vrijdag 10 oktober 2025

De overgave




De overgave, is een boek van Arthur Japin. Op de voorkant staat een vrouw met een zuigeling aan de borst.* Je oog blijft hangen, omdat je niet weet wat je ziet. Een inheemse Noord-Amerikaanse of een Europese vrouw. De vrouw is Cynthia Ann Parker met haar dochter. Ze werd weggevoerd tijdens een Comanche overval op de nederzetting (1836) waar zij als kind woonde. Ze is de kleindochter van Sallie, die al Granny werd genoemd voordat ze kleinkinderen had.

Granny ontkomt ook niet aan de gruwelen van de aanval, maar toch is het ergste dat vijf van de leden van Parker familie, waar ze toe behoort, worden weggevoerd. Een meisje wordt aan het haar meegesleurd met de Comanche mee. Het zou een schijnbaar eindeloze haat voeden bij Granny, een ouwe taaie, keihard en wars van sentimentaliteit. Verbitterd, maar tegelijkertijd ook met oog voor het mooie van de fonkelstenen in het circus, zachte stoffen, of voor de illustraties in luxe damesbladen uit New Orleans waardoor je weet dat het afgebeelde elders in de wereld bestaat.

Aan het eind van haar leven komt Quanah bij haar langs. Hij is de leider van het inmiddels zwaar in de verdrukking gebrachte Comanche volk. Hij wil bijna veertig jaar na de overval met haar praten. Zij praat van achter haar harnas en met zo min mogelijk medeleven. De afstand is gecreëerd en die moet wat haar betreft blijven, gezien het verleden. Na het gesprek zal hij zich met wie er nog over is uitleveren aan het bestuur om zonder paarden en zonder wapens in een reservaat te gaan leven:
“Hiermee wordt, na bijna vierhonderd jaar de onderwerping van de oorspronkelijke bewoners van Amerika een feit,” zo meldt het nawoord. Quanah is het achterkleinkind van Granny en zoon van de vrouw die inmiddels Na-udah heette.

Japin stuitte bij toeval op een standbeeld van hem in Quanah, Texas (tegen de grens met Oklahoma). Hij maakte direct wat aantekeningen voor de opzet van een boek. Uit het nawoord, bij het resultaat, wordt duidelijk dat de romanpersonages echt hebben geleefd en dat de schrijver onderzoek heeft gedaan naar hun levens en verhalen, verslagen en boeken heeft geraadpleegd over hen en het leven op de vlaktes rondom Houston. Het verhaal is door de schrijver wel aangepast. Het blijft een roman en geen historische studie. Naast het nawoord is er een ook tijdbalk, die het bestek van het boek overschrijdt, een kaart van de wijde regio en een stamboom. Bijna terloops komen in de roman zelf de de onafhankelijkheidsverklaring van Texas (1861) en de volgende Amerikaanse burgeroorlog aan bod; zo ook gevechten met de Mexicanen (o.a. 1836). Tussendoor was er sprake van vrolijkheid. “Laat de dag je niet betrappen op een traan,” zongen Sallie en Cynthia Ann.

Japin stelt dat de historische werkelijkheid extremer was dan de fictieve die hij schreef,
“zelfs gruwelijker dan ik heb durven gebruiken.” Dat betekent niet dat de gewelddadige narigheid in het boek ontbreekt; ze is zelfs met die terughoudendheid nog verschrikkelijk aanwezig. Dat betreft de handelingen van mensen tegen mensen. Het geweld tijdens de overval, de prijs op een scalp van een Comanche, het neerkijken op hen die slachtoffer waren tussen de blanken onderling en hen zelfs aanvallen uit ongerijmde angst zelf ook dat lot te treffen. De beschrijving van Granny's ervaringen tijdens de overval kan je maar beter niet teveel laten landen.
     Er was ook het op grote schaal doden van bizons. Voor mij was dat altijd een verschijnsel van verveelde en destructieve plezierjacht. Uit
De overgave wordt duidelijk dat bizons werden afgeknald, omdat daarmee de voedselvoorziening voor de oorspronkelijke bewoners wegviel. Als je de leidende stier als eerste doodde bleef de rest wachten tot hij verder ging en werden zo grote niet te missen harige sitting ducks. De dieren bleven liggen en hun verrotting veroorzaakte een niet te harden stank. Alleen de gieren en de kolonisten hadden er baat bij. De vogels vanwege het makkelijke voedsel, de uit het oosten oprukkende horden als onderdeel van de strijd tegen de bewoners van het land dat zijn wilden innemen.

