Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen

maandag 9 december 2024

Niemandsland



Niemandsland, van de Zaanse band De Kift, is een muziekalbum, kunstwerk en dichtbundel in een. De van ansichtkaarten geknutselde hoes (voor elk exemplaar anders), bevat twee vouwfolders. Een doet dienst als binnenhoes en colofon, maar bevat ook vijf gedichten en evenveel tekeningen van Wim ter Weele. Hij is naast kunstenaar ook de drummer van de band.

Het titelgedicht is van de zanger, koperblazer en gitarist, Ferry Heijne. Het is geïnspireerd op
Thirteen van Johnny Cash. Maar het is wel met een heel vrije geest herdicht. De sfeer gaat van het Noord-Amerikaanse platteland bij Cash naar de klaagkras van een kraai die Heijne opvoert.
     De eerste woorden op het album komen van deze zwarte vogel:
“Het is een lange lijst ellende waarover ik vertel.” Naast de tekst zit die kraai op de achterkanten van een aantal getekende ansichtkaarten.



Verrassend is het een gedicht van
Marion Bloem tegen te komen. Haar gedicht Kalverliefde in liefde is soms lastig, liefste uit 2011 is het begin van een pagina waar ook August Strindberg (Inferno) en Bonumil Hrabal (De toverfluit) een strofe krijgen. Samen vormen ze het gedicht Dageraad.

Ik veeg de straten
aan met tranen
't zand uit mijn ogen
ligt in zee
ze zeggen dat
ik heb verloren
maar het zat alleen
wat tegen
nu zit het
alweer mee

De regels zijn gecentreerd afgedrukt. Mooi is dat niet en of het zo bedoeld is door Bloem of door de ontwerpers van de verpakking bedacht, weet ik niet, maar het doet zo aan als de lijst gerechten op een menukaart. Ach er moet iets te klagen zijn. De tekening ernaast is sprookjesachtig en dat sluit dan weer naadloos aan op de teksten.

Ook in
Kompanen worden teksten van verschillende schrijvers samengevoegd. Roberto Arlt, Herta Müller, M.I. Tsvetajeva en Armando leveren ieder in een eigen kleur een tekst. Müller vraagt zich af of de wereld geen genoeg krijgt van ons. Dit mocht je denken dat het andersom was: jij genoeg van haar. Kwestie van de juiste verhoudingen zien.

Door naar Alec Kopyt van de Amsterdam Klezmer band. Hij schreef:
Omhels me zacht, de nacht is goed/Ik vergeet je niet. Daarnaast een getekende Adam en Eva en de boom met een rode appel.



Mooi heet het volgende gedicht eenvoudigweg. Het is samengesteld uit twee delen. Eén van
Werner Schwab en het ander uit de Edda, vertaald uit het IJslands door Marcel Otten. “Mooi is het hier, mooi...” is de terugkerende regel. De boom die er ernaast geschilderd is, staat volop in waterige en toch helle kleuren achter het net van een doel, samen een klein landschap. 

Vogels, vlinders, bomen ze maken de wereld, wereld,/nee liever niet creperen, om de woorden uit een ander energiek gezongen lied te gebruiken. Samen volop zingen over ribbelend zand. Mooi, inderdaad.




De volgende acht gedichten staan in de andere folder, weer met evenveel tekeningen. In Trompetboom valt meteen al de regel op “Mooi... is het hier”. Hier komt hij een tikkie anders op de pagina dan eerder. Hij is nu van Sylvia Plath uit Zie, de duisternis lekt uit de scheuren.
    Ook in de trompetboom wordt een nieuw gedicht geknutseld met verschillende stemmen. Ook die van
Roberto Juarroz, Armando en André Breton. De eerste schreef:

Nooit tekent zij een deur, nooit.
Zij wil niet naar binnen en niet naar buiten.


Dan zijn er nog Pablo Neruda en Boris Vian die de aarde niet kwijt willen. De Witte Vlinder die kenden we al; die werd eerder op een single bezongen. Wel zocht ik er het verkeerde gedicht van
Iosif Brodski bij. Het was dit in 1987 door Charles B. Timmer naar het Nederlands vertaalde gedicht en hier opgenomen als Witte Vlinder.


