vrijdag 18 september 2026

Een zandstorm, zeiden ze



Çiler Ílhan schreef in 2021 de roman Nişan Evi. Drie jaar later werd deze door Hanneke van der Heijden vertaald naar Een zandstorm, zeiden ze. De vertaalster veranderde daarmee de originele titel die letterlijk Verlovingshuis betekent. In het Engels werd het Engagement en viel alleen het huis weg.
     Na het lezen van de laatste zin: 
Iedereen moet maar geloven wat hij zelf wil, kan ik de slaap niet vatten. Mijn hoofd is tussen begin en vooral aan het eind overhoop geschreven.

In de Turkse titel wordt verwezen naar de belangrijkste plaats, het huis waar de verloving van Leyla uit Eigenheim en Bilal uit Ginderbuiten 
gevierd zal worden. De Nederlandse titel vestigt de aandacht op de zandstorm die steeds terugkomt in het verhaal, waarbij niet duidelijk is of die nu wel of niet opstak of dat het een metafoor of een gerucht was, een van de vele vertelsels die rondwaren in Zuidoost Turkije. 
     Want in dat deel van het land speelt de roman in het bestek van een dag. Mogelijk kwam de storm aanwaaien uit Ginderbuiten en veroorzaakte in Eigenheim een ramp. De verhalen van de ooggetuigen over de zand- of stofstorm tuimelen over elkaar heen, verschillen, spreken elkaar tegen, en verhalen zelfs over een windhoos die iemand twintig meter door de lucht meenam. De werkelijkheid is in die arena verdwenen.

Beide dorpen worden bevolkt door twee takken van een familie, in elk een. Binnen het dorp wordt getrouwd, zo is de gewoonte, om de bezitttingen in de eigen tak te houden. Als gevolg van de inteelt wemelde het van de kreupelen en gekken. Tussen de twee takken botert het niet en ze wonen niet voor niets apart. Deze verstikkende orde wordt door de verloving verstoord.
     De woorden 'Zo noemen ze dat in deze streek' of 'Zo zeiden ze' komen steeds terug om een staande dorpse visie te verklaren. Maar het belangrijkste wat herhaald wordt, is het vooruitwijzen naar de gewelddadige afloop van de aanstaande verloving. Dat wordt in ieder hoofdstuk weer kort, soms overduidelijk, soms als terloops beeld, maar steeds weer dreigend aangestipt; het zijn vele vingerwijzingen naar een onvermijdelijke fatale afloop.  

Het grootste deel van de hoofdstukken vertelt iets over een personage dat erin voorkomt met de naam ervan als titel. Maar dat is geen strikt doorgevoerde structuur. Het eerste heet naar een product 
Eau de Cologne. Op een goed verlovingsfeest moet het geurwater immers gekoeld aanwezig zijn om de gasten te verfrissen. Maar in Eigenheim is het niet meer te koop. Broer Halil loopt naar Ginderbuiten om daar tien flessen te halen. Voor hij gaat krijgt Halil een trap van koe Bolle, die van hem schrikt als Halil haar uier wil pakken om te drinken. Hij houdt er hoofdpijn en een wazig beeld aan over. Bolle heet het tweede hoofdstuk, waarmee het rund titeldrager wordt. In dat hoofdstuk wordt duidelijk gemaakt dat van armoede geen sprake is in de dorpen, iedereen zit er warmpjes bij. Even later wordt dan weer aangekaart dat toch niet iedereen evenveel rijkdom heeft en het personeel in Ginderbuiten onderbetaald wordt. Zelfs de vrouw van de dominante Osman moet werken. Daar waar de een genoeg heeft, is de ander ontevreden.
     Halil mag dan een klungel zijn, maar heeft wel de eer dat vijf van de negentien hoofdstukken zijn naam als titel dragen. Hij steekt daarmee de machtswellusteling Osman de loef af; die fielt staat slechts boven drie scenes.

Naast inteelt worden de dorpen geteisterd door corruptie; is de macht gewelddadig of sluit de ogen als die beter zouden kunnen zien wat er gebeurt om te kunnen ingrijpen; straffeloosheid en rechteloosheid zijn de norm; en om de kans op mislopen te versterken, zijn er veel wapens in omloop. Vrouwen spelen in dit alles een verbindende en verzorgende rol, baren de kinderen en de man kan alles met hen doen. Overigens zien niet alle mannen hun vrouwen slechts als broedmachine.
     Om de dorpen heen is de guerrilla actief. Handig. Daarop kan alles, wat niet loopt zoals het hoort, gestoken worden. We zitten immers in hartje Koerdistan (een benaming van het gebied die overigens niet van de pagina's spat in het boek, als ze al voorkomt heb ik het gemist); een allerminst rustgevend element in de situatie. 

Het verhaal eindigt beeldend. Die beschrijvingen zijn geen pretje om te lezen. Er zijn zelfs aanvallers die achteraf wensten dat ze niet alle opdrachten van Osman hadden gehoord. De lezer wordt meegenomen in de gruwelen. Een verrassing zijn ze niet meer na alle waarschuwingen. Verbazen doet het ook niet vanwege de politieke situatie van het gebied. Toch komt deze fictie harder aan – of op zijn minst anders dan een zin als:
“Minimaal 3.000 dorpen in Turks Koerdistan zijn ontruimd,” zoals ik schreef in een boek over Nederlandse wapenhandel.* In gewelddadige botheid doet het geabstraheerde niet onder voor het literair beschreven specifieke, al gaat het wel om verschillende partijen (krijgsmacht in de wapenhandel zin en door de Staat bewapende dorpswachten in Een zandstorm...). Bovendien is het verhaal in Ílhans roman gebaseerd op gebeurtenissen uit de werkelijkheid in het dorp Zanqırt (Bilge in het Turks. Dat betekent opmerkelijk genoeg 'Verstandig') wat dit verhaal nog indringender maakt en de kracht van literatuur laat zien.

De schrijfster woont sinds 2017
in Nederland, meer precies in Gouda. Dat is een stad die na Istanboel bijna voelt “als een vakantiedorp," vertelde ze tijdens een interview. Çiler Ílhan (Turkije, 1972) heeft internationale betrekkingen en politieke wetenschappen gestudeerd in Turkije en een opleiding in hotelmanagement afgerond in Zwitserland. Ze heeft vier boeken geschreven. Çiler is daarbij ook lid van PEN-Nederland en PEN-Turkije.
     Dat iedereen moet kunnen geloven wat hij zelf wil, was de reden dat ze met haar man en dochter Turkije verliet.
“De druppel was de aanpassing van het onderwijssysteem, waarin wetenschap geen plaats meer heeft, de evolutietheorie is geschrapt. Ik heb een dochter van 7 en gun haar haar eigen zoektocht naar waarheid, zonder dat de overheid die voorkauwt,” zo verklaarde ze de verhuizing naar Nederland.
    In Een Zandstorm... is door de vele rammelende en elkaar tegensprekende standpunten en visies (aan de waarheid heeft men een broertje dood), zelfs niet duidelijk hoeveel mensen er omkwamen en wordt duidelijk dat niet iedere krachtdadige onderstreping van een mening ook gewenst is. De titel van de Nederlandstalige uitgave sluit goed aan bij deze diffuse inhoud. 

