vrijdag 23 januari 2026

Bloesem tocht

Bloesem tocht (2014) is een boek van Rodaan Al Galidi. Al Galidi is een Nederlandse schrijver met een Iraakse achtergrond. Hij is hier als vluchteling gekomen. Hij schreef over vluchtelingen en hun gebrekkige opvang in de romans Holland (2020) en Hoe ik talent voor het leven kreegBloesem tocht speelt in een dorp aan de rivier, de Mermeries, van een land dat ongenoemd blijft. Maar ook in dit verhaal komt 'de vreemdeling' voor. Dat is iemand die moet kruipen in plaats van lopen, glimlachten in plaats van schreeuwen en het gif van anderen moet slikken in plaats van het uit te spugen. Zo werden naast de wondere wereld van het dorp en passant de Hollandse naarlingen ook op de korrel genomen, hoewel het verhaal niet in zijn nieuwe thuisland speelt.

Bloesem tocht begint met een tweeledige opdracht:

Voor de aarde, omdat je ons nog draagt
Voor mijn moeder, omdat je me ooit gedragen hebt

De roman beschrijft de zoektocht van een jongen naar wat er achter de jacht op appelbloesem verborgen zit. Zijn opa gaat ieder jaar als de bloemen aan de boom hangen op zijn ezel Miraan – die steun, klankbord en adviseur is – op die tocht en wordt daarbij geleid door de geur van een tak van de boom.
     De ezel staat centraal in het boek en dient om de mooie maan en de stille wereld te dragen. Ezel en opa (maar vooral die tweede) bereiden de kleinzoon voor op het leven. Onderdeel van die levenslessen zijn de mooie kanten, maar ook de Angst, Dood, Twijfel e.d. waarover opa vertelt. Deze verschijnselen komen als personen voorbij en soms praten ze met de jongen van achter de boom op de top van de heuvel. Je moet hierbij als vanzelf aan het vijftiende eeuwse Elckerlyc denken.

In het dorp waar zij, andere dieren, familieleden en dorpelingen leven, hebben de dieren namen en de mensen niet. Opa probeert alle nieuwlichterij buiten te houden en denkt dat dit daarbij helpt. Hij verbiedt de bewoners gewoonweg een naam te hebben. Hij vormt de wereld zoals hij denkt dat ze moet zijn. Dat is zeker niet altijd slechter dan ze is. Dieren hebben er bijvoorbeeld rechten net als mensen. Maar anderzijds wie zich niet houdt aan zijn regels bijt hij of bindt hij vast onder het bijennest. Zijn visies worden uitgewerkt in een vrijwel oneindige hoeveelheid verhalen. 

Van wiki pagina over de buulbuul.

Als zijn kleinzoon vraagt wat wordt bedoeld met de bloesem tocht, antwoord hij: “Kleine, dat zul je op een dag weten maar nu nog niet.” Maaar met die vraag zijn we vertrokken op het pad van het leven en wat die tocht met zich mee brengt. De geur van de bloesem, de boom die in de aarde steekt en tot aan de hemel reikt, en met op zijn takken de buulbuul (zo leer ik als lezer van het bestaan van dat vogeltje), wijst de weg die de ziel zelf wil gaan (anders dan het lichaam dat het pad van anderen wil volgen).
     Bomen spelen een hoofdrol in het boek. Alleen zo komt het bedankje aan de aarde uit de opdracht al terug. 


De verhalen die in het boek verteld worden, willen van de kleinzoon geen held maken. Heldendom wordt vergeleken met je vastbinden op een bootje met wat eten en je dan met de stroom mee van de rivier de zee op laten voeren. Dat is hersenloos. Die aversie tegen moed komt ook terug in de uitleg waarom opa zijn wijsvinger mist. Hij is afgehakt door de Engelsen toen hij nog een kind was, zodat hij de trekker niet over kon halen. Je hebt zo'n vinger alleen nodig als je domoor bent, meent hij op latere leeftijd. 
Het schieten lokt immers alleen maar narigheid uit. Hij bewaart hem als blijvende waarschuwing in een doosje. Oorlog, geweld en de afkeer daaraan komen meer terug. Al Galidi komt uit een land waar lange tijd oorlog woedde. Lafheid is het geheim om in leven te blijven. Het is belangrijker dan het getamboereer op de trommel van de dapperheid.
     Wat God in een van de vele verhalen het meest beangstigde was het
“woedende ijzer, harder dan de duivels, dat tussen hemel en aarde vloog om neer te vallen en op te stijgen.” In een ander verhaal is de Vrede een personage dat zegt: “Hoe spijtig dat de mensen niet meer het verschil kennen tussen mij en de oorlog. Daarom sturen ze soldaten naar mij en boze mannen, moordenaars, politici, mannen van God en mannen van de duivel.” Een personage in een vertelling, die zoekt naar de vrede wordt onnozel genoemd en uitgelachen. Toch gaat hij tegen die weerstand in eigenzinnig op zoek. Als hij de vrede vindt bevalt dit hem uitermate goed.

Onder aan een pagina staat de vraag van de kleinzoon aan zijn opa: “Hadji, wat is een gouden eeuw?” Weer komt Nederland terloops terug in het boek. Al Galidi draait niet om de hete brei heen als hij opa laat antwoorden: “Dat betekent dat je alles wat anderen hebben, mag stelen, en als ze niets hebben, steel je hun leven. Daarna breng je wat je gestolen hebt naar je land. (…) Daarna betaal je luiwammesen, zodat ze hele dagen schilderen, toneelspelen en dichten. Zo overtuig je volgende generaties ervan dat de gouden eeuw niet door dieven en moordenaars van goud was, maar door de kunst.” De Britten kregen er eerder ook al van langs.
     Overigens wordt opa Hadji genoemd, ook al heeft hij nooit de bedevaart naar Mekka gemaakt. Het verleent zijn visies en woorden meer kracht in het dorp zonder dat hij daar een God bij nodig heeft.


Er zijn serieuze gedachten over personen, emoties, vormen van geweld en macht, over vrede en zinneprikkeling. Dat de pers er is om de macht van de president te onderstrepen, wordt als algemeenheid door opa verteld, maar is in de Nederlandse context wat overdreven, hoewel ze over het algemeen binnen een aanvaarde bandbreedte blijft en alles daarbuiten negeert of afkeurt, maar ze staat niet in zijn geheel in dienst van Willem IV of de Premier. Opa hamert ook de politiek af. Ook daar zijn best nuances aan te brengen. Je moet de roman toch ook zien als afkomstig uit de koker van iemand die tot in het Irak van Saddam Hoesein opgroeide, en die in 1998 naar Nederland kwam en een enigszins anarchistische levensvisie heeft.  

Het boek zit vol kleine en grote wijsheden, zoals: “Als je de boom nog hebt, kleine, wees dan niet treurig als je een tak verliest.” Of in het verhaal over het uitvinden door God van het raam in het hart. Dat raam beslaat door het stof van geweld, haat, rancune, onrechtvaardigheid, samenzweringen, leugens en geslijm. Maar als het helder is, wijst het de weg. Je kan het beter niet gebruiken om de weg te vinden naar waar je wilt slapen, maar naar waar je wakker wilt worden na een lange slaap. Een bekend gezegde duikt op: Alleen liefde maakt het hart blind. Die gevleugelde woorden worden met dit verhaal weer afgestoft en glanzend gepoetst, zoals andere verhalen weer andere zaken uit het leven kleur geven. Opa's laatste les is: “Ren!” Een niet onbelangrijke en uit het leven van de schrijver gegrepen.