Speel me een wals zolang er nog tijd is
Een wals die de tijd overbrugt
Speel me een wals voor de dag die voorbij is
Een wals voor de meeuw in de lucht

Speel me een wals voor de tijd die gaat komen
Voor het vuur dat nooit wordt gedoofd
Speel me een wals voor breekbare dromen
Voor de dromen waarin niemand gelooft

Tussen de twee strofen in stond 'n zestal regels van Maria Tänase over het blijvende van de wereld. De twee bovenstaande coupletten zijn van Nico van Apeldoorn. De persoon aan wie ik ze voorlas stuurde meteen andere woorden van deze dichter naar mijn mobiel: Wij zijn de kinderen van hoop /.../Wij zijn het die verloren slagen strijden/Wij zijn het die zullen vechten tot de wereld vergaat en nog wat regels. Ze kende ze uit haar hoofd. Op de tekening van Wim van der Weele danst ernaast een traditioneel deftig gekleed koppel onderwater in een fles met kroonkurk een wals.

Hoe kan het ook anders. Het dertiende gedicht heet
Ansicht. Het begint met

Ik had me willen voelen
als de keien die jij om en om keert,
aangevreten door het zout,
een scherf buiten de tijd
Het zijn woorden van
Eugenio Montale uit het gedicht Middellandse Zee. Ze worden gevolgd door een tekst van Pablo Neruda (uit: Er is geen vergeten). Door het gebruik van verschillende kleuren tekst zie je direct wie voor welk deel van het samengesteld lied stond. Neruda's deel begint opgewekt met viooltjes en zwaluwen om te eindigen met zoveel dingen die ik vergeten wil.
     Een paar gedichten heb ik niet genoemd (
Lied Van Mijn gramschap, Volgens en het ook al eerder dit jaar als singel verschenen Rode Maan). Zo mistte ik ook wat dichters (Henri Michaux, Cormac McCarthy, en Carl Sandburg).

Al met al bevat Niemandsland een wonderlijke collectie waaruit het droeve, maar toch ook het dansen zonder tranen opwelt. Je moet immers wel.

En als je 'de verpakking' uit hebt, dan kan je gaan luisteren naar de muziek en (samen)zang. De Kift wordt vaak geïntroduceerd als melancholische fanfare punkband, maar het woordje literaire zou daar nog voor kunnen staan om het gezelschap dat woont en oefent tussen de geuren van de cacao nog ongrijpbaarder te maken. De verpakking, het album, de teksten, ze ademen anders dan anderen, elusief, zou je met een woord dat om een gedicht vraagt, kunnen schrijven en het is zeker nóg meer dan muziek alleen.

zondag 8 september 2024

De oude kustlijn


De oude kustlijn, de vierde en laatste, postuum uitgegeven bundel van M. Vasalis, was uit de kast gehaald en lag bij de boeken om mogelijk weg te doen. Ik haalde hem van die stapel en pakte hem weer op en kwam de opdracht van de geefster tegen: 

omdat (…) het gele vlindertje
en het hondje met de opgestoken oren

eigenlijk toch
het bewind blijven voeren
over je hart
en alles waar je voor staat.
Dat hondje komt uit het gedicht Gelijktijdigheid
zes uur 's avonds in de keuken