Het verhaal wordt grotendeels verteld door de verbitterde Granny, maar Cynthia Ann is de eigenlijke sleutelfiguur. Zij is eerst kolonistenkind en daarna weggehaald en Comanche vrouw geworden. In de werkelijke geschiedenis van de Verenigde Staten heeft 
Quanah een belangrijke rol in de geschiedenis van zijn volk gespeeld. En er is niet alleen een standbeeld in de plaats die zijn naam draagt, maar op meer plaatsen in de Verenigde Staten staan die beelden er. Hij raakte onder andere bevriend met Theodore Roosevelt. Terug naar de roman. Voor Granny moet Cynthia Ann terugkomen waar ze hoort: aan de blanke kant. Maar Na-udah is inmiddels moeder en geworteld in een andere samenleving. Ze is haar moedertaal, het Engels, kwijtgeraakt. Haar leven, haar thuis, lag inmiddels elders. Groot onrecht staat dan wel aan de basis van die positie, maar in haar persoon wordt een absolute grens doorbroken. Door haar terug te halen, werd ze feitelijk weer weggehaald bij haar familie.

Overgave en vergeving, het zijn woorden die dicht bij elkaar liggen. Overgave was voor de Comanche na de eindeloze strijd de enige optie. Vergeving drong zich op aan de stokoude Granny, die zich realiseerde dat vergiffenis niet iets is wat je een ander gunde, maar ze volharde in haar woede, zoals een bizon wacht terwijl om heen de anderen vallen; een koppigheid waar je alleen jezelf mee hebt. Toch gaf ze Quanah een tekening van zijn moeder en een adelaars veer van zijn vader. Een beetje vergiffenis, hoewel laat, was er toch. Dat was niet tevergeefs. 

Nog steeds komen de nakomelingen van Quanah en de afstammelingen van de andere Parkers regelmatig bij elkaar op de plaats waar Cynthia Ann, Topsannah (de zuigeling op de foto) en Quanah liggen begraven, zo meldt Japin in het nawoord. De adelaarsveren die Quanah bij zich droeg tijdens zijn overgave worden “nog altijd gebruikt bij bepaalde Comanche-ceremoniën.” In die zin is dit boek vol gruwelen, ook een boek dat schetst dat verzoening zelfs in een dergelijk geval mogelijk is. 

Tekst loopt door onder clip. 


De zinsnede 'Keepers of the eastern door' als adagium voor hen belast met het tegenhouden van de invasie door Europeanen, komt niet van de Comanche, maar van de Mohawks. 

Het inpikken van land, het verdrijven van de bevolking, door de kolonisten uit het oosten, het is van een gewelddadigheid die niet kan. In Overgave gaat het daar niet over. Daar wordt het conflict teruggebracht naar een familie die aan beide zijden van deze 'oorlog' is komen te staan. Toch als ik op wiki lees dat de Inheemse bevolking tussen 1492 en 1900 met 96 procent afnam en met 58 procent tussen 1800 tot 1890, dan is het te beperkt om alleen naar een familie te kijken of te weten hoe het afliep met een hoofdrolspeler in het boek, dan ligt daar ook ergens een schuldvraag en dat niet om de gruwelen van een Comanche overval goed te praten, maar het is naast een relationeel en emotioneel verhaal met enorme uitwas, ook een politiek verhaal en politiek is er nog een hoop goed te maken. Al kiest de huidige regering in de VS voor een houding die daar 180° van afwijkt. Deze overdenking neemt niet weg dat De overgave een belangrijke Nederlandse roman is om meer te begrijpen van hoe de VS werd wat het vandaag is. De roman stemt droevig en optimistisch tegelijkertijd.