Het enige manco in Bloesem tocht is dat opa wel erg veel verhalen vertelt, teveel denk je op ¾ van het boek en dan wordt er verrassend toch weer nieuwe zuurstof over de pagina's geblazen; de jongen gaat zelf op verhalen jagen. Zo lees je boek toch weer met plezier uit. Want plezier dat zit er, ondanks de ernst en sombere zaken, volop in.

vrijdag 16 januari 2026

De blinde zonnebloemen



De blinde zonnebloemen* van Alberto Méndez heeft een uitgebreide opdracht over het verwerken van een tragedie. Die opdracht begint met de zin: “ALS JE IETS te boven wilt komen, zul je het eerst moeten aanvaarden, niet de bladzijde omslaan of verdringen.” Rouwen is zo'n situatie onontbeerlijk en Spanje heeft een dergelijk rouwproces niet gekend, zo wordt in die woorden gesteld. Rouw “is het aanvaarden van het bestaan van een leegte.”**
    Méndez zou in het jaar van verschijnen van het boek overlijden. “Op drieënzestigjarige leeftijd publiceerde hij in 2004 zijn eerste verhalenbundel, die in Spanje een groot succes werd. Literaire prijzen volgden, de één na de ander. Toen stierf Méndez, nog in datzelfde jaar, en vervloog voor de uitgever de droom van een nieuw ontdekt talent. Méndez bleef voor altijd de schrijver van één weergaloos boek,” zo merkte recensent Ger Groot bijna twee decennia geleden op. Dat, inderdaad indrukwekkende, boek is samengesteld uit vier licht samenhangende lange verhalen.

In het eerste verhaal
'Eerste nederlaag 1939 of Als het hart kon denken, zou het ophouden met kloppen' duikt een kapitein van het opstandelingen leger van Franco op. Hij heet Alegría. Hij beheert voorraden, verstrekt kleding en munitie en is als zoon van een grootgrondbezitter uit de buurt van Burgos en daarmee van de juiste komaf voor dit leger. Hij heeft ook gewoon een liefje. Kortom niets mis met hem dat het meedoen met de Franquisten zou beletten.
    Deze fascisten staan op het punt Madrid in te nemen als de genoemde droogstoppel overloopt naar de Republikeinen. Hij kijkt neer op hun burgerleger, maar wil geen deel uitmaken van de overwinnaars. Hij ziet dat de oorlog met woekerwinsten aan doden wordt betaald. Hij meent dat het leger er niet is om te willen winnen, maar om te doden.
“Hij had graag uitgelegd waarom hij de troepen die de oorlog zouden winnen de rug toekeerde, waarom hij zich overgaf aan een verslagen leger, waarom hij geen deel wilde uitmaken van de overwinning. Maar de ruwheid van deze mannen benam hem de moed, en hij besloot er opnieuw het zwijgen toe te doen.”
De afgestudeerde jurist meent het zo te doen dat hem geen blaam treft, maar toch wordt hij door de krijgsraad ter dood verdeeld vanwege zijn verraad. Hij had inmiddels al geleerd dat De Wet boven de wetten staat. Tijdens de executie voor de laatste overeind staande muur schampt de kogel langs zijn hoofd. Als hij levend uit het massagraf is gekropen (een gruwelijk beeld) dan krijgt hij eten en water van de bewoners die hem aantreffen: “dat alles, dacht hij, was een teken dat er toch iets menselijks de gruwelen van de oorlog had overleefd. Als hij niet zulke droge lippen had gehad, had Alegría geglimlacht.”
    Op de laatste pagina wordt de tekst overgenomen van een briefje dat uit zijn zak kwam, waarin onder meer de vraag wordt gesteld of de vermoeide soldaten de overwinnaars waren. Met daarop het antwoord: “Nee, zij willen gewoon terug naar huis, waar ze niet zullen aankomen als zegevierende militairen, maar als mensen die van het leven zijn vervreemd, die het eigene ontwend zijn, en langzaam maar zeker zullen ze in verliezers veranderen.” Amen, zou ik bijna toe willen voegen aan dit verhaal, waarin het absurde het verstandige is, en de hel beschrijft die onder ogen moet worden gezien om de rouw mogelijk te maken. 

***

Op de strozak in een berghut werden het skelet van een volwassen man en een zuigeling gevonden. Ze lagen dicht tegen elkaar aan en waren gewikkeld in een schone witte sprei. Daaromheen een wolfsvacht, wol van berggeiten, en het kadaver van een koe. Op een krukje onder een zware steen lag een helemaal volgeschreven ruitjesschrift. Er was verder nauwelijks huisraad. Aan de zoldering hing wel een eenvoudige zwarte jurk.
    In
'Tweede nederlaag: 1940 of Dagboekaantekeningen gevonden in vergetelheid' worden de dagboekaantekeningen pagina voor pagina overgenomen met regelmatig een inleidende opmerking. In de eerste zin krijgen jurk en kind meteen hun plek: “Elena is tijdens de bevalling overleden.” De geliefden zijn gevlucht. Ze wilden zich niet laten pakken door de fascisten. Of het verstandig was hoogzwanger te vertrekken? Nee, maar zij wilde perse mee.
    De man is de moed verloren. Hij wil niet verder zonder haar. Hij ziet geen toekomst voor het kind. Het is een bitterkoude winter. Rond de hut lopen wolven. De koe geeft melk, zolang er onder de sneeuw nog wat gras kan worden gevonden. We zien de twee maandenlang creperen op weg naar de dood.
   Hij is een boer en een schrijver (hij moet schrijven om te weten wat hem beweegt) die door een leraar de liefde voor poëzie heeft leren kennen. Maar nadat de Republiek verslagen was, werd de onderwijzer don Servando gedood, en ze verbrandden al zijn boeken en doodden alle gedichten die in zijn hoofd zaten. Nu zit de man in die ellendige situatie en ziet hij de baby zich mager bewegen, dat alles wordt dag voor dag, blad voor blad, opgeschreven in het schrift.

Het verhaal sluit af met een noot van de fictieve uitgever, waarin het relaas van de schrijver wordt gecontroleerd, zijn naam Eulalio Ceballas Suárez wordt gevonden en dat wordt afgesloten met:
“Als hij degene was die de dagboekaantekeningen in dit schrift heeft geschreven, dan was hij achttien toen hij dat deed, en naar mijn mening is dat geen leeftijd voor zoveel leed.” Het is vrijwel onmogelijk een dergelijk verhaal onder ogen te zien en binnen te laten komen, zonder een filter in te bouwen.