Nog even terug naar Zanqirt. De directe daders zijn veroordeeld. Dat was gezien de omvang van de misdaad onvermijdelijk. De Turkse staat wast zijn handen na jaren nog steeds in onschuld. Dat laatste wordt in Turkije bestreden.

Noot:
Zie 
Nederlandse wapenhandel in de jaren negentig, door het Platform tegen Wapenhandel (Papieren Tijger: Breda, 1998, p. 97); zie meer recent voor een vergelijkbare zin mijn bespreking van War in the age of Trump; the defeat of ISIS, the fall of Kurds, the Conflict with Iran door Patrick Cockburn; of J.A. Moors et al, 'Voedingsbodem voor radicalisering bij kleine etnische groepen in Nederland; Een verkennend onderzoek in de Somalische, Pakistaanse, Koerdische en Molukse gemeenschappen, ' IVA beleidsonderzoek en advies, p. 74, Tilburg, december 2009.

zondag 13 september 2026

Lilac and Flag




Lilac and Flag is het derde deel van John Bergers' trilogie. In het dankwoord aan het slot van het boek schrijft hij dat de boeken vijftien jaar van zijn aandacht hebben gekost. Hij zou er niet aan begonnen zijn als hij niet zelfs al voor het begin de steun van het Transnational Institute aan de Paulus Potterstraat in Amsterdam had gehad.*

Het boerenland in de bergen is nog wel aanwezig in het boek. Er komt zelfs een vertelstem vandaan. Deze merkt op dat zij die het land met de bus verlieten jager of gejaagde werden en er niets meer overbleef waarop ze konden steunen of vertrouwen. Er zijn verwijzingen naar het boerenwerk door fysieke kenmerken te noemen, te spreken over het melken van geiten, terug te kijken naar de plaats van oorsprong of daar nog aanwezige bezittingen te noemen, zoals een houten schuur.
     Maar Lilac and Flag leven in de mythische havenstad Troy, in de sloppenwijk op Rat Hill in eind twintigste eeuw, niet meer in de tijd van de keuterboer, zoals wordt opgemerkt. Maar ook de vrouw van de hoofdinspecteur van politie wil weg uit deze rommelige stad. Ze wil maar Tenochitilán (dat klinkt niet alleen Mexicaans, maar is het ook en daarbij zeer ordelijk) en haar man (ook met een achtergrond op het land) vindt ze eigenlijk maar een mislukkeling; hij kan niet eens een airconditioning betalen.

Het leven is zeker hard en armoedig op de heuvel. Er is criminaliteit en er zijn (gewelddadige) arrestaties. Sommige vaders verdwijnen er met de noorderzon. De uitbuiting en armoede zijn er schrijnend. Kortom ellende. Lilac en Flag geven er toch kleur aan.

Flag heet eigenlijk Succus en werkt op een bouwplaats waar de voorman de bouwvakkers opjaagt en koeioneert. Flag wordt ontslagen als hij hem om terechte woede op zijn gezicht slaat. Lilac heet eigenlijk Zsuzsa en is niet voor een gat te vangen. Levendig en verliefd trekken ze samen door de stad. Samen bedenken ze plannen en verdienen geld bij door klusjes uit te voeren voor plaatselijke criminelen (zoals de broer van Lilac).

De tochten door Troy zijn verdrietig en mooi. De plekken zijn beeldend beschreven vanaf de situatie in de cabine van een kraan tot in de 'verhoorkamer' kamer van de politie. Vrolijk door de levenslust en verliefdheid van de twee en naargeestig, omdat je ziet waar de van het land naar de stad getrokken mensen belanden. De vader van Succus opent er de hele dag oesters, en dat tientallen jaren lang. Je kan het werk noemen. Hooien met de hooivork is ook niet aantrekkelijk en loodzware arbeid. Maar de hele dag een mes door de spier van schelpdieren wurmen is een geestdodende en afstompende bezigheid.

Die zelfde vader is een fan van het woordenboek. Dat is zijn medicijn tegen de versuffing. Hij leert het vrijwel helemaal uit zijn hoofd en daarbij ook de afkomst van de woorden. Een teken van wilskracht. Succus heeft het weer van hem geleerd. Regelmatig worden woorden ontleed. Mij viel op dat de kraan komt van het Griekse geranos en dat dit staat voor een vogel op hoge poten. De kraanvogel is dus niet naar het hijswerktuig genoemd, maar andersom de bouwkraan naar de kraanvogel. Dat we maar weten wat eerst kwam.

De mooie wereld is een droom; een fantasie waar de wereld die draait om geld is verdwenen. Het is een utopie die verdwijnt als je wakker wordt. Je kan wel redeneren over het betere, maar woorden brengen en nemen weg, ze zorgen voor verlichting of doen pijn; ze bieden geen oplossing. Als je op Rat Hill woont kan je maar het beste een biertje drinken en gaan slapen.
     Het boek eindigt daar waar alles alles eindigt, met de dood. Nee. Zelfs na de dood. In dat bestaan is er een groot wit cruise schip voor de doden met ieder een hut naar eigen wens. Een persoon blijkt daar onvindbaar en moet dus nog in leven zijn. Zo is zelfs het donkere einde in lichte kleuren geschreven, zoals het hele boek het mooie naast het lelijke en het fijne naast het nare zet. Lilac and Flag is een prachtige afsluiting van een drietal boeken over het verdwijnen van de kleine boer. Dat leven was misschien niet ideaal, maar het is niet voor het betere ingeruild. 

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)


Noot:
* Ook ik heb op een bescheidener nivo veel aan hen te danken gehad. Daarom noem ik het graag. Het Instituut bestaat nog steeds en het TNI is al weer jaren gevestigd in de Wittenstraat in Amsterdam

 



zaterdag 12 september 2026

Once in Europa

 



De hier besproken versie van Once in Europa is een samenwerking met fotografe Patricia Macdonald. Het is tweede deel van John 

De hier besproken versie van Once in Europa is een samenwerking met fotografe Patricia Macdonald. Het is tweede deel van John Bergers' trilogie Into their labours over het verdwijnen van de kleine boeren uit Europa. Het eerste deel is Pig Earth (1979) en het derde deel Lilac and Flag (1990).