Het hondje met de opgestoken oren
de aardappels, die te koken staan,
de klok die houten tikt ? de lucht
ver en grijsblauw en de manshoge
spring-balsemien. Het weiland
met de ongelijke pollen en hun schaduw
als grotten-tekeningen. En het felle licht
dat door de blaadren brandt, een fonkelend mysterie.
En ik ? een ander schepsel, dat het ziet.
Het blijft tesamen, en er verandert niets.
O heer. Ik voel dat mij iets duidelijk gemaakt
zou moeten worden. Dat mij nu tijd gegeven wordt
en ook, hoezeer getroffen ook, iets aan mij schort
om werkelijk te kunnen zeggen: deze orde
hoe slordig zij ook is: ik zie het en ik ben ontwaakt.
Vergeef mijn doofheid en mijn blind-zijn
en vat mij in uw grootheid ? ik ben klein
maar uitgerust helaas met veel te veel tentakels
die tasten in het anders-zijnde Zijn.
Het gele vlindertje fladdert voorbij op de pagina ernaast. Het zijn slechts schijnbaar terloopse en achteloze woorden:
De zomerwei des ochtends vroeg.
En op een zuchtje dat hem droeg
vliegt een geel vlindertje voorbij.

Heer, had het hierbij maar gelaten.
Ik kopieer bovensaande uit een parochieblad, de godsdienstige verzuchting heeft in die kringen aantrekkuingskracht. De geefster van het boek is dominee. Toch zijn het woorden, die ook de atheïst aanspreken. Dat Heer kan ook de uitroep zijn van iemand die blij is die citroenvlinder - aangenomen dat die het is -, vroeg in het jaar te zien vliegen; daarvan te genieten; en dan op te merken dat er andere luikjes zijn om door te kijken, waaronder die met zoveel lelijkheid erachter dat de kleine gele vlinder er bijna door bedolven wordt: Rot op, dat liever niet.

Vogels schreven in de woorden van
de vader van Vasalis de titel van de bundel. Hij wees tijdens een strandwandeling op een vlucht vogels boven zee en vertelde: Die volgen de oude kustlijn. Aan het einde van de bundel komen dan nogmaals de vlinders voorbij. Nu aan het raam. Ze zijn vliederdun en in de plaats gekomen van de vogels. Die frêle vlinders kondigen het einde aan (“Het is wel tijd om weg te gaan.”). Het allerlaatste einde komt met een aperte waarneming in het gedicht SUB FINEM (het laatste in de bundel en tweede met deze titel): “Het werd, het was, het is gedaan.”

Er zijn veel meer treffende woorden uit de bundel te halen. Er is bijvoorbeeld het zich verliezen in de liefde:
Er is iets groots, iets wilds en rustigs gaande
in ons, aan de kant van het water staande
als stemvorken staan onze hoge benen
en zoemen op de zoemende grond,
het is te horen als we even
stilstaan, luistrend, mond op mond.
Maar die liefde zal ook niet zo vanzelf stromen als de beek van de berg. Zo merkt een ander gedicht op:
Ik denk niet dat je mij al kent
ik ben zo aan mezelf gewend
en ’t is zo moeilijk om dit kind
dat vaak alles ondraaglijk vindt
te doen beseffen, dat jij er bent.
En er is een kort nawoord, waarin ik las waarom de dichter in 1954 grotendeels stopte met publiceren: “Wat mij in en na de oorlog overkomen is, komt hierop neer: een enorme relativering van mijn eigen lot… ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was.” Of zoals elders verwoord: "Poëzie schrijven gaf haar het gevoel ‘een lucifertje bij een brand af te strijken’." Voor de kenners geen nieuwe woorden (uitgesproken in 1974 bij het in ontvangst nemen van de Constantijn Huygensprijs), maar het raakte me in de huidige tijd van oorlog, waardoor zoveel woorden slecht hechten en dreigen verloren te gaan in de wind. Maar, 
Kom nu forellen, mijn herinneringen
spring met de verse krachten
en met de eerste wilde geuren
tegen de stroom.
dit is toch wat je wilt bewaren.

De spelling in de bundel is gemoderniseerd. Even vraag ik me af of
Monjetketjil dan ook niet naar modern Maleis had moeten worden omgezet, waar de j klank met de y wordt geschreven en de tj klank met de c, monyetkecil dus, kleine apenkop. Het is een niemendal. Het werk is uitgegeven op mooi papier dat in de Colofon '100 grams gevergeerd romandruk' wordt genoemd. Het is vaktaal voor papier dat een aangenaam boek heeft opgeleverd. Een boek waarin het werk en leven van een moeder (en haar moeder: “had ik je maar als kind gekend/die nu mijn kind en moeder bent.”) verdient die aandacht.


maandag 11 december 2023

Zonder het licht te breken

Amina Belôrf publiceerde in 2020 de bundel Zonder het licht te breken. Binnen een halfjaar was deze EPO-uitgave aan de vijfde druk toe. Een prestatie van formaat voor poëzie, ook al omdat er door de corona geen promotie activiteiten omheen waren.