***
'Derde nederlaag: 1941 of De taal van de doden' speelt zich af in de gevangenis. Iedere dag wordt een groep namen afgeroepen om voor de krijgsraad te verschijnen om daar als aan de lopende band ter dood te worden veroordeeld. Ze gaan van de tweede naar de vierde verdieping en worden per groep de volgende ochtend weggebracht om gefusilleerd te worden.
    Celloleraar Juan Senra wordt opgeroepen voor de krijgsraad, maar blijkt de zoon te kennen van de kolonel die de krijgsraad lijdt.
“U heeft hem gekend?” vroeg kolonel Eymar.
    “Ja,” antwoordde Yuan “en redde daarmee zonder het te weten voorlopig zijn leven.” Tussen dat moment en voorlopig krijgen we kijkje in de gevangenis, waar Yuan merkt dat zijn handen die eerder Bach uit de snaren wisten te toveren, met moeite een collega gevangene kunnen vlooien. De leiding onder de gevangen is in handen van een politiek commissaris van de Communistische Partij die er nog steeds voor zorgt dat er niets gebeurt zonder dat hij het weet. Waarom eigenlijk? Wat is het belang van die kennis nog?
    In een brief aan zijn broer schrijft Juan:
“Ik wil niet verder leven met al deze treurigheid, ik geef het op. Ik heb ontdekt dat de taal waarvan ik droomde voor een mooiere wereld in weerkelijkheid de taal van de doden is. Vergeet me niet en zorg dat je gelukkig wordt.”
    Het verhaal kent zoveel subtiliteiten die het dragen dat het niet samen te vatten is zonder de spanning eruit te halen. Maar ook hier is de situatie, het dodelijke gevangenisregime, zo dat de levenslust verziekt wordt. Weer met een donker lichtpuntje: vriendschap blijkt sterker dan de wens te overleven.

***
De
'Vierde nederlaag 1942 of De blinde zonnebloemen'

maakt kwaad. Een katholieke godsdienstwaanzinnige geestelijke (van het soort dat we wel kennen in de fascistische traditie) die na zijn leven als soldaat van de nationalisten les geeft, zit te dicht op de huid van een jongen.
    Als hij moet zingen van de leraar “Zing!”, omdat het de hymne is van hen die hun leven willen geven voor het Vaderland dan duikt zijn moeder op: “Mijn zoon wil voor niemand sterven, hij wil leven voor mij,”zegt ze. Desondanks wordt de leraar verliefd op de moeder en vergrijpt zich aan haar. De in het huis ondergedoken vader reageert. Het brengt het gezin enorm veel leed toe.
    Ze waren hun dochter Elena al verloren die hoogzwanger samen met een dichter gevlucht was. En nu gaat er nog veel meer in het gezin naar de ratsmodee.

Het titelverhaal wordt verteld door drie stemmen. De Katholieke leraar die als biecht brieven schrijft, gezet in cursief schrift, een verteller die in gewoon schrift opgevoerd wordt en door de jongen die in dik gedrukte letters terug kijkt op zijn jeugd.

In de biecht schrijft de 'pater' dat hij zich zo gedesoriënteerd voelt als blinde zonnebloemen. Die mooie titel komt dus van hem. Dit verhaal zou in 2008 verfilmd worden door
José Luis Cuerda, die samen met Rafael Azcona het script schreef.

***

Méndez wordt in
El Pais (20/02/2004) geciteerd wanneer hij zegt dat alle verhalen echt zijn: “Het verhaal van de geëxecuteerde man die uit het graf opstond, is dat van een man genaamd Alegría, met wie ik jaren geleden in Grijalbo heb samengewerkt; Franco's kolonel die overliep naar de Republikeinse kant, enkele uren voor de overwinning bestond ook. Ik heb hem tot kapitein benoemd.” 
     De schrijver is in 1940 geboren en opgegroeid met het aan de macht komen van de fascisten in Spanje. In zijn werk maakte hij mee dat
Ciencia Nueva, een kleine uitgever waar hij bij betrokken was door de Minister voor Informatie en Toerisme Manuel Fraga verboden werd.

We lezen
De blinde zonnebloemen. We vinden het literair geweldig. Maar tegelijkertijd gaan we door op de weg van dagmarsen naar de volgende overwinning, alsof niet al lang duidelijk is dat oorlog meer van mensen vraagt dan goed voor hen is; van oud en jong, van direct betrokkene tot nakomeling. De roep om oorlog, zelfs als dat zou zijn om contradictoir oorlog te voorkomen, klinkt te gemakkelijk, dat maakt dit boek duidelijk.
    Het onderstreept ook dat het vinden van een verhouding met het verleden, ook als dat ongemakkelijk is, niet mag blijven liggen. Ook twintig jaar nadat het boek verschenen is, en een halve eeuw nadat de dictator stierf, is
die roep in Spanje nog steeds nodig. Maar de woorden uit de opdracht gelden niet alleen Spanje vanwege zijn lange dictatuur, maar ook een groot aantal landen waar grote politieke wandaden plaatsvonden. Het is daarmee een belangrijk boek. Nog steeds.

Noten:
* Het verscheen in 2004 als Los Girasoles en werd in 2006 vertaald naar het Nederlands door Eugenie Schoolderman. Méndez kreeg er de Premio Setenil 2004, en postuum de Premio Nacional de Narrativa en de Premio de la Crítica voor.
** Het komt uit het voorwoord geschreven door
Carlos Piera in En los ojos del día; antología poética van Tomás Segovia, de Mexicaanse dichter en schrijver van Spaans afkomst.

dinsdag 13 januari 2026

Mother Mary Comes To Me

 


Mother Mary Comes To Me is een autobiografie van de Indiase schrijfster Arundathi Roy. Ze meent dat de menselijke geest niet zo heel goed is in het juist weergeven van herinneringen en de lezer het boek dan ook beter als roman kan lezen. Door de prettige en vloeiende schrijfstijl gaat dat als vanzelf, maar de schokkende realiteit uit India komt toch wel anders aan dan als in een fictieve beschrijving.

De relatie met haar moeder is een rode lijn door het boek. Van begin tot eind is bindt die band de levensloop tot samenhangende tekst. Een dergelijke verhouding, zeker een zo stekelige als tussen deze twee generaties, is daarbij een thema dat een roman zou passen als een bidi tussen Indiase lippen.
     Arundhati wordt door haar moeder de hoek ingeschopt als die het moeilijk heeft met haar kinderen, familieleden of anderen. Toch blijft ze volop achter Mevrouw Roy (zoals ook haar kinderen moeder noemen) staan. Mevrouw Roy heeft een zware jeugd achter de rug, ze had een gewelddadige vader, een – om het zachtjes uit te drukken – lastige familie en is gescheiden van haar drankzuchtige man, die ze een leeghoofd vindt. De onvoorwaardelijke steun van Arundhati gaat zover dat ze meent voor haar astmatische moeder te moeten ademen. Die opofferende relatievorm verzwakt enigszins als ze in Delhi architectuur gaat studeren.

Architectuur
Ze komt op die opleiding de student JC tegen die in dienst van de architect Laurie Baker haar moeder rondleidde langs voorbeelden van zijn architectuur. Dit omdat de moeder een nieuwe school en bijgebouwen wilde laten neerzetten voor de onderwijs instelling die ze zelf opbouwde en waar ze tot het niet meer kan directrice van is. Arundhati was bij dat bezoek en zou getroffen door deze architectuur dat vak gaan studeren. Op deze opleiding zou haar eigenzinnige kritische houding al zichtbaar zijn. JC en Roy doen samen onderzoek in de sloppenwijken en wateren op de weg teug naar de universiteit op de oprijlanen van de villa's van de rijken. Met een sprong vooruit in de tijd, stelt ze dat dat tegenwoordig met alle bewakingscamera's niet meer mogelijk zou zijn.
Mogelijkheden
De twee krijgen een relatie die tussen de hippies van Calcutta en door de invloed van zijn moeder op haar vriend zou klappen. Haar reis terug naar Delhi is armetierig. Ze kwam in de hoofdstad terecht in een achterbuurt. De straatbewoners konden haar moeilijk plaatsen en bedachten dat ze wel lid van een criminele bende moest zijn; een status die ze zich graag liet aanleunen als bescherming. Intussen vond ze ook werk. Steeds beter werk, met steeds meer mogelijkheden, en onderdak, vrienden en een lief.