De drie boeken behandelen de beroepsgroep gebonden aan het land waaraan ze haar bestaan ontleent. Deze boeren worden geconfronteerd met de moderniteit die hun leven op de helling zet en hun hele hele groep uit Europa doet verdwijnen. Het is niet alleen de kleine boer die daarmee verdwijnt, maar ook een levensstijl.
     De oudere generatie moet zich neerleggen bij het verlies van de volgende die eruit stapt. Zij kiezen voor een leven dat ruimer is dan dat van hun ouders en minder met het land en meer aan de ontwikkelingen elders in de samenleving en economie gebonden is. Oma kon nog leven van het verhuren van haar bok, die om viriel te blijven 's winters in huis mocht wonen. De dochter doet productiewerk in de dichtbij zijnde stad.

Dit tweede deel speelt grotendeels in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het begint met de observatie van een klaproos, van de harde knop tot de tere uitbundig rode bloem, “het meest overdonderende scharlaken dat in de velden kan worden gevonden.” Zo wordt de bloem op de schaars bedrukte eerste pagina beschreven en afgebeeld als fraaie bloem in de Franse Alpen en los geschreven van de symbolische waarde die wij mensen aan de poppy hebben geplakt. Hij krijgt weer zijn eigen diep rode betekenis. Als contrast staat een er een foto van helder blauwe licht bewolkte hemel naast. Kleine uitstapjes zijn deel van het verhaal.
     De intelligente Odile de dochter van een kleine boer is het hoofdpersonage. Het boerengezin waar ze geboren is, leeft naast een nieuw gevestigde fabriek voor de productie van een mangaanlegering. De smelterij heeft baat bij de opwekking van witte steenkool en die is juist in de bergen te winnen. De infrastructuur ervan gaat onvermijdelijk steeds meer de omgeving overheersen en de boerderij insluiten.
     De fabriek trekt arbeiders van elders en zij die van buiten komen slapen ter plekke in acht barakken voorzien van een letter. Samen vormen die I N   E U R O P A. Er komen er veel meer arbeiders dan van te voren gemeld, zo heeft de fabriek meer geheimen en verrassingen, veel meer dan de traditionele gemeenschap had (en die in Pig Earth zijn beschreven).

Odile wordt getrokken door de grotere ruimte en gaat in op de avances van een arbeider met een Oekraïens-Russische (dat kon je destijds nog zonder ongemakkelijk gevoel schrijven) achtergrond. Deze Stephan kwam terecht in Zweden, werd zeeman; voer, landde ergens en ging tenslotte werken in de fabriek in Frankrijk. Daar leert hij de boerendochter kennen. Haar stap uit de eigen groep wordt niet gewaardeerd door gezinsleden en omgeving. Maar wat ze in haar hoofd heeft … ja inderdaad dat doet ze en daarvan is ze niet af te brengen.
     Ze gaat elders werken. Haar leven neemt afstand van het boeren verleden en vindt een plek in de kapitalistische industriële wereld die zich opdringt, inclusief de giftige vervuiling waarmee dit gepaard gaat. Ouderschap, liefde, het verlies ervan en weer vinden tekeken haar leven samengevat in een grove schets. Ze kijkt tenslotte voldaan terug.
     Er is sprake van tragiek, tederheid en het openen van de persoonlijke leefwereld. Dat laatste kan volgens Odile ook zonder Parijs te zien.

Het regent kussen
en liefkozingen dalen neer
tot de vloed van tederheid
het nest overspoelt

zo dicht de schrijver idyllisch, maar als je gewend bent naar de natuur te kijken, dan ken je de kwetsbaarheid van het nest.

Deze versie van het boek valt vooral op door de foto's van Macdonald. Lang niet altijd is (meteen) te zien wat ze afbeelden. Sommige zijn heel dichtbij het onderwerp gemaakt, anderen uit de lucht geschoten. Het zijn beelden van landschap met schaduwen, sneeuw, bomen en er zijn foto's van gebruiksvoorwerpen, textiel, gebouwen en delen ervan, en met een stuw en huisjes in het landschap. Vervreemdend zijn er veel. Dat begint al met het beeld van de koeienvacht op boekomslag. De uitstekende botten geven de herkenbare vorm aan het beeld. Andere foto's zijn niet te ontcijferen. Of er is gewoon gras, dat door die gewoonheid een extra lading krijgt. Angus Macdonald, de man van de fotografe, is piloot dat maakte de luchtfoto's mogelijk.
      De uitbundige illustratie (waar foto's hele soms opeenvolgende pagina's vullen) betekent dat je tijdens het lezen door de afgelegen omgeving wordt gevoerd en als het boek uit is rustig nog een paar keer door het werk kan gaan om je te verbazen over hoe de realiteit een vervreemdende impressionistische indruk kan maken.

Berger zocht naar manieren om zijn vertellingen anders te brengen. Dit is een van de door hem gebruikte middelen. Intussen zie je een manier van leven verdwijnen en plaats maken voor een andere economie, waar de menselijke maat ontbreekt. De tekst is niet nostalgisch, maar wekt dit gevoel wel enigszins op, terwijl je tegelijkertijd beseft dat de vrijheid van Odile, niet die van haar moeder was. Wat dat betreft is een stap vooruit gezet, waard om te beschermen. Met een stinkende geitenbok in je keuken wonen? Nee bedankt. Giftige productie in je achtertuin? Doe maar niet. Iets dichter bij de natuur, het milieu, zullen we onze route moeten gaan zoeken. Dat is wat na het lezen blijft hangen.

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)

vrijdag 11 september 2026

Pig earth

Pig earth (1976*) van John Berger gaat over de kleine boer. Dat is in het Engels the peasant. Dat beroep verschilt van dat van de farmer. In het Nederlands zou je het kunnen omschrijven als het verschil tussen de niet meer bestaande keuterboer en de agrariër. Het boek is deel van een trilogie. Het is aldus de theoretische introductie op de sociaal-economische en culturele positie van de keuterboer geschreven uit solidariteit met de zogenaamde achtergebleven groep of ze nu op het land leven of door een economische noodzaak naar de stad zijn gedreven.

Het boek is onderzoekend, maar verhalend geschreven. Het begint wel met stevig graven in de positie van de keuterboer in een 27 pagina's lange inleiding (op 200 totaal). Conservatief? Volgens Berger is dat een misverstand. Het zit ingewikkelder in elkaar. Het is inderdaad een beroep van omkijken, maar ook van verder op basis van ervaringen uit het verleden. Maar die liggen niet zo stevig verankerd dat er geen plaats zou zijn voor aanpassingen die de werking verbeteren.