Noot:
* De foto is veel afgedrukt bijvoorbeeld op boek covers. Er is ook een andere foto van haar die vaak is gebruikt. Daarop staat ze in Comanche kleren, als een trotse vrouw, zie hier bijvoorbeeld (er is veel meer informatie over haar en haar zoon Quanah te vinden op het internet).

vrijdag 3 oktober 2025

Taaw; een jeugd in Dakar



In 1986 landde ik aan het eind van de middag op het vliegveld van Dakar. Mijn rugzak pakte ik van de band en met een medepassagier ging ik naar de stad. Hij ging naar een peperduur hotel. Ik ging met
Africa on a shoestring opzoek naar een goedkope slaapplaats. Het werd donker en er was niets vrij in mijn prijsklasse.

“Kom met ons mee,” vroegen een paar jonge mannen, in een straat waar lijf aan lijf mensen lagen te slapen. De keuze was buiten blijven dwalen of gokken op de goede afloop. Zo kwam ik in een donker café in een volkswijk en sliep in een klein kamertje met drie anderen. De volgende ochtend werd mijn bescheiden rijkdom de basis voor een aantal afgedwongen goede borden vleesmaaltijd in een eettentje, en dat als begin.

Die volkswijk van destijds kwam ik weer tegen in de Taaw; een jeugd in Dakar van Ousmane Sembène. De novelle is de verwerking van een filmscript van zijn hand uit 1970. Hij verscheen in 1987 in het Frans. In 1992 kwam de Nederlandse vertaling. Sembène was een man van het woord, maar hij kende als regiseur ook de kracht van het beeld. Dat komt hier samen.

Het verhaal is op een losse manier geschreven. De vader van Taaw is een man die zijn woede afreageert op zijn zoon en zijn vrouw. Die vrouw kan niet anders dan tegen de gewoonten in, haar lot in eigen hand nemen. En dat doet ook de vriendin Astou van Taaw om te voorkomen dat hij zijn vaders kant opgaat en zij slachtoffer wordt. Het verhaal heeft daarmee een duidelijke boodschap, maar is niet extreem dwingend geschreven.

Een rijke man zegt tegen Taaw:
“En jij mijn jongen, heb jij vandaag al gegeven? Vergeet niet dat Allah je morgen in het hiernamaals drievoudig zal vergoeden wat je vandaag aan een miskine geeft.” Het woord miskine kende ik in het Nederlands niet, de vertaalster Nelleke van Maaren blijkbaar wel. Zelf kende ik het als orang miskin in het Maleis. Ook daar betekent het een arme. Het wordt in het Frans (ook in straattaal) gebruikt en is afkomstig uit het Arabisch. Blijkbaar is het vanuit het Midden-Oosten zowel oost- als westwaarts verspreid.

Een tiende van het boek bestaat uit een nawoord door redacteur Jan Kees van de Werk van uitgeverij In de Knipscheer. Die tekst is gebaseerd op gesprekken met de schrijver in Rotterdam, Noordwijk en Dakar. Hij zegt daarin dat hij geen lid van een partij meer zal worden en dat ideologie sectarisch en vernauwend werkt. Voor de schrijver die eerder actief was in de Franse communistische beweging een opmerkelijke boodschap. Wel vindt hij dat schrijvers de taak hebben het bewustzijn van het volk te vormen, maar ook:
“Mijn boeken geven geen enkele politieke oplossing maar voeden door hun beschrijvende karakter wel het bewustzijn van de lezer en dus de politiek op lange termijn.”

De rol van vrouwen in zijn leven en in de Senegalese samenleving komt in de gesprekken uitgebreid aan de orde:
“Mannen hebben de macht, daar hebben ze ook voor gestreden. Waarom zouden ze die dan delen? Daar moeten de vrouwen voor vechten.” In dit boek geeft hij daarvan voorbeelden om zo mee te werken aan die verandering.