Mannelijkheidsnormen
De school die moeder Mary in Kerala opzette werd geënt op kennis die ze leerde van Britse missionarissen. Die worden overigens wel fijntjes gefileerd: ze voerden innovatieve onderwijsmethoden in, maar ze hielden er ook een vriendelijk, goed bedoelend racisme op na naar India als geheel en haar bevolking.
     De school zou een succes worden. Jongens zou er aanschouwelijk afgeleerd worden neer te kijken op meisjes. Ze zouden daarmee bevrijd worden van de last die ze van de maatschappelijke mannelijkheidsnormen mee zouden krijgen. De school was wel veel meer haar levensvervulling dan zoon en dochter die op een tweede en derde plaats zouden komen.

Romanpersonages
Inmiddels is Roy een gevestigde naam in de linkse Indiase scene en heeft werken geschreven over maatschappelijke thema's die onder haar pen technisch en toch goed leesbaar zijn. De kracht van haar taal, bekend uit haar twee literaire werken, werd ook ingezet voor maatschappijkritiek gericht op verbetering. 
     De biografie is bij haar fictie en non-fictie welkome achtergrond informatie. Regelmatig komt een personage voorbij waarvan ze noemt hoe die in een roman is verwerkt. Aan het eind van een deel dat gaat over hoe ze afstand nam van een, zogenaamd feministische, film voor het Britse Chanel 4 (daarin werd zonder toestemming van het slachtoffer van de misdaad een verkrachte vrouw zonder terughoudendheid herkenbaar wordt geportretteerd) merkt ze op dat ze in het laatste script dat ze schrijft voor de Britse zender een voormalige non opvoert die model stond voor Baby Kochamma uit de De God van kleine dingen. Dergelijke opmerkingen over romanpersonages komen wel vaker voor, ook met betrekking tot personages uit haar tweede roman Het ministerie van Opperst Geluk.
Verzet
Al vroeg in het boek duikt het Maoïstische verzet op. Niets bedreigt de Indiase elite (ze noemt in deze context Hindoes, Christenen, Moslims, Sikhs en ook veel van de Communisten) meer dan als de onderdrukte kaste en arbeidersklasse hun woedde bundelen. 
     In het het hoofdstuk Naxalites geeft ze een definitie van deze politieke groepen: “uiterst linkse, radicale opstandelingen – Maoïsten – die waren afgescheurd van de belangrijkste Marxistische partijen.” De naam kent zijn oorsprong in Naxalbari (in West-Begalen) waar de opstand begon. De groepen kozen voor gewapende opstand. Haar moeder stond niet afwijzend naar het verzet. Revoluties zijn bedoeld de wereld eerlijker te maken, meende ze.
     Het beschrijven van de Naxalites doet me denken aan hoe deze groepen in Het ministerie... voorkomen. Dat was geschreven kort nadat Roy weken met ze optrok door de jungle. Ze laat niet na om haar kritische positie tegenover de grote roerganger en de rode tsaar te benoemen, beide zijn prominenten in dit deel van de communistische beweging. Toch is ze welkom en gaat ze met hen mee. Ik was bijzonder geraakt bij het lezen van een brief in Het ministerie... (zie hier mijn signalering) van een moeder en guerilla. Zelf geeft ze in Moeder Mary... een personage uit De God van... als voorbeeld van het verwerken van de Naxalites in haar romans.
     De gewapende strijd komt ook naar voren als ze twee Nepalezen in haar biografie beschrijft – haar kamergenote op de Universiteit en haar man – die in het noordelijke buurland ondergronds gingen in het gewapende verzet en later een positie kregen als respectievelijk minister en premier. Overigens zou die strijd ook getroffen worden door de linkse ziekte van fracties die elkaar bestrijden, wat tot de val leidt, zo merkt Roy op.
Schrijfster
Ze wilde al vroeg schrijfster worden en deed er veel voor omdat te bereiken, zo kreeg haar collega en later lief Paradip iedere dag een brief van haar met de achterliggende wens dat hij ooit zou zeggen: “Heb je ooit overwogen schrijfster te worden.” En deed hij. Hij was de enige niet. John Berger stelde veel later in haar leven, tijdens een bezoek dat ze hem bracht dat ze haar boek af moest schrijven dat Het Ministerie van Opperst Geluk werd. Hij zou zelf als een olifant met wapperende oren achter haar staan om haar koelte toe te wapperen als ze moeilijk had, zo beloofde hij. Berger is ook de schrijver van de opdracht voorin de biografie (hij komt uit hoofdstuk 2 van zijn roman Pig earth

      De vertrekkende gasten
     kusten haar op de kruin van haar hoofd
     en zij herkende hen
     aan hun stemmen.

Geld
Ze beschrijft hoe het schrijven van De God van kleine dingen haar makkelijk afging nadat ze structuur ervan op de achterkrant van een enveloppe had gezet. In de biografi zit een hoofdstuk over het schrijven, onder de aandacht brengen ervan, en het publiceren inclusief de rompslomp eromheen – zoals de Booker Prize. 
     Als uitgever en doorzetter David Godwin zegt naar India te komen om een contract met haar te sluiten dan voelt ze een soort irreële antipathie bij zijn persoon. Als hij India op gaat hemelen dan laat ze hem meteen vallen, zo besluit ze. Maar de man laat al aan het begin van hun contact weten dat hij weinig van India weet en het ijs is dan gebroken. Met alle resultaten van dien. Al snel heeft ze een miljoen dollar verdiend met het internationaal verkopen van de rechten en met de verkoop van de boeken erbij zou haar meer inkomsten brengen dan ze voor zichzelf nodig had. 
     Ze verdeeld het geld over vrienden en bekenden en zet later een fonds op om kleine projecten te steunen die nodig zijn voor een betere wereld, maar niet gemakkelijk subsidies kunnen krijgen van grotere fondsen. Ze blijft ook mensen om haar heen steunen, zoals een oom die slachtoffer is van haar moeders strijd om als vrouw ook een deel van de familie erfenis te krijgen, waardoor hij veel kwijt raakt, onder andere zijn bedrijfsruimte. Want moeder wint van haar broer, dat verrast niet.
Kernbom
Roy zou weigeren om snel een contract te tekenen voor een volgend boek. Ze was bang dat ze dan meer van hetzelfde zou gaan schrijven. Eerst een boek. Dan verkopen. Voordat haar tweede roman zou verschijnen zou ze boeken, brochures en essays over politieke onderwerpen schrijven. Haar eerste essay ging over het conflict met Pakistan en het Hindoe nationalisme dat op een oorlog afstevende: The end of imagnation (de titel zou later gebruikt worden voor een bundeling van haar werk). Het stuk verscheen in Outlook en Frontline. Het eindigt met:
De kernbom is het meest antidemocratische, antinationale, antihumane, ronduit kwaadaardige dat de mens ooit heeft gemaakt. Als u religieus bent,bedenk dan dat deze bom de uitdaging van de mens aan God is. Het is heel eenvoudig verwoord: Wij hebben de macht om alles te vernietigen wat U hebt geschapen. Als u niet religieus bent, bekijk het dan eens zo. Onze wereld is vier miljard zeshonderd miljoen jaar oud. 