De schrijver verbeeld vervolgens een fictieve wereld van die keuterboer in de Alpen. Hij doet dit zowel in proza als poëzie. In het eerste verhaal stap je als lezer meteen het leven in van de koe die aan het einde is gekomen en met een masker voor naar het slachthuis gaat. Op de boerderij neemt een pink de plek op stal van de geslachte koe in. Het rijmt als de seizoenen die ook steeds opnieuw beginnen.
     Keuterboer is een scheldwoord in het Parijse waar denigrerend wordt gezegd dat de provincialen terug moeten gaan naar hun geitenpoep. Voor Berger is het juist een wereld om in te stappen en te onderzoeken. Dat kan gaan van de verstopte aanvoer van water uit de bron tot een gedetailleerde beschrijving van de jaarlijkse slacht van het gemeste varken. En zo nog heel veel meer dat gaat tot de tekst die de dorpsonderwijzer op het schoolbord schreef: 
Aantijgingen zouden in zand moeten worden geschreven
Complimenten moeten worden gegraveerd in marme
Berger is een intellectueel met open blik en dat komt soms naar buiten waar je het niet verwacht zoals bij het geluid van de geitenbok. Dat geluid als van een doedelzak werd door de Grieken tragos genoemd, waar het woord tragiek van afstamt.

In de verhalen komt de bijzondere positie van de keuterboer ook naar voren. In de stad gaat geld van had tot hand, zo ziet een jonge vrouw die er heen ging om geld te verdienen. Zonder geld kan je niet leven, niet eens water drinken. Met geld kan je alles tot aan het kopen van dapperheid, zelfs als je laf bent. Maar ook in de agrarische gemeenschap in de bergen speelt geld een vervreemdende rol. De boer protesteert tegen de accijns op de drank die hij zelf stookt: “Het betekent dat ik moet betalen, geld betalen voor mijn eigen product.” Zo staat die keuterboer wel naast de markteconomie, maar is er toch ook onderdeel van gemaakt. Hij wordt dit nog meer als hij een kleine trekker aanschaft. Want na de trekker komen de landbouwwerktuigen die er aangekoppeld kunnen worden. De kosten van een trekker staan gelijk aan de opbrengst van tien koeien die elk 2.500 liter melk per jaar geven. Zo is er nog meer geld nodig om te kunnen boeren, moet er geleend worden en verdwijnt inderdaad een type boer die alleen met handen voeten en gewrichten aan het land gebonden is.
 
     Berger ziet het beroep verdwijnen in de Europese Unie. Hij geeft hem nog een kwart eeuw en dan zal Europees beleid een einde aan hebben gemaakt aan deze bijzondere beroepsgroep. Bijzonder omdat hij grotendeels zelfvoorzienend is en leeft met het ritme van de seizoenen en op basis van de werkende methoden van vroeger. Maar ook de schoolmeester in het verhaal The wind hauls too zegt: “Alle boerderijen zullen op de vlakte liggen.” Een deel van de boeren heeft zich daarbij neergelegd. Nieuwe fruitbomen worden niet geplant. Die er staan geven nog vrucht en wie dan leeft, wie dan zorgt.

Het boek eindigt met een drieledig verhaal over Lucie Cabrol dat bijna de helft van het boek vult. Het speelt van voor de Eerste Wereldoorlog tot eind jaren zestig van de vorige eeuw. Lucie wordt ook wel Cocadrille genoemd want ze heeft een groeistoornis, ze blijft klein. Een cocadrille komt uit een hanenei dat is uitgebroed in een mesthoop. Kortom een anomalie van een mens. Klein, maar krachtig, Lucie doet mannenwerk op de boerderij wat haar status aparte alleen maar verder onderstreept. Ze heeft blauwe ogen, in de kleur van vergeet-mij-nietjes, die zich vasthechten aan wat ze zien. Mensen zijn bang voor haar, omdat ze niet is zoals ze zou moeten zijn. Alleen twee mannen uit het verzet, maquis, die op de vlucht zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zien dat ze verstandiger is dan haar omgeving.

Toch wordt ze aan het slot van het eerste deel van de boerderij verdreven door haar broers en hun vrouwen. Dit hoewel het ook haar erfgoed is waarop ze boeren en waar zij haar arbeid in heeft gestoken. In het tweede deel is ze verzamelaarster in het bos geworden. Ze plukt en raapt producten en verkoopt die naar eigen zeggen voor goud geld in een stad verderop. Het lijkt nog een stap terug in de agrarische ontwikkeling. Voor haar is het echter geen achteruitgang. Ze leeft er ogenschijnlijk eenvoudig, maar met oog op een leven dat altijd gewenst heeft, en met zand en aarde onder haar nagels. De tragiek is nauwelijks verhuld.

Pig earth laat een wereld zien die verdween uit Europa. Misschien hier-en-daar nog een klein restant, maar het nog maar nauwelijks mogelijk om te leven als een zelfvoorzienend mens met producten van eigen land en kleine aankopen uit de opbrengsten van de overschotten. Het is een wereld die Berger niet idealiseert – de onaangepaste, maar moreel zeker niet mindere Lucie Cabrol past er niet –, maar in zijn wezen wel waardeert. Hij leverde er een herinnering aan de recente geschiedenis mee. 

De trilogie
Pig Earth (1979)
Once in Europa (1983, versie die ik las is uit 1987)
Lilac and Flag (1990)


Noot:
* Dedoor mij gelezen versie heeft zeker niet de meest opvallende kaft. In de tekst heb ik daarom nog twee versies verwerkt. Die met de koeman: Pantheon, New York, 1979. 1e VS-editie; en de andere van Chatto & Windus uit 1985.

dinsdag 8 september 2026

De scharrelaar



Hoe schrijf je een bespreking van een tijdschrift waarin vijftien verschillende verhalen zijn opgenomen, zowel fictie als non-fictie? Je zoekt bijvoorbeeld een thema om alles bij elkaar te brengen.
     De Scharrelaar is een vogeltijdschrift voor lezers. Nummer 2 uit 2019 dook op in een weggeefkast en ik las het als een boek met korte verhalen. De schrijvers zijn afkomstig uit ornithologische kringen, de journalistiek of zijn fictie schrijvers. Het tijdschrift begon bij de uitgeverij Atlas Contact en is overgegaan naar uitgeverij Noordboek en wordt nog steeds uitgegeven.