De schrijver die in 1923 in Ziguenchor (Casamance, het Senegalese deel zuidelijk van Gambia) werd geboren zou in juni 2007 in Dakar overlijden. Uit zijn geboortestad Ziguenchor herinner ik me het aangename gesprek dat ik zelf had met Seymabou, de uitbaatster van een kleine winkel, niet veel meer dan een loket met een tafel en wat stoelen ervoor. Zij was een jonge vrouw die haar leven in eigen hand wilde nemen en mij daar buiten een prettig gevoel gaf. Haar naam en adres staan nog achter in de genoemde reisgids. 

Een aangenaam gevoel geeft ook deze novelle uit diezelfde tijd door zijn hoopvolle en aansporende boodschap.

woensdag 24 september 2025

Een barbaar in China


Een barbaar in China, is geschreven door Adriaan van Dis. Op het titelblad is aan de hoofdtitel toegevoegd Een reis door Centraal-Azië. De reis gaat echter grotendeels door China. Hij begint in Hong Kong, en eindigt via Xinjiang (Oost-Turkestan) en Tibet in Pakistan. Met twee kaarten in de hand kunnen we zijn reis en oude handelsroutes vergeleken worden.
    Een barbaar verscheen in 1987. In nog geen half jaar tijd kwamen er zeven drukken.  Ik haal het boekje uit een weggeefkast aan de ringvaart om de Haarlemmermeer.

Van Dis volgt grofweg een van de zijderoutes. Hindernissen zijn er onder andere door de bureaucratische regels en beperkingen. Na veel gepraat en overtuigingskracht kan hij zelfs een traditionele zijderupsboerderij bezoeken, waar de eigenaar de eitjes onder zijn kleren bewaart om de ontwikkeling ervan te bespoedigen. Een ander voorbeeld: Als hij zijn treinkaartje niet meer heeft wordt hij zelfs samen met een groepje zwartreizigers gearresteerd en tegen een bedrag weer vrijgelaten. Het is allerminst een gladjes verlopende toeristische tocht.

Al in de inleiding maak ik een aantekening bij de opmerking dat met de zijderoute ook de boekdrukkunst naar Europa kwam. Was die dat dan geen vinding van Johannes Gutenberg (uit Straatsburg/Mainz) of van  Laurens Janszoon Coster uit Haarlem? Nee die vonden het drukken met losse gegoten loden letters uit. De Chinees Bi Sheng vond al vier eeuwen eerder het drukken met losse letters uit, maar gebruikte hout en later porselein.

Een alinea als bovenstaande doet geen recht aan het meereizen met Van Dis. Hij haalt stempels, zit in treinen en rammelende busjes met andere passagiers. Hij vraagt zich af waarom men lacht om de tegenslag van anderen. Hij eet en drinkt en zoekt een plek om te slapen. Je gaat bijna veertig jaar geleden met hem mee op reis door het China van toen. Niet op feiten- en kennisjacht.

Het boekje is verdeeld in vijf etappes door het land dat net open is gegaan voor het toerisme, maar hier-en-daar nog steeds gesloten is, al wordt dit niet vaak openlijk gezegd maar verborgen achter smoezen. Ook de Chinees zelf is nog niet open. Die kijkt wel uit. Opgepropt in een busje komen de gesprekken wel los, ook met de Oeigoeren, waaruit blijkt dat de verhoudingen met de Han-Chinezen al gespannen zijn. En in het Westelijk gelegen Kashgar wordt zelfs de staatstijd genegeerd: “Pas om half tien ratelen de luiken van de bazaar.”

De Kirgische, Oezbeekse, Tadjiekse en Oeigoerse vrouwen zijn nauwelijks te zien in het straatbeeld. Ze werken niet. Han-Chinese vrouwen wel en
“overal zijn kinderen aan het werk, zij knippen koper in repen, verhuizen vracht op hun karren, rollen kleden uit en venten kebab en liang fung. (…) kinderen spekken hier de beurs,” en ze zijn er in grote getale en er is geen sprake van abortussen op late leeftijd of zelfs meisjes-zuigelingenmoord bij de minderheden. Maar ook niet het pronken met de kinderen, zoals Van Dis in Oost-China veel tegenkwam.