Het zou in een middag voorbij kunnen zijn.”
Stuwdam
Het zou leiden tot een zee aan kritiek. Ze hoorde nergens meer bij. Maar juist die positie maakte haar tot een vrije vrouw, een onafhankelijk schrijfster. Ze zou door het land trekken, lang rivieren en door dalen en India meer gaan begrijpen. Hoewel ik in 1998 zeer actief was rond de oorlog tussen Pakistan en India en daarbij horende nucleaire spanningen en Frontline regelmatig las, was deze uitgave niet mijn kennismaking met deze kant aan haar schrijverschap. 
     Mij is een brochure bijgebleven over de aanleg van de Narmada stuwdam en het effect van irrigatiewerken. Het was een technisch onderwerp, maar zo voortreffelijk geschreven dat je wist zo aantrekkeoijk kan politiekwerk ook zijn; het hoeft niet gortdroog. In
Mother Mary... schrijft ze: “ik wilde mezelf testen, zien of een ik een taal kon vinden, de taal van een schrijver, om te schrijven over Narmada en de tragiek die het trof op een wijze waarin ik over Ayemenem en de Meenachil had geschreven” (de plaats en de rivier van haar jeugd en beschreven in De god...).
    De biografie geeft veel achtergronden bij haar schrijven. Ze noemt een van haar eerste verhalen: Kerst in Ayemenem over een relatie tussen een vrouw als haar moeder en de vrouw die haar hielp en adoreerde, inclusief het bukken voor aanvliegende koppen en borden; ook dat smijtwerk was immers een teken van liefde. Maar er komt veel meer langs. Filmscripts, artikelen over het al genoemde verzet tegen de bouw van de Narmada dam die heel veel dorpen onder water zou zetten, het militaire spierballen vertoon, de onderdrukking in Kasjmir en het gewapende verzet in het Oosten van het land.
BJP
Roy is uitgesproken kritisch ten opzichte van het land waar ze geboren en getogen is. Ze ziet radicale politici de bevolking opstoken tegen Sikhs, moslims en Christenen de groep waar ze zelf toe behoort. Tussen de haatzaaierij en het oplaaien van geweld zit vaak een lange lont, maar herhaaldelijk vermeld ze vrijwel terloops de duizenden doden die (soms veel later) het resultaat zijn van een aanval op niet Hindoeïstische groepen door de opgejutte bevolking. De leidende Bharatiya Janata Partij (BJP) wordt gekwalificeerd als extreem-rechtse Hindoe-nationalistische partij.
     Dat India allerminst de vreedzame democratie is waar ze nog steeds voor wordt aangezien door velen, valt bij haar volledig in duigen. Het afslachten van duizenden moslims in de straten van India, live uitgzonden op TV, wordt zonder omhaal van woorden beschreven. Net als de politie die toekijkt hoe het script geschreven door het hindoe nationalisme wordt uitgevoerd. Niet alleen de politie kijkt toe, maar ook de nieuwe Eerste Minister van Gujarat, en dat was de huidige premier Narenda Modi.

Kasjmir

Kasjmir is een volgend onderwerp waar ze niet omheen wil. “Niets dat je leest of ziet in de Indiase kranten of op televisie zenders bereid voor op de werkelijkheid in Kasjmir.” Ze gaat er heen. Ze is geschokt. Het noordelijke gebied dat bij India is getrokken zal een rol spelen in Het ministerie... Maar voordat dit boek er is, zal ze een serie essays over Kasjmir schrijven.
     Het eerste krijgt een titel gebaseerd op een zin uit een rechterlijk vonnis tegen een man die aangewreven wordt het brein achter een aanslag op het Parlement te zijn:
And His Life Should Become Extinct. In de biografie beschrijft ze hoe Afzal van een minimale rol opeens een hoofdrol kreeg in de aanslag toen de eerder aangewezen breinen na twee jaar in de gevangenis vrijgesproken werden van de aanklachten tegen hen. Een samenzwering zonder leider dat kon niet en zo werd een volgende persoon deze rol aangewreven. Niet omdat er directe bewijzen waren, maar omdat de samenleving alleen tevreden zou zijn als er iemand veroordeeld werd, zoals de veroordeling openlijk stelde.
     Afzal zou door de destijds regerende Congrespartij ter gedood worden om de kritiek op hen dat hij nog leefde af te wenden. Roy moest het door haar steun zelf weer ontgelden.

Kastenstelsel
Haar roman De God.... is te groot om uit de geschiedenis van de Indiase literatuur te poetsen, maar wordt wel gedepolitiseerd en in de besprekingen wordt de erin verwerkte kritiek op het kastenstelsel veelal niet genoemd.
     Dat de Congrespartij in India de Duivels Verzen (hier mijn wat rommelige bespreking) van Salman Rusdie als eerste land op de lijst van verboden boeken had gezet, zoals ze noemt, dat verraste me (Iran was immers de boosdoener) of was me inmiddels ontschoten.
     Scherpe kritiek van Roy is er op schrijvers die bijeenkomen om eloquent en geroerd op een festival, dat werd georganiseerd door mijnbouwondernemingen, te spreken over de gevaren van censuur en het belang van vrijheid van meningsuiting. Het debat werd daarbij ook nog eens uitgezonden door een uiterst nationalistische Hindoe TV-kanaal.
Femisme

Roy verklaart dat ze het moeilijk vindt volledig voor het feminisme te gaan (nadat ze zag hoe mannen erdoor getroffen kunnen worden), maar wel komen regelmatig voorbeelden van de positie van vrouwen terug de biografie. Dat gaat van opdringerige mannen op een nachtelijke bushalte, politiemannen die haar wel willen helpen door haar mee te nemen (hulp die ze weigert) tot het sprekende beeld van een man die achterover geleund op zijn ossenkar in het buitengebied naar de sterren aan de hemel kijkt. Dat zou een vrouw nooit kunnen doen, realiseert ze zich.

Rond
Moeder en dochter komen steeds dichter bij elkaar. En Mevrouw Roy blijft dan wel wie ze is, maar is af-en-toe ronduit vriendelijk tegen haar dochter. Ze vraagt haar ook nooit om in te binden. Ze legt de leerlingen op school wel uit wat ze doet en waarom. Daarbij trekt ze zich niets aan van de ouders die dit ongemakkelijk vinden. De moeilijke moeder staat achter haar kleintje.
     Bovendien krijg je bewondering voor de kracht waarmee ze haar school en haar eigen leven vorm geeft. Ze heeft daarbij standpunten waarbij ze zich weinig gelegen laat liggen aan de verwachtingen, waar ze aldus de normen van haar omgeving en India als geheel moet voldoen.
     De liefde van haar dochter voor haar moeder die ze nooit liet schieten, kan je aan het eind van de biografie begrijpen. Zo is het verhaal rond alsof het een roman is.

vrijdag 9 januari 2026

En we noemen hem


En we noemen hem is fijn leesbaar, spannend, interessant en geschreven door Marjolijn van Heemstra. Het behandelt de zoektocht naar een oom waarvan zij een geërfde ring draagt. Aan oom Frans kleeft de status van held. Hij pleegde na de Tweede Wereldoorlog een bomaanslag op een verrader uit de oorlogstijd, daarom is zijn bijnaam bommenneef. Ze kreeg het sierraad van haar oma op voorwaarde dat ze een zoon naar hem zou vernoemen.

