van Podium
Dans over de uit Schotland afkomstige danseres en choreografe
Courtney May Robertson
die over een dergelijke spanning sprak en opmerkte dat ze: “altijd
naar extreme ervaringen wordt getrokken. Als extremen naast elkaar
bestaan dan creëert dit een soort dubbelzinnigheid en verdwijnt het
binaire. Hier wordt het voor mij interessant, als de ogenschijnlijk
tegenstrijdigheden zich vermengen.”
Dit kan bijvoorbeeld extreme discipline samenbrengen met
zorgzaamheid.
*** Boon doorliep zelf de H.B.S. en
zou via een uitstapje naar de marine journalist en schrijver worden,
zie: Kees Snoek, 'Kritisch
lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur: Tjalie Robinson,'
februari 2013.
Toen hij nog in Batavia woonde schreef hij als Tjalie Robinson de
populaire columns de Piekerans
van een straatslijper.
woensdag 2 september 2026
Aangenaam
|
De laatste keer was ik blij dat ik er was. Iets te
veel omhoog, een beetje teveel kracht, krakkkchchkk. Nu zit er
weer een nieuwe cassette op de fiets, evenals een voortandwiel en
ketting. Kan ik weer trappen. Moest me er wel toe zetten. Maar
ergens zat nog een restje spirit verstopt. |
maandag 31 augustus 2026
Het leven is vurrukkulluk
Het leven is vurrukkulluk (1961) van Remco Campert is een klassieker uit de Nederlandse literatuur. De feestelijke titel is vast een deel van de verklaring voor het succes. Het is daarbij eigenzinnig en kraaiend van plezier geschreven.
In de korte roman worden meer woorden dan alleen vurrukkulluk door de taalvervormer van de Leidsepleinvrijheid gehaald. Zoals 'seksjuwelen verkeer,' 'nijslollie,' 'giegullen' en 'Marie-Johanna roken'. Het is een melig trucje dat net niet gaat vervelen.
Dat Amsterdamse plein duikt in mijn brein op aangezien ik de schrijver meteen zie zitten in café Reynders (met Bert Schierbeek en Lucebert) als Clare Lennart de zogenaamde experimentelen komt interviewen voor het boekenweekgeschenk van 1955. Dat interview ademt de sfeer die ook het vurrukkullukke leven een paar jaar later zal oproepen.
Het zijn drie jonge mensen die de belangrijkste stemmen zijn in het boek: Mees, Boelie en Panda. Ze plukken de dag en doen niet moeilijk. Het leven is er om rijk te zijn en van drank en seks te genieten; al het andere is franje. Het is geschreven in een eigen taal, die vloeiend en vlot van de pagina's rolt.
De pretentie is om goed te leven, verder moet je alles niet te zwaar nemen en de moraliteit moet niet in de weg staan van een goed feest, als het nodig is mep je darvoor zelfs een oude haveloze man neer. Aan een oudere vrouw met een jongen man in een bed op een zolderkamertje wordt voorbij gegaan alsof het niets is. Ze liggen er, maar doen er verder niet toe. Als het raam maar open kan om er hangende aan een paraplu uit te springen om in de tuin te landen. Zo luchtig is het leven.
In de Nederland leest (2011) uitgave die ik lees mag Ronald Giphart als het kind dat van ballonnen houdt opschrijven dat het een van de beste boeken is die hij kent. Is dat lege reclamepraat of meent hij dit werkelijk? (Dit wordt de derde keer dat ik schrijver Giphart betwijfel op dit blog.) Wat frisse lucht was goed in het muffe Nederland. Maar beste? Wel plezierig leesbaar. Dat is wat waard.


