Van Dis regelt in Kashgar zijn rit om de bergen naar Pakistan over te gaan voor 800 yuan
and shoe. Later blijkt het hierbij de chauffeur niet om schoenen te gaan, maar om you. Na een mep loopt dat met een sisser af. Onderweg ziet hij de graven versierd met linten, stukken yarkensstaart, lamsvel, en kleine zakjes waarin een bladzijde uit de koran zit gevouwen, ook de graven van Tibetanen. “Boedhisme en islam vinden elkaar over het graf,” merkt de schrijver op met een positieve noot.

Marmotten worden vanuit het voertuig geschoten en onderweg uitgedeeld om diensten te vergoeden. Ook Adriaan krijgt een geweer in handen gedrukt en moet schieten. De volgende dag gaat dat geweer onder zijn stoel per ongeluk af. Maar Van Dis en zijn chauffeur gaan verder zonder heisa uit elkaar. In het Pakistaanse Karimabad doet hij zijn persoonlijk eetstokjes weg (voor de hygiëne gekocht, zodat niet de slecht schoongemaakte van de eetgelegenheden zelf hoeven te worden gebruikt) en koopt ze terug als hij ze daar de volgende dag in een winkel ziet liggen.

De barbaar heeft in zijn net geen 100 pagina's lange reisverslag vol sfeer, empathie, overwegingen en kleine opmerkingen vooral een verhaal geschreven over mensen met hun onhebbelijkheden, humor, levenslust of juist apathie. Eigenlijk is het een boekje waar je niet over moet schrijven, maar dat je fijn weg moet lezen om weer in het China met een raam dat net een beetje open ging, terecht te komen.

vrijdag 19 september 2025

De eerste steen

De eerste steen van Monika van Paemel ben ik gaan lezen doordat ik een eerste versie ervan tegenkwam als boekenweekuitgave door de VBVB. In 1988 verscheen dit eerste Vlaams Boekenweekgeschenk en verdrong daarmee Herman Brusselmans als beoogd schrijver ervan. Het had een omvang van 31 pagina's. De uiteindelijke versie (1992) was bijna tien maal zo lijvig als die aanzet en er zijn ook enkele belangrijke ‘afwijkingen’ zo werd geconstateerd door letterkundige Anne Marie Musschoot.

Het verhaal speelt op verschillende fronten. Dat van een moeder die haar dochter door zelfdoding verloor en daar moeilijk mee kan leven. Dat van de dochter die haar ouders maar voor weinig kan bedanken. Dat van de kleindochter die terug kijkt naar haar grootmoeder en opa die met hun volks wijze opmerkingen haar leven dwingend een kant opstuurden. Dat van de geliefde die het moeilijk heeft met haar partners verder te gaan. Dat van buurtbewoonster die zich afsluit voor roddels en achterklap en zich verbaast over de mannen die de mens die anders is afwijzen. May, zo heet de vrouw die centraal staat, laat veel kanten zien. Het speelt ook nog eens in Vlaanderen en Jeruzalem en omstreken.

Geschenk uitgave.
May gaat op bezoek bij haar vriendin Hagar. Voor de minder bijbelvasten (ze komt ook voor in joodse boeken en haar zoon Ismaël in de Koran). Hagar was de vrouw die door aartsvader Abraham met Ismaël de woestijn ingezonden werd, omdat zijn andere vrouw, Sara, dat wilde. De twee overleefden deze verbanning. De mythe vertelt zelfs dat uit Ismaël, de Islam werd geboren. Hagar is dus geen naam om gemakkelijk overheen te stappen.

Het boek is uitgegeven in 1992. Dat was nog tijdens de Eerste Intifada, toen Palestijnse jongeren stenen gingen gooien naar de Israëlische militairen. In dit boek is die dreiging al overal. Bij een tocht buiten de begaande paden ontmoeten May en haar Joodse reisgenoten veel afwijzende en kwade blikken. Soms vliegen de stenen tegen de carrosserie van de auto waarin ze zich verplaatsen. Dat zijn stenen uit de titel, maar die omvat meer stenen: die van oude gebouwen, zoals in België als Israël; die van een oude leegstaande Palestijnse woning; en de onderste steen die boven komt of de eerste steen die gelegd of geworpen wordt, de steen der wijzen, of de steen die dient als presse-papier, etc. De steen blijkt nogal wat vormen en betekenissen te hebben.