De vertelster is de zwangere vrouw Marjolein van Heemstra. Voordat ze haar kind (de scan liet zien een zoon) naar Frans zal vernoemen wil ze eerst het verhaal over hem rond hebben. Dat afronden heeft een duidelijke deadline, al botst dat woord hier op nieuw leven. Zo lopen een moeizame zoektocht en een zwangerschap samen op. Onderweg zijn er ook hindernissen die te maken hebben met de komende geboorte (zoals hypertensie/zwangerschapsvergiftiging) en met een muggenplaag in het huis waar zij en haar man D wonen. 

Beeldspraak
Van Heemstra is naast romancier ook dichteres en met een poëtisch oog kijkt ze naar de wereld. Zelfs het doen van onderzoek wordt beeldend gekoppeld aan een metafoor. Slakken glijden van tegels naar planten en verder over aarde en gras. Die tocht zag je onder een bewolkte hemel niet, “maar als de zon doorbrak glinsterde er plotseling een slijmerig spoor dat de dingen verbond die ze op hun lange trektocht hadden aangedaan.” Zelf stelt ze onderweg intelligente vragen en zoekt verschillende invalshoeken om haar verhaal rond te krijgen.
     De familie tamtam werkt in eerste instantie om meer en minder waardevolle informatie te krijgen:
“Er tekenden zich langzaam maar zeker details af op de witte kaart.” Die kaart is overigens ook beeldspraak en verwijst naar de witte kaart van Antarctica die ze kreeg van een vriend. Op die kaart staat alleen de naam van het gebied en de schaalverdeling. Verder is hij wit, leeg. Na de informatie die zich aandient wordt het ouderen in verzorgingsflats en hun kinderen bezoeken om informatie lost te weken, archieven bezoeken, hulp bij het onderzoek vragen en boeken lezen. 
Krantendatabase
Ze haalt een deel van haar verhaal uit
Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (1995) van schrijver en onderzoeker Dick Engelen. Het boek wordt genoemd in de tekst, maar ook in het dankwoord achterin. Hoewel niet alles precies is gegaan zoals in deze roman wordt beschreven, geeft alleen dit al aan dat de gebeurtenissen in de roman geen fictie zijn, maar dat oom Frans echt heeft bestaan. De feiten worden gekneed en gevormd voor een literair werk, maar zijn hoewel enigszins aangepast, niet verzonnen. Pas als ze in een online krantendatabase zoekt, blijkt hoe groot het verhaal van de Sinterklaasaanslag op 5 december 1946 was. Ik kan het niet laten om wat trefwoorden in Delpher in te typen om te kijken of het verhaal daarin voorkomt. Inderdaad: groot nieuws. Bommenneef blijkt de aanslag echt te hebben uitgevoerd. Marjolein Heemstra zet haar onderzoek dan ook voort. Dat loopt tot aan contacten met nabestaanden van de slachtoffers in Zuid-Afrika.
Afbrokkelen
Hoe dieper ze er induikt hoe meer de heldenstatus van oom Frans afbrokkelt en het leed van de slachtoffers op de voorgrond treedt. Of het vangen van duiven voor de Duitsers 
een onschuldige jacht was of bedoeld om zo de berichten die zij het verzet brachten voor de Duitsers te onderscheppen, is onduidelijk, maar dat de aanslag met de bom verpakt in een surprise veel leed veroorzaakte staat wél als paal boven water. Overigens vraagt de onderzoekster, als ze hoort over de rol die duiven speelden (“de vergeten helden van de Tweede Wereldoorlog”), hoeveel moet je eigenlijk weten om te begrijpen wat er gebeurde. “Alles,” zegt een man die onderzoek doet naar de oorlogsgechiedenis bij het Nationaal Archief. 

Loslaten

Er waren ook aanslagen die bommenneef had voorbereid en die niet doorgingen, daaronder zaten zelfs afrekeningen met mensen die oom zakelijk in de weg zaten. Maar ook zijn gelukte aanslag werd na de oorlog niet meer als verzetsdaad gezien, maar als misdaad. Hij had het recht niet meer de gang van zaken zelf te bepalen. De oorlog was afgelopen.
    De zwangere Marjolein wil haar held niet loslaten. Die heeft zich door de ring om haar vinger al vele jaren in haar leven geëtst: “Nu afhaken betekent bommenneef voor altijd verliezen.” Dat wil ze niet en dus gaat ze door met het zoeken naar het verhaal: “Het juiste verhaal.” Onderweg blijkt dat dit zich door families heen heeft gefluisterd en veranderd is naar verschillende versies of elders helemaal verdwenen is.

Grens

Een belangrijk thema in het boek is de diffuse grens tussen oorlog en vrede. Wanneer eindigt een oorlog en begint de vrede? Mensen die in het verzet hebben gezeten, hebben daar vaak jarenlang hun identiteit aan ontleend. Ze leggen die niet af als in Hotel de Wereld wordt ondertekend dat het vrede is, voor sommigen van hen gaat de oorlog door. Het verschijnsel wordt hier op de Nederlandse situatie losgelaten, die relatief gering in omvang was, en gediagnosticeerd als illegaliteitspsychose. Ze neemt daarvan een beschrijving over uit de roman Bevrijdingsfeest van Simon Vestdijk (pp. 149-150): “door die angst, en door alles wat daar nog bijkwam, hebben we ons tenminste niet verveeld. We hadden een doel (…).” 
    Die verbondenheid met de spanning in tijden van oorlog en conflict speelt ook in situaties elders in de wereld. Als straks in Birma het dictatoriale bewind is gevallen dan is het zaak om voor de verzetsgroepen emplooi te ontwikkelen om hen in de civiele maatschappij te krijgen. Dat is niet alleen nodig voor hun economische positie, maar ook omdat ze gewend zijn geraakt aan geweld. Je moet ze de middelen bieden hieruit te komen. Overigens speelde bij oom Frans ook een kwalijke rechtse (gewelddadig) anti-linkse politieke oriëntatie een rol die je in het naoorlogse Nederland wel meer tegenkwam. 

Naam
Van een heel andere orde is dat de hoogzwangere vrouw merkt dat het kind van haar en haar partner is, maar dat de zwangerschap en alles daaromheen van en voor haar alleen is. Waarom belt hij niet met de kraamzorg? Waarom moet haar leven overgenomen worden door het kind in haar buik? Als hij zich zorgen gaat maken over haar gezondheid is ze tevreden dat haar lichaam nu ook zijn probleem is geworden. Ze laat zich echter niet aan bed kluisteren, zoals hij wil. Ze blijft zoeken naar het verhaal en reist daarvoor zelfs hoogzwanger naar Spanje, want voordat het kind geboren wordt moet duidelijk zijn waarom Frans Frans zal heten. Het boek sluit af met haar woorden en de reactie van de verpleegster:
“Hij heeft een naam,'
'Net op tijd,' lacht ze. 'Ik kom zo met pen en papier.'” 
Verbanden

De muggenplaag blijkt veroorzaakt door water in de kruipruimte, zo vinden bestrijders van ongedierte uit. Dat is ook zinvol onderzoek. Zo haken wel meer zaken onverwacht in andere delen van het verhaal.
    Maar welke naam, dat weten we niet. Dat hoeven we ook niet te weten. (Al legt de opdracht vooraan in het boek dit – net als de volle naam van D – bloot voordat de lezer aan de tekst begint.)