De titel komt uit het korte gedicht
Mild
Kon ik je maar
zachtjes zeggen
– zonder het licht
te breken -
dat wat je voelt
niet altijd echt is.
Naar welke 'je' richt de dichtster zich hier? Naar haar vader of naar haar moeder? Op beide is het boek in belangrijke mate gericht. De eerste is na een leven van hard werken in zijn nieuwe land, en het slikken van neerbuigendheid in zijn richting, getroffen door het alzheimerbeest en gestorven. De 'ik' is dan zijn dochter. Die ik blijft elders in het boek naar boven kijken, want na een zware regenbui komt het licht immers van de regenboog. Zit de dementie in het irrationele en het breekbare licht? De moeder leefde op na het overlijden van haar man en zat vol satire en pret (er is een mooi verhaaltje in een wassalon waar ze een Belgische raciste te kakken zet), dat is ook een vorm van licht in het donker dat liever niet benoemd wordt. Geldt het beide ouders dat ze het lelijke niet wilden zien? Of is die 'je' uit het vers ook de lezer zelf? Ik dus, of jij.

Zo is in dit korte zoeken meteen heel wat thematiek uit de bundel genoemd. De breekbare kwetsbaarheid van de mens, de angst, rouw, de eerste en tweede generatie, de aankomst elders, en de dementie die iedereen dichtbij of verderweg tegenkomt en zich toe moet verhouden. En er is de bijna terloopse opmerking dat naast de gedichten ook korte proza teksten zijn opgenomen. Dat zijn om te beginnen een inleiding op de bundel, maar naast de grappige terechtwijzing in de wasserij, ook een ongemakkelijke situatie in een supermarkt. Deze poëzie raakt veel gevoelens en talrijke thema's op lichtvoetige manier, open, en zonder te versimpelen. Misschien is dat wel een reden voor het succes.

De gedichten bevatten ook alledaagse beelden, maar dan net wat anders, zoals deze:
Windmolens staan alleen
alsof ze in de verte
naar elkaar wuiven
   als kleine jongens
   op een speelterrein
   van sluwe slangen,
   begerig een vriendje te maken.


(Vers uit het gedicht
bestemming onbekend waarin ook een strofe over de waarde van het ronddolen.)
De bundel haal ik twee dagen voor de verkiezingen van november 2023 uit de bibliotheek. Ik lees hem in de dagen daarna. De dagen dat mensen kijven over de al dan niet verzonnen racistische karakterisering van de PVV, Wilders en zijn trawanten. Dan lees ik Madeliefje waarin de woorden

ik heb genoeg van uw
zwart-witredeneringen
van uw grenzen-open-
grenzen-dichtbeleid
van uw ik hou van u
ik hou niet van u
ik hou van u
ik hou niet van u

Antwerpen
ik hou van u

maar ik ben geen madeliefje.

Het gaat in Nederland niet bloemblaadje voor bloemblaadje, maar de hele bloem wordt in een keer, door de grootste na de verkieizingen, afgetrokken en dat staat voor: ik hou niet van u. Toch kan Antwerpen ingeruild worden voor Rotterdam, Ter Apel of Weert. Het onwelkome gevoel is er ook hier. Een grens maakt geen wezenlijk andere mensen en al helemaal niet als we dezelfde taal spreken en schrijven. De mens is kwetsbaar en de liefde sterk, maar ze is niet zo gevoelloos dat ze alle stormen en alle stampende voeten wil en kan weerstaan. Dit boekje werpt uit de eigen gezinssituatie en achtergrond een blik naar buiten om onder andere dat niet te vergeten. Waardevol.