Het eerste verhaal door Stefan Brijs heet een symfonie voor de kraanvogel te zijn. Het requiem voor de pracht op hoge poten ligt echter op de loer, zo lijkt het als wordt beschreven hoe de kraanvogels uit Navalvillar de Pela verdwijnen. Voor de rijstteelt “werden hele gebieden onder water gezet. Een grote weelde voor de kraanvogels, zo bleek, want na de oogst bleven er nog zoveel korrels op het land achter dat ze er winter na winter een redelijk gedekte tafel aantroffen.” Kortom de positieve gevolgen van een agrarische activiteit. Ja die zijn er ook. Maar de rijst maakte plaats voor duizenden identieke in het gelid staande olijfbomen “als een oprukkend leger dat zich opmaakt om nog meer land te veroveren,” en daarmee het leefgebied van de kraanvogel weg te nemen. 

De geboorte van de ooievaar wordt beschreven door Kester Freriks die dit vanuit huis volgt. De ooievaar is een succesnummer. Hij was bijna verdwenen. In 1945 nog 150-160 nesten. Jacht en hoogspanningsmasten worden daarvoor als schuldigen aangewezen, maar die andere belangrijke doodsoorzaak landbouwgiffen als DDT wordt hier niet genoemd. (Mogelijk heeft hij het in zijn boek wel genoemd. Hij had er elders wel aandacht voor.) Maar alla. Het gif is verboden. Hij is weer terug. Bovendien kom ik in het artikel het prachtige woord 'duimveren' tegen, dat zijn de wonderlijk krachtige en soepele veren die de vogel in staat stelt te sturen en te remmen.

Dan een sprong terug in de tijd naar de cel waar Rosa Luxemburg brieven schreef over de vogels buiten de muren. Gevogelte waarmee ze een band kreeg. Marja Vuijsje beschrijft het met liefde. Zelf pak ik Briefe aus dem Gefängnis van de Rote Rosa weer eens uit de boekenkast. Je stuit bijna als vanzelf op vogelteksten: 
“Gestern höre ich plötzlich von drüben über die Mauer, die unseren Hof von einem anderen Gefängnisterrain trennt, den bekannten Gruß, aber so ganz verändert, nur ganz kurz und eilig dreimal hintereinander „Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä“, dann wurde es still. Mir zuckte das Herz zusammen, so viel lag in diesem eiligen, fernen Ruf, eine ganze kleine Vogelgeschichte. Das war nämlich eine Erinnerung der Blaumeise [pimpelmees] an die schöne Zeit des Liebeswerbens im Vorfrühling, wo man den ganzen Tag sang und lockte; jetzt aber heißt es den ganzen Tag fliegen und Mücken sammeln für sich und die Familie, also nur kurz eine Reminiszenz: „Ich habe keine Zeit – ach ja, es war schön – Frühling ist bald zu Ende – Zizi bä – Zizi bä – Zizi bä –! – – –“ Glauben Sie mir, Sonjuscha, daß mich ein solcher kleiner Vogelruf, in dem so viel Ausdruck liegt, tief ergreifen kann.”

Brief uit gevangenis van Wronke, gericht aan Sonja Liebknecht, 23 mei 1917
Vuijstje haalt meer vogelfragmenten uit de brieven. Maar laat zien dat in de brieven ook aandacht is voor een rapport over het verdwijnen van zangvogels in Duitsland. Het maakt Luxemburg verdrietig. Kan ik beter andere zaken uit het artikel over de brieven halen, zoals de opmerking gericht aan haar ex-geliefde, Hans Diefenbach? Ze schreef hem dat ze na het horen van een roodborstje besloot hem te schrijven en daarbij niet iedere kleine belediging als boekhouder te bewaren. Maar duidelijk is: ook hier staat de vogel onder druk. Rosa noemt het verdwijnen in een adem met de moord op de inheemse bevolking van Noord-Amerika. 

Is dat verdwijnen het overkoepelende thema? Dat kan toch niet zo zijn? Dit als verbindende schakel zien zou inderdaad droevig maken. Er is even de geruststellende fantasievogel van schrijfster Hedda Martens en het gebruik van vogels in films en boeken, waar Koos Dijksterhuis zich aan stoort. Je hoort ze zingen, roepen, gieren als ze al vertrokken zijn, ze zingen overdag het lied van de nacht, of ze krijgen de verkeerde naam. Ernstig? Ja, “omdat er zoveel onbegrip en onverschilligheid uit blijkt. Dat de mensen, ja zelfs schrijvers en regisseurs, meer geven om automerken en voetbalclubs dan om raven en uilen...”

In het verhaal van Alexander Reeuwijk over de vogel collectie van Walter Rothschild verdwijnen weliswaar vogels, maar hier gaat het om balgen (voor het bewaren geprepareerde vogels) die werden gestolen door klassiek fluitist (en vliegbinder) Edwin Rist. Maar die vogels was het leven al eerder afgenomen. Dat telt dus niet bij het verdwijnen.
     Op Nólsoy gedijt het stormvogeltje juist goed, omdat er geen ratten leven en omdat zo te houden wordt het eiland bewaakt met houten tunneltjes met inkt erin, waardoor ratten sporen na laten als het eiland zouden bereiken. Er is nog geen spoor gevonden en de
drunnhvíti kan op het eiland in de Faeröer archipel oud worden.
     

Het verhaal van Ellen de Bruin 'Nestje' is de enige misser in het tijdschrift. De vogels zijn er met de haren bijgesleept, worden weggewerkt en komen weer terug, maar het gaat toch vooral om het liefdesleven van vrouw die potsierlijk voor designmeubels valt.
     Ernst Jansz (voormalig zanger en toetsenist van Doe Maar) blijkt ook bioloog te zijn. Hij beschrijft hoe hij een uit het nest gevallen torenvalk met succes weer terugbrengt. Misschien te mooi om waar te zijn, maar mooi als het zo is.

Het door mij gekozen thema is dan al langzaam weggesleten. Het komt geforceerd over, en de twijfel slaat toe of het juist gekozen is, maar dan komt Jean-Pierre Geelen, Volkskrant journalist. In Toptijd wordt niet eens over een soort gesproken. In het algemeen vallen vogels “ten prooi aan opwarming, ontbossing, verdroging, bestrijdingsmiddelen en stropers. En anders wel de vinkentering.” Ik ben weer terug bij de trieste realiteit. Het is de kunst ondanks dit alles te blijven genieten van wat je toch nog tegenkomt; optimisme is een plicht. En dus klampt hij zich vast 

“aan een vaag vertrouwen in een ommekeer, dat verstand en inzicht zullen zegevieren, dat boeren hun bermen weer laten begroeien met wilde planten, dat niet elk insect meer bestreden wordt met alles vernietigende chemicaliën, dat het grondwater op de weidegronden weer gewoon aan de lippen van de laatste grutto mag staan.”