Vertellen
Maar we noemen hem heeft de lezer veel te bieden. Niet alleen een verhaal over hoe de zwangerschap niet het bejubelde leven op een roze wolk is, een nuancering bij het heldhaftige verzet, of hoe een onderzoek kan verlopen, maar het is ook een manier om een familiegeschiedenis te beschrijven en hoe je daarbij onderweg vragen kan stellen en invalshoeken vinden, waarbij je open moet staan voor alle kanten (een kunde die ook elders van pas komt).
     Maar het gaat hier niet over de zwart-wit vraag rond goed of fout, zoals veel wordt gesteld in verband met deze roman. Wel over hoe moeilijk het is om het verkeerde te zien van iemand die je lang als held hebt gezien. Bovendien kan de schrijfster geen eenduidig oordeel vellen, zo merkte ze in 2018 op in een tweegesprek in de Volkskrant; oom Frans had nogal wat meegemaakt dat als verzachtende omstandigheid kan gelden. 

Een vlotte pen, zoals die van Heemstra, is zeldzaam en het verhaal van bommenneef extreem, maar vrijwel alle families hebben verhalen die verteld mogen worden, en als dat maar half zo kundig gebeurt als hier dan zullen vele daarvan het waard zijn gelezen te worden. 

Eerder besprak ik de dichtbundel REIS BED IJS TIJD TIJD TIJD

dinsdag 6 januari 2026

Het boek van Jongen

Het boek van Jongen geschreven door Catherine Gilbert Murdock speelt in 1350 als Europa in de greep is van de naweeën van een pestepidemie, waaraan een derde van de bevolking stierf. In centraal Frankrijk leeft een jongen met een bochel als geitenhoeder op een weinig om het lijf hebbende kerkelijke plek. Hij wordt gepest en gaat daaronder gebukt. De dieren zijn steun en toeverlaat voor hem en visa versa; ze verstaan elkaar.

Als hij boven in een boom is geklommen ziet hij een pelgrim aankomen. De man stinkt en is weerzinwekkend. Deze Pelgrim, Secundus, wil hem meenemen als hulp op een tocht naar het op drie dagen lopen gelegen Sint-Petrus-Trap. 
     Daar aangekomen halen ze een nep relikwie weg en ruilen dat later in een klooster om voor een tand van Petrus. Daar blijft het niet bij. Jongen wil mee op de hele tocht die bedoeld is om naast een rib en een tand, ook nog 'n duim, scheen, wat stof en hoofd van de heilige Petrus te vinden en tenslotte de hof van de heethoofdige apostel die voor een deel van de Christenen het hoofd van de kerk werd. Secundus corrigeert Jongen steeds bij de opsomming van de relikwieën en merkt op: het is geen 'hof', maar 'graf'. Het verwijst vooruit dat de zoektocht dan wel zal eindigen in Rome, maar de reis niet.
     
Een kaart die als illustratie in het boek staat maakt de hele tocht zichtbaar.

Het avontuurlijke verhaal is met vaart geschreven. De twee komen langs ontvolkte dorpen, verwaarloosde akkers en langs schapen die niet meer geschoren worden. De pest deed meer dan ziek maken. De ziekte ontwrichte hele maatschappijen. Rome ging ook nog eens ten onder aan wat Secundus de barbaren noemde en werd bij gebrek aan deugdelijk bestuur verder verziekt door de gevolgen daarvan: de komst van wolven en rovers naar de stad

Onderweg wordt Jongen duidelijke dat je niet kunt proberen normaal te zijn, immers: “Normaal is gewoon wat je bent.” Het is inderdaad mooi om te zien hoe Jongen opleeft, rechtop gaat lopen en zijn eigen plek inneemt. Het duurt nog een poosje totdat dat nog anders dan hij/zij/hun hier volledig naar kan leven. De twist die halverwege het verhaal komt, zorgt ervoor dat je net iets minder mee kan leven met Jongen. Het avontuurlijke bedenksel neemt teveel sprookjeskleur op het pallet.

Hoewel je ook dit kan zien in het licht van: wees wie je bent en verstop dit niet en leef, ook met gebreken of als je in ruime zin afwijkt van wat anderen de norm vinden. Het is een ruimte scheppend thema dat op verschillende manieren verwerkt is in het verhaal. Los van deze bemoedigende moraal is het heerlijk om met beide mee te trekken langs hindernissen en mogelijkheden onderweg.



vrijdag 2 januari 2026

JAZZ

JAZZ van Toni Morrison lacht me vanaf de kast tegemoet, omdat de titel me aanspreekt. Niet alleen om de muziek die er achter verscholen gaat, maar ook om de kleuren waarin de vier letters zijn geschreven.
    De muziek zit meer in de structuur van het boek dan in de tekst. Het danst heen en weer. Het woord Jazz komt in het hele boek niet voor (wel blues). Het is volgens de schrijfster een woord met suggestieve klank en sfeer van illegaliteit en bovendien was het in de tijd dat het boek speelt nieuw en voor en van jonge en gewone mensen.
kroeg-, kelder- en knijpmuziek

In de tekst komen we wel afkeuring van de muziek tegen: Ze wist uit preken en opiniestukken dat het geen echte muziek was – gewoon rommel voor kleurlingen: schadelijk, zeker, gênant, natuurlijk; maar niet echt, niet serieus. (...) Maar wat ze het meest haatte, was de honger ervan. Het verlangen naar het feest, de scheur; een soort zeldzame trek in een gevecht of een rode robijnrode dasspeld op de stropdas – beide voldeden. Het veinsde geluk, veinsde welkom, maar het maakte haar niet grootmoedig, deze kroeg-, kelder- en knijpmuziek.” Aan het woord is de puriteinse Alice Manfred. Maar is die visie er niet altijd bij nieuwe muziek die wordt geliefd door de jongeren, dat de ouderen het afwijzen, merkt Morrison tijdens een interview op.*

fruitkist en vogelkooi
Muziek is er echter ook in het straatbeeld van New York: “De zanger is moeilijk te missen, zittend op een fruitkist midden in een zijstraat. Zijn houten been steekt cool naar voren; zijn echte draagt zowel de beat als het gewicht van de gitaar.” Later staan koperblazers op het dak van een pand en spelen de klarinetten eruit om het frisse licht van de lente kracht bij te zetten. Muziek is er in woord én in klank. Dat muziek een levensbehoefte is, komt het sterkst naar voren rond de vogel die niet wil eten. Pas als de kooi op het dak wordt gezet, waar de melodieën naartoe waaien, knapt de vogel op en eet weer en heeft en geeft plezier.
New York

In een boek dat speelt in de laatste decennia van de negentiende en het eerste kwart van de twintigste eeuw kom je na 1918 invalide veteranen tegen, ook in de Verenigde Staten, maar om het racisme kan je ook bepaald niet heen. Dat was ook toen alomtegenwoordig in de maatschappij en nog gewelddadiger dan nu. Maar er was ook destijds al het snerende en neerbuigende racisme: “Ga daar maar niet zitten, liefje, je weet nooit wat ze hebben.”
    JAZZ speelt in New York, de enige stad in de Verenigde Staten waar verschillende groepen door elkaar woonden, vertelde Morrison in 1993 in het al aangehaalde interview. Dat is een gegeven voor het verhaal: de mensen gaan van het platte land, naar het Noorden, en naar de stad en leven er zonder de nadrukkelijke ideologie van raciale scheiding.