Er is veel angst en er zijn ook agressieve visies. De Palestijnen moeten het land uit, zegt een vriendin.
“(…) uiteindelijk zal de een de ander uitdrijven tot beider ongeluk, een andere oplossing is er niet, men moet handhaven om te overleven of met het land ten onder gaan,” zegt Hagar. Het is diezelfde Hagar die tenslotte begrijpt dat het afnemen van huizen en water niet te accepteren zijn, dat ze dat zelf ook niet zou nemen. Met die laatste visie krijgt het boek een boodschap die lang op zich laat wachten. Tot dan toe was het op zijn best: “We kunnen ook proberen samen te leven, elk in zijn eigen gebied, zelfde rechten zelfde plichten, goede buren naast elkaar.” Alsof er niet iets heel erg en structureel scheef zat en nog steeds zit.

De gewelddadigheid komt zelfs terug in het aan haar lot over laten van een klein poesje dat in een leeg zwembad is gevallen er er niet meer uit kan komen. Het kermen gaat door merg en been, maar het komt vanzelf goed of niet; een moeder poes haalt haar kroost aan haar nekvel op, zo is de visie van omwonenden. Zo niet, dan niet.
     Die buren zijn meer aanwezig. De bewoners hebben last van elkaar. Net zoals buren in Nederland last kunnen hebben van iemand die muziek te hard speelt; staat te telefoneren op het balkon; zijn poezen niet stil houdt, of iets dergelijks. Het wordt ook hartje Jeruzalem allemaal genoemd. Zijn dat in zo'n gespannen situatie geen futiliteiten om te negeren? Blijkbaar niet.

Het boek leest als een echte Van Paemel. Ze schrijft met drift en rijgt haar zinnen en opmerkingen in een alinea als ongelijke kralen aan een snoer waar de verschillende kleuren, groottes en materialen samen een fraaie ketting vormen. Dat leest fijn. Het is vele jaren geleden dat ik voor het laatst een boek van haar las (
De koningin van Sheba uit 2008. Die koningin wordt hier al genoemd: “Of ze niet goed bij haar hoofd was? Wie ze wel dacht te zijn? De koningin van Sheba? Dat is niet langer Davids geliefde maar een merk kattenvoer, dacht May.”) Het is een herkenbaar schrijven, een voortjagende taal, zoals ik schreef in de bespreking van De jaren.
    Er zijn vele verbanden en dwarsverbanden die het verhaal stutten, versterken en vorm geven.

Fijn is een woord dat past en tegelijkertijd ook niet past. Het is geen boek voor teergevoeligen. De mannen komen er overwegend slecht van af als onbeholpen wezens die meestal weinig te bieden hebben, maar soms toch wel wat. Het is een boek uitdrukkelijk geschreven door een vrouw, die leeft in verschillende werelden, die van vroeger en die van nu, die zo bij elkaar komen en elkaar betekenis geven. Die haar eigen weg zoekt.
     De Belgische racisten neerzetten in een boek waar ook de Israëlisch-Palestijnse verhouding centraal staat, geeft meer gewicht en ernst aan dit afwijzen van 'het vreemde' in het geboorteland; meer dan gebeurt door de mannen af te schilderen als miskleunen. De man die door zijn overwicht en intellectuele sombermans spielerei haar dochter de dood in hielp, wordt afgeserveerd en gehaat door May. Ook dit laat zien dat de kloof tussen daar in Jeruzalem en thuis in Mechelen minder klein is dan vaak gedacht. We zijn weer ens gewaarschuwd. Ook om een andere reden is het goed dat dit boek weer boven kwam drijven: het is het waard en haakt nog steeds in de - allerminst verbeterde - actualiteit.