Als je dan toch nog naar de overgebleven vogels wilt kijken dan is de inventarisatie door ornitholoog Rob Bijlsma een hulp die duidelijk maakt op welke afstand je kan komen voordat een een vogel op- en wegvliegt. Die vluchtafstand is keurig per vogel weergegeven in tabellen. Het lijkt alsof je de slechtvalk het minst en het goudhaantje het beste kan benaderen, maar het vogeltje met de gouden streep op de kop bevindt zich horizontaal misschien dichtbij voor hij opvliegt (1 meter), vertikaal zit het doorgaans in de boomkruin.
     De tabellen zijn overzichtelijk, maar 't verhaal over de fluiter laat meer sporen na. De anekdote speelt rond een wandeltocht in Drenthe waarvoor een eet- en drinkgelegenheid met generator in het bos werd opgezet pal naast het nest van de genoemde fluiter. Die vogels bleven vervolgens weg; ze stopten de zorg. Toen de zaak weer ingepakt en opgeruimd was, bevatte het nest vier lijkjes en twee afgekoelde eieren. Het 10 gram zware vogeltje dat overwintert in het Congo-bekken maakt mogelijk maar één broedsel in het leven.
     De schrijver merkt op, geheel tegen de gangbare visie in, dat hij vreest dat het in de natuur zijn niet leidt tot benul hebben van de aanwezige levende have. Sterker nog hij stelt dat gezien dat
“de gezwinde pas, of – indien in groepsverband – het kwettervolume, valt af te lezen dat natuur toch vooral een groen decor is. (…) Dan is verstoring zo gepiept.” Ik vrees dat hij voor een groot deel gelijk heeft.

In een bezoek aan Hoy (Orkney-eilanden) vliegen de stoere grote jagers over, maar blijkt daar een mens verdwenen, omdat er geen plaats was voor de ongehuwd zwangere vrouw. De bevruchter (een walvisvaarder) vertrok na de daad, en liet Betty Corrigal achter in de streng Christelijke gemeenschap. De eilandbewoners lieten merken dat zij fout zat. Zij doodde vervolgens zichzelf. Betty leefde in de zeventiende eeuw. Ze is in de vorige herbegraven en sindsdien herhaaldelijk 
bezongen. Dit mens verdween, maar de grote jagers zijn gebleven. 


Het laatste artikel gaat over een boek met fraaie tekeningen van duiven, en niets dan duiven, door Pauline Knip-Rifer. Alexander Reeuwijk heeft het samen met Hay Wijnhoven een paar jaar nadat hij dit artikel schreef opnieuw uitgegeven. Twee van Knips prenten zijn in De Scharrelaar opgenomen, de zonnekraagduif (m) en de groene muskaatduif (m). Van de Mauritaanse blauwe duif wordt vermeld dat die het niet gered heeft. Hij stierf omstreeks 1840 uit.
     Een vogel die er uitbundig wel is, de fazant, wordt in veel vogelboeken uitgelsoten omdat hij na alle jaren dat hij hier loopt en fladdert nog steeds niet inheems zou zijn en bij de Nederlandse vogels zou horen. Saskia van Loenen neemt met kracht afstand van deze bekrompenheid. 

De scharrelaar gaat zeker ook over nog levende vogels. Ze krijgen juist kleur op de veren. Er is duidelijk noodzaak om zuinig op het gevogelte te zijn. De vogel die de uitgave zijn naam gaf is uitbundig blauw en is zelden in Nederland te zien. Hij leeft in Midden- en Zuid-Europa en sierde de eerste uitgave van dit fraaie tijdschrift. Hij is juist van de rode lijst gehaald!



Noord

Op de pont van Buitenhuizen zag ik dat Ton de fietsenmaker mijn kettingkast beter had vastgezet. Mijn houtje-touwtje was verbeterd. Prettig een goede fietsenmaker in de buurt.

De pont vertrok vrijwel meteen nadat ik hem bereikte. De wind achter blies me door de duinen naar het noorden. Het werd een veerboot van een uur eerder naar Texel dan gepland. Ook die vertrok kort na aankomst, maar stresserend krap was dat ook niet. Alles zat mee. (Het was wel wat druk op de fietspaden op deze mooie maandag in september.)

Bij het NIOZ Zeeonderzoek is het fietspad flink veranderd. Er ligt een snelle baan in plaats van het buitendijkse van vroeger dat altijd bezaaid lag met oesterschelpen die de meeuwen erop kwakten om ze open te breken; een stijlvol begin van mijn rondje Texel.

Bij het haventje van de Cocksdorp stond een bord dat de vrijheid op Texel bepleit tegen de beperkingen in. Affiches met dezelfde tekst hingen op meer plaatsen.
     'Vrijheid' het klinkt vaak beter dan het is. Hier is de actie een reactie op een rapport waarin wordt gesteld dat de druk op de natuur verminderd moet worden. Dat kan wel eens ten koste gaan van economische activiteiten en de vrijheid overal te mogen komen. Het rapport pleit juist beargumenteerd voor maatregelen. 

“In het gebied vinden veel menselijke activiteiten plaats, zoals visserij, scheepvaart, baggerwerkzaamheden, recreatie, gas-, zout- en zandwinning, militaire oefeningen en de aanleg van infrastructuur voor de energie-transitie. Deze activiteiten zijn soms onderdeel van het huidig gebruik en worden soms als losse activiteit vergund, terwijl dit in samenhang met elkaar leidt tot een opeenstapeling van effecten op de natuur. Dit heeft geleid tot een permanente verstoring van en druk op de natuur, waardoor onder andere zand en slib anders door de Waddenzee verplaatsen, zeegras- en kweldervegetaties niet goed herstellen en ontwikkelen en het voedselweb en leefgebied van veel diersoorten is verstoord.”

Beleidskader Natuur Waddenzee; Advies over de ecologische onderbouwing, Ecologische Autoriteit, april 2026
Het pad langs het mooie witte strandje bij de boot naar Vlieland was afgesloten voor de aanleg van een duiker voor een open verbinding naar de Waddenzee, maar een beetje doorzetter kon er nog wel langs.
     Daar lag een roeiboot naast het klein schorrenkruid, een plant even rood als de boot zelf.