Moord

Toch gaat het op een ander vlak meteen mis in het boek. De pleegdochter Dorcas wordt uit jaloezie vermoord door Joe Trace een handelsreiziger in cosmetica, de man die een affaire met haar is begonnen. Morrison zegt dat ze de plot graag meteen prijsgeeft. De mensen die dan doorlezen zijn zij die van haar taal houden en/of die willen weten wat de achtergrond van de dramatische gebeurtenissen is. Voor wie het boek gaat lezen is er dan ook nog heel wat verklarend verhaal over en ook in die achtergrond hier speelt racisme een doorslaggevende rol.
    Waar kom je vandaan, wat is je achtergrond? Dat zijn de vragen waarop in
JAZZ antwoorden worden gezocht. Zowel van Joe, zijn vrouw Violet, Dorca als Alice Manfred krijgen we een beeld via welk pad ze terecht zijn gekomen in het New York van de jaren twintig van de vorige eeuw. Vrolijk maken die geschiedenissen niet.
    Joe Trace is een man waarvan iedereen denkt wat een fijne en betrouwbare kerel; een man die voor iedereen klaar staat en het beste wil. Hij is geïnteresseerd, luistert en is vriendelijk. Maar liefhebben kan hij niet. De manier waarop hij in de wereld kwam, de houding van zijn moeder hebben hem daarvan vervreemd.

Book of the dead

Foto: James Van Der Zee uit The Harlem Book of the Dead.
via: Book Review 1: Toni Morrison – Jazz.

 
Morrison vertelde dat een foto aan de basis van de roman stond. In New York maakte de gerenomeerde fotograaf James Van Der Zee portretten van dode mensen. Een baby op de arm van de vader, een meisje van 18 in een kist. Dat meisje werd in Jazz, Dorca. Ook het meisje in The Harlem Book of the Dead werd vermoord uit jaloezie. En het schijnt dat ook zij verborgen hield wat haar overkwam, zodat haar voormalige geliefde die haar net had neergeschoten kon ontkomen. De vrouw uit JAZZ in wiens huis het feestje wordt gegeven, is er ook niet rouwig om dat de politie niet bij de moord op Dorca wordt gehaald. Haar vriendin Felice maakt zich kwaad, omdat ze meent dat door de ernst te ontkennen ze haar eigen dood koos. De ambulance die Felice belde kwam ook nog eens te laat.

Jaloezie
Dorca kijkt anders naar Joe dan zij die hem beschouwen als een goede buurtbewoner. Ze vindt hem er voor een man op leeftijd goed uit zien. In zijn affaire met haar gaf hij cadeaus, adoreerde haar, maar gaf er niets om hoe ze eruit zag, wat ze at, hoe ze lachte, of ze wel of geen bril op had. Hij gaf er niet om, maar zij wel; ze wilde een identiteit hebben, zo stelt ze om het verschil tussen de relatie met hem en een ander te onderstrepen. De ander was het vriendje waarmee ze hem jaloers wilde maken, Acton. Die oefent wel invloed op haar uit om te zijn zoals hij wil dat ze is en te doen wat hij wil dat ze doet. En jaloers krijgt ze Joe, met de fatale gevolgen. 
Politie
Ook Alice Manfred, de pleegouder van Dorca, haalt de politie niet bij de moord en de aanval op het lijk door de vrouw van de dader, omdat de kennis die ze heeft van het zwarte leven in de Verenigde Staten haar duidelijk maken dat dit zinloos is. Als er dan toch ingegrepen wordt tegen witte politiemannen die zwarten vermoorden dan zegt de moeder van Felice: 
“dat ze blij is dat ze gearresteerd worden en dat het daarvoor tijd zou worden.” Haar man reageert sarcastisch met: “Het verhaal kwam in de krant, omdat het nieuws is, meisje, nieuws.”
Omstandigheden

Waarom houden mensen van elkaar, wat trekt hen aan. De wiegende heupen, de mooie ogen, het intrigerende, de spanning, er zijn veel redenen en veel daarvan komen terloops of nadrukkelijk aan de orde. Dat het vaak niet goed loopt, hoeft niet te betekenen dat ook die kanten niet aan relaties en liefdes zitten. Het is een belangrijk thema in de jazz compositie die Morrison schreef. Het gaat ook over andere menselijk gedrag: het goedpraten van een misdaad, het juist beklagen van de misstap, het uitschakelen van een moreel geweten en het sterken van het eigen gelijk. Of juist de vraag stellen of het anders was gelopen als de omstandigheden anders waren geweest. Geen geringe onderwerpen en inderdaad groter dan een plot. Onderweg komt de lezer langs beeldende en indringende verhalen, zoals dat van de vrouw die niet voor niets Wild werd genoemd en wiens zoon uit de boom viel waarin hij sliep. 

Lachen

Violet Trace gaat kort na de moord op bezoek bij Alice Manfred. Alice heeft de moord versterkt door het opgebaarde lijk aan te vallen met een mes. Het is dan ook ongepast en intimiderend dat ze langs komt bij wie tegenoveer haar zou moeten staan. Waarom gaat ze op bezoek? Niet om zich te verontschuldigen, maar eerder om aan te tonen dat haar en haar man geen blaam treft, die ligt bij het niet eens zo mooie, maar wel zeer jonge slachtoffer voor een man van vijftig. Zo blijf ze zelf overeind, terwijl wie geholpen zou moeten worden een klap in het gezicht krijgt.** In en gesprek vol kartels komen de twee toch bij elkaar. Voor beide geldt: is dit het leven, is dit alles wat er is. Het nauwere contact ontstaat doordat de een de loszittende voering in de jas van de ander repareert en groeit uit het lachen om een brandplek door de strijkbout. Sterker nog, er ontstaat een vriendschappelijke band die eindigt in de zinnen: “Violet besefte weer wat ze was vergeten: dat lachen serieus is. Ingewikkelder, serieuzer dan tranen.”

 

She carried an Okeh record under her arm and a half pound 
of stewmeat wrapped in pink butcher paper
.


Hierboven een van de vele Okeh LP's en singeltjes 
die te vinden zijn in het internet archief.


Noten:
* Ik meen me ook te herinneren dat ik ergens een opmerking van Morrison tegenkwam dat ze niet van jazz houdt. Maar dat zat toch anders. Het is personage Jadine in Tar Baby, die zegt dat ook al is ze zwart, ze Mingus toch echt slaapverwekkend vindt. Waarmee duidelijk wordt gemaakt dat je aan een zwarte huid geen zogenaamd zwarte eigenschappen moet kleven.
** Safae el Khannoussi vraagt zich tijdens een radio interview af waarom beul Yousef Slaoui in haar roman Orropa op bezoek gaat bij zijn voormalige slachtoffer Salomé Abergel als beiden in Amsterdam wonen. Daar ontstaat geen band uit. Die wordt, mijn inziens terecht, bruut verbroken, maar zoekt Slaoui ook naar verzoening? Hij leeft in een ander land en is niet meer de man van destijds er is een andere situatie. El Khannoussi zegt niet te weten waarom hij het doet. Ze beschreef hem om zijn persoon te begrijpen, maar doet dat nog niet helemaal. In JAZZ is het verhaal ook extreem, maar wel kleiner, en het wijst naar een zelfde soort missie.