Tijd voor traditie. Oliebollen bakken, beetje kaneel en sinaasappelssnippers voor de verandering. Sjoelen met op het eind een verlies en de kat in de bak. De druipkaars druipt. Naar bed na het vuurwerk, maar de brandende auto in de straat moet dan nog komen.
“Drama,” zegt de buurvrouw die ook naar buitenkomt door het lawaai. Deze traditie kende ik nog niet van dichtbij.
Als de brandweer al even aan het blussen is, komt een blik met agenten met honden en
a real show of force
de straat in. De situatie is daarna kort grimmig, waar voor ze kwamen
niets aan de hand was. Bijna alsof of ze solliciteerden naar rotzooi of
laat ik het 'positief' benaderen deze eigentijds met
overkill wilden
voorkomen. Er was wel een hysterisch gillende eigenaresse van de bolide.
Maar het zou je zuur verdiende auto maar zijn. Bovendien er was al
iemand om haar te kalmeren en een ander in kamerjas nam haar onder de
arm mee. Leve de wijkagent
!
“Wat is je goede voornemen,” wordt me op 1 januari gevraagd. Ik weet het nog niet.
“Niet meer moe zijn,”
wordt me aangeraden. Maar ik weet zeker dat dit niet gaat lukken. Ik
ben altijd moe. Dat gaat niet meer over. Er is zoveel wat op de schop
moet om het leven aardig te blijven vinden dat ik er nog niet
uit ben waar ik me op ga richten.
De vrager, winnaar van het sjoelspel de avond ervoor, houdt echter aan en ik zeg:
“Niet meer boos worden en als ik dat wel word evalueren hoe het te voorkomen.”
Misschien bedoel ik niet boos (dat kan je immers ook terecht worden), maar niet meer oncontroleerbaar driftig
worden. Hoe stop je dat? Ben benieuwd of het gaat lukken. Tot nu toe is het geen loze traditie voor me om een goed voornemen te maken. Dat mag zo blijven.