De drukte, zeker in de duinen tussen Egemond en Callantsoog en op Texel bij De Koog was wel eens wat veel, maar het was mooi en fijn dat ik de tocht gemaakt heb.



vrijdag 4 september 2026

Tjies


De verhalenbundel Tjies (1958) is geschreven door Vincent Mahieu (pseudoniem van Jan J. Th. Boon die ook Tjalie Robinson gebruikte en nog het e.e.a.). Tjies is het koosnaampje voor een buks met een .22 kaliber die in de verhalen wordt gebruikt bij het jagen, het tonen van mannelijkheid, een soort Willem Tell actie en die zelfvertrouwen geeft.
     Een wapen biedt daarnaast ook ontplooiingsmogelijkheden: 
“Hardheid maakt plaats voor gehardheid, wreedheid voor barmhartigheid, met de macht om te doden leert de jongeman leven te sparen,” zo beweerd het schutblad. Mahieu is niet voor niets zoon van een in Indië geboren KNIL-beroepsmilitair. Zijn moeder is van Engels-Javaanse geboorte. Die diverse afkomst zou later een belangrijk deel van Boons leven kleuren.

Jan Boon ging in 1911 als baby mee naar Nederlands Indië om er vervolgens 44 jaar te wonen. De verhalen in Tjies spelen in die Nederlandse kolonie. In het boek zoeken jongens naar een houding in het leven; op blote voeten, ravotten, zwemmen in de kali (rivier) en jagen en het op een gegeven moment  toelaten en weer afstoten van 
meisjes.
     Gevoelens werden door die jongens gezien als weekhartig en moesten een plek krijgen of het liefst vermeden worden. Medelijden en empathie werden “beschouwd als nutteloos en onmannelijk.”
     Naast jongens zijn er ook (jong) volwassenen die een plek in het leven zoeken of dit nu op de motorfiets gebeurt of in een achteraf straatje aan de rand van de stad. Vechten is een terugkerend fenomeen en de hoofdpersonen doen er fors aan mee. Het hoort bij het leven in Batavia dat Mahieu beschrijft. Buurjongen Ventie leert de jonge man in een verhaal pas echt goed van zich afslaan. Ventie leerde hem ook zijn vernederingen te verdragen en zijn vermetelheid te bewonderen. Ventie, de zoon van ouders die altijd ruzieden en elkaar haatten, zou tragisch aan zijn einde komen.

Een van de terugkerende thema's is het zoeken naar gevaar en spanning om het leven te kleuren. In het geval van de jonge vrouw Didi – die voor haar mannelijke leeftijdsgenoten in stoerheid en optreden niet onderdeed – leidde deze roekeloosheid ertoe dat ze zo afgeranseld werd door een Japanner dat ze aan de gevolgen (een hersenbloeding) stierf. Ze zou daarmee een voorbeeld zijn voor ouders, schrijft Mahieu:
“(...) wie slecht leeft, komt slecht aan zijn eind. Haar leven zij hiermee aan alle verstandige ouders en jonge dochteren ten voorbeeld gesteld.” Je zou het als ironie willen zien, maar daarvoor geeft de tekst geen enkele aanwijzing. Haar onbesuisdheid bestond er uit dat ze haar man in het Jappenkamp eten kwam brengen. Dat irriteerde de Japanner.
     In een ander geval is de branie van een invalide jongen – die om zijn daden bewonderd werd – de oorzaak van zijn dood door een auto-ongeluk. Een ambtenaar springt uit de band en zwemt in de rivier – wat iemand van zijn stand eigenlijk niet doet. Als het misloopt, is hij aangewezen op hulp van de flirtende buurvrouw. Hij schudt haar af en vervolgt zijn leven liever via de weg van braafheid en kalmte. De achterdeur naar de kali* wordt afgesloten en hij leeft verder met zijn eigen vrouw die iedere dag de hele middag slaapt en tot 's avonds laat leest.
     Gevaar en dikwijls ook geweld botsen met orde, overleg en rust.

In het geval van de in de Kali zwemmende man lijken hij en zijn vrouw beide tevreden met de terugkeer naar de kalmte. Maar er is ook een bazige echtgenote die aan haar eindje komt en waar nauwelijks iemand een traan om laat. Of een domme maar beeldschone getrouwde vrouw waarop een alleenstaande bestuursambtenaar een oogje heeft. Dit laatste leidt tot een conflict waar de dreiging van een schot met Tjies in de lucht hangt.

Zo'n dertig jaar geleden kwam ik Mahieu voor het eerst tegen en raakte onder de indruk van zijn schrijven. De branie, de niet altijd even correcte visies, de belangrijke rol van vuurwapens, het uit de weg gaan van emotionaliteit, het lijkt hem allemaal van me af te stoten. Maar doet dit niet. Al in de eerste paar verhalen viel me de intimiteit op die hij beschrijft, de visies die hij ontwikkelt om het leven aan te kunnen. Het lijkt inderdaad alsof juist door het gevaar op te zoeken, ook de ruimte voor andere emoties en prettiger relaties mogelijk wordt.** Het boek stoot af en trekt aan. De schrijver is hard, maar ook open. Zo schrijft hij:
“Alle mensen zijn buitenstaander van alle vormen van leven, vaak zelfs van hun eigen. Daarom neem ik niemand iets kwalijk.” Bij de slaafse verhoudingen (met werk, kinderen, baas, religie, etc.) zijn er de slappe redeneringen die het gedrag moeten goedpraten, maar “tenslotte is er voor alles wat te zeggen.” Last leidt juist tot nieuwe wegen in het leven. Die ruimte zit ook meer contemplatief in: “Hij wist wat hij wist te goed om zich ooit ergens kwaad over te maken.” Als de woede om de wereld met kennis getemd kan worden, is het dan ook andersom zo dat een gebrek aan cognitieve grip die boosheid juist kan aanwakkeren? Of de schrijver het antwoord heeft? Hij houdt niet van al te hoogdravende visies, want dan “snap je achter niet meer wat je vóór begon.”

Er is het schoffie op blote voeten dat zich een plek moet vechten in de groep. Het joch dat zich ontwikkelt tot de jonge man die naar de HBS gaat.***
    De liefde voor boeken van de schrijver blijkt alleen al uit het aantal verhalen waarin ze uitdrukkelijk worden genoemd. Een keer gaan ze overboord, omdat de vriendschap die ze herbergden verraden werd. De boeken werden daarmee een deel van het leven waarin die band geweld was aangedaan en zo werden ze waardeloos. Het voorval maakt ze ook tot meer dan levenloze objecten.
     Intussen krijg je nogal wat beelden mee van de omgeving, zoals een klein straatje. Dat straatje begon zonder naam en werd Gang Bantoe genoemd, niet meer dan een steeg aan een grotere weg met wat huizen eraan. De steeg ontwikkelt zich en wordt laan en vervolgens weg.
“Ikzelf groeide met het gangetje mee: toen het gang heette, heette ik 'Peng', of 'Koetjai' of ' Séh, jongén!'; toen de naam 'laan' werd heette ik Mahieu of 'Ouwe', en toen de naam 'weg' kwam, heette ik mijnheer Mahieu en was ik 'Weledelgeboren'.” Deze Gang komt vaker voor in het boek, maar er zijn ook de weg naar het strand, de straten waaraan de bomen staan om te klimmen. Je wordt het Nederlands Indië van Boon binnengevoerd. Hij observeerde wat hij zag en reflecteerde op zijn eigen jeugd.

Hoewel verhalen over jongeren de hoofdmoot vormen, zijn er ook over volwassenen. Toen Mahieu ze scheef was hij zelf ook al veertiger met ervaringen. Een verhaal als De Pagger (een gevlochten erfafscheiding) en de burenruzie die daarover ontstond is tegenwoordig bekend van De Rijdende Rechter. Hier is er een man in Batavia die in brieven aan zijn buurman zijn eigen gelijk beargumenteert en de ander die uit de hoogte afgemeten de onzin van de hele affaire onderstreept. Deze posities worden ook nog eens versterkt door het verschil in maatschappelijke status tussen beide heren. In het verhaal over drukkerij Quick en Co gaat deze ten onder aan hebzucht en verschillende idealen van de twee leidinggevende en hun echtgenotes. In De Maaltijd wint de hond het pleit en vult zijn buik. (In een eerder verhaal werd een hond opgehaald door de hondenvangers.) Deze hond meent dat de mens hem wel wat toe zal stoppen, omdat ze barmhartig is. De zwerver die het vindt bot waarover een ruzie ontstaat, ziet deze menselijke trek als een bespottelijke gedachte, want dan zou ook hij immers geen honger leiden.

Het zijn vaak de uitersten, die de verhalen kleuren en ze boeiend maken, ook als je barmhartigheid juist wenselijk vindt, of als je denkt dat een wapen niet leidt tot medeleven, maar de kans op ontsporing vergroot. Mahieu gaat niet alleen het gesprek met de lezer aan, maar ook met zichzelf en daarbij komen hardheid en inleving samen.

Noten :
* Die rivier wordt Tjiliwoeng (Indonesisch Ciliwung) genoemd en loopt nog steeds door hartje Jakarta, en destijds door Batavia.
** In de tijd dat ik het boek las, bekeek ik een uitzending van
Podium Dans over de uit Schotland afkomstige danseres en choreografe Courtney May Robertson die over een dergelijke spanning sprak en opmerkte dat ze: “altijd naar extreme ervaringen wordt getrokken. Als extremen naast elkaar bestaan dan creëert dit een soort dubbelzinnigheid en verdwijnt het binaire. Hier wordt het voor mij interessant, als de ogenschijnlijk tegenstrijdigheden zich vermengen.” Dit kan bijvoorbeeld extreme discipline samenbrengen met zorgzaamheid.
*** Boon doorliep zelf de H.B.S. en zou via een uitstapje naar de marine journalist en schrijver worden, zie: Kees Snoek, 'Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur: Tjalie Robinson,' februari 2013. Toen hij nog in Batavia woonde schreef hij als Tjalie Robinson de populaire columns de Piekerans van een straatslijper.


woensdag 2 september 2026

Aangenaam

De laatste keer was ik blij dat ik er was. Iets te veel omhoog, een beetje teveel kracht, krakkkchchkk. Nu zit er weer een nieuwe cassette op de fiets, evenals een voortandwiel en ketting. Kan ik weer trappen. Moest me er wel toe zetten. Maar ergens zat nog een restje spirit verstopt.

Aan het strand was het rustig. Het water is op zijn warmst (boven de 20 ºC). Weinig kwallen, niet veel honden en een beetje golven. Onderweg zag ik al hooglanders en koniks in het Geuzenbos. In de duinen lagen de rode koeien langs en over het pad en even verder liep wat moeilijk een konikpaard over het pad, de rest van de kudde liep in de duinvallei.

Het einde van straat werd afgesloten door cruiseschip Ventura. Welke voorspoed de meest vieze manier van vakantie brengt. Geen idee. Het is altijd wel weer overdonderend als zo'n torenflat voorbij vaart. Laat ik niet klagen. De zee was aangenaam om in te zwemmen.


maandag 31 augustus 2026

Het leven is vurrukkulluk

Het leven is vurrukkulluk (1961) van Remco Campert is een klassieker uit de Nederlandse literatuur. De feestelijke titel is vast een deel van de verklaring voor het succes. Het is daarbij eigenzinnig en kraaiend van plezier geschreven.

In de korte roman worden meer woorden dan alleen vurrukkulluk door de taalvervormer van de Leidsepleinvrijheid gehaald. Zoals 'seksjuwelen verkeer,' 'nijslollie,' 'giegullen' en 'Marie-Johanna roken'. Het is een melig trucje dat net niet gaat vervelen.

Dat Amsterdamse plein duikt in mijn brein op aangezien ik de schrijver meteen zie zitten in café Reynders (met Bert Schierbeek en Lucebert) als Clare Lennart de zogenaamde experimentelen komt interviewen voor het
boekenweekgeschenk van 1955. Dat interview ademt de sfeer die ook het vurrukkullukke leven een paar jaar later zal oproepen.

Het zijn drie jonge mensen die de belangrijkste stemmen zijn in het boek: Mees, Boelie en Panda. Ze plukken de dag en doen niet moeilijk. Het leven is er om rijk te zijn en van drank en seks te genieten; al het andere is franje. Het is geschreven in een eigen taal, die vloeiend en vlot van de pagina's rolt.

De pretentie is om goed te leven, verder moet je alles niet te zwaar nemen en de moraliteit moet niet in de weg staan van een goed feest, als het nodig is mep je darvoor zelfs een oude haveloze man neer. Aan een oudere vrouw met een jongen man in een bed op een zolderkamertje wordt voorbij gegaan alsof het niets is. Ze liggen er, maar doen er verder niet toe. Als het raam maar open kan om er hangende aan een paraplu uit te springen om in de tuin te landen. Zo luchtig is het leven.

In de
Nederland leest (2011) uitgave die ik lees mag Ronald Giphart als het kind dat van ballonnen houdt opschrijven dat het een van de beste boeken is die hij kent. Is dat lege reclamepraat of meent hij dit werkelijk? (Dit wordt de derde keer dat ik schrijver Giphart betwijfel op dit blog.) Wat frisse lucht was goed in het muffe Nederland. Maar beste? Wel plezierig leesbaar. Dat is wat